Stcrt. 30 september 2020, nr. 48545.
HR, 30-09-2022, nr. 21/03361
ECLI:NL:HR:2022:1340
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2022
- Zaaknummer
21/03361
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1340, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 30‑09‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:297, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2022:297, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑03‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1340, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑10‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑08‑2021
- Vindplaatsen
JB 2022/191
JOM 2023/93
Uitspraak 30‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Onteigening. Planologische grondslag ontvallen door nieuw bestemmingsplan? ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2554. Regel dat noodzaakverweer al in administratieve procedure naar voren moet worden gebracht; betekenis HvJEU 14 januari 2021, zaak C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7 (Varkens in Nood) en ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786 i.v.m. art. 6:13 Awb. Zie ook HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:981.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/03361
Datum 30 september 2022
ARREST
In de zaak van
KENNEMERLAND BEHEER B.V.,gevestigd te Overveen, gemeente Bloemendaal,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Kennemerland Beheer,
advocaat: R.T. Wiegerink,
tegen
GEMEENTE HAARLEMMERMEER,zetelende te Hoofddorp,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de Gemeente,
advocaat: R.D. Boesveld.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/15/313264/HA ZA 21-89 van de rechtbank Noord-Holland van 14 juli 2021.
Kennemerland Beheer heeft tegen het vonnis beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.
De advocaat van Kennemerland Beheer heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Bij Koninklijk Besluit van 1 september 20201.is ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost’ ter onteigening aangewezen een gedeelte van een aan Kennemerland Beheer in eigendom toebehorend perceel, gelegen in de Gemeente (hierna wordt dat perceelsgedeelte aangeduid als het perceel). Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van een deel van de Groene As, een ecologische verbindingszone aan de zuidzijde van de Schipholweg te Badhoevedorp.
2.2
In dit geding vordert de Gemeente, voor zover in cassatie van belang, dat de vervroegde onteigening van het perceel wordt uitgesproken.
2.3.1
De rechtbank2.heeft onder meer de vervroegde onteigening van het perceel uitgesproken.
2.3.2
Het standpunt van Kennemerland Beheer dat een deugdelijke planologische grondslag voor de onteigening ontbreekt, heeft de rechtbank op de volgende gronden verworpen:
“4.9. Anders dan in artikel 3.39 Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor de verhouding tussen bestemmingsplan en beheersverordening is geregeld, bestaat er geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het voorgaande bestemmingsplan wordt ontnomen. Uit het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost en het bestemmingsplan 1e herziening in onderlinge samenhang bezien kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat bestemmingsplan 1e herziening voor wat betreft (onder meer) het te onteigenen perceel niets heeft toegevoegd aan het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost. Het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost is voor wat betreft de bestemming van het te onteigenen perceel niet gewijzigd en geldt nog onverkort. Gelet op beide bestemmingsplannen kan voor het te onteigenen perceel dan ook geen misverstand bestaan over de bestemming, zodat in zoverre de rechtszekerheid niet in geding is.
4.10.
Alleen als twee onherroepelijke bestemmingsplannen in samenhang bezien tot onduidelijkheid leiden is de rechtszekerheid in het geding. In zoverre verschilt deze casus van de gevallen die aan de orde waren in de door Kennemerland Beheer aangehaalde jurisprudentie, zodat Kennemerland Beheer aan die jurisprudentie geen argumenten kan ontlenen voor haar stelling dat met het onherroepelijk worden van bestemmingsplan 1e herziening het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost haar gelding heeft verloren. Dat geldt te meer nu die opvatting tot gevolg zou hebben dat een groot deel van het plangebied onbestemd zou zijn. Die consequentie volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit (het systeem van) de Wro.”
2.3.3
Ook het verweer van Kennemerland Beheer dat de gemeente bereid is gebleken met haar te onderhandelen over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, zodat er geen noodzaak is tot onteigening, heeft de rechtbank verworpen. Daartoe heeft zij onder meer als volgt overwogen:
“4.19. De rechtbank dient zich ten aanzien van de noodzaak tot onteigening te beperken
tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot de aan het besluit ten grondslag liggende
afweging, zoals hiervoor is weergegeven, heeft kunnen komen, en dient daarbij in beginsel
alleen acht te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht
(vgl. ECLI:NL:HR:2018:7).
(…)
4.23. (…)
Daargelaten dat ook in dat geval de gemeente om vorenstaande redenen het perceel zelf in ontwikkeling zal willen brengen, hebben partijen geen overeenstemming bereikt, onder andere over de canon. Bovenal betreft dit verweer een verweer waarmee bij de toetsing van het goedkeuringsbesluit in beginsel rekening moet worden gehouden. Kennemerland Beheer had dan echter wel dat verweer al in de administratieve procedure die aan het onteigeningsgeding voorafgaat, naar voren moeten brengen, zodat het in de bestuurlijke belangenafweging had kunnen worden betrokken. Het gaat hier immers niet om een bezwaar dat zonder enige belangenafweging aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg zou kunnen staan (zie 4.19 en HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 rov. 3.3 in verbinding met de daaraan voorafgaande conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5).”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel 2 van het middel bestrijdt als onjuist de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de onteigening geen deugdelijke planologische grondslag heeft.
3.1.2
Het onderdeel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24-3.37 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 augustus 20223..
3.2.1
Onderdeel 6.2 bestrijdt als onjuist het oordeel van de rechtbank dat Kennemerland Beheer haar verweer dat de Gemeente bereid is gebleken met haar te onderhandelen over het sluiten van een erfpachtovereenkomst al naar voren had moeten brengen in de administratieve procedure die aan het onteigeningsgeding voorafgaat. Volgens het onderdeel kan, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 14 januari 2021 (Varkens in Nood)4.en de uitspraak van de Afdeling van 14 april 20215., niet langer worden vastgehouden aan de voorwaarde dat een noodzaakverweer al in de administratieve procedure naar voren moet worden gebracht.
3.2.2
Het arrest Varkens in Nood ziet op de verenigbaarheid van art. 6:13 Awb met het Verdrag van Aarhus6.. Art. 6:13 Awb bepaalt, kort gezegd, dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij zijn bezwaren niet in de bestuurlijke procedure naar voren heeft gebracht. Het oordeel van het HvJEU komt erop neer dat eenieder die een recht heeft om deel te nemen aan een inspraakprocedure met betrekking tot onderwerpen die vallen onder de reikwijdte van het verdrag, zijn inspraakrechten ook bij de rechter moet kunnen afdwingen en dat het niet indienen van een zienswijze niet aan de toegang tot de rechter in de weg mag staan. In haar uitspraak van 14 april 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat, ter voorkoming van afbakeningsproblemen en in afwachting van een oplossing door de wetgever, vooralsnog in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, art. 6:13 Awb niet aan belanghebbenden mag worden tegengeworpen.
3.2.3
Het Verdrag van Aarhus ziet op besluiten die effect hebben op het milieu. Het onderdeel betoogt terecht niet dat besluiten tot onteigening als zodanig onder het toepassingsbereik van dat verdrag vallen. Voorts brengt de hiervoor in 3.2.2 vermelde uitspraak van de Afdeling niet mee dat voor het onteigeningsrecht niet langer dient te worden vastgehouden aan de – met de taakverdeling tussen de Kroon en de civiele onteigeningsrechter verband houdende – regel dat een noodzaakverweer in beginsel in de bestuurlijke procedure naar voren dient te worden gebracht, wil het door de onteigeningsrechter in zijn beoordeling kunnen worden betrokken.7.Het onderdeel faalt dus.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Kennemerland Beheer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kennemerland Beheer deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
in het incidentele beroep
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Kennemerland Beheer begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 30 september 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑09‑2022
Rechtbank Noord-Holland 14 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5855.
ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2554 (Kennemerland Beheer/B&W Haarlemmermeer), rov. 4.3-4.4.
HvJEU 14 januari 2021, zaak C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7 (Varkens in Nood).
ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786.
Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, 25 juni 1998, Trb. 1998, 289.
Zie HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, rov. 3.3, HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7, rov. 3.4.4 (Hedwigepolder) en HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:981, rov. 3.2.2.
Conclusie 25‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Onteigening. Inzagerecht art. 843a Rv. Planologische grondslag in verband met rechtspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Intensiteit toetsing noodzaak onteigening; zelfrealisatieverweer. Verweer dat privaatrechtelijk alternatief bestaat voor het eerst na de bestuurlijke procedure gevoerd; nieuwe opvatting van de Afdeling. 843a-incident in eerste fase van onteigeningsgeding toelaatbaar?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03361
Zitting 25 maart 2022
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
Kennemerland Beheer B.V.
tegen
Gemeente Haarlemmermeer
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Kennemerland Beheer respectievelijk de Gemeente.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft de vervroegde onteigening van een aan Kennemerland Beheer toebehorend gedeelte van een onroerende zaak. De onteigening vindt plaats in verband met de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost’, dat voorziet in het realiseren van een ecologische verbindingszone aan de zuidzijde van de Schipholweg te Badhoevedorp (een deel van de zogeheten ‘Groene As’).
1.2
Door Kennemerland Beheer zijn incidentele vorderingen ingesteld op grond van het inzagerecht van art. 843a Rv. In reactie daarop heeft de Gemeente de tussen de Kroon en de Gemeente gewisselde correspondentie overgelegd (eerder had zij ook het bij de Kroon aangeleverde dossier aan Kennemerland Beheer ter beschikking gesteld). Inzet van onderdeel 1 van het cassatiemiddel in het principaal beroep is of dit voldoende was, dan wel of het volledige kroondossier door de Gemeente behoorde te worden overgelegd. In het principaal beroep is daarnaast onder meer aan orde de planologische grondslag van de onteigening (onderdeel 2), de intensiteit van de toetsing van de noodzaak tot onteigening in het geval dat een zelfrealisatieverweer is gevoerd (onderdelen 3 tot en met 5) en de vraag of een privaatrechtelijk alternatief bestond (onderdeel 6). Het middel in het incidenteel beroep stelt de toelaatbaarheid van een 843a-incident in het onteigeningsgeding ter discussie.
1.3
De zaak vertoont in diverse opzichten gelijkenis met zaak 21/00998 tussen dezelfde partijen maar met betrekking tot andere gronden, in welke zaak ik op 14 januari 2022 concludeerde,1.maar stelt deels ook andere kwesties aan de orde.
1.4
Mijns inziens treft geen van de klachten doel, noch in het principaal noch in het incidenteel beroep.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:2.
(i) Bij Koninklijk Besluit van 1 september 2020, nummer 2020001611, gepubliceerd in de Staatscourant van 30 september 2020, no. 48545 (hierna: KB), is op grond van artikel 77 en 78 Ow ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost’ ter onteigening aangewezen een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer sectie AI nummer 205, ter grootte van 3 hectare 98 are en 20 centiare, zoals weergegeven op de grondplantekening die ter inzage heeft gelegen met grondplannummer 1 (hierna: het perceel). Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van een deel van de Groene As, een ecologische verbindingszone aan de zuidzijde van de Schipholweg te Badhoevedorp.
(ii) In het KB is Kennemerland Beheer aangewezen als eigenaar van het perceel.
(iii) De gemeente heeft op 15 juli 2020 op de voet van artikel 54a en volgende Ow ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend strekkende tot opneming van de ligging en de gesteldheid van het te onteigenen voor de aanvang van het geding.
(iv) Bij beschikking van 14 oktober 2020, hersteld bij beschikking van 12 november 2020, heeft de rechtbank drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd en is tevens een datum voor de plaatsopneming bepaald.
(v) Op 11 december 2020 heeft de plaatsopneming plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
(vi) Bij beschikking van 5 juli 2021 is een van de door de rechtbank benoemde deskundigen vervangen. Partijen hebben aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat de nieuw benoemde deskundige zelf de gesteldheid van het perceel opneemt, zonder aanwezigheid van de rechter-commissaris.
(vii) Partijen zijn betrokken bij een andere onteigeningsprocedure, waarbij het gaat om de onteigening van het overblijvende perceel ter grootte van 11 ha 55 a 90 ca ten behoeve van de realisatie van sportpark De Veldpost. De rechtbank heeft de onteigeningsvordering van de gemeente in die zaak toegewezen bij vonnis van 10 februari 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:1239). Tegen dat vonnis is door Kennemerland Beheer cassatie ingesteld.
2.2
Bij inleidende dagvaarding van 3 september 2020 heeft de Gemeente, kort samengevat, de vervroegde onteigening van het onder 2.1 sub i vermelde perceelsgedeelte gevorderd. Kennemerland Beheer heeft een incidentele vordering ingesteld, die ertoe strekt dat de Gemeente het volledige bij de Kroon berustende dossier overlegt, primair uit hoofde van art. 843a Rv en subsidiair op grond van art. 21 en 22 Rv.
2.3
Bij vonnis van 14 juli 20213.heeft de rechtbank in de hoofdzaak de vervroegde onteigening van het onder 2.1 sub i vermelde perceelsgedeelte uitgesproken, met bepaling van het voorschot op € 1.100.000,—, zijnde 100% van het door de Gemeente aan Kennemerland Beheer aangeboden bedrag. Eveneens bij vonnis van 14 juli 2021 heeft de rechtbank Kennemerland Beheer niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering in het incident.
