Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.4
6.6.4 Weigeringsgronden die voortvloeien uit Europese soft law
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397287:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Guidance for on-the-spot checks of area and area measurement, AGRI/60363/2005-REV1, p. 4. Zie hieromtrent ook hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.4.3.
Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.5. De jurisprudentie van het CBb heeft betrekking op verschillende elkaar opvolgende werkdocumenten, zoals het werkdocument van 18 januari 1999 VI/7103/98 Rev2-NL inhoudende richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van artikel 5 bis van de Verordening nr. 3887/92 en het werkdocument AGR 49533/ 2002 van de Europese Commissie betreffende kennelijke fouten in de zin van artikel 12 van de Verordening nr. 2419/2001.
Zie bijvoorbeeld CBb 18 april 2001, LJN AB1294; CBb 18 april 2001, LJN AB1295; CBb 2 mei 2001, LJN AB1500; CBb 6 juni 2001, LJN AB2130; CBb 6 juni 2001, LJN AB2131; CBb 8 augustus 2001, LJN A134352; CBb 8 augustus 2001, LJN AC0156; CBb 8 augustus 2001, LJN AC0124; CBb 26 september 2001, LJN AD3894; CBb 3 oktober 2001, LJN AD4701; CBb 3 oktober 2001, LJN AD4706; CBb 7 november 2001, LJN AD5562; CBb 16 januari 2002, LJN AD9058; CBb 12 april 2002, LJN AE1883; CBb 3 mei 2002, LJN AE3415; CBb 1 november 2002, LJN AF1177; CBb 11 juli 2003, LJN A10376; CBb 12 maart 2003, LJN AF6804 (in latere rechtspraak wordt naar deze uitspraak verwezen); CBb 30 maart 2005, LJN AT3912; CBb 29 maart 2006, LJN AX8790; CBb 6 september 2006, LJN AY9330.
CBb 27 oktober 2010, AB 2011, 173, m.nt. J.E. van den Brink. Zie ook CBb 21 september 2011, LJN BU1249.
Zie ook CBb 3 juli 2007, LJN B130115, r.o. 5.4 waarin het CBb overweegt dat het aanvaardbaar is dat de minister bij de invulling of sprake is van 'uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen' als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Verordening nr. 2342/1999 de Interpretatienota's 26 en 51 van de directeur-generaal Landbouw van de Europese Commissie als richtsnoer hanteert, maar dat de minister een eigen verantwoordelijkheid heeft om aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval te beoordelen of van een dergelijk geval sprake is. Zie ook CBb 30 november 2006, LJN AZ3571.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.4.3.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.4.6.
Zo heeft de Afdeling - overigens zonder daaromtrent prejudiciële vragen te stellen bijvoorbeeld aangenomen dat de Grimaldi-rechtspraak ook geldt voor mededelingen. Zie ABRvS 13 oktober 2010, JB 2010/256, r.o. 2.7.1. In hoofdstuk 4 heb ik uiteengezet dat de Grimaldi-rechtspraak mijns inziens niet zonder meer kan worden doorgetrokken naar andere soft law-instrumenten. Aanbevelingen zijn doorgaans gepubliceerd en vinden hun grondslag in artikel 288 VWEU. Naar mijn mening had de Afdeling dan ook beter een prejudiciële vraag kunnen stellen.
Een ander voorbeeld van implementatie van Europese soft law in een nationale subsidieregeling bied artikel 1.3, tweede lid, van de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma Noord-Brabant 2010-2016.
Stcrt. 2009, 62.
In artikel 1.1, aanhef en onder 1 van de Subsidieregeling operationeel programma Zuid-Nederland is bijvoorbeeld bepaald dat het begrip MKB-onderneming wordt gedefinieerd als een onderneming als bedoeld in bijlage 1. In bijlage 1 wordt vervolgens verwezen naar de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (C(2003)1422).
ABRvS 9 december 2009, AB 2010, 36, m.nt. A. van Hall, M en R 2010/26, m.nt. F.A.G. Groothuijse.
Zie hieromtrent ook Luijendijk & Senden 2011, p. 339.
Luijendijk & Senden 2011, p. 340.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 42.4.6.
Luijendijk & Senden 2011, p. 339.
Zie hieromtrent ook Luijendijk & Senden 2011, p. 340.
Vergelijk Luijendijk & Senden 2011, p. 339-440.
