Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/0.13
0.13. Europa in met basisbeginselen voor de erfrechtelijke beheerder. Is ons gras groener?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403790:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Loi nr. 2006-728 van 23 juni 2006 'portant reforme des successions et des liberalites' (Journal Officiel 24 juin 2006).
Zie over het nieuwe Eranse erfrecht onder meer PHILIPPE MALAURIE/LAURENT AYNES, Droit Civil, Les Successions Les Liberalites, Parijs: Defrénois 2006. JEAN-ERANCOIS SAGAUT, Le nouveau droit des successions, Parijs: Editions Dallaz 2006, ALAIN DELEOSSE/JEAN ERANCOIS PENGUEL, La reforme des successions et des liberalites, Parijs: Litec 2006, ERANCIS LEEEBVRE, Les successions et les liberalites apres la reforme, Parijs: Editions Erancis Lefebvre 2006. Zie ook PETER KLIMA, Reform des Erbrechts und der Vermogensubertragungen in Erankreich, Zeitschrift fur Erbrecht undVermogensnachfolge (ZEV) 2006, 10, p.440-444, alsmede PIERRE BECQUE,Une reforme en profondeur: la reforme des successions et des donations en droit francais,Tijd- schrift Estate Planning (TEP) 2006, 5, p. 366-376.
Zie ALAIN VERBEKE, Over de Grenzen (Editoriaal), Tijdschrift Estate Planning (TEP) 2006, 5, p. 329: Aldus heeft de Eranse wetgever, zoals in Nederland, het erfrecht op een vrij doordachte wijze in zijn geheel geactualiseerd. Dat staat in schril contrast met de conservatieve Belgische houding waar men niets durft te veranderen, en zeker niet op globale wijze.'
Zie de imposante studie van T.H.D. STRUYCKEN, De numerus clausus in het goederenrecht (diss. Nijmegen), Serie Onderneming en Recht deel 37, Deventer: Kluwer 2007, p. 795, die op het terrein van het goederenrecht tot de conclusie komt dat de verschillen tussen de rechtsstelsels in Europa in het goederenrecht kleiner zijn dan pleegt te worden aangenomen. Zie ook J.H.A. LOKIN en W.J. ZWALVE, Hoofdstukken uit de Europese Codificatiegeschiedenis, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 436 die afsluiten met de gevleugelde woorden: 'Cela resserre les liens des nations d'avoir les memes lois civiles'.
Advies Europees Economisch en Sociaal Comite van 26 oktober 2005, PublicatiebladEuro-pese Unie van 3 februari 2006, C 28/1, par. 2.8.2. Degenen die toch nog, zo veel mogelijk, aan de klassieke legitieme willen blijven vasthouden zal daarentegen aanspreken de passage (2.8.3) dat het zonder motivering onterven van bepaalde afstammelingen steeds meer omstreden is.
Congresverslag van het XVIIe vierjaarlijkse congres van de Academie Internationale de Droit Compare gehouden te Utrecht op 16 juli 2006, Ars Aequi (2007) 5, p. 429.
De laatste stand van zaken, althans ten tijde van het afronden van dit onderzoek, wordt bij mijn weten weergegeven in de debatten van 15 november 2006 CRE (019) over het verslag (A6-0359/2006) van GIUSEPPE GARGANI, namens de Commissie juridische zaken, met aanbevelingen aan de Commissie betreffende erfopvolging en testamenten (2005/2148 (INI)). Op basis hiervan is op 16 november 2006 door het Europees Parlement een resolutie aangenomen met aanbevelingen, waarin onder meer (in aanbeveling 7) voor de invoering van een Europese verklaring erfrecht gepleit wordt met vermelding daarin van de erfrechtelijke beheerders en hun bevoegdheden. Het Groenboek inzake erfrecht en testamenten van 1 maart 2005 werdop 5 maart 2005 gepresenteerdop basis waarvan een verordening zal worden opgesteld, Q.J. MARCK, De afwikkeling van een nalatenschap met internationale aspecten: het Nederlandse IPR in vogelvlucht, WPNR (2006) 6672. Op 26 oktober 2005 gaf het Europees Economisch en Sociaal Comite advies over het Groenboek. Zie ook de brief van de Minister van Justitie (Directie Wetgeving) van 19 december 2005 (kenmerk 5392874/ 05/06), die na daartoe gemachtigd te zijn door de ministerraad de Tweede Kamer doet toekomen de (concept-)antwoorden van de Nederlandse regering op het Groenboek van de Europese Commissie inzake erfopvolging en testamenten, COM (2005) 65 definitief.