2.4
De belangrijkste overwegingen van de rechtbank laten zich als volgt samenvatten:
In het incident
a. Kennemerland Beheer heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat het bij de Kroon aangeleverde dossier en de tussen de Kroon en de Gemeente gewisselde correspondentie aan haar zijn toegezonden. Daarom heeft Kennemerland Beheer bij haar incidentele vordering geen belang meer. De Gemeente is niet ook gehouden het dossier te overleggen dat de Kroon in verband met het onteigeningsbesluit onder zich heeft. Art. 843a Rv ziet daarop niet. Ook geldt in het kader van art. 843a Rv niet dat het kroondossier ter beschikking van de Gemeente staat enkel omdat zij het in haar macht heeft deze stukken bij de Kroon op te vragen. Niet valt in te zien waarom de Kroon zonder meer gehouden zou zijn om het kroondossier desgevraagd integraal aan de Gemeente af te geven. Tot slot is een vordering tot inzage niet bedoeld om het bij de Kroon berustende dossier te bestuderen, zodat Kennemerland Beheer kan kijken of er iets nuttigs in zit dat zij kan gebruiken bij haar verweer tegen de onteigening. Dat is in strijd met onder meer de ratio van het vereiste van rechtmatig belang. (onder 4.1 en 4.2)
b. Ook het subsidiaire beroep van Kennemerland Beheer op art. 22 Rv en haar verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14308) kunnen haar niet baten. (onder 4.3)
d. De kosten van het incident komen op grond van art. 50 Ow ten laste van de Gemeente. De aard van de onteigeningsprocedure verzet zich niet zonder meer tegen een vordering ex art. 843a Rv. (onder 4.5)
In de hoofdzaak
Planologische grondslag
e. Kennemerland Beheer heeft zich op het standpunt gesteld dat een deugdelijke planologische grondslag voor de onteigening ontbreekt, omdat, kort gezegd, het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost uit 2013 (hierna: bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost) niet meer van kracht is en dit bestemmingsplan blijkens de planregels in het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost, 1e herziening uit 2016 (hierna: bestemmingsplan 1e herziening) niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. (onder 4.6)
f. De onteigeningsrechter dient ingevolge de taakverdeling tussen de Kroon en de onteigeningsrechter op een daartoe strekkend verweer de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit ten volle te toetsen. Indien immers komt vast te staan dat de onteigening niet geschiedt ter uitvoering van een vigerend bestemmingsplan, ontbreekt de wettelijke grondslag. Binnen de rechtmatigheidstoets past derhalve het oordeel over de vraag of de onteigening geschiedt ter uitvoering van een vigerend bestemmingsplan. Niet juist is dus het betoog van de Gemeente dat het verweer van Kennemerland Beheer betrekking heeft op doelmatigheid van de onteigening en daarom marginaal dient te worden getoetst. (onder 4.7)
g. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost vernietigd onder meer voor zover het betreft twaalf deelgebieden die niet het te onteigenen perceel betreffen. Voor een aantal van die deelgebieden heeft de gemeenteraad de bestemming herzien in het bestemmingsplan 1e herziening, waarbij tevens een omissie op de verbeelding van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost is gecorrigeerd. (onder 4.8)
h. Er bestaat geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het voorgaande bestemmingsplan wordt ontnomen. De beide bestemmingsplannen in onderlinge samenhang bezien, brengt met zich dat de bestemming van het te onteigenen perceel niet is gewijzigd en onverkort geldt. Er kan geen misverstand bestaan over de bestemming, zodat de rechtszekerheid niet in geding is. Dat laatste is pas het geval als twee onherroepelijke bestemmingsplannen in samenhang bezien tot onduidelijkheden leiden. Voor de stelling van Kennemerland Beheer dat het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost haar gelding heeft verloren met het onherroepelijk worden van bestemmingsplan 1e herziening, kan zij geen argumenten ontlenen aan de door haar genoemde jurisprudentie, omdat deze casus zich daarvan onderscheidt. Daar komt bij dat die opvatting tot gevolg zou hebben dat een groot deel van het plangebied onbestemd zou zijn, terwijl een dergelijk gevolg niet volgt uit (het systeem van de) Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: Wro). (onder 4.9 en 4.10)
i. De stelling van Kennemerland Beheer dat de onteigening geen deugdelijke planologische grondslag heeft, wordt verworpen. (onder 4.11)
Strijd met artikel 17 Ow?
j. Uit art. 17 Ow vloeit voort dat de onteigenende partij hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst tracht te verkrijgen. Kennemerland Beheer heeft aangevoerd dat de Gemeente aan deze verplichting niet heeft voldaan. Van schending van art. 17 Ow is geen sprake. Het aanbod van de Gemeente kan weliswaar te laag blijken te zijn, maar het is niet zó laag dat kan worden gezegd dat de Gemeente heeft gehandeld alsof het vereiste van art. 17 Ow een niet serieus te nemen formaliteit betreft, waarbij ook van belang is dat de Gemeente haar aanbod heeft onderbouwd met een transactie uit 2014 van een naastgelegen perceel. Bij het voorgaande komt ook nog dat de Gemeente uit het gehandhaafde standpunt van Kennemerland Beheer dat zij de bestemming van het te onteigenen perceel zelfstandig wenst te realiseren, heeft mogen afleiden dat de bereidheid om het perceel te vervreemden niet dan wel zeer beperkt aanwezig was, zodat daarop acht mocht worden geslagen (HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955). (onder 4.12-4.16)
Het beroep op zelfrealisatie
k. Kennemerland Beheer heeft zich bereid en in staat verklaard om de op het perceel rustende bestemming zelf te realiseren. De Kroon heeft in het KB overwogen dat het beroep op zelfrealisatie niet afdoet aan de noodzaak tot onteigening. (onder 4.17-4.18)
l. De rechtbank heeft zich ten aanzien van de noodzaak tot onteigening te beperken tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot de aan het besluit ten grondslag liggende afweging heeft kunnen komen, waarbij zij in beginsel alleen acht dient te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure naar voren zijn gebracht. (onder 4.19)
m. De Kroon heeft in redelijkheid het standpunt van de Gemeente kunnen volgen dat zelfrealisatie ondoelmatig is. In het KB is uitvoerig gemotiveerd waarom sprake is van samenhang tussen de realisering van de bestemming natuur en sportpark De Veldpost en dat de te onteigenen grond niet een zelfstandig onderdeel vormt van het totaal te realiseren Park De Veldpost. Ook heeft de Kroon in redelijkheid kunnen overwegen dat het gelet op de samenhang met de Groene As noodzakelijk is in verband met een doelmatige aanleg en beheer, alsmede integraal beheer, dat de gronden door de Gemeente in één hand worden gehouden. (onder 4.20)
n. In deze procedure is geen ruimte om opnieuw in te gaan op de mogelijkheid van zelfrealisatie van (een deel van) het sportpark, zoals aan de orde in de andere onteigeningsprocedure. Wel ligt in deze procedure de vraag voor of de Kroon in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen dat de wens van de Gemeente om haar plannen in samenhang nader uit te werken, te realiseren, te beheren en te onderhouden reëel is in het licht van het maatschappelijke karakter van deze functies. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval, nu het hoofddoel van de twee bestemmingsplannen is om één parkstructuur te ontwerpen, dat bovendien moet aansluiten bij de Groene As waarbij het gebied als geheel een maatschappelijke functie heeft. (onder 4.21)
o. De Kroon heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen. (onder 4.25)
Privaatrechtelijk alternatief (erfpacht)
p. De omstandigheid dat de Gemeente bereid is gebleken om met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, doet aan het voorgaande niet af. Kennemerland Beheer had dit verweer bovendien reeds in de administratieve procedure naar voren moeten brengen, zodat het in de bestuurlijke belangenafweging kon worden betrokken. Niet is komen vast te staan dat de mogelijke uitgifte in erfpacht onderdeel is geweest van de administratieve procedure, nu dit niet blijkt uit verwijzingen door Kennemerland Beheer naar onder meer gevoerde correspondentie met de Gemeente, een verslag van het gesprek met de wethouder op 9 oktober 2019, een logboek en notities van de Gemeente die zijn opgesteld voor de hoorzitting van 5 december 2019 bij de Kroon. Kennemerland Beheer kan niet worden gevolgd in haar stellingname, voor zover zij dat heeft willen betogen, dat de na het KB gevoerde discussie over een mogelijke uitgifte in erfpacht een nadere invulling is van haar stellingname in de administratieve procedure. De citaten waarnaar zij verwijst zien bovendien allemaal op de door Kennemerland Beheer voorgestane zelfrealisatie zonder dat deze enige vingerwijzing bevatten naar een privaatrechtelijk alternatief als erfpacht. Aan het verweer van een privaatrechtelijk alternatief ter voorkoming van onteigening gaat de rechtbank dan ook voorbij. (onder 4.23 en 4.24)
Het werk waarvoor onteigend wordt: overheidswerk?
q. De rechtbank gaat voorbij aan de op de zitting door Kennemerland Beheer opgeworpen vraag of nog sprake is van een overheidswerk, nu deze vraag kennelijk ziet op de verworven gronden voor de aanleg van het sportpark en niet op de onteigening van de gronden die in deze procedure voorligt. (onder 4.25)
2.5
2.6
Op 5 augustus 2021 heeft Kennemerland Beheer een procesinleiding ingediend bij de Hoge Raad. Op 9 augustus 2021 heeft Kennemerland Beheer – gelet op art. 53 lid 1 in verbinding met art. 54l Ow tijdig – het oproepingsbericht, de procesinleiding en de cassatieverklaring aan de Gemeente betekend. De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna over en weer nog is gerepliceerd en gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
3.1
Het cassatiemiddel in het principaal beroep bestaat uit zes onderdelen.
3.2
De klachten van onderdeel 1 zien op de beoordeling van de incidentele vordering van Kennemerland Beheer in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4. Die overwegingen luiden:
‘4.2. Kennemerland Beheer heeft deze stellingen van de gemeente onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gemeente het volledige bij de Kroon aangeleverde dossier heeft overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie. Dit betekent dat Kennemerland Beheer geen belang heeft bij haar vordering en om die reden niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Voor zover Kennemerland Beheer heeft willen betogen dat de gemeente ook gehouden is het dossier over te leggen dat de Kroon in verband met het onteigeningsbesluit onder zich heeft, vindt dat betoog geen steun in het recht. Artikel 843a Rv, waar Kennemerland Beheer zich op beroept, kan in dit verband alleen zien op bescheiden die ter beschikking van de gemeente staan of die de gemeente zelf onder haar berusting heeft. Anders dan Kennemerland Beheer heeft betoogd kan in het kader van artikel 843a Rv niet worden gesteld dat ook alle stukken aan de zijde van de Kroon (het door Kennemerland Beheer bedoelde ‘kroondossier’) ter beschikking van de gemeente staan enkel omdat de gemeente het in haar macht heeft deze stukken bij de Kroon op te vragen. Niet valt in te zien waarom de Kroon zonder meer gehouden zou zijn om het door haar opgebouwde dossier desgevraagd integraal aan de gemeente af te geven. Een vordering tot inzage is bovendien – anders dan Kennemerland Beheer meent – niet bedoeld om het bij de Kroon berustende dossier te bestuderen, zodat zij kan kijken of zij wellicht iets nuttigs aantreft dat zij kan gebruiken bij haar verweer tegen de onteigening. Het is in strijd met de ratio van het vereiste van rechtmatig belang en bepaalde bescheiden dat een procespartij inzage vordert van één of meerdere mogelijk bestaande bescheiden waarvan men vermoedt dat de wederpartij deze onder zich zou kunnen hebben (of krijgen) en waarvan men voorts hoopt dat deze op enigerlei wijze gunstige nieuwe feiten aan het licht brengen.
4.3. Ook het subsidiaire beroep van Kennemerland Beheer op artikel 22 Rv kan haar niet baten, omdat zij niet heeft gesteld dat de gemeente bepaalde bescheiden onder zich heeft gehouden die van belang zijn voor de beslissing in deze zaak. Het betoog van Kennemerland Beheer dat het merkwaardig, opmerkelijk en vreemd is dat de rechter die het titelbesluit moet toetsen niet de beschikking krijgt over het dossier waarop de Kroon zijn besluit neemt, treft geen doel. De wet schrijft voor welke procedure door de onteigenende partij gevolgd moet worden en welke stukken daarvoor moeten worden overgelegd. De gemeente heeft aan die wettelijke voorschriften voldaan. Evenmin kan de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14308) Kennemerland Beheer baten. De gemeente is in die procedure, zo leidt de rechtbank af uit de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 in samenhang bezien, niet bevolen tot overlegging van het gehele kroondossier maar tot – kort gezegd – de stukken die na de hoorzitting bij de Kroon zijn gewisseld tussen de Kroon en elk van partijen. Het bevel zag dus op concrete stukken naar aanleiding van een concreet verweer, hetgeen ook volgt uit de ter zitting door mr. Van der Werf namens Kennemerland Beheer gegeven toelichting, waarbij mr. Van der Werf overigens heeft opgemerkt dat hij in voornoemde zaak de desbetreffende gemeente bijstond.
4.4. Kennemerland Beheer wijst nog op artikel 21 Rv, maar de rechtbank is van oordeel dat de gemeente dit artikel niet heeft geschonden. De verplichting die ex artikel 21 Rv op de gemeente rust om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, brengt namelijk niet mee dat de gemeente stukken moet overleggen die volgens haar niet relevant zijn en zij bovendien niet in haar bezit heeft. Evenmin brengt artikel 6 EVRM als algemene regel met zich mee dat de rechtbank over het hele kroondossier moet beschikken. Door Kennemerland Beheer zijn geen argumenten genoemd die maken dat dat in dit geval een vereiste is.’
3.3
Het eerste onderdeel valt uiteen in zeven subonderdelen, waarvan de strekking, steeds sterk vergelijkbaar is. Evenals in zaak 21/00998 stelt Kennemerland Beheer zich op het standpunt dat in onteigeningszaken in alle gevallen het gehele Kroondossier aan de onteigeningsrechter moet worden overgelegd, omdat de rechterlijke toetsing van het onteigenings-KB anders niet behoorlijk kan worden uitgevoerd. Volgens haar volstond niet dat de Gemeente het volledige bij de Kroon aangeleverde dossier had overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie. Voor dit standpunt beroept Kennemerland Beheer zich op art. 843a respectievelijk 22 Rv, art. 6 EVRM en art. 3:2 respectievelijk 8:42 Awb.