Vergelijk Luijendijk & Senden 2011, p. 339-340. Luijendijk en Senden noemen twee mogelijkheden, namelijk de uitleg- en inspiratieverwijzing. In het eerste geval wordt in de toelichting opgenomen dat het uitgangspunt is dat een bepaling van nationaal recht overeenkomstig Europese soft law moet worden uitgelegd. Bij de inspiratieverwijzing gaat het om een verwijzing in de toelichting naar Europese soft law als bron van inspiratie voor uitleg van de nationale bepaling.
Luijendijk & Senden 2011, p. 440.
Zie ook Luijendijk & Senden 2011, p. 340.
Zie voor een stappenplan Luijendijk & Senden 2011, p. 351.
Luijendijk & Senden 2011, p. 351.
Het kan voorkomen dat in Europese soft law is uitgelegd hoe nationale uitvoeringsorganen in de visie van de Europese Commissie de voorwaarden om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen moeten interpreteren. Wanneer de aanvraag niet voldoet aan de Europese voorwaarden zoals die in de soft law zijn uitgelegd, zullen nationale uitvoeringsorganen in veel gevallen besluiten om de aanvraag af te wijzen. Toewijzing leidt immers tot het risico dat de verstrekking van de Europese subsidie als een onregelmatigheid wordt gekwalificeerd. Een voorbeeld van Europese soft law waarin een voorwaarde voor de verstrekking van een Europese subsidie nader worden uitgelegd biedt de '50-bomenregel' die is neergelegd in een werkdocument van de Europese Commissie.1 Uit dit werkdocument vloeit voort dat indien een perceel uit meer dan vijftig bomen per hectare bestaat, geen sprake is van landbouwgrond. Dit betekent dat aanvragen voor uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor percelen met meer dan 50 bomen per hectare volgens de Europese Commissie moeten worden afgewezen.
Het CBb acht het in beginsel mogelijk dat Nederlandse bestuursorganen Europese soft law als beleidslijn hanteren bij de beoordeling van aanvragen om een Europese subsidie. Zo heeft het CBb ten aanzien van een werkdocument inhoudende richtsnoeren in welke gevallen sprake is van kennelijke fouten bij het indienen van een subsidieaanvraag2 overwogen dat aan het werkdocument weliswaar geen bindende kracht toekomt, maar de minister van LNV zeker niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten, binnen de door de Europese verordening getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen.3 Van belang daarbij is dat het werkdocument niet een limitatief systeem bevat van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te laten. In een uitspraak van het CBb van 27 oktober 2010,4 acht het CBb wel problematisch dat de minister een werkdocument van de Europese Commissie als dwingend voorschrift hanteert bij de beoordeling of een aanvraag voor een Europese subsidie moet worden afgewezen.
In deze uitspraak gaat het om de afwijzing van de aanvraag tot uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor een tweetal percelen, omdat er meer dan vijftig bomen per hectare op deze percelen stonden. Blijkens het bestreden besluit was een en ander gebaseerd op artikel 44, eerste en tweede lid, van de Verordening nr. 1782/2003, artikel 8, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 796/2004 en de toelichting hierop in het werkdocument AGRI/60363/2005-REV1 inhoudende een Guidance for on-the-spot checks of area and area measurement. Het criterium van vijftig bomen kan echter niet in de Europese verordeningen zelf worden teruggevonden, maar is enkel te vinden in voormeld werkdocument. Hoewel volgens datzelfde document wel uitzonderingen kunnen worden gemaakt, dienen deze op voorhand door de lidstaten te worden vastgesteld. Ook uit de nadere verklaring in document 5263/09 ADD 1, pagina 2, blijkt dat de lidstaten ten aanzien van het criterium van vijftig bomen enige flexibiliteit hebben. Nederland heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, zodat de minister van LNV zich gehouden acht om de aanvraag voor een bedrijfstoeslag overeenkomstig de Europese soft law af te wijzen. De aanvrager voert in een daaropvolgende procedure bij het CBb aan dat op zijn percelen de bomen dusdanig ver uit elkaar staan dat er met moderne landbouwmachines gemaaid en geschud kan worden en dat de bomen op geen enkele manier een belemmering vormen voor normaal agrarisch gebruik. Het CBb acht het op zichzelf beschouwd niet onaanvaardbaar dat de minister bij de beoordeling van aanvragen om uitbetaling van toeslagrechten, meer in het bijzonder bij de beoordeling van de steunwaardigheid van percelen met bomen, voormeld werkdocument als uitgangspunt hanteert. Het CBb is echter van oordeel dat het werkdocument niet als dwingend voorschrift mag worden gehanteerd. Het gaat immers om een aanbeveling van de Europese Commissie, waaraan niet de status van een wettelijk voorschrift kan worden toegekend. Aan de omstandigheid dat Nederland geen uitzonderingen heeft vastgesteld inzake de plantdichtheid, kan niet de conclusie worden verbonden dat het de minister niet vrij zou staan om tot een individuele beoordeling van de steunwaardigheid van de percelen van de subsidieontvanger over te gaan. In dat kader verwijst het CBb ook naar artikel 8, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 796/2004 waaruit volgt dat voor de bepaling van de steunwaardigheid bepalend is of op het desbetreffende perceel landbouwactiviteiten kunnen worden uitgeoefend. Volgens het CBb bestaat voor een individuele beoordeling in ieder geval aanleiding indien door de betrokken landbouwer bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht, zoals in dat geval de stelling van de subsidieontvanger dat de meeste bomen langs de kavelsloten of afrastering staan en dat landbouwmachines zonder problemen het gras op deze percelen kunnen maaien, schudden, persen of oprapen. Het CBb komt dan ook tot de conclusie dat het besluit om voor twee percelen de bedrijfstoeslag niet uit te betalen onvoldoende is gemotiveerd.
