Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.4
4.3.6.4 Grenzen aan de mogelijkheid om grieven aan te voeren
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS375017:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De appèlrechter moet immers weten waarover zijn oordeel wordt gevraagd en de geïntimeerde waartegen hij zich heeft te verweren. Zie o.m. HR 5 december 2003 (Clickly.com/Johnson Spark), NJ 2004, 76, AA 2004, p. 282-287 (G.R. Rutgers) en HR 9 september 1994 (Gloudemans/De Winter), NJ 1995, 6.
Zo HR 11 november 1983 (Broere/Olivetti), NJ 1984, 298 (essentie). Zie ook o.m. HR 1 juli 1988 (Fugro/Joustra), NJ 1989, 156 (WHH); HR 23 december 1988 (Delken/Bedrijfspensioenfonds Detailhandel), NJ 1989, 264; HR 19 oktober 1990 (Maas/Gem. Schijndel), NJ 1991, 607 (HJS); HR 26 april 1991, NJ 1992, 407 (JBMV); HR 4 oktober 1996 (Rademakers/SPMS), NJ 1997, 66; HR 2 april 1999 (Piereij/Schomo), NJ 1999, 431; HR 15 oktober 1999 (Poldervaart/Smit), NJ 2000, 21 (PAS) en HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 345 (ThMdB).
NJ 1992, 407 (JBMV).
HR 6 januari 2006 (Fortuna/Léséleuc), RvdW2006, 75.
Aldus HR 4 oktober 1996 (Rademakers/SPMS), NJ 1997, 66. Zie ook HR 21 september 1990, NJ 1991, 35, waarin de Hoge Raad uitspreekt dat ook indien de wederpartij van de appellant niet in haar verdediging wordt geschaad doordat appellant pas bij aanvullend beroepschrift, na het verstrijken van de appèltermijn grieven heeft aangevoerd, dit onvoldoende is om een uitzondering te wettigen op de regel dat het beroepschrift de gronden waarop het beroep berust moet bevatten.
Vgl. HR 3 februari 1984 (Interpolis/X), NJ 1984, 765 (FHJM en WLH); HR 28 maart 1980 (Geelenchalla/Schols), NJ 1980, 489 (PAS); HR 19 december 1980, NJ 1981, 266 (PAS) en HR 4 december 1998, NJ 1999, 675 (JBMV). Zie Ras/Hammerstein 2004, nr. 34.
Ras/Hammerstein 2004, nr. 34.
Men denke aan de situatie dat in eerste aanleg een vordering tot opzegging van de huur en ontruiming van de woning is afgewezen, omdat verhuurder niet geslaagd werd geacht in het bewijs van de door hem aan de vordering ten grondslag gelegde overlast die huurder zou veroorzaken. Sticht huurder hangende de procedure in hoger beroep, nadat verhuurder zijn memorie van grieven heeft genomen, brand bij zijn buren, dan zal verhuurder dat feit alsnog in de procedure moeten kunnen stellen, ook als daarin niet anders dan een nieuwe grief kan worden gezien. Evenwel zou men ook goed kunnen verdedigen dat alsdan de aard van het geding een uitzondering op de grievenregel rechtvaardigt.
Zie HR 19 oktober 1991 (Maas/Gem. Schijndel), NJ 1991, 607, met kritische annotatie van Hl Snijders. Voorts Ras/Hammerstein 2004, nr. 32 en de door Snijders verdedigde andersluidende opvatting in Snijders/Wendels 2003, nr. 196.
Aldus HR 15 oktober 1999 (Poldervaart/Smit), NJ 2000, 21 (PAS).
176. Het grievenstelsel brengt mee dat de rechter in hoger beroep slechts heeft te oordelen over behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven tegen het vonnis van de eerste rechter.1 Voor de beantwoording van de vraag wanneer grieven als behoorlijk naar voren gebracht kunnen gelden, dient mede maatstaf te zijn of de wederpartij zich tegen de aangevoerde grieven naar behoren heeft kunnen verdedigen, aldus de Hoge Raad. Ingevolge art. 347 Rv (dagvaardingsprocedure) of art. 359 Rv jo. art. 278 lid 1 Rv (verzoekschriftprocedure), mag die wederpartij er volgens de Hoge Raad immers van uitgaan, dat de omvang van de rechtsstrijd in appèl mede door de memorie van grieven (dagvaardingsprocedure), dan wel het beroepschrift (verzoek-schriftprocedure) is vastgelegd. Zij behoeft er geen rekening mee te houden dat haar verweer aanleiding kan geven tot nieuwe grieven. Dit brengt mee dat de appèlrechter geen acht mag slaan op grieven die na het nemen van de memorie van grieven of na indiening van het beroepschrift worden aangevoerd, tenzij de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de betreffende grief alsnog in de rechtsstrijd word betrokken.2
In een beschikking van 26 april 19913 overweegt de Hoge Raad dat deze regel
'berust op de eisen van een goede procesorde in hoger beroep en de gedachte dat die eisen meebrengen dat de appellant de vrijheid heeft door het formuleren van grieven de aanvankelijke omvang van de rechtsstrijd in appèl af te palen, maar dat daartegenover staat dat de geïntimeerde bij het bepalen van zijn standpunt op de aldus getrokken grenzen mag afgaan'.