3.4
Het gelukt mij niet om in de klachten van het onderdeel iets wezenlijks anders te zien dan een poging om groot te maken wat klein is. Eventueel kan de juridisch-technische vormgeving die de steller van het middel aan die poging heeft gegeven, verdienstelijk heten, maar daarmee wordt wat klein is nog niet groot. Ik meen met enkele korte opmerkingen te kunnen volstaan.
3.5
Een gehoudenheid voor de onteigenaar om het gehele Kroondossier aan de onteigeningsrechter over te leggen, volgt niet uit de Onteigeningswet. De steller van het middel betoogt dat ook niet. Art. 8:42 Awb, dat voorschrijft dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter toezendt, is in onteigeningszaken niet van toepassing.4.Art. 3:2 Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Dat biedt evenmin een grondslag voor de beweerde verplichting van de onteigenaar tot overlegging van stukken.5.
3.6
Volgens de steller van het middel geldt dat voor zover de Gemeente het in haar macht heeft stukken op te vragen, zij die stukken ook ter beschikking heeft in de zin van art. 843a Rv. Dat lijkt mij op zichzelf goed verdedigbaar. Bij de desbetreffende klacht heeft Kennemerland Beheer echter geen belang. Art. 843a Rv biedt een voorziening voor gevallen van informatieasymmetrie. Een rechtmatig belang in de zin van het artikel veronderstelt dat een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald bewijsstuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt.6.Verondersteld is dus dat de wederpartij zelf geen toegang tot het stuk heeft, althans die toegang voor de wederpartij in relevante mate bezwaarlijker is dan voor de partij op wie de exhibitieplicht rust. Dat dit geval zich hier voordoet, is geheel onaannemelijk, omdat Kennemerland Beheer uiteraard ook zelf bij de Kroon het advies van de Raad van State en/of nog andere stukken kan opvragen, volgens art. 3 lid 3 Wob zelfs zonder dat zij daartoe enig belang behoeft te stellen. Uiteraard afgezien van een in de Wob voorziene weigeringsgrond, maar dat zij géén toegang tot enig stuk heeft, is door Kennemerland Beheer niet aangevoerd. In plaats daarvan baseert zij zich op een petitio principii, inhoudende dat de onteigenaar in álle gevallen het gehéle Kroondossier aan de onteigeningsrechter dient over te leggen.
3.7
3.8
Voor zover in subonderdeel 1.2 mede de klacht van Kennemerland Beheer zou moeten worden gelezen dat de omstandigheid dat de Gemeente het gehele bij de Kroon aangeleverde dossier heeft overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie, niet de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring kan dragen, omdat de vordering van Kennemerland Beheer op het volledige Kroondossier zag, geldt het volgende. Uit rechtsoverwegingen 4.2 (tweede helft), 4.3 en 4.4 volgt dat de rechtbank onder ogen heeft gezien dat de incidentele vordering van Kennemerland Beheer op meer stukken betrekking heeft dan door de Gemeente was overgelegd. In zoverre heeft de rechtbank die vordering op inhoudelijke gronden afgewezen. Op zichzelf is uiteraard juist dat een niet-ontvankelijkverklaring daarbij niet goed past, maar bij een klacht volgens welke de rechtbank de vordering aan haar had moeten ontzeggen in plaats van haar niet-ontvankelijk te verklaren, heeft Kennemerland Beheer uiteraard geen belang. Ten overvloede nog: uit de overwegingen van de rechtbank is voldoende duidelijk dat wat betreft de niet door de Gemeente overgelegde stukken de rechtbank aan Kennemerland Beheer haar vordering heeft ontzegd; zoals gezegd heeft zij die vordering immers op inhoudelijke gronden afgewezen; de formulering naar de letter als een niet-ontvankelijkheid in rechtsoverweging 4.2 en ook in het dictum onder 5.2, doet hieraan niet af.
3.9
Nader nog naar aanleiding van enkele klachten die nieuw of anders zijn ten opzichte van de klachten in zaak 21/00998:
‒ De stelling van Kennemerland Beheer dat uit inventarislijsten zou volgen dat het Kroon-dossier niet volledig door de Gemeente is overgelegd (subonderdeel 1.2 tweede helft), brengt in het voorgaande geen verandering. Dat zou een essentiële stelling zijn indien de rechtsopvatting waarvan de steller van het middel uitgaat, juist was. Maar dat is zij mijns inziens niet. Kennemerland Beheer duidt niet specifieke in de inventarislijsten vermelde stukken aan waartoe de Gemeente wel maar zij geen toegang heeft, met een toelichting op het potentiële belang van de desbetreffende stukken.
‒ Ook de stelling van Kennemerland Beheer dat zij niet kan controleren of het kroondossier compleet is, brengt mij niet op andere gedachten (subonderdeel 1.3). Het lijkt mij niet vanzelfsprekend dat de Gemeente wel steeds de compleetheid van het dossier kan overzien. Hoe dan ook, mijns inziens is van een serieus te nemen informatieasymmetrie geen sprake.
‒ Subonderdeel 1.4 is een herhaling van zetten. Bovendien richten de daar vermelde klachten zich tegen een overweging ten overvloede (vergelijk het woordje ‘bovendien’).
‒ Subonderdeel 1.6 ziet weer op de inventarislijsten. Ik verwijs naar wat naar aanleiding van subonderdeel 1.2 tweede helft is opgemerkt.
‒ Subonderdeel 1.7 is weer een herhaling van zetten.
3.10
Onderdeel 2 richt zich tegen rechtsoverweging 4.11 en betreft de verwerping van het betoog van Kennemerland Beheer dat de onteigening geen deugdelijke planologische grondslag heeft. Deze kwestie speelt niet ook in zaak 21/00998. In verband met de samenhang citeer ik, behalve de aangevallen overweging, ook rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10:
‘4.6. Kennemerland Beheer heeft zich op het standpunt gesteld dat een deugdelijke planologische grondslag voor de onteigening ontbreekt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij het volgende aangevoerd. Op het onteigende vigeert nu het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost, 1e herziening uit 2016 (verder: het bestemmingsplan 1e herziening). De Kroon heeft het oorspronkelijke verzoekbesluit van de gemeente teruggestuurd, omdat het bestemmingsplan 1e herziening onvoldoende grondslag bood voor deze onteigening. Dit bestemmingsplan kent immers aan de te onteigenen gronden uitsluitend een gebiedsaanduiding toe waarmee hoogtebeperkingen van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) voor Schiphol zijn geïmplementeerd. Een nadere planregeling ontbreekt in het bestemmingsplan 1e herziening. De raad van de gemeente heeft vervolgens een nieuw verzoekbesluit genomen met als planologische grondslag het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost uit 2013. In dit bestemmingsplan is de natuurbestemming aan de te onteigenen gronden toegekend. Zowel de gemeente als de Kroon zijn daarbij uitgegaan van de onjuiste premisse dat het bestemmingsplan uit 2013 nog van kracht is en dat het bestemmingsplan 1e herziening slechts aanvullende werking heeft. Dat is onjuist, omdat in het bestemmingsplan 1e herziening verzuimd is het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost en de bijbehorende planregeling van overeenkomstige toepassing te verklaren, voor zover daarvan met de planregeling in het bestemmingsplan 1e herziening niet uitdrukkelijk werd afgeweken. De toelichting in het bestemmingsplan 1e herziening lijkt wel van die aanvullende werking uit te gaan, maar omdat de planregels prevaleren boven de toelichting komt aan die toelichting op dat punt geen betekenis toe, aldus nog steeds Kennemerland Beheer.
4.7. De rechtbank stelt voorop dat de onteigeningsrechter ingevolge de taakverdeling tussen de Kroon en de onteigeningsrechter op een daartoe strekkend verweer de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit ten volle moet toetsen. Het betoog van de gemeente dat het verweer van Kennemerland Beheer op dit punt betrekking heeft op de doelmatigheid van de voorgenomen onteigening en dus slechts marginaal getoetst moet worden, is niet juist. Immers, als zou komen vast te staan dat de onteigening niet geschiedt ter uitvoering van een bestemmingsplan, omdat het desbetreffende bestemmingsplan (Badhoevedorp Lijnden-Oost) ter plaatse niet (meer) het vigerende bestemmingsplan is, is er voor deze onteigening geen wettelijke grondslag. Het oordeel over de vraag of de onteigening geschiedt ter uitvoering van een vigerend bestemmingsplan past daarmee binnen de rechtmatigheidstoets van het onteigeningsbesluit en dat oordeel komt daarmee de onteigeningsrechter toe.
4.8. Bij uitspraak van 2 april 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het besluit van de raad van de gemeente tot vaststelling van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost vernietigd onder meer voor zover het kort gezegd betreft twaalf deelgebieden die niet het te onteigenen perceel betreffen. Vervolgens heeft de gemeente de bestemming voor een aantal van deze deelgebieden herzien in het bestemmingsplan 1e herziening. Daarbij is ook een omissie op de verbeelding van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost gecorrigeerd. Die omissie betrof de aanduiding “Luchtverkeerszone" waarnaar in artikel 43 van de planvoorschriften werd verwezen. Deze zone was niet op de verbeelding terechtgekomen.
4.9. Anders dan in artikel 3.39 Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor de verhouding tussen bestemmingsplan en beheersverordening is geregeld, bestaat er geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het voorgaande bestemmingsplan wordt ontnomen. Uit het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost en het bestemmingsplan 1e herziening in onderlinge samenhang bezien kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat bestemmingsplan 1e herziening voor wat betreft (onder meer) het te onteigenen perceel niets heeft toegevoegd aan het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost. Het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost is voor wat betreft de bestemming van het te onteigenen perceel niet gewijzigd en geldt nog onverkort. Gelet op beide bestemmingsplannen kan voor het te onteigenen perceel dan ook geen misverstand bestaan over de bestemming, zodat in zoverre de rechtszekerheid niet in geding is.
4.10. Alleen als twee onherroepelijke bestemmingsplannen in samenhang bezien tot onduidelijkheid leiden is de rechtszekerheid in het geding. In zoverre verschilt deze casus van de gevallen die aan de orde waren in de door Kennemerland Beheer aangehaalde jurisprudentie, zodat Kennemerland Beheer aan die jurisprudentie geen argumenten kan ontlenen voor haar stelling dat met het onherroepelijk worden van bestemmingsplan 1e herziening het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost haar gelding heeft verloren. Dat geldt te meer nu die opvatting tot gevolg zou hebben dat een groot deel van het plangebied onbestemd zou zijn. Die consequentie volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit (het systeem van) de Wro.
4.11. Het voorgaande leidt ertoe dat het betoog van Kennemerland Beheer dat de onteigening geen deugdelijke planologische grondslag heeft, wordt verworpen.’
3.11
Het tweede onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.
3.12
Subonderdeel 2.1 bevat de rechtsklacht dat de rechtbank heeft miskend dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het voorgaande bestemmingsplan wordt ontnomen. De steller van het middel verwijst hiervoor naar het rechtszekerheidsbeginsel en naar uitspraken van de Afdeling van 11 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3097) en 3 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1326). Subonderdelen 2.2 en 2.3 bouwen hierop voort. De klacht onder 2.2 begrijp ik aldus dat de rechtbank heeft miskend dat de onteigeningsrechter geen ruimte toekomt verschillende bestemmingsplannen te interpreteren en op basis daarvan een afweging te maken tot welke uitleg met betrekking tot de geldende bestemming moet worden gekomen. De steller van het middel betoogt dat de opvatting van de rechtbank de ongewenste consequentie heeft dat voor het vaststellen van de bestemming steeds niet alleen de planregels van het vigerende bestemmingsplan, maar tevens die uit (een) voorgaand(e) bestemmingsplan(nen) dienen te worden geraadpleegd. Onder 2.3 wordt betoogd dat de beslissing van de rechtbank onvoldoende begrijpelijk is, omdat zij (1) niet voldoende heeft toegelicht waarom de hiervoor vermelde rechtsregel niet van toepassing zou zijn, althans die beslissing (2) op een onbegrijpelijke uitleg van de rechtspraak van de Afdeling berust.
3.13
Het gaat er bij deze klachten dus om wat het rechtsgevolg is van de vaststelling van het bestemmingsplan 1e herziening voor (de gelding van) het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost. Beantwoording van die vraag is inderdaad wezenlijk voor de rechtmatigheid van de onteigening. Zoals de rechtbank terecht heeft vooropgesteld, heeft de onteigening geen wettelijke grondslag (meer), indien de onteigening niet geschiedt ter uitvoering van een bestemmingsplan, omdat het desbetreffende bestemmingsplan ter plaatse niet (meer) vigeert. Volgens de rechtsopvatting die Kennemerland Beheer voorstaat, ontneemt de inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een bepaald grondgebied automatisch de werking van een voorheen voor dat grondgebied geldend bestemmingsplan, tenzij in de planregels expliciet is bepaald welke regels van het oudere bestemmingsplan voor welke gronden van kracht blijven.
3.14
Art. 3.1 Wro bevat de centrale norm voor het opstellen en de inhoud van een bestemmingsplan. Het houdt voor de gemeenteraad de verplichting in om voor het gehele grondgebied van de gemeente bestemmingsplannen vast te stellen, waarbij toegelaten is om het grondgebied van de gemeente in meerdere bestemmingsplannen te regelen. De gemeenteraad bepaalt namelijk uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening de grenzen van het gebied waarvoor een bestemmingsplan wordt vastgesteld. In de praktijk komen ook zogeheten postzegelbestemmingsplannen en facetbestemmingsplannen voor, ook wel paraplubestemmingsplannen genoemd. Een postzegelbestemmingsplan heeft vaak betrekking op een concreet perceel of object maar houdt wel een gebiedsgerichte afweging in. Een paraplu- of facetbestemmingsplan is een bestemmingsplan met betrekking tot een bepaald beleidsthema en voorziet in de regel in een aanpassing van de planregels van meerdere geldende bestemmingsplannen; een dergelijk plan vervangt dus niet automatisch een eerder vastgesteld en onherroepelijk geworden bestemmingsplan.7.