EWJ.M. SCHOLS, De erfrechtelijke IPR-cautio? Naherberechtigung en'retorsie' in het internationale erfrecht,WPNR (2007) 6703, p. 236.
In de Dikke van Dale lees ik: 'Het verschijnsel dat twee ongelijksoortige organismen op of in elkaar leven tot wederzijds voordeel.' Soms ontstaat er wellicht zelfs een erfrechtelijke synthese: 'een verbinding van afzonderlijke elementen tot een nieuw geheel.'
Sterker nog: een verklaring van erfrecht/executele wordt met name afgegeven met het oog op het rechtsverkeer en in het bijzonder met het oog op het 'bankverkeer'.
Wet van 4 september 1996, houdende regeling van het conflictenrecht inzake de erfopvolging alsmede de vereffening en de verdeling van de nalatenschap, mede in verband met de bekrachtiging van het op 1 augustus 1989 te 's-Gravenhage tot standgekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging (Trb. 1994, 49 Wet conflictenrecht erfopvolging, Wcerf). Ook van belang is art. 4lid1 Wcerf dat luidt: 'De vereffening van de nalatenschap wordt door het Nederlandse recht beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had. In het bijzonder zijn van toepassing de Nederlandse voorschriften inzake de gehoudenheid van de door het volgens het in artikel 1 genoemde Verdrag toepasselijke recht aangewezen erfgenamen voor de schulden van de erflater en de voorwaarden waaronder zijhun gehoudenheid kunnen uitsluiten of beperken.' En lid 2: 'De wijze waarop de verdeling van de nalatenschap tot stand wordt gebracht, wordt door het Nederlandse recht beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had, tenzij de deelgenoten gezamenlijk het recht van een ander land aanwijzen. Met de eisen van het goederenrecht van de plaats van ligging der activa wordt rekening gehouden.'Art. 5lid2 Wcerf luidt als volgt: 'Onverminderd de bevoegdheid van de voorzie-ningenrechter in kort geding kan de rechter op vordering van een belanghebbende voorzieningen treffen om te waarborgen dat met betrekking tot de vererving van de in Nederland gelegen bestanddelen van de nalatenschap het volgens het in artikel 1 bedoelde Verdrag toepasselijke recht wordt in acht genomen. Hij kan bevelen dat in verband daarmee zekerheden worden gesteld.' Lid 2 verschaft, blijkens de Memorie van Toelichting, 23 857, nr. 3 de notaris een grondom te weigeren aan een buitenlandse vereffenaar een verklaring van exe-cutele af te geven.
Zie MvT 23 857, nr. 3, p. 5.
B.E. REINHARTZ, T & C Erfrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 1118. Men kan zich de vraag stellen hoe zich dit verhoudt tot onze zeer flexibele bepaling art. 4:171 BW. In zoverre zal een buitenlandse functionaris in de regel 'eenvoudig' in te bouwen zijn. Zie ook M.H. TEN WOLDE, Vereffening en verdeling in het Nederlandse internationaal erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1995, p. 50, noot 111 die er onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (citaat van de minister, MvT 23 857, nr. 3, p. 5) op wijst dat de bepaling nog geen antwoordgeeft op de vraag aan welke wettelijke voorschriften de vereffenaar zich heeft te houden als de laatste gewone verblijfplaats van de erflater zich in het buitenland bevond, terwijl zijn nalatenschap bestanddelen in Nederland bevat. Zie ook de beschouwingen van I.S. JOPPE,Vademecum Internationaal Erfrecht, Deventer: Kluwer 1980, p. 105 e.v., over de eventuele erkenning van de 'personal representative' waar zij onder meer wijst op een rechtbankvonnis dat leidde tot HR 20 januari 1961, NJ 1964, 381, waarin beslist werd dat een Amerikaanse executor aan de uiterste wil behalve de hoedanigheid van erfgenaam ook de hoedanigheid van executeur ontleende. Joppe wijst op het belang van zekerheidstelling in kwesties als deze. Zie ook over het internationale certificaat van erfrecht JW.M. DE VOS, De notariele verklaring van erfrecht (diss. VU Amsterdam), Arnhem: Gouda Quint 1975, nr. 383 e.v. waar blijkt (p. 408) dat in deze de introductie van een Common Law-be-grip (administration) in Civil Law allesbehalve eenvoudig is.