Uit deze uitspraak blijkt in de eerste plaats dat het CBb van mening is dat Nederlandse bestuursorganen soft law van de Europese Commissie niet als dwingend voorschrift kunnen hanteren, maar altijd ruimte moet bestaan voor een individuele beoordeling.5 Ten tweede volgt uit de uitspraak dat de Europese Commissie deze individuele beoordeling niet kan beperken door in de soft law op te nemen dat uitzonderingen op de aanbeveling door de lidstaten moeten worden vastgesteld.
De benadering van het CBb heeft tot gevolg dat de Europese soft law niet zonder meer aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Ondanks het feit dat hiermee wordt voorkomen dat een aanvrager van de Europese subsidie wordt geconfronteerd met een uitleg van het Europese recht waarmee hij onbekend is, roepen de overwegingen van het CBb een tweetal vragen op. In de eerste plaats gaat het CBb in zijn overwegingen er zonder meer van uit dat de soft law niet-bindend is voor de minister LNV. Uit hoofdstuk 4 blijkt echter dat van juridische gebondenheid wel degelijk sprake kan zijn.6 Heeft Nederland bijvoorbeeld net als in het arrest IJssel-Vliet het desbetreffende werkdocument aanvaard? Zou dat in combinatie met de bijzondere samenwerkingsplicht die ook op het gebied van de uitvoering van de landbouwsubsidies aanwezig is (gemengd bestuur) niet voldoende zijn om te concluderen dat Nederland en derhalve de minister van LNV wel degelijk aan de soft law is gebonden? Het CBb volstaat echter met de constatering dat het om een document gaat dat niet de status van een wettelijk voorschrift heeft en de minister het document derhalve niet als dwingend voorschrift heeft kunnen hanteren. Gelet op het vorenstaande is dit wat kort door de bocht. De lastige vraag in hoeverre de minister aan Europese soft law is gebonden en welke consequenties dit mag hebben voor de aanvrager van de Europese subsidie wordt nu onbeantwoord gelaten. Mocht hierover twijfel hebben bestaan, dan had het CBb deze vraag kunnen voorleggen aan het Hof van Justitie, juist omdat Europese soft law in de uitvoeringspraktijk van de Europese subsidieregelingen zo'n belangrijke rol speelt.
In de tweede plaats rept het CBb met geen woord over de vraag in hoeverre het CBb zelf aan het werkdocument van de Europese Commissie is gebonden. Uit het in hoofdstuk 4 besproken arrest Grimaldi blijkt immers dat nationale rechters aanbevelingen in aanmerking dienen te nemen bij de oplossing van de bij hem aanhangige geschillen, met name wanneer deze duidelijkheid kunnen verschaffen over de uitlegging van andere nationale bepalingen of wanneer zij bedoeld zijn om dwingende communautaire bepalingen aan te vullen.7 Hoewel niet duidelijk is in hoeverre deze jurisprudentie ook geldt voor andersoortige Europese soft law dan de aanbeveling, zou het de voorkeur hebben verdiend wanneer het CBb aan deze jurisprudentie aandacht had besteed.8
De conclusie van het CBb kan vanuit het perspectief van de aanvrager van de Europese subsidie worden toegejuicht. De uitkomst leidt echter wel tot problemen met de Europese Commissie, nu het waarschijnlijk is dat de Commissie Nederland aan de '50-bomenregel' uit het werkdocument houdt. Als de minister van LNV desondanks toch een Europese subsidie verstrekt voor dergelijke gronden, bestaat de kans dat deze subsidie niet door Europa wordt vergoed.