Deze in beginsel strakke regel kan, onder omstandigheden die meebrengen dat een bepaalde grief niet eerder aangevoerd had kunnen worden, uitzondering lijden. Bovendien kan een uitzondering volgens de Hoge Raad in genoemd arrest worden gerechtvaardigd door de aard van de zaak, immers:
'Wat een goede procesorde in hoger beroep meebrengt, kan evenwel mede afhangen van de aard van het geschil waarover het oordeel van de appèl-rechter wordt gevraagd.'
Tot op heden is door de Hoge Raad op deze grond enkel een uitzondering aanvaard in zaken die uitsluitend een uitkering tot levensonderhoud betroffen, waarover in de volgende paragraaf meer. Daarnaast heeft de Hoge Raad ook een uitzondering aanvaard voor het geval de nieuwe grief het bedrag en de modaliteit van een in eerste aanleg opgelegde dwangsom betreft, en de hoofdveroordeling waaraan de dwangsom is verbonden in hoger beroep aan de orde is gesteld.4 Die uitzondering strookt volgens de Hoge Raad met jurisprudentie van het Benelux-Gerechtshof, waarin is beslist dat het bedrag en de modaliteiten van een gevorderde dwangsom uiteindelijk aan het gezag van de rechter zijn overgelaten, alsook met de aard van de dwangsom, die meebrengt dat de daarover tot oordelen geroepen rechter in elk concreet geval dient af te wegen op welke wijze deze als indirect executiemiddel dient te worden toegepast. Het staat de rechter dan ook vrij om het bedrag en de modaliteiten van die dwangsom in de beoordeling te betrekken, zelfs ook zonder dat daartegen een specifieke grief is gericht.
177. In zaken die naar hun aard geen uitzondering op voormelde regel rechtvaardigen kan een uitzondering volgens de Hoge Raad ook niet worden aanvaard op grond van een afweging van de belangen van partijen, betrokken bij de toelating van die nieuwe grief.5 Wel kan een rechtsontwikkeling die voor de te beoordelen zaak relevant is en die zich voordoet nadat de memorie van grieven is genomen, maar voordat uitspraak is gedaan, meebrengen dat de rechter partijen gelegenheid moet bieden om hun stellingen aan te passen aan de nieuwe juridische situatie. Voor zover die aanpassing dan leidt tot het formuleren van nieuwe grieven, wordt ook in dergelijke situaties de in beginsel strakke regel ten aanzien van de toelaatbaarheid van nieuwe grieven doorbroken.6
Aannemelijk is dat een uitzondering ook moet worden aanvaard ingeval appellant nadat hij de memorie van grieven heeft genomen op de hoogte is geraakt van feiten die - in zijn ogen - een grond voor vernietiging van het bestreden arrest opleveren en derhalve als grief moeten worden aangemerkt, maar waarvan hij ten tijde van het formuleren van zijn grieven nog niet op de hoogte kon en behoorde te zijn.7 Hetzelfde zal mijns inziens moeten gelden indien appellant zich beroept op feiten die zich pas hebben voorgedaan nadat de memorie van grieven is genomen of het be-roepschrift is ingediend en die de onhoudbaarheid van de bestreden beslissing tot gevolg kunnen hebben.8
De regel wordt ook niet doorbroken door art. 348 Rv, dat gedaagde toestaat in appèl nieuwe weren te voeren, voor zover hij deze in eerste aanleg niet heeft prijsgegeven. Is oorspronkelijk gedaagde in hoger beroep appellant, dan zal een nieuw verweer dat tevens een grond oplevert waarop de bestreden uitspraak, bij gegrondbevinding, dient te worden vernietigd, als grief tegen die uitspraak moeten worden aangemerkt. Een dergelijk verweer wordt immers aangedragen ten betoge dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en kan derhalve alleen met succes in de memorie van grieven worden aangevoerd, tenzij de wederpartij er ondubbelzinnig mee instemt dat het later alsnog in de rechtstrijd worden betrokken.9
Overigens is niet altijd even duidelijk of een nieuwe stelling ook een nieuwe grief inhoudt. Het oordeel hierover is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden beoordeeld.10
178. De partij die wil voorkomen dat een door haar wederpartij na memorie van grieven of beroepschrift aangevoerde grief in het geding wordt betrokken, doet er goed aan uitdrukkelijk tegen de toelating van de nieuwe grief te protesteren. Gaat zij zonder protest inhoudelijk op de grief in, dan mag de rechter daaruit concluderen dat zij ondubbelzinnig erin toestemt dat de grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken.11