ALAIN VERBEKE, Elfknelpuntentocht voor Nederbelgen, Eiscaal Tijdschrift Vermogen (ETV), april 2002. Indachtig het 'verkeersrecht' van Verbeke mag men echter nooit achter 'het stuur' inslapen en over het hoofd zien dat de bij een andere rechtsorde horende rechters ander recht zullen toepassen of zullen moeten toepassen. In het ene land wordt nu eenmaal links van de weg gereden en in het andere land rechts.
COM (2005) 65 definitief. Aan het slot van het document wordt onder 'wetgevende aanpak' opgemerkt: 'Het opstellen van een geheel van communautaire regels betreffende erfopvolging en testamenten zal, gelet op wat voorafgaat, een bijzonder omvangrijk en ingewikkeld project worden.'
Het Groenboek bevat de navolgende problematiek: toepasselijk recht, rechterlijke bevoegdheiden erkenning, administratieve maatregelen (verklaring van erfrecht en registratie testamenten). Men spreekt in deze van de 'transnationale erfopvolging'. Er wordt op gewezen dat een aantal bijzondere kwesties onderzocht moeten worden zoals erfovereenkomsten, wettelijke erfdelen en met het oog op de erfopvolging opgerichte trusts. Men is van mening dat ondanks het feit dat deze rechtsfiguur in de meeste rechtsstelsels onbekend is, deze niettemin in meerdere lidstaten regelmatig gebruikt wordt.
P.VLAS, Naar een EG-Verordening IPR-Erfrecht?,WPNR (2003) 6533, p. 391.
Zie 4.3 van het Groenboek. Hoewel er ook al een Haags Verdrag bestaat inzake het internationale beheer over nalatenschappen van 2 oktober 1973, inwerking getreden op 1 juli 1993. Het betreft het beheer over de'roerende' nalatenschap. Zie I.S. JOPPE,Vademecum Internationaal Erfrecht, Deventer: Kluwer 1980, p. 107 e.v. die in noot 232 wijst op art. 30 van het Verdrag op basis waarvan een verdragsstaat ka n verklaren dat hij het certificaat ook voor het beheer van onroerende zaken zal erkennen, wanneer de wet waaraan de certificaathouder zijn bevoegdheden ontleent deze ook bevoegdheid over buitenlandse onroerende zaken geeft.
Denk in deze bijvoorbeeld aan vergaande derdenbescherming. De autoriteit die het Europese certificaat van executele afgeeft, is gedwongen zich de vraag te stellen welke bevoegdheden de betreffende executeur heeft en gaat bewust of onbewust de bevoegdheden van de verschillende Europese functionarissen vergelijken en is daarna waarschijnlijk gedwongen, de gevonden uitkomst met enig soepel juridisch gemoed toe te passen. Zo'n certificaat is immers een erfrechtelijke mal waar niet zomaar alle bevoegdheden van de beheerder zonder slag ofstoot in zullen passen.Vergelijken betekent mijns inziens automatisch ook zoeken naar de grootste gemene 'erfrechtelijke' deler, hetgeen vervolgens tot gevolg heeft dat het harmonisatieproces versoepeld wordt en daarmee versneld wordt. Zo spreekt men in 2.4 van het Groenboek, zijhet in het kader van rechtskeuze, van'een zekere soepelheid'.Voorts wil men met de invoering van een Europese verklaring van erfrecht administratieve en praktische belemmeringen wegnemen. Wellicht ben ik te optimistisch, zeker nu P. VLAS, Naar een EG-Verordening IPR-Erfrecht?, WPNR (2003) 6533, p. 393, zich de 'voorvraag' stelt wie aan de noodrem trekt van de EuropeseTGVdie vanuit Brussel door het IPR-land-schap dendert. De Spaanse Europarlementarier Manuel Medina Ortega is in de hiervoor aangestipte debatten van 15 november 2006 over het verslag van Giuseppe Gargani (A6-0359/2006) blijkbaar ook optimistisch en laat zich met betrekking tot de harmonisatie van het erfrecht ontvallen: 'Dat is iets wat in de toekomst mogelijk rechtgezet zou moeten worden, aangezien het onbegrijpelijk is dat de gevolgen, het juridisch systeem en de rechten van de erfgenamen volledig veranderen als iemand enkele kilometers verderop gaat wonen en afhankelijk zijn van de vraag of iemand in het ene land ofhet andere land is gevestigd.'