3.15
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wro volgt dat een bestemmingsplan zowel een partiële wijziging van een bestaand plan kan inhouden, als een bestaand plan geheel kan vervangen. Een bestemmingsplan kan ook een samenvoeging zijn van meerdere bestaande bestemmingsplannen of gedeelten daarvan indien sprake is van onderlinge samenhang of om pragmatische redenen.8.
3.16
Wat voegt de rechtspraak van de Afdeling waarop Kennemerland Beheer zich beroept, aan het voorgaande toe? In de zaak die leidde tot de uitspraak van 11 september 2019 had appellant aangevoerd dat onduidelijk was of het nieuwe bestemmingsplan voorzag in de bouw van twee woningen op gronden gelegen binnen het bestemmingsgebied, nu aan die gronden slechts de gebiedsaanduiding ‘geluidszone-industrie’ was toegekend en geen andere, onderliggende bestemmingen. Verder had appellant aangevoerd dat onduidelijk was of met de vaststelling van het bestemmingsplan waartegen werd opgekomen de op grond van het voorheen geldende planologisch regime vastgestelde geluidzone was komen te vervallen. De gemeenteraad had met een nieuw bestemmingsplan herziening wat betreft een aantal delen van het grondgebied van Eerbeek beoogd, maar wenste het eerder vastgestelde planologisch regime voor het overige te laten blijven gelden. De Afdeling overwoog:9.
‘93.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142, kan op zichzelf in overeenstemming met het systeem uit de Wro een bestemmingsplan worden vastgesteld dat alleen voorziet in de planonderdelen (bestemmingen, aanduidingen en regels) die ten opzichte van een bestaand bestemmingsplan worden gewijzigd. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel vereist dat de planregels in een zogenoemde schakelbepaling ondubbelzinnig bepalen dat de verbeelding en planregels uit het vorige bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van (overeenkomstige) toepassing blijven. Voorts dient in de planregels te zijn vastgelegd voor welke gronden het nader te noemen bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van toepassing blijft. De schakelbepaling uit artikel 31, lid 31.1 van de planregels voldoet hier niet aan, nu hierin niet is bepaald dat de verbeelding en planregels uit bestaande bestemmingsplannen, al dan niet gedeeltelijk, van toepassing blijven en niet is bepaald welke bestemmingsplannen dit betreft. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. Het betoog slaagt.’
3.17
Uit het voorgaande volgt dat het ontbreken van een schakelbepaling in dit geval betekende dat het bestemmingsplan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel was vastgesteld. De consequentie die de Afdeling daaraan verbond was vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover het dit gebrek betrof. Tegelijkertijd, ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen, gaf de Afdeling toepassing aan art. 8:72 lid 5 Awb en bepaalde (bij wijze van voorlopige voorziening) dat de verbeelding en de planregels van het oude bestemmingsplan van toepassing bleven.10.De Afdeling veronderstelde aldus dat de vereiste schakelbepaling wél bedoeld was. Verder stelde zij de gemeenteraad in de gelegenheid de geconstateerde gebreken te herstellen en droeg de gemeenteraad op alsnog in het bestemmingsplan op te nemen dat de oude planregels zijn blijven gelden.11.
3.18
In de zaak die aan de orde was in de uitspraak van 3 juni 2020 stond een gedeeltelijke herziening van een bestemmingsplan in de gemeente Midden-Delfland centraal. De Afdeling overwoog:
‘3.5 Op zichzelf kan in overeenstemming met het systeem van de Wro een bestemmingsplan worden vastgesteld dat alleen voorziet in de planonderdelen (bestemmingen, aanduidingen en regels) die ten opzichte van een bestaand bestemmingsplan worden gewijzigd. Gelet op de rechtszekerheid is evenwel vereist dat de planregels in een zogenoemde schakelbepaling ondubbelzinnig bepalen dat de verbeelding en planregels uit het vorige bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van (overeenkomstige) toepassing blijven. Voorts dient in de planregels te zijn vastgelegd voor welke gronden het nader te noemen bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van toepassing blijft. Vergelijk de uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142. Een dergelijke schakelbepaling ontbreekt in de planregels. Noch uit de planregels, noch uit de verbeelding volgt dat de bestemming ‘Leiding – Gas’ aan de gronden ter plaatse van de leiding is toegekend. De plantoelichting is geen juridisch bindend onderdeel van het plan. Daarom kan niet worden volstaan met het opnemen van passages in de plantoelichting. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. Nu het bestemmingsplan de ligging van de in het plangebied aanwezige buisleiding, alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook, niet weergeeft is het plan tevens in strijd met artikel 14 van het Bevb. De raad heeft in de nota van zienswijzen behorend bij het vaststellingsbesluit aangegeven dat de leiding op de bewuste plaats zal worden weergeven en geconcludeerd dat de zienswijze van Gasunie leidt tot aanpassing van het plan. De raad heeft echter nagelaten dit vervolgens in het plan te regelen. In zoverre is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.’12.
3.19
Ook in deze zaak had het ontbreken van een schakelbepaling tot gevolg dat het bestemmingsplan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel was vastgesteld. De Afdeling gaf bij tussenuitspraak toepassing aan de bestuurlijke lus (art. 8:51a Awb) en verbond dus aan het geconstateerde gebrek niet direct de consequentie van vernietiging van het vaststellingsbesluit. De Afdeling droeg de gemeenteraad van Midden-Delfland op om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het vaststellingsbesluit tot herziening van het oudere bestemmingsplan, te herstellen. De Afdeling voegde hieraan in het dictum toe: ‘bij het nemen van een nieuw of gewijzigd besluit zou de raad ervoor kunnen kiezen om de leiding en de dubbelbestemming “Leiding – Gas” op te nemen op de verbeelding of een schakelbepaling toe te voegen aan de planregels.’ Bij einduitspraak van 3 februari 2021 heeft de Afdeling vastgesteld dat de gemeenteraad het (herzienings)bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld en in de planregels een schakelbepaling heeft opgenomen inhoudende dat het oudere bestemmingsplan onverkort van toepassing blijft op het plangebied, behoudens enkele uitzonderingen. Verder heeft de Afdeling vastgesteld dat de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ aan de gronden ter plaatse van de gasleiding en de belemmeringenstrook is toegekend, zodat het gebrek in het oorspronkelijke vaststellingsbesluit is hersteld.13.
3.20
Het zal duidelijk zijn dat deze uitspraken ten minste enige steun bieden aan het standpunt dat Kennemerland Beheer in dit geding inneemt. Het bestemmingsplan 1e herziening bevat niet een schakelbepaling in de door de Afdeling bedoelde zin. Volgens de rechtspraak van de Afdeling is dit in verband met het rechtszekerheidsbeginsel wél vereist.
3.21
Voordat ik nader de consequenties daarvan overweeg, citeer ik Nijmeijer in zijn TBR-annotatie van de uitspraak van 3 juni 2020:14.
‘De bedoeling is dat afgezien van de beoogde planwijzigingen, het vigerende plan zijn gelding behoudt. Dat laatste moet echter juridisch worden geconstrueerd in de planregels. Als wordt volstaan met het vaststellen van de wijzigingen zonder dat in het nieuwe plan een relatie wordt gelegd met de te behouden regels uit het vigerende plan, wordt het vigerende planologische regime na vaststelling van het nieuwe plan gevormd door louter de vastgestelde wijzigingen. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.
(…)
Het gebrek in de onderhavige planregeling is een gevolg van de juridische aanname dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, het voorheen geldende plan voor het betrokken plangebied zijn gelding verliest. Het oude plan wordt als het ware door het nieuwe plan ‘overgeschreven’. Dit fenomeen wordt onder vigeur van de Omgevingswet doorbroken. Omdat dan slechts één omgevingsplan voor de gehele gemeente geldt, is de noodzaak om via een parapluplan meerdere vigerende plannen tegelijk aan te passen, vanzelfsprekend niet langer aan de orde. Tevens kan het niet zo zijn dat als de omgevingsplanregels voor locatie X gewijzigd worden vastgesteld, het voorgaande – voor de gehele gemeente – geldende planologische regime met die vaststelling komt te vervallen (wordt ‘overgeschreven’). In de nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit merkt de regering daarom op dat ‘’in het vaststellingsbesluit voor een omgevingsplan vergelijkbaar met een wetswijziging of de wijziging van een verordening, door de planwetgever wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels’ (Stb. 2018, 290, p. 94). Dat is een plantechniek die overeenkomt met de werkwijze die de gemeenteraad van Midden-Delfland in deze zaak heeft gehanteerd. Onder vigeur van de Omgevingswet wordt die werkwijze voor alle gemeenten en in alle gevallen de gangbare werkwijze. Uiteraard is ook dan cruciaal dat in het vaststellingsbesluit geen planregels worden ‘vergeten’. Gebeurt dat per ongeluk wél, dan zijn de gevolgen minder desastreus dan naar huidig recht, omdat het voorheen geldende planologische regime na de vaststelling van het nieuwe niet vervalt. Dat laat onverlet dat de nieuwe plantechniek onder vigeur van de Omgevingswet ongetwijfeld de nodige rechtspraak op gaat leveren. Bijvoorbeeld over de vraag wat rechtens is als een vaststellingsbesluit ‘nieuwe stijl’ geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd of over de vraag in hoeverre door de rechter zelf in de zaak kan worden voorzien. Bij de wijziging van gewone verordeningen is daarmee geen ervaring opgedaan, omdat de vaststelling van een verordening – anders dan de vaststelling van een omgevingsplan – niet appellabel is (zie art. 8:3 Awb).’
3.22
Het zal duidelijk zijn dat wat Nijmeijer hier schrijft, aan het standpunt van Kennemerland Beheernader steun biedt, althans wat betreft zijn interpretatie van het geldende recht.15.De annotator spreekt immers van ‘de juridische aanname’ dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, het voorheen geldende plan voor het betrokken plangebied zijn gelding verliest (behoudens de werking van schakelbepalingen). Intussen lijkt me ook duidelijk dat Nijmeijer met die aanname niet onverkort gelukkig is (‘dat is natuurlijk niet de bedoeling’). Hij prefereert het stelsel van de aanstaande Omgevingswet, omdat in dat stelsel het vergeten van een of meer planregels niet langer desastreuze gevolgen heeft.
3.23
Lezen we met de steller van het middel (en onder meer Nijmeijer) in de besproken rechtspraak van de Afdeling dat het ontbreken van een schakelbepaling categorisch tot gevolg heeft dat met de vaststelling van een nieuwe bestemmingsplan het oude zijn gelding heeft verloren, dan ontvalt aan de onteigening inderdaad de planologische grondslag. Maar dat is mij te eenvoudig. Bij de interpretatie van iedere rechterlijke beslissing, ook die van een hoogste rechter, geldt dat in het oog moet worden gehouden dat daarin een concreet geval is beslist. Dit geldt ook voor de rechtspraak van de Afdeling. Zelfs in het precedentenstelsel van de Anglo-Amerikaanse rechtsfamilie geldt dat afwijkende kenmerken van een nieuwe zaak tot distinguishing interpretation kunnen leiden, waarmee een precedent dat op het eerste gezicht vanzelfsprekend van toepassing lijkt, dat bij nader inzien toch niet is. Welnu, afwijkende kenmerken van de voorliggende zaak ten opzichte van de door de Afdeling besliste zaken waarop Kennemerland Beheer zich beroept, zijn er mijns inziens in diverse opzichten. Intussen zijn er meer uitspraken van de Afdeling, die hetzelfde lijken te zeggen. Ook die zal ik daarom in mijn beschouwingen betrekken.
3.24
In de eerste plaats dunkt mij belangrijk dat de rechtspraak van de Afdeling niet inhoudt dat uit het wettelijk stelsel van de Wro als zodanig volgt dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan aan een eerder bestemmingsplan de werking wordt ontnomen.16.In plaats daarvan leidt de Afdeling een zodanig mechanisme (in de woorden van Nijmeijer: die ‘juridische aanname’) af uit het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij past wat de rechtbank heeft gedaan, namelijk onderzoeken of ook in de voorliggende zaak in redelijkheid de rechtszekerheid in het geding is, in de zin dat de verhouding van het bestemmingsplan 1e herziening tot het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost tot misverstanden of onduidelijkheden zou (kunnen) leiden (rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10).
3.25
In de tweede plaats dienen we te letten op de inzet in de voorliggende zaak. Mijns inziens is die wezenlijk anders dan in de zaken waarin de Afdeling zich over de kwestie heeft uitgesproken.