Inmiddels is er dan ook voor gekozen de '50-bomenregel' neer te leggen in een algemeen verbindend voorschrift, namelijk artikel 21a, tweede lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.9 In de toelichting is aangegeven dat het werkdocument — hoewel door de Europese Commissie consequent toegepast — weliswaar niet juridisch bindend is, maar omwille van de duidelijkheid voor de landbouwer en vanwege het feit dat de norm eenvoudig controleerbaar is, ervoor is gekozen de norm in de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 neer te leggen.10 Het komt ook voor dat soft law in een bijlage bij een nationale regeling is neergelegd en in een daarin opgenomen bepaling naar de bijlage wordt verwezen.11 Voordeel is dat bijlagen gemakkelijker kunnen worden gewijzigd. Voor zover de regeling is aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift, volgt uit de jurisprudentie dat extern werkende rechtsnormen die zijn neergelegd in een daarbij behorende bijlage eveneens moeten worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift.12
Gevolg is wel dat in beide gevallen de Europese soft law tot wet wordt verheven; iets wat juist niet de bedoeling was bij de vaststelling ervan.13 Van belang daarbij is dat het gaat om regels die zonder democratische controle tot stand worden gebracht.14 Ten tweede zou problematisch kunnen zijn dat het blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie niet is toegestaan bindende uitleggingsregelingen vast te stellen ter interpretatie van Unierechtelijke begrippen.15 Niet valt in te zien dat dit niet zo zou zijn indien de bindende uitleggingsregeling is gebaseerd op Europese soft law. Een derde nadeel van implementatie is dat aanpassing van de nationale wetgeving nodig is, indien de Europese soft law wordt gewijzigd, dan wel het Hof van Justitie oordeelt dat de in de soft law gegeven uitleg niet in overeenstemming is met het Eu-recht dan wel dat het Hof een andere uitleg voorstaat.16 Bij het voorgaande zij aangetekend dat het voorkomt dat de interpretatieve Europese soft law een codificatie betekent van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.17 In dat geval bestaat minder bezwaar tegen opneming in de nationale wetgeving.
Bij implementatie kan ook worden gedacht aan een verwijzing naar de Europese soft law in de Nederlandse subsidieregelgeving18 dan wel in de toelichting op de desbetreffende regeling.19 In dat geval moet wel zijn gewaarborgd dat de Europese soft law is gepubliceerd. Voordeel hiervan is dat wijzigingen van de Europese soft law niet tot gevolg hebben dat de nationale wetgeving moet worden gewijzigd.20 Ook deze vormen van implementatie hebben echter tot gevolg dat de Europese soft law juridisch bindend wordt, zelfs inclusief de toekomstige wijzigingen.21
Gelet op het voorgaande, verdient het aanbeveling dat indien een Nederlands bestuursorgaan Europese soft law in aanmerking wil nemen bij de beoordeling van de aanvraag, gelet op verplichtingen jegens de Europese Commissie, de soft law wordt omgezet in een nationale beleidsregel. Dit doet het meeste recht aan het karakter van soft law. Het Nederlands bestuursorgaan zou echter wel een kritische houding moeten aannemen ten opzichte van Europese soft law en niet zonder meer tot implementatie moeten overgaan.22 Zo moet de totstandkoming van de Europese soft law in de zogenoemde comités goed worden gevolgd en ervoor worden gezorgd dat bestuursorganen niet zonder meer op grond van een bijzondere samenwerkingsplicht gebonden raken aan Europese soft law. Het Nederlandse bestuursorgaan moet in dat kader vaststellen of de Europese soft law verenigbaar is met het primair en secundair Eu-recht.23 Voor zover in Europese soft law nieuwe juridisch bindende regels zijn neergelegd waarvan niet kan worden afgeweken — zoals de '50-bomen-regel' — die consequenties hebben voor de aanvragers of eindontvangers van de Europese subsidies, zou het Nederlands bestuursorgaan goedkeuring aan de Europese soft law moeten onthouden. Dergelijke regels horen thuis in de Europese subsidieregelgeving zelf.