Niet alleen blijkt hieruit het vertrouwen in de Europese executeur, maar ook het verlangen naar de daarmee gepaard gaande bescherming van 'het rechtsverkeer' dat op deze erfrechtelijke vertrouwenspersoon 'vertrouwt'. Brief van de Minister van Justitie (Directie Wetgeving) van 19 december 2005 (kenmerk 5392874/05/06) die, na daartoe gemachtigd te zijn door de ministerraad, deTweede Kamer doet toekomen de (concept-)antwoorden van de Nederlandse regering op het Groenboek van de Europese Commissie inzake erfopvolging en testamenten, COM (2005) 65 definitief. Ook in het antwoord op vraag 33 naar de rechtsgevolgen van de Europese verklaring van erfrecht wordt door de Minister verwezen naar de derdenbescherming van ons artikel 4:187 BW en overigens aangestipt dat de (Europese) verklaring naar Nederlandse opvatting niet meer dan een legal opinion is, die voor toetsing door de rechter vatbaar is. De minister vindt dat de verklaring toegang moet geven tot de boedel. Wat de erkenning van rechtswege betreft van de aanstelling en de bevoegdheden van de beheerders van nalatenschappen (in alle lidstaten) wijst Nederland (vraag 29) op het belang van een uniform conclictenrecht. Voor gevallen die aan derde landen zijn aangeknoopt, zou er een regeling van zekerheidstelling als bedoeld in het Nederlandse art. 5 lid 2 Wcerf moeten komen. De Belgische delegatie merkt in deze onder meer op: 'De macht van een beheerder mag echter ook niet onbeperkt zijn.'
E.E. LANGEMEIJER (voorzitter wetenschappelijke commissie), Advies inzake het Groenboek Erfopvolging en testamenten van 30 september 2005. Hij merkt op dat vraag 29 (de erkenning van rechtswege van de aanstelling en bevoegdheden) bevestigend kan worden beantwoord als ook de onderhavige vraag 30 bevestigend beantwoord wordt. Voorts wijst hij op het belang van onderzoek naar de functionarissen die een dergelijke verklaring mogen afgeven. Dit zal overigens in de regel een rechter of een notaris zijn, maar hoeft niet. In Duitsland geeft het Nachlassgericht een Erbschein af met vermelding van de Testaments-vollstrecker § 2364 BGB. In Zwitserlandgeeft 'die zustandige kantonale Behorde'een Aus-weis (eine Bescheinigung) af aan de Willensvollstrecker op basis van'gewoonterecht', HANS RAINER KUNZLE, Der Willensvollstrecker im schweizerischen undUS-amerikanischen Recht (Habilitationsschrift Zurich) 1998, Zurich: Schulthess Juristische Medien 2000, p. 155 of er vindt een aantekening plaats op de Erbschein (art. 559 ZGB) van de erfgenamen, p. 157. In Erankrijk heeft de 'acte de notorite'op 3 december 2001 in art. 730-1 Cc een wettelijke basis gekregen. In Belgie werkt men met een verklaring van erfrecht op basis van een (notariele) akte van bekendheid. Zie ook JW.M. DE VOS, De notariele verklaring van erfrecht (diss.VUAmsterdam), Arnhem: Gouda Quint 1975.