3.26
In sommige uitspraken waarin de Afdeling aanneemt dat het in werking treden van een bestemmingsplan aan een eerder bestemmingsplan de werking ontneemt, was de vraag aan de orde of de intrekking van een nieuw, reeds onherroepelijk geworden planologisch regime het voorheen geldende planologisch regime doet herleven. In dat verband heeft de Afdeling overwogen dat het onherroepelijk worden van het nieuwe planologische regime het oude regime doet vervallen, zodat het vanaf dat moment niet meer bestaat. Anders ligt dit bij een vernietiging door de Afdeling van een vaststellingsbesluit van een nog niet onherroepelijk geworden bestemmingsplan (of ander planologisch regime, zoals bijvoorbeeld op provinciaal niveau een inpassingsplan), waarvoor geldt dat betrokkenen erop bedacht dienen te zijn dat het voorheen geldende bestemmingsplan nog wél kan herleven.17.In de voorliggende zaak is niet de vraag naar herleving van een reeds onherroepelijk vervallen planologisch regime aan de orde. Het lijkt mij ook duidelijk dat de rechtszekerheid met een herleving van een reeds vervallen planologisch regime evident meer schade lijdt dan wat volgens het oordeel van de rechtbank in de voorliggende zaak aan de orde is. In de voorliggende zaak gaat het namelijk om de uitleg van een nieuw bestemmingsplan aldus dat, hoewel een uitdrukkelijke schakelbepaling ontbreekt, in verband met de inhoud van dat nieuwe plan geen misverstand mogelijk is over de bedoeling van de planregelgever om de in een eerder bestemmingsplan opgenomen bestemming te handhaven voor de percelen die in het nieuwe bestemmingsplan geen bestemming hebben gekregen. Het oordeel van de rechtbank komt er aldus op neer dat beide bestemmingsplannen van kracht zijn en náást elkaar gelding hebben (niet ‘in plaats van elkaar’).
3.27
De andere uitspraken van de Afdeling waarop Kennemerland Beheer zich beroept, betreffen steeds beroep tegen het besluit tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan op de grond dat de verhouding tot een bestaand bestemmingsplan onduidelijk is. Het komt er in deze zaken op neer dat de belanghebbende ondubbelzinnige duidelijkheid wenste te verkrijgen over de juiste inhoud van het planologisch regime zoals dat na het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan zou gaan gelden. In déze context heeft de Afdeling aanvaard dat gelet op het rechtszekerheidsbeginsel vereist is dat een schakelbepaling in de planregels ondubbelzinnig bepaalt dat de verbeelding en planregels uit het vorige bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van (overeenkomstige) toepassing blijven, alsook dat in de planregels dient te zijn vastgelegd voor welke gronden het nader te noemen bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van toepassing blijft.18.
3.28
Alleen in de hiervoor 3.26 bedoelde uitspraken met betrekking tot de herleving van een reeds vervallen planologisch regime functioneert het mechanisme (de ‘juridische aanname’) dat door het in werking treden van een bestemmingsplan aan een eerder bestemmingsplan de werking wordt ontnomen, als een regel bij de uitleg van het planologisch regime zoals dit voor bepaalde gronden vigeert. Zoals gezegd, dat de rechtszekerheid met een herleving van een reeds vervallen planologisch regime schade lijdt, is evident. In de andere, hiervoor 3.27 bedoelde uitspraken van de Afdeling functioneert hetzelfde mechanisme niet als een regel om het geldende planologische regime vast te stellen, maar, zo kan men zeggen, als een gedragsnorm voor de gemeenteraad als planregelgever bij het opstellen van ruimtelijke plannen, welke gedragsnorm onduidelijkheid over het toekomstige planologische regime moet voorkomen. In deze laatste categorie van uitspraken, lijkt de Afdeling ook steeds zorgvuldig te bewaken dat bij het herstel van wat in strijd met de bedoelde gedragsnorm heeft plaatsgevonden, niet de door Nijmeijer (hiervoor 3.21) bedoelde desastreuze gevolgen intreden. Dat lijkt mij alleszins terecht: in een dichtbevolkt land als Nederland beschermt het planologisch regime een veelvoud van wezenlijke belangen; het onbedoeld wegvallen van dat regime heeft inderdaad potentieel desastreuze gevolgen.19.
3.29
De inzet van de voorliggende zaak is wezenlijk anders. Herleving van een reeds vervallen planologisch regime is niet aan de orde, zomin als beroep tegen een besluit tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Nee, het bestemmingsplan 1e herziening is reeds onherroepelijk. Waar het thans om gaat is of het enkele ontbreken van een schakelbepaling in een nieuw bestemmingsplan categorisch de mogelijkheid uitsluit dat het planologisch regime van bepaalde gronden mede door een eerder bestemmingsplan wordt bepaald. Met de rechtbank zou ik willen aannemen dat dit mogelijk is, mits over de bedoeling van de planregelgever redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan, zodat in zoverre de rechtszekerheid niet in het geding is.
3.30
Ik begrijp zeer wel dat Kennemerland Beheer meent dat haar positie in de voorliggende zaak wél vergelijkbaar is met die van belanghebbenden die in beroep zijn gekomen tegen het besluit tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, in de zin dat ook zij bij de rechter om rechtsbescherming tegenover het bestuur vraagt (bij de onteigeningsrechter in plaats van de bestuursrechter, maar dat verschil is op zichzelf uiteraard niet wezenlijk). Ik meen echter dat het een nuance anders is. Niet alleen de belangen van Kennemerland Beheer zijn in het geding, ook de belangen die met de desbetreffende bestemming worden gediend (hier die van een ecologische verbindingszone), waarbij immers onteigening een instrument is om die bestemming te realiseren. Dat ligt wezenlijk anders in het geval van beroep tegen het besluit tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan: met het alsnog opnemen van een gepaste schakelbepaling kunnen dan alle betrokken belangen het volle pond krijgen en de bestuursrechter pleegt met het oog daarop de bestuurlijke lus te benutten. In verband met die laatste werd in de hiervoor 3.27 bedoelde uitspraken van de Afdeling de soep steeds aanzienlijk minder heet gegeten, dan zij was opgediend.
3.31
Het is waar: onteigening is een vorm van eigendomsontneming en de wettelijke grondslag daarvoor is wezenlijk. Maar wat mij betreft gaat dit niet zo ver dat die wettelijke grondslag ook dan zou moeten worden ontkend indien bij de onteigende over de bedoeling van de planregelgever redelijkerwijs geen misverstand heeft kunnen bestaan. Daarbij moeten we bedenken dat de onteigeningsrechter niet beschikt over een instrument om geconstateerde gebreken door het verantwoordelijke bestuursorgaan te laten herstellen.
3.32
In de derde plaats: in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling waarop Kennemerland Beheer zich beroept bestond daadwerkelijk het risico van onduidelijkheid over de (juiste) planologische bestemming. In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2020 kende het nieuwe bestemmingsplan aan het desbetreffende perceel wél een bestemming toe en kon niet door de beugel dat de dubbelbestemming van het ‘oude’ bestemmingsplan nog van toepassing zou blijven, zonder dat dit expliciet in de planregels werd opgenomen. Ook in de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2019 dreigde voor de rechtszoekende onduidelijkheid over de vraag welke bestemming van toepassing was.
3.33
In de voorliggende zaak is het mijns inziens anders. Het bestemmingsplan 1e herziening bepaalt uitsluitend de bestemming van twaalf ‘postzegelpercelen’; met betrekking tot andere gronden in het plangebied is niets bepaald, zo ook niet met betrekking tot het perceel van Kennemerland Beheer. Het standpunt van Kennemerland Beheer komt erop neer dat thans het perceel niet langer bestemd is. Dat zou echter in strijd zijn met het systeem van de Wro, dat er immers van uitgaat dat voor het gehele grondgebied van een gemeente een bestemmingsplan moet gelden en dat alle gronden binnen het grondgebied van de gemeente dienen te zijn bestemd. Terecht heeft de rechtbank dit laatste in aanmerking genomen (zie rechtsoverweging 4.10).
3.34
De toelichting bij het bestemmingsplan 1e herziening waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen, vermeldt in paragraaf 1.3 het volgende:
‘1.3 ‘1.3 Vigerend bestemmingsplan
‘1.3 De situaties zijn gesitueerd in het op 4 juli 2013 vastgestelde bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost’. Dit bestemmingsplan is na de uitspraak van de Raad van State op 2 april 2014 onherroepelijk geworden. Het voorliggende bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost 1e herziening’ vervangt voor de genoemde 12 locaties het bovengenoemde plan en voegt de Lib-contour voor het gehele plangebied Badhoevedorp Lijnden Oost toe.’20.
3.35
Daarnaast is in hoofdstuk 3 van de plantoelichting opgenomen:
‘Voorliggend bestemmingsplan dient met name ter reparatie van kleinschalige ruimtelijke plannen binnen het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost’. Deze zijn over het algemeen van beperkte omvang en van ondergeschikte aard en hebben geen invloed op hetgeen is voorzien in Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. Om die reden zal dit hoofdstuk alleen een beschrijving bevatten van de speerpunten van voornoemd beleid. Voor afwegingen ten aanzien van dit beleid wordt verwezen naar de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost’. Dit bestemmingsplan is recent vastgesteld en met de uitspraak van de Raad van State op 2 april 2014 onherroepelijk geworden. De betrokken rijksdiensten en de provincie Noord-Holland hebben geen aanleiding gezien om tegen dit bestemmingsplan te ageren.’21.
3.36
Uit de plantoelichting volgt dus uitdrukkelijk wat de bedoeling van de gemeenteraad is geweest, namelijk dat afgezien van de met het bestemmingsplan 1e herziening beoogde reparaties, het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost zijn gelding zou behouden. De omstandigheid dat de toelichting geen juridisch bindend onderdeel van het plan is, betekent niet dat er geen acht op mag worden geslagen. Zo heeft de Afdeling wel overwogen dat de plantoelichting van betekenis is, omdat daaruit de bedoeling van de planwetgever kan worden afgeleid indien de bestemming niet duidelijk is.22.
3.37
Uit het voorgaande is reeds duidelijk dat mijns inziens de klachten van het onderdeel geen doel behoren te treffen. De rechtsopvatting waarvan het onderdeel uitgaat, schijnt weliswaar steun te vinden in de rechtspraak van de Afdeling, maar behoort toch niet te worden aanvaard. Wat Kennemerland Beheer bepleit is een mechanische toepassing van het uitgangspunt dat door het in werking treden van een bestemmingsplan aan een eerder bestemmingsplan de werking wordt ontnomen. Dat uitgangspunt functioneert in de rechtspraak van de Afdeling in een wezenlijk andere context dan in de zaak zoals die voorligt. Mijns inziens heeft de rechtbank terecht onderzocht of redelijkerwijs misverstand mogelijk was over de bedoeling van de gemeenteraad om wat betreft het perceel van Kennemerland Beheer de in het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost opgenomen bestemming te handhaven. De door Nijmeijer (hiervoor 3.21) bedoelde desastreuze gevolgen kunnen en mogen worden vermeden in gevallen waarin de rechtszekerheid niet werkelijk in het geding is.
3.38
Onderdeel 3, onderdeel 4 en onderdeel 5 richten zich tegen de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 4.22 dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep van Kennemerland Beheer op zelfrealisatie niet slaagt. Naast die overweging, citeer ik ook de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.21:
‘Het beroep op zelfrealisatie
4.17. Kennemerland Beheer heeft zich bereid en in staat verklaard om de op het perceel rustende bestemming ‘Natuur en de dubbelbestemmingen Leiding - Brandstof en Leiding - Water’ zelf te realiseren, al dan niet in samenhang met het sportpark De Veldpost, waarbij zij zich zal conformeren aan de wijze van planuitvoering van de gemeente, zoals die is neergelegd in het ‘Definitief Stedenbouwkundig Ontwerp Park De Veldpost’ uit 2015 (hierna: DSO).
4.18. Een beroep op zelfrealisatie wordt door de Kroon getoetst aan het zogenoemde noodzaakvereiste: als de onteigende de door de onteigenaar voorziene ontwikkeling zelf en op eigen kosten kan realiseren op de wijze zoals door de onteigenaar wordt voorgestaan binnen de planning zoals de onteigenaar dat wenst, dan is onteigening niet noodzakelijk. De Kroon heeft in het KB overwogen dat het beroep op zelfrealisatie niet afdoet aan de noodzaak tot onteigening van de beoogde gronden. Daartoe heeft de Kroon – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Uit het onderzoek en de overgelegde stukken is gebleken dat de gemeente het gedeelte van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost dat betrekking heeft op de thans te onteigenen onroerende zaak, integraal wil realiseren met het aangrenzende bestemmingsplan Badhoevedorp De Veldpost. In het ‘Definitief Stedenbouwkundig Ontwerp Park De Veldpost’ uit 2015 (hierna: DSO), waarover reclamante [rb: Kennemerland Beheer] beschikt, is vastgelegd dat het hoofddoel is om beide plannen in samenhang met elkaar als één aantrekkelijke parkstructuur te ontwerpen. Het ontwerp voor de paden, ecologie, beplanting en de waterstructuur dienen daarbij nauw op elkaar te worden afgestemd. Wij zijn van oordeel dat daarmee de wens van de gemeente om genoemde plannen in samenhang nader uit te werken, te realiseren, te beheren en te onderhouden, gelet op het maatschappelijke karakter van deze functies reëel is. Dat voorsportpark De Veldpost enerzijds en voor de Groene As anderzijds afzonderlijke bestemmingsplannen zijn vastgesteld maakt dit niet anders. Ter realisering van het bestemmingsplan Badhoevedorp De Veldpost is door de gemeente in 2019 een afzonderlijk onteigeningsverzoek gedaan. Reclamante heeft ook in die procedure een beroep op zelfrealisatie gedaan. In Ons besluit van 3 april 2020 [rb: KB van 3 april 2020, nr. 202000680 Stcrt. 2013, nr. 23036] gaf het desbetreffende beroep op zelfrealisatie Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Op de gronden van reclamante dient de bestemming Natuur gerealiseerd te worden.