Interessant in deze is een door Eurobarometer in juli 2006 gehouden enquete waaruit blijkt dat gemiddeld 80 procent van de Europese burgers het nodig acht dat erfopvolgingswensen en testamenten binnen de gehele Europese ruimte worden erkend. Naar deze enquete wordt verwezen door commissaris Eranco Erattini in het debat van 15 november 2006 over het verslag van Giuseppe Gargani (A6-0359/2006). Zie ook DANIEL LEHMANN, Die Zukunft des deutschen gemeinschaftlichen Testaments in Europa, Zeitschrift fur Erbrecht undVermogensnachfolge (ZEV 2007, 5), p. 196 en 197 die ook naar deze enquete verwijst en in welke bijdrage ook een kort overzicht van de laatste stand van zaken rond het 'Griinbuch zum Erb- und Testamentsrecht' gegeven wordt. Verwacht wordt dat eind 2007 een 'ersten Regelungsvorschlag' komt. Deze concept-verordening zal waarschijnlijk met name 'kolli-sionsrechtlichen Inhalt' hebben. MW HESSELINK, De redelijkheid en billijkheid in het Europese privaatrecht (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer 1999, p. 10 merkt op dat zelfs voor familierecht, waarvan met name beweerd wordt dat, wegens de sterke band met de nationale cultuur, unificatie ervan niet mogelijk is, recent wetenschappelijk onderzoek aantoont, dat deze stelling niet (meer) juist is. Hij verwijst ter onderbouwing hiervan in noot 31 naar ALAIN VERBEKE en YVES-HENRI LELEU, Harmonization of the Law of Succession in Europe, in: Towards a European Civil Code, Nijmegen en Den Haag/London/Boston 1998, p. 73 e.v.
T.H.D. STRUYCKEN, De numerus clausus in het goederenrecht (diss. Nijmegen), Serie Onderneming en Recht deel 37, Kluwer Deventer: Kluwer 2007, p. 538 en 539 die dit opmerkt in het licht van de vraag in hoeverre de Europese regelgever ruimte zal laten voor de invoering van de trust in de vorm van het bewind en tot de conclusie komt dat als de bevoegdheden van de trustee goed zijn afgebakend en ook overigens wordt aangegeven welke vermogensrechtelijke rechtsgevolgen toepasselijk moeten of mogen zijn, het om het even is hoe de in te voeren figuur wetssystematisch wordt ingebed, waarbij hijconstateert dat wie formeel rechthebbende is geen kerneigenschap behoeft te zijn.
Indien mocht blijken dat de nieuwe Nederlandse executeur een stevig en vruchtbaar juridisch fundament heeft, zou hij niet alleen een voorbeeldfunctie kunnen hebben voor andere executeurs in Europa, maar zou via deze ook, zij het heel voorzichtig, gekomen kunnen worden tot enige 'Principles' voor de Europese erfrechtelijke beheerder. Zeker nu (mede) naar zijn ware aard gezocht zal worden 'over de grenzen heen'. Dat wil niet zeggen dat wij dan niet (meer) van andere stelsels zouden kunnen leren in deze. Integendeel. Niet vergeten mag immers worden dat wij met de komst van het nieuwe erfrecht niet alleen opgeschoven zijn in de richting van onze Oosterburen, maar dat een andere belangrijke Europese speler, te weten Frankrijk zijn zeer klassieke erfrechtelijke stelsel uit 1804, zeer recent ook enorm gemoderniseerd1 heeft, en wel met ingang van 1 januari 2007.2 Door te moderniseren zal men in de regel eerder dichter naar elkaar toe gaan groeien dan verder van elkaar af komen te staan, althans zo vermoedik.3 Voegdaaraantoe dat beide naties ongetwijfeld, gemerkt of ongemerkt, te rade zullen zijn gegaan bij het imposante 'BGB', zonder bij hun erfrechtelijke moderniseringen de steeds belangrijker wordende Angelsaksische rechtsbeginselen uit het oog te hebben willen verliezen, en enige basisbeginselen zijn geboren of op zijn minst herboren.4 De van huis uit zo neutrale, en aan de Europese zijlijn staande, Zwitsers misstaan, zoals hiervoor reeds opgemerkt, niet bij deze rechtsvergelijkende mijmeringen. Nu het Belgische erfrechtelijke systeem borg staat voor de klassieke Romaanse erfrechtelijke rechtsbeginselen oftewel door de ontwikkelingen in Erankrijk als het ware Eranser is geworden dan het Eranse systeem, kan via dit stelsel ongetwijfeld het goede van het verleden behouden worden. Europa maakt thans een belangrijke erfrechtelijke ontwikkeling door. Deze ontwikkeling is onlangs gesignaleerd door het Europees Economisch en Sociaal Comite:5
'In de landen met Romaans/Germaanse rechtsstelsels werden de regelingen betreffende nalatenschap, zowel met als zonder testament, lang gekenmerkt door een sterk verouderde opvatting van erfopvolging. Het vermogen van de "cujus" werdgeacht om als een soort continuering van zijn bestaan in dat van zijn erfgenamen over te gaan. Tegenwoordig ontwikkelt zich het erfrecht steeds meer in contractuele richting.Na Duitsland en Zwitserland wordt momenteel ook in Frankrijk een hervorming doorgevoerd waarbij de wil van erflater en erfgenamen veel bepalender is voor de afwikkeling van erfenissen, al was het maar om de continuïteit van een onderneming beter te waarborgen.' (Curs. BS)
Meer Europese erfrechtelijke vrijheidbetekent meer Europese ruimte voor de executeur.Waar wil ik naar toe?
Een executeur zal in het kader van de nieuwe Europese mobiliteit steeds vaker over de grenzen heen moeten gaan functioneren, zodat de behoefte aan een Europees certificaat voor de erfrechtelijke beheerder ook steeds groter zal worden. Indien wij elkaars ware aard kennen in deze, zal het eenvoudiger zijn om spelregels te ontwerpen voor een Europese verklaring van executele oftewel erfrechtelijk beheer, maar blijkt wellicht ook dat de ware aard helemaal niet zozeer van elkaar verschilt, als men bereid is op dezelfde manier naar de functionaris te kijken, met respect voor de achtergronden van een bepaald stelsel. De executeur zal in het rechtsverkeer steeds vaker gaan opereren als erfrechtelijke 'frontman', zodat het niet verkeerd is via hem een start te maken, hoe klein die ook mag zijn, met het erfrechtelijke harmonisatieproces op het gebied van de materiele interne regels: een erfrechtelijk iuscommune. Eris in ieder geval, als het aan de Academie Internationale de Droit Compare6 ligt, nog hoop:
'Ondanks de grote culturele verschillen, is het niet uitgesloten dat er ook in het erfrecht een common core kan worden gevonden in de Europese rechtsstelsels, die als basis voor harmonisatie kan dienen. Rechtsvergelijking van erfrecht is kennelijk toch niet een geheel zinloze excercitie.'
Daarnaast bestaat er sinds kort een Europees Groenboek7op het gebiedvan het internationaal privaatrecht met betrekking tot erfopvolging en testamenten. In beginsel kent thans ieder land zijn 'eigen' internationaal erfrecht. EW.J.M. Schols heeft goede hoop in dezen en merkt op dat wellicht op niet al te lange termijn een nieuwe Europese regeling van internationaal erfrecht dit euvel binnen Europa wegneemt.8 Men kan de problematiek derhalve op twee manieren benaderen. Men kan 'van binnenuit' de verschillen tussen executeurs wegnemen dan wel van 'bovenaf' via conflictregels de problematiek proberen te beteugelen.
Indien wij bereid zijn nog eens goed naar de materie te kijken, blijkt misschien dat de van oorsprong verschillende wortels van een rechtsfiguur door de eeuwen heen door allerlei codificaties en hervormingen dichter naar elkaar gegroeid zijn dan wij op het eerste gezicht zouden denken. Met enige goede wil ontstaat wellicht door middel van een Europese verklaring van erfrecht een Europese erfrechtelijke symbiose9 of toegespitst op het onderwerp van onderzoek: een Europese erfrechtelijke beheerder op basis van een grootste gemeenschappelijke deler. Men mag zich dan vervolgens echter niet te snel rijk rekenen, aangezien de ware aard van de belangrijkste tegenspeler van deze beheerder: de legitimaris ook steeds gekend dient te zijn.Vandaar dat in dit onderzoek niet ontkomen kan worden aan een blik op de rol van een legitimaris in een bepaalderfrechtelijk stelsel. De kracht van executele en de kracht van de 'reserve' zijn immers communicerende vaten. Des te meer testeervrijheid, des te minder harmonisatieproblemen. Voor overeenstemming op het niveau van de verklaring van erfrechtelijk beheer zou men in feite (voorlopig) al kunnen volstaan met overeenstemming op niveau van het extern effect van de beheersbevoegdheid.10
Wat het (Nederlandse) 'IPR' betreft op het gebied van executele maak ik melding van onze Nederlandse eenzijdige conflictregel art. 5 lid1 Wet conflictenrecht erfopvolging:11
'De taak en de bevoegdheden van een door de erflater aangewezen vereffenaar wordt door het Nederlandse recht beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had.' (Curs. BS)