Zoals hierboven reeds opgemerkt blijkt uit de onteigeningsstukken, onder meer de zakelijke beschrijving, het DSO en de tekeningen, dat realisering van de bestemming Natuur dient plaats te vinden in samenhang met de realisering van Sportpark De Veldpost. Anders dan reclamante betoogt, zien Wij geen grond voor het oordeel dat de voor de bestemming Natuur te onteigenen grond een afzonderlijk, zelfstandig uit te voeren onderdeel vormt van het totaal te realiseren Park De Veldpost, zoals het volgens het DSO door de gemeente is voorzien. Bovendien maakt de Groene As onderdeel uit van een ecologische en recreatieve verbinding tussen Spaarnwoude en Amstelland en sluit deze aan op de ecologische zone(s) langs de Westrandweg (A5) en op de Ringvaart en het gebied Nieuwe Meer nabij het Amsterdamse Bos. Wij kunnen verzoeker volgen in het standpunt dat het ondoelmatig is als de Groene As niet met het al gerealiseerde deel ten zuidwesten ervan rond de afrit van de A9 en het aan te leggen deel ten noordoosten tot aan de Sloterweg in één hand komt. De Groene As wordt immers een openbaar toegankelijk gebied waarin ook fiets- en wandelpaden zijn voorzien, die aansluiten op andere onderdelen van het grotere Park De Veldpost. Zie ook hetgeen Wij hiervoor onder Noodzaak en urgentie hebben vermeld. Tevens verwijzen Wij in dit verband naar Ons bestendig beleid inzake (een beroep op) zelfrealisatie, zoals onder meer weergegeven in Ons besluit van 17 november 2017, nr. 2017002004, Stcrt. 2017, nr. 69729 (Pijnacker-Nootdorp). Los van Ons bovenstaand oordeel dat het niet doelmatig is om reclamante de op hun onroerende zaak rustende bestemming Natuur zelf te laten realiseren, verwijzen Wij ten aanzien van de kenbaarheid van de wijze van planuitvoering naar Ons besluit van 13 december 2012, nr. 12.003005, Stcrt. 2013, nr. 176 (Oss). Daarin is overwogen dat indien een eigenaar het bestemmingsplan zelf wil realiseren wat betreft zijn in het plan gelegen onroerende zaken, mag worden verwacht dat hij daartoe zelfstandig op basis van het bestemmingsplan concrete — op uitvoering gerichte — plannen ontwikkelt en deze kenbaar maakt aan de gemeente. Het bestemmingsplan en het DSO (met daarin onder meer een programma van eisen betreffende de Groene As) geven naar Ons oordeel voldoende inzicht voor een eigenaar om te beslissen of en hoe hij zijn eventuele wensen tot zelfrealisatie zal doorzetten. Door reclamante zijn tot op heden geen concrete plannen strekkende tot zelfrealisatie aan de gemeente overgelegd. Ook heeft zij geen omgevingsvergunning aangevraagd. Dat dit voor reclamante niet mogelijk was, omdat essentiële informatie daarvoor ontbreekt, dan wel niet door de gemeente beschikbaar wordt gesteld, volgen Wij niet. Zoals volgt uit bestendig Kroonbeleid en het hiervoor genoemde KB van 13 december 2012 (Oss) kan de vorm van planuitvoering worden afgeleid uit de planregels en de toelichting van een bestemmingsplan alsmede in al dan niet daarvan deel uitmakende inrichtings- en verkavelingsschetsen. In dit geval waren ten tijde van het verzoekbesluit behalve het bestemmingsplan ook het eerder genoemde DSO (Park De Veldpost) alsmede het Definitief Stedenbouwkundig Ontwerp Sportpark De Veldpost uit 2015 beschikbaar. Volgens verzoeker is hierin de door haar voorgestane wijze van planuitvoering vastgelegd. Verzoeker heeft aangegeven dat meer gedetailleerde tekeningen, bestekken en een programma van eisen van de sportverenigingen, nog niet beschikbaar zijn en dus ook niet aan reclamante konden of kunnen worden verschaft. Beide DSO’s, waarover reclamante beschikt, bevatten een vrij gedetailleerd ontwerp van de Groene As. Het standpunt van verzoeker dat de wijze van planuitvoering uit deze openbare stukken voor reclamante voldoende kenbaar was, komt Ons dan ook niet onjuist voor. Er bestaat naar Ons oordeel dan ook geen reden om aan te nemen dat de gemeente niet aan haar informatieplicht heeft voldaan. Wij kunnen verzoeker volgen in het standpunt dat het op de weg van reclamante had gelegen om de stukken te vervaardigen die nodig zijn voor onder meer het aanvragen van een omgevingsvergunning en dat reclamante bereid en in staat moest worden geacht om concrete plannen tot zelfrealisatie in te dienen, maar dat zij dit niet heeft gedaan.”
4.19. De rechtbank dient zich ten aanzien van de noodzaak tot onteigening te beperken tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot de aan het besluit ten grondslag liggende afweging, zoals hiervoor is weergegeven, heeft kunnen komen, en dient daarbij in beginsel alleen acht te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht (vgl. ECLI:NL:HR:2018:7).
4.20. Anders dan Kennemerland Beheer heeft aangevoerd, heeft de Kroon in redelijkheid het standpunt van de gemeente kunnen volgen dat zelfrealisatie ondoelmatig is. Uit het hiervoor onder 4.18 weergegeven citaat uit het KB, volgt dat de Kroon uitvoerig heeft gemotiveerd waarom volgens haar sprake is van een samenhang tussen de realisering van de bestemming natuur en sportpark De Veldpost en dat de voor de bestemming Natuur te onteigenen grond niet een zelfstandig onderdeel vormt van het totaal te realiseren Park De Veldpost. In het bijzonder heeft De Kroon gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het perceel – als onderdeel van het gelijktijdig in ontwikkeling te brengen Park De Veldpost openbaar toegankelijk zal zijn waarin ook fiets- en wandelpaden zijn voorzien die aansluiten op andere delen van het Park De Veldpost. Tegen die achtergrond heeft de Kroon in redelijkheid kunnen overwegen dat het (ook) gelet op de samenhang met de Groene As vanuit een oogpunt van een doelmatige aanleg en beheer, alsmede van een integraal beheer, noodzakelijk is dat de gronden door de gemeente in één hand gehouden (moeten) worden.
4.21. Dat de Kroon een samenhang aanneemt tussen de realisatie van de bestemming natuur en sportpark De Veldpost, geeft – anders dan Kennemerland Beheer meent – geen ruimte om in deze procedure opnieuw (of volgens Kennemerland Beheer alsnog) in te gaan op de mogelijkheid van zelfrealisatie van (een deel van) het sportpark, zoals door haar is aangevoerd in de onteigeningsprocedure genoemd in punt 2.7. en waarop in die procedure al is beslist. In deze procedure ligt wel voor of de Kroon in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen dat de wens van de gemeente om de genoemde plannen in samenhang nader uit te werken, te realiseren, te beheren en te onderhouden, gelet op het maatschappelijke karakter van deze functies reëel is. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is: aan deze plannen liggen weliswaar twee verschillende bestemmingsplannen ten grondslag, maar het hoofddoel is om beide plannen in samenhang met elkaar als één aantrekkelijke parkstructuur te ontwerpen, dat bovendien aan moet sluiten bij de Groene As, waarbij het gebied als geheel een maatschappelijke functie heeft.
4.22. Uit het voorgaande volgt dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen.’
3.39
Onderdeel 3, vrijwel gelijk aan onderdeel 2 in zaak 21/00998,23.daagt ons uit om de opvatting te aanvaarden dat in het geval de onteigende een beroep op zelfrealisatie doet, de noodzaak van de onteigening niet marginaal maar vól door de onteigeningsrechter dient te worden getoetst. Daarbij realiseert de steller van het middel zich dat de rechtspraak van uw Raad tot nu toe in andere zin luidt, waaronder ook het door de rechtbank in rechtsoverweging 4.19 vermelde recente arrest van 5 januari 2018 inzake Hertogin Hedwigepolder I.24.
3.40
Ik merk op dat in de zaak Hertogin Hedwigepolder I door de waarnemend Advocaat-Generaal juist een intensivering van de door de onteigeningsrechter aan te leggen toets was bepleit in gevallen van, kort gezegd, een zelfrealisatieverweer.25.Uw Raad is hierin echter niet meegegaan; in plaats daarvan zegt het arrest het volgende:
‘3.4.4 Ingevolge de taakverdeling tussen de Kroon en de onteigeningsrechter, zoals deze is vormgegeven in de Onteigeningswet en is uitgelegd in de – mede tegen de achtergrond van art. 6 EVRM gevormde – rechtspraak, komt de onteigeningsrechter geen oordeel toe over de doelmatigheid van de voorgenomen onteigening, maar dient hij op een daartoe strekkend verweer wel de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen. Deze rechtmatigheidstoets brengt mee dat de onteigeningsrechter, voor zover de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven, dient te beoordelen of het desbetreffende besluit overeenkomstig de wet en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Ten aanzien van vragen die betrekking hebben op de noodzaak tot onteigening (waaronder de vraag of een zelfrealisatieverweer kan slagen) en de afweging van de betrokken belangen, dient de onteigeningsrechter te beoordelen of de Kroon in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. In beginsel dient de rechter bij de beantwoording van laatstbedoelde vragen alleen acht te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening is echter wel plaats – en in dat geval: naar het tijdstip van zijn uitspraak – indien hetgeen de te onteigenen partij aanvoert over de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening, in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij, in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten over de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan. (Vgl. HR 25 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0336, AD0334 en AG5829, NJ 1988/927, 928 en 930, HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC1573, NJ 1996/35, HR 2 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7981, NJ 1997/730, HR 9 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, NJ 2000/418 en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:250, NJ 2015/253, rov. 3.5.1 onder c.)’
3.41
Op grond waarvan meent de steller van het middel dat thans alsnog een rechtsopvatting in andere zin behoort te worden aanvaard? Hij noemt twee argumenten (zie procesinleiding in cassatie, tweede alinea): (1) het arrest Hertogin Hedwigepolder I is in de literatuur kritisch ontvangen en (2) na het wijzen van het arrest is gebleken dat in het toekomstige stelsel van de Aanvullingswet grondeigendom van een volle toetsing sprake zal zijn.
3.42
Voor de stelling dat het arrest Hertogin Hedwigepolder I in de literatuur kritisch is ontvangen, verwijst de steller van het middel welgeteld naar één bron: de NJ-annotatie bij het arrest van E.W.J. de Groot. Uit zijn schriftelijke toelichting volgt dat hij het oog heeft op het slot van die annotatie:
‘Als die [de Kroon] een beetje redelijke motivering optuigt, zal de rechter daar, zo lijkt het, weinig aan kunnen doen. Of dat wenselijk is? Ik meen, met de advocaat-generaal, dat daar vraagtekens bij te stellen zijn. Weliswaar is het primair aan het bestuur om te motiveren of onteigening nodig is, maar gezien de aard van de ingreep en het belang van het behoud van eigendom, lijkt een volle toets (is de onteigening nodig/proportioneel in plaats van heeft het bestuur in redelijkheid kunnen menen dat dit nodig is) van dat besluit gewenst. Wellicht kan dit bereikt worden door het zelfrealisatieverweer in de sleutel te plaatsen van het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb. Weliswaar wordt in dat kader de afweging van belangen door het bestuur door de rechter (ook) marginaal getoetst, maar daarbij komt in ieder geval (ook) het belang van de onteigende meer dan thans het geval is, nadrukkelijk in beeld. De Kroon lijkt tot op heden in de toetsing van een beroep op zelfrealisatie namelijk vooral het vizier te richten op het belang van de onteigenaar gelegen in doelmatigheidsoverwegingen. Maakt dat belang onteigening noodzakelijk? Vanuit een oogpunt van belangenafweging zou de vraag echter ook kunnen zijn: ‘kan het ook anders met minder ingrijpende gevolgen voor het eigendomsrecht?’
3.43
Wat leert ons dit? Dat NJ-annotator E.W.J. de Groot sympathiseert met de opvatting van waarnemend Advocaat-Generaal Van Oven. Eerlijk gezegd kan ik er niet meer van maken dan dit. De Groot presenteert ons vooral retorische vragen en ook zijn stellende zinnen zijn zeer voorzichtig geformuleerd (‘Ik meen… dat daar vraagtekens bij te stellen zijn’; ‘lijkt een volle toets… gewenst’).
3.44
Uiteraard ben ik nagegaan of het arrest Hertogin Hedwigepolder I wat betreft de kwestie van de intensiteit van de aan te leggen toets in nog andere literatuur is bekritiseerd. Mijn bevindingen zijn als volgt:
a. Ten Kate in het Tijdschrift voor Bouwrecht26.constateert dat uw Raad het advies van de AG niet heeft overgenomen. Vervolgens zegt hij over de door Van Oven geadviseerde volle toets: ‘Europese rechtspraak dwingt daar naar mijn mening ook niet toe, omdat de verdragsstaten volgens die rechtspraak beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid bij de toetsing of is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een rechtmatige inmenging in het eigendomsrecht.’ Ik lees hier eerder bijval dan kritiek.
b. In de AB-annotatie van Van Doorn-Hoekveld27.lees ik geen wezenlijke kritiek. Weliswaar schrijft zij dat het aspect van de intensiteit van de beoordeling van de noodzaak van onteigening meer aandacht zou hebben mogen krijgen vanwege (door haar ingevoeld) ongenoegen van de eigenaar over het ontbreken van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de administratieve fase van de onteigening, maar zij constateert ook dat het openstellen van bestuursrechtelijke rechtsbescherming niet tot een meer intensieve toets zou leiden, aangezien de bestuursrechter zich voor dezelfde taakverdeling geplaatst ziet als de civiele (onteigenings-)rechter. Als ik het goed zie, is volgens haar dus niet werkelijk sprake van een rechtstekort dat door uw Raad behoorde te worden opgelost.
c. Van Helvoirt in het Tijdschrift voor Agrarisch Recht28.vat de desbetreffende oordelen van uw Raad slechts samen, met vermelding van eerdere rechtspraak in gelijke zin. Bij hem lees ik dus evenmin kritiek.
3.45
Aldus lijkt de feitelijke grondslag voor de stelling van het onderdeel dat het arrest Hertogin Hedwigepolder I ‘in de vakliteratuur kritisch is ontvangen’, grotendeels te ontbreken. Het enige wat we mijns inziens overhouden is de conclusie van oud-collega Van Oven (hoewel die aan het arrest vóórafgaat en in ieder geval niet in strikte zin kan gelden als een ontvangst ervan), en de sympathie die Van Oven bij NJ-annotator De Groot heeft geoogst. Let wel, de opvatting van beiden wens ik zéér serieus te nemen. Sterker, ook mij is die opvatting tot op grote hoogte sympathiek. Dat is voor mij echter allerminst voldoende om nu te bepleiten dat uw Raad inderdaad, conform het onderdeel, alsnog de koers verlegt. Continuïteit in de rechtspraak van uw Raad is een zelfstandige waarde: de praktijk moet ervan uit kunnen gaan dat de hoogste rechter niet zo maar van gedachten verandert.
3.46
Zoals gezegd heeft de steller van het middel echter nog een andere pijl op de boog: het toekomstige stelsel van de Aanvullingswet grondeigendom.
3.47
Juist is dat de tegelijk met de nieuwe Omgevingswet in te voeren Aanvullingswet grondeigendom (volgens de laatste officiële stand is inwerkingtreding voorzien voor 1 juli 202229.) tot een belangrijke stelselwijziging zal leiden. De procedure die leidt tot eigendomsontneming zal geheel uit de civielrechtelijke kolom worden gehaald en in die van het bestuursrecht worden geplaatst. Het terrein van de civiele rechter beperkt zich straks tot de schadeloosstelling. Onder het toekomstige recht wordt het onteigeningsbesluit genomen door de onteigenaar, na toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen uniforme openbare voorbereidingsprocedure, met de bijzonderheid dat dit besluit vervolgens een bekrachtiging door de bestuursrechter behoeft. Hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank tot bekrachtiging of weigering tot bekrachtiging, staat open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens de memorie van toelichting ligt in de rede dat de rechter de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit beoordeelt naar het moment van de bekrachtiging, dus ex nunc.30.Over de intensiteit van de toetsing zegt diezelfde memorie het volgende:
‘Over de intensiteit van de rechterlijke toetsing, merkt de regering nog het volgende op. In het algemene bestuursrecht geldt als uitgangspunt dat de rechter zelf bepaalt welke mate van toetsingsintensiteit hem gepast voorkomt bij de behandeling van beroepen tegen besluiten, waarbij de aard van de besluiten leidend is. Daar waar aan een bestuursorgaan vrijheid toekomt om beleid te voeren, ontziet de rechter deze bestuurlijke beoordelings- en beleidsvrijheid in beginsel. Hij intervenieert pas wanneer voldoende duidelijk is dat het bestuur die vrijheid zodanig heeft gebruikt dat die invulling van de beleidsvrijheid naar objectieve maatstaven geen eerbiediging verdient. Deze toetsing, de vraag of het bestuur in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit, wordt wel marginale toetsing genoemd. Daartegenover staat een volle toetsing, waarbij de rechter zich aanzienlijk minder terughoudend moet opstellen, zoals het geval is bij toetsing van een besluit aan wettelijke voorschriften die geen beoordelings- of beleidsvrijheid aan het bestuur laten. In zulke gevallen mag de rechter zijn objectieve oordeel min of meer ongeclausuleerd voor het oordeel van het bestuursorgaan in de plaats stellen. Wat onteigeningsbeschikkingen betreft, geldt dat het bevoegd gezag bij zijn besluitvorming over onteigening gebonden is aan de wettelijk verankerde criteria (het bestaan van een onteigeningsbelang en de criteria van noodzaak en urgentie). Bovendien komt ook hier betekenis toe aan het gegeven dat onteigening ingrijpt in een fundamenteel recht, het eigendomsrecht, dat wordt beschermd door de Grondwet en het Eerste Protocol. Naar het oordeel van de regering is de bestuursrechter in staat om ook voor onteigeningsbeschikkingen, met inachtneming van de geschetste context, de juiste toetsingsmaatstaf te hanteren.’31.
3.48
Eventueel is in deze passage een zekere voorkeur van de wetgever te lezen voor een volle toetsing van onteigeningsbeschikkingen, maar de hoofdboodschap lijkt me toch te zijn dat de wetgever het aan de bestuursrechter overlaat om de juiste maat te vinden. Belangrijk dunkt me nog dat de Raad van State had geadviseerd om ‘de volle toetsing’ van onteigeningsbeschikkingen beter in de wet vast te leggen, maar dat de wetgever hiervan opzettelijk heeft afgezien.32.
3.49
Ook de stellige aankondiging door het onderdeel van een aanstaande ‘volle toetsing van de noodzaak (en urgentie) van de onteigening’, behoeft dus minst genomen nuancering. Het is niet gegeven dat de rechter onder het toekomstige recht altijd de noodzaak en urgentie van de onteigening vól zal toetsen; dat zal nog moeten blijken.
3.50
Met het recente precedent van het arrest Hertogin Hedwigepolder I in de ene schaal van de balans en de argumenten van het onderdeel in de andere schaal, houd ik het erop dat voor de door de steller van het middel bepleite koerswijziging onvoldoende aanleiding bestaat.
3.51
Kennelijk33.naar aanleiding van een suggestie in die zin van opnieuw NJ-annotator De Groot (zie het citaat hiervoor 3.42) voert het onderdeel verder nog aan dat de rechtbank het gemotiveerde betoog van Kennemerland Beheer dat zij bereid en in staat is de op haar gronden rustende bestemming zelf te realiseren, had moeten opvatten als een beroep op het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb en daarom in verband met de door haar uit te voeren rechtmatigheidstoets had moeten beoordelen of aan deze wettelijke bepaling was voldaan.
3.52
Ik heb mij de vraag gesteld in hoeverre de door de rechtbank uitgevoerde toets of in verband met het door Kennemerland Beheer gevoerde zelfrealisatieverweer onteigening noodzakelijk is, verschilt van een evenredigheidstoets zoals door het onderdeel voorgestaan. Indien onteigening niet noodzakelijk is, is zulke eigendomsontneming ook niet evenredig. En omgekeerd: is onteigening voor het realiseren van het werk in het algemeen belang wél noodzakelijk, dan is zij onder voorwaarde van volledige schadeloosstelling ook evenredig. Hoogstens kan men zeggen dat het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb op de uit te voeren noodzakelijkheidstoets een zeker licht werpt. Dat de beslissing van de rechtbank dat licht niet verdraagt, kan ik echter niet inzien. De door het onderdeel vermelde stellingen34.zijn door de rechtbank alle besproken en gemotiveerd verworpen. Verplicht om met zoveel woorden aan het evenredigheidsbeginsel te toetsen, was de rechtbank niet. Ook in zoverre faalt onderdeel 3.
3.53
Onderdeel 4 bevat de klacht dat de beslissing van de rechtbank dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende gemotiveerd. De steller van het middel verwijst in dit verband naar de stellingen bedoeld in onderdeel 3, in het bijzonder naar de stelling dat zelfrealisatie niet ondoelmatig is, omdat de Gemeente thans geen bezwaar heeft tegen het sluiten van een separate erfpachtovereenkomst.
3.54
Het onderdeel kan geen doel treffen. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.23 overwogen (hierna 3.57 te citeren) dat de Gemeente weliswaar bereid is gebleken om met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, maar dat dit er niet aan kan afdoen dat het beroep op zelfrealisatie faalt omdat (a) de Gemeente toch het perceel zelf in ontwikkeling wil brengen en (b) partijen ook (nog) geen overeenstemming hebben bereikt, onder andere over de canon. Aldus is de rechtbank op de bedoelde stelling ingegaan en heeft zij die verworpen. Waarom die verwerping onbegrijpelijk is, of onvoldoende gemotiveerd, is door de steller van het middel niet toegelicht.
3.55
Onderdeel 5 voert aan dat de rechtbank in het licht van ‘diverse stellingen’ ten onrechte heeft aangenomen dat de sportvoorzieningen ingevolge De Veldpost en de groenvoorzieningen ingevolge de onderhavige plannen waarvoor wordt onteigend, in samenhang moeten worden gerealiseerd. De steller van het middel betoogt dat deze beslissing in elk geval niet in stand kan blijven als de beslissing ter zake het beroep op zelfrealisatie in zaak 21/00998 door uw Raad wordt gecasseerd.
3.56
Het onderdeel verwijst ten onrechte slechts in algemene zin naar ‘diverse stellingen’ zoals opgenomen in het processtuk incidentele vorderingen ex art. 843a Rv en ex art. 22 Rv tevens houdende conclusie van antwoord in de hoofdzaak, par. 96-101,35.zonder die stellingen inhoudelijk te omschrijven en aan te duiden waarom in het licht ervan de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is en/of onvoldoende gemotiveerd. Reeds daarom kan het onderdeel geen doel treffen.
3.57
Onderdeel 6 richt zich tegen rechtsoverwegingen 4.23 en 4.24. Die overwegingen luiden:
‘4.23. Anders dan Kennemerland Beheer heeft aangevoerd, doet de omstandigheid dat de gemeente bereid is gebleken om met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst aan het vorenstaande niet af. Daargelaten dat ook in dat geval de gemeente om vorenstaande redenen het perceel zelf in ontwikkeling zal willen brengen, hebben partijen geen overeenstemming bereikt, onder andere over de canon. Bovenal betreft dit verweer een verweer waarmee bij de toetsing van het goedkeuringsbesluit in beginsel rekening moet worden gehouden. Kennemerland Beheer had dan echter wel dat verweer al in de administratieve procedure die aan het onteigeningsgeding voorafgaat, naar voren moeten brengen, zodat het in de bestuurlijke belangenafweging had kunnen worden betrokken. Het gaat hier immers niet om een bezwaar dat zonder enige belangenafweging aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg zou kunnen staan (zie 4.19 en HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 rov. 3.3 in verbinding met de daaraan voorafgaande conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5).
4.24.
4.24. Niet is vast komen te staan dat de mogelijke uitgifte in erfpacht onderdeel is geweest van de administratieve procedure. Kennemerland Beheer heeft in dit verband verwezen naar door haar met de gemeente gevoerde correspondentie in de periode 4 november 2020 – 8 maart 2021, dus in een periode dat het KB reeds een feit was. Verder haalt Kennemerland Beheer een gesprek aan dat zij op 9 oktober 2019 voerde met de wethouder, dus voor de datum van het KB. Uit het verslag van het gesprek blijkt dat de mogelijkheid van een huurovereenkomst is verkend en dat vervolgens in dat verband als andere vorm van gronduitgifte onder andere erfpacht is genoemd. Verder valt in het gespreksverslag niets te lezen over erfpacht, zodat dit verslag onvoldoende aanknopingspunten geeft om aan te nemen dat erfpacht als privaatrechtelijk alternatief onderdeel is geweest van de administratieve procedure bij de Kroon. Dat laatste geldt ook voor het door Kennemerland Beheer in dit verband aangehaalde logboek, waarin slechts melding wordt gemaakt van het gesprek met de wethouder op 9 oktober 2019, zonder dat daarbij het woord ‘erfpacht’ is genoemd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het KB het gesprek op 9 oktober 2019 wel noemt, maar daaraan niet verbindt dat Kennemerland Beheer zich bereid heeft verklaard de grond in erfpacht te geven. Daarnaast heeft Kennemerland Beheer verwezen naar de notities van de gemeente die zijn opgesteld voor de hoorzitting van 5 december 2019 bij de Kroon. Uit deze notities blijkt volgens Kennemerland Beheer dat de gemeente de zienswijzen van Kennemerland Beheer zo heeft begrepen dat bij haar de bereidheid bestond om de gronden desnoods via erfpacht ter beschikking te stellen. Echter, de notities van de gemeente waarnaar Kennemerland Beheer verwijst, betreffen de andere onteigeningsprocedure ten behoeve van het sportpark (zie punt 2.7), zodat de rechtbank daarin geen onderbouwing leest dat de bereidheid tot erfpacht zou zijn ingebracht in de administratieve procedure ten aanzien van de onteigening die in deze procedure voorligt. Voor zover Kennemerland Beheer heeft willen aanvoeren dat de na het KB gevoerde discussie over een mogelijke uitgifte in erfpacht een nadere invulling is van haar stellingname in de administratieve procedure, kan zij daarin niet worden gevolgd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Kennemerland Beheer verwezen naar meerdere citaten zoals opgenomen in haar pleitnota ter zitting. Deze citaten zijn deels ontleend aan haar inspreeknotitie tegen het verzoekbesluit van 1 november 2018, haar zienswijze tegen het ontwerp KB van 24 februari 2020 en het verhandelde bij gelegenheid van de hoorzitting ex artikel 78 Ow. Wat daar verder van zij, deze citaten zien allemaal op de door Kennemerland Beheer voorgestane zelfrealisatie zonder dat deze enige vingerwijzing bevatten naar een privaatrechtelijk alternatief als erfpacht. De rechtbank gaat aan dit verweer dan ook voorbij.’
3.58
Kennemerland Beheer voert in subonderdeel 6.1 aan dat de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 4.23 onbegrijpelijk is, omdat de omstandigheid dat de Gemeente bereid is gebleken met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden impliceert dat er voldoende basis voor verder overleg was en dat daaruit ‘noodzakelijkerwijs’ volgt dat de Gemeente niet heeft uitgesloten dat overeenstemming kon worden bereikt over het sluiten van een erfpachtovereenkomst. Kennemerland Beheer verwijt de rechtbank niet te zijn ingegaan op de ‘essentiële stelling’36.dat in het licht van de reeds bereikte overeenstemming over de erfpacht geen redelijke grond denkbaar is waarom de Gemeente niet met het voorstel van Kennemerland Beheer over de canonvaststelling zou willen instemmen, althans haar beslissing in het licht van die stelling onvoldoende te hebben gemotiveerd.