Interessant is de gehanteerde terminologie. Ook erflater kan blijkbaar een 'vereffenaar' aanwijzen oftewel onder het gehanteerde begrip vereffenaar valt vanuit Nederlandse IPR-optiek ook de executeur.12 Reinhartz13 merkt op dat in de praktijk vaak wordt gekozen om, de naar buitenlands erfrecht benoemde functionaris, in te passen in het Nederlandse systeem en hem vervolgens voor de in Nederland gelegen goederen die bevoegdheden te geven die zijn 'Nederlandse counterpart' zou hebben. Het is goed om zich steeds te realiseren dat de buitenlandse autoriteiten zich, met betrekking tot de in het buitenland opengevallen nalatenschappen of de zich aldaar bevindende vermogensbestanddelen, in beginsel niet aan onze 'verkeersregels'14 op het ge-biedvan de afwikkeling zullen storen. Al zou men zich de iure er wel aan storen, dan is daarmee immers nog niet altijd gezegd dat men dat de facto ook doet.
Hoewel het Groenboek inzake erfopvolging en testamenten,15 zoals opgemerkt, in beginsel slechts de harmonisatie van internationaal privaatrecht16 betreft en niet de harmonisatie17 van het materiele erfrecht, vondik het in ieder geval bemoedigend dat men in de 'vragen' spreekt van de beheerders van de nalatenschap18en de Europese verklaring van erfrecht. Vraag 30 van het Europees Groenboek luidt:
'Moet er een certificaat worden ingevoerd waarin de aanstelling van een beheerder wordt bevestigd en zijn bevoegdheden worden beschreven ? Welke persoon of instantie moet met het opstellen van dit certificaat worden belast? Wat moet in de inhoud van het certificaat worden opgenomen?' (Curs. BS)
Ik sluit niet uit dat, door er alleen al aandacht aan te besteden, hiermee indirect al een (kleine) stap gezet is op erfrechtelijk harmonisatiegebiedvan 'binnenuit', zij het op het gebiedvan het erfrechtelijk beheer.19 Het antwoorddat de Nederlandse regering geeft, is in ieder geval hoopgevend:20
'De eerste vraag wordt bevestigend beantwoord. Het wordt van wezenlijk belang geacht dat duidelijkheid wordt verschaft over de bevoegdheden van een executeur. Naast een verwijzing naar de ter plaatse van de aanwijzing geldende vereisten zou moeten worden voorzien in legitimeringsregels naar het voorbeeld van artikel 187, Boek 4 van het Nederlandse Burgerlijk wetboek. Uitgangspunt zou dan zijn dat degene die afgaat op de verklaring van erfrecht, te dien aanzien als te goeder trouw geldt. Anders is dit indien van die persoon nader onderzoek kan worden gevergd, dat hem de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen blijken.' (Curs. BS)
Een krachtige verklaring van executele waar heel Europa op kan vertrouwen, zij het op basis van enige Nederlandse onbescheidenheid. Minstens zo interessant is het antwoordvan Advocaat-generaal Langemeijer namens de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR):21
'[...] Een internationale verklaring van executele is een zeer nuttig instrument indien voldoende duidelijk is in andere landen welke bevoegdheden aan de executeur toekomen, zulks met het oog op derden. Onderzoek wordt gewenst geacht naar de verschillende rechtsstelsels [...]. De NVvR zou totstandkoming van zo'n internationale verklaring van executele bijzonder toejuichen.' (Curs. BS)
Om het effect van de bevoegdheden van een executeur in een bepaald erfrechtelijk stelsel te kennen, zal men, zoals eerder aangestipt, echter eerst zijn ware aard dienen te onderzoeken en die van zijn belangrijkste tegenspeler (de legitimaris) in dat stelsel.22
Vervolgens kan invulling gegeven worden aan de kenbaarheid voor derden van de ware aard en de daarmee samenhangende vraag naar derdenbescher-ming. In navolging van T.H.D. Struycken: 'een functionele benadering volstaat.’23