3.59
De klacht faalt. Waar Kennemerland Beheer spreekt van een reeds bereikte overeenstemming over de erfpacht, is dat grote stappen snel thuis. De rechtbank heeft slechts vastgesteld dat er bereidheid is om verder te onderhandelen, maar ook dat dit er niet aan kan afdoen dat het beroep op zelfrealisatie faalt omdat (a) de Gemeente toch het perceel zelf in ontwikkeling wil brengen en (b) partijen ook (nog) geen overeenstemming hebben bereikt, onder andere over de canon.
3.60
Met een beroep op het arrest Varkens in nood van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) en de uitspraak van de Afdeling in de zaak Haghoek Rosarium Westeres37.daagt subonderdeel 6.2 uw Raad uit de regel te verlaten dat een noodzaakverweer al in de administratieve procedure naar voren moet zijn gebracht. De steller van het middel betoogt dat de beslissing van de rechtbank dat het noodzaakverweer al in de administratieve procedure naar voren had moeten worden gebracht, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
3.61
In zijn arrest van 14 januari 2021 heeft het HvJEU uitspraak gedaan over de verenigbaarheid van het Nederlandse bestuursprocesrecht met het Verdrag van Aarhus.38.Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Limburg39.over onder meer de houdbaarheid van art. 6:13 Awb in het licht van het verdrag heeft het HvJEU geoordeeld dat (1) eenieder (dus ook een niet-belanghebbende) die een recht heeft om deel te nemen aan een inspraakprocedure met betrekking tot onderwerpen die vallen onder de reikwijdte van het verdrag, zijn inspraakrechten ook bij de rechter moet kunnen afdwingen en (2) het niet indienen van een zienswijze niet aan de toegang tot de rechter in de weg mag staan. Het oordeel komt er aldus op neer dat hoewel niet-belanghebbenden aan het verdrag geen inspraakrechten ontlenen, in het geval een lidstaat ervoor kiest om zulke niet-belanghebbenden wel inspraakrechten te verlenen, dezen dan ook ten volle tot de rechter toegang moeten hebben, óók als zij niet een zienswijze hebben ingediend.
3.62
Na dit arrest heeft de Afdeling twee zogenoemde ‘richtingwijzende’ uitspraken gedaan.40.In de uitspraak van 14 april 2021 heeft de Afdeling beslist dat een belanghebbende die beroep instelt tegen een milieu- of ruimtelijk ordeningsbesluit niet langer niet-ontvankelijk mag worden verklaard als hij geen zienswijze heeft ingediend tegen een eerder ontwerp.41.Dat betekent dat de bestuursrechter in die gevallen alsnog zijn beroep in behandeling moet nemen en dat art. 6:13 Awb hem niet kan worden tegengeworpen. Ook oordeelt de Afdeling dat een ingediende zienswijze die zich beperkt tot bepaalde onderdelen van een ontwerpbesluit niet langer in de weg staat aan een beroep tegen het gehele besluit. Deze lijn geldt – in afwachting van actie van de wetgever – niet alleen voor Aarhusbesluiten, maar voor alle besluiten waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is en die worden genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening. Kortom, deze nieuwe lijn in de rechtspraak van de Afdeling beslaat de gehele linie van het omgevingsrecht.42.
3.63
In haar uitspraak van 4 mei 2021 gaat de Afdeling nog een stapje verder. Zij beslist namelijk dat de toegang tot de bestuursrechter ook open staat voor niet-belanghebbenden die, indien zij tijdens de voorbereidingsprocedure een zienswijze hebben ingediend, willen procederen tegen omgevingsbesluiten.43.
3.64
De regel dat een noodzaakverweer reeds in de administratieve procedure naar voren dient te worden gebracht, wil het door de onteigeningsrechter in de beoordeling kunnen worden betrokken, is reeds aanvaard in een arrest van uw Raad van 8 april 1998.44.Ik citeer NJ-annotator P.C.E. van Wijmen, omdat hij mijns inziens de ratio van de regel treffend verwoordt:
‘a. [De eigenaresse] had pas bij de rechtbank gewag gemaakt van haar opvatting, dat de onteigening niet noodzakelijk was en de gemeente mitsdien niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat [de eigenaresse] bereid was het te onteigenen perceel aan de gemeente in erfpacht te geven – enigszins de omgekeerde wereld. De rechtbank had het verweer nog op inhoudelijke gronden verworpen, maar daaraan komt de Hoge Raad, zulks op de voet van de AG, niet eens toe. Te volgen is immers de weg, uitgezet in HR 10 augustus 1994 ([K]/Gemeente Leeuwarden), NJ 1996, 35 met noot MB. De lijn uit dit arrest vat ik nog eens kort samen: een oordeel over de noodzaak tot onteigenen vergt doorgaans een toetsing van de aan het onteigeningsbesluit ten grondslag gelegde afweging van belangen. Liet men nu achterwege zijn bezwaren kenbaar te maken in de administratieve fase, voorafgaand dus aan het onteigenings-KB – en juist in die fase voorziet de Onteigeningswet in de mogelijkheid om bezwaren in te dienen, bij titel IV-onteigeningen zelfs tweemaal! – dan kan en hoeft in een later stadium – de fase van de rechtbankprocedure – op die bezwaren geen acht meer te worden geslagen (bijzondere omstandigheden daargelaten: zie daarvoor HR 26 november 1997, Gemeente Leeuwarden/[K], NJ 1998, 205). De ratio van deze eis tot concentratie van bezwaren in de eerst mogelijke (formele) fase is duidelijk: bezwaren zijn meestal een vertaling van belangen; in de fase voordat een besluit tot stand komt, de afwegingsfase, kunnen de besluitnemende (bijv. in casu de gemeenteraad) of een goedkeurende instantie (de Kroon) met het onder het ingediende bezwaar doorschemerend belang nog rekening houden. Wie weet voert dat tot een ander besluit, in voor de belanghebbende/bezwaarmaker gunstiger zin. Men brenge zich in dit verband eens voor ogen hetgeen de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op dit punt voorschrijft in de artt. 3:2 (het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van een adequate inventarisatie van feiten en belangen) en 3:4, eerste lid (abvbb van een behoorlijke afweging van belangen). Het eerstgenoemde Awb-artikel staat natuurlijk uitdrukkelijk in functie van het tweede. Maar deze instructie aan het besluitnemend overheidsorgaan heeft een impliciete keerzijde, in die zin dat zij ook een aanwijzing bevat voor de justitiabele: hij zorge zijn belang zo tijdig en adequaat mogelijk naar voren te brengen. Niet voor niets wemelt het in het bestuursrecht (en in het onteigeningsrecht!) van de kenbaarheidsaanwijzingen (tervisielegging, bekendmaking in kranten, persoonlijke bekendmaking soms, (overbetekening e.d.).’
3.65
Nog recent, in het arrest Hedwigepolder I, heeft uw Raad de regel nader geformuleerd, als volgt:45.
‘3.4.4 (...) Ten aanzien van vragen die betrekking hebben op de noodzaak tot onteigening (waaronder de vraag of een zelfrealisatieverweer kan slagen) en de afweging van de betrokken belangen, dient de onteigeningsrechter te beoordelen of de Kroon in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. In beginsel dient de rechter bij de beantwoording van laatstbedoelde vragen alleen acht te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening is echter wel plaats – en in dat geval: naar het tijdstip van zijn uitspraak – indien hetgeen de te onteigenen partij aanvoert over de noodzaak tot onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening, in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij, in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge gewijzigde inzichten over de uitvoering van een bestemmingsplan of enig onderaan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan. (…)’
3.66
Ik meen dat het subonderdeel geen doel kan treffen. Daargelaten dat een onteigeningsbesluit geen milieu- of ruimtelijke ordeningsbesluit betreft – en dus niet een besluit is dat binnen de reikwijdte van het Verdrag van Aarhus valt – geldt dat behandeling van nieuwe rechtsmatigheidsverweren door de onteigeningsrechter zich slecht verdraagt met het karakter van de onteigeningsprocedure en de taakverdeling tussen respectievelijk Kroon en onteigeningsrechter. Dit geldt mijns inziens in het bijzonder met betrekking tot rechtmatigheidsverweren die neerkomen op een beroep op zelfrealisatie of op een privaatrechtelijk alternatief voor de onteigening. Over de voorwaarden waaronder zelfrealisatie of een privaatrechtelijk alternatief mogelijk is, zullen onteigenaar en onteigende elkaar reeds in de bestuurlijke fase moeten kunnen spreken (en eventueel onderhandelen). Staan wij de onteigende toe om na de bestuurlijke fase alsnog met een beroep op zelfrealisatie of op een privaatrechtelijk alternatief te komen, dan brengt dit hem in de verleiding om met dit verweer ook opzettelijk te wachten, om zo een spaak in het wiel van de onteigening te kunnen steken. De opvatting van het onderdeel verdraagt zich aldus ook slecht met het op spoed gerichte karakter van de onteigeningsprocedure.46.Het voorgaande wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat in geval van onteigening de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van art. 3:10 e.v. Awb toepassing vindt (in titel IV-onteigeningen op grond van art. 78 lid 2 Ow). De rechtspraak van de Afdeling ziet naar haar aard niet op het geding voor de onteigeningsrechter. Mijns inziens bestaat er voor de onteigeningsrechter alle aanleiding om, althans met betrekking tot rechtmatigheidsverweren die neerkomen op een beroep op zelfrealisatie of op een privaatrechtelijk alternatief voor de onteigening, een zelfstandige koers te blijven varen.
3.67
Subonderdeel 6.3 bevat diverse motiveringsklachten, volgens welke onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, de overweging van de rechtbank in rechtsoverweging 4.24 dat niet is komen vast te staan dat de mogelijke uitgifte in erfpacht onderdeel is geweest van de administratieve procedure. De steller van middel verwijst daartoe naar het overleg met de wethouder van 9 oktober 2019, waar de mogelijkheid van erfpacht aan de orde is gesteld, en naar het verslag van dat overleg dat is vermeld in het logboek.
3.68
Deze klachten zijn vergeefs voorgesteld. Uit de genoemde stukken blijkt dat de optie van erfpacht ten tijde van de administratieve procedure van de zijde van Kennemerland Beheer weliswaar ter sprake was gebracht, maar niet was geconcretiseerd. Het oordeel van de rechtbank moet aldus worden gelezen dat Kennemerland Beheer de optie van erfpacht in de administratieve procedure ten onrechte niet had geconcretiseerd. Dit aldus gelezen oordeel is niet onbegrijpelijk.
3.69
De slotsom is dat geen van de aangevoerde onderdelen in het principaal cassatieberoep doel treft.
4. Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
4.1
Alle klachten van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep richten zich tegen rechtsoverweging 4.5:
‘4.5. De kosten van het incident komen ingevolge artikel 50 Ow ten laste van de gemeente. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de aard van de onteigeningsprocedure zich, anders dan de gemeente heeft aangevoerd, niet zonder meer verzet tegen een vordering op grond van artikel 843a Rv. De gemeente heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die in deze zaak tot het oordeel zouden moeten leiden dat de incidentele vordering zich niet verhoudt tot de in de onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid. De kosten aan de zijde van Kennemerland Beheer zullen bij het eindvonnis worden begroot.’
4.2
Alle klachten van het middel zijn geheel gelijk aan die van het incidenteel cassatiemiddel in zaak 21/00998.
4.3
Volgens de rechtsklacht van onderdeel 1 is onjuist het oordeel van de rechtbank dat de aard van de onteigeningsprocedure zich niet zonder meer verzet tegen een vordering op grond van art. 843a Rv. Onder verwijzing naar art. 2 Ow voert de steller van het middel aan dat het toepassen van art. 843a Rv als grondslag voor een incidentele vordering in een onteigeningsprocedure zich niet verdraagt met de eigen aard van die procedure, omdat dit kan leiden tot vertraging in de onteigeningsprocedure.
4.4
Onderdeel 2 behelst een rechtsklacht (onder 2.1) en een motiveringsklacht (onder 2.2). De rechtsklacht sluit aan bij de klacht in onderdeel 1, namelijk dat onjuist is de overweging van de rechtbank dat de Gemeente geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die in deze zaak tot het oordeel zouden moeten leiden dat de incidentele vordering zich niet verhoudt tot de in de onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid. De motiveringsklacht voert aan dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van een aantal stellingen, waaruit volgens de steller van het middel volgt dat Kennemerland Beheer geen (rechtens te respecteren) belang heeft gehad bij haar incidentele vordering, terwijl toepassing van art. 843a Rv tot aanzienlijke vertraging in de procedure leidt. Omdat het instellen van een incidentele vordering, waarbij geen (rechtens te respecteren) belang bestaat, zich niet verhoudt tot de in een onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid, had de rechtbank die stellingen niet onbesproken mogen laten, zo zegt de klacht.
4.5
Onderdeel 3 bevat voortbouwklachten. Ik bespreek de verschillende klachten hierna gezamenlijk, maar eerst nadat ik enkele inleidende opmerkingen heb gemaakt.
4.6
Volgens art. 2 Ow zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan in de Onteigeningswet niet is afgeweken. Een uitdrukkelijke bepaling die toepassing van art. 843a Rv in het onteigeningsgeding uitsluit, is er niet, maar dat is niet bepalend. Volgens vaste rechtspraak kan een afwijking als in art. 2 Ow bedoeld, behalve uit een uitdrukkelijke in de Onteigeningswet opgenomen wetsbepaling, ook volgen uit het stelsel van die wet en de aard van het onteigeningsgeding.47.Voorbeelden hiervan zijn dat een reconventionele eis niet kan worden ingesteld,48.dat derdenverzet tegen een onteigeningsvonnis niet mogelijk is,49.dat de regels van getuigenbewijs niet onverkort gelden50.en dat art. 134 Rv (oud) slechts op bijzondere wijze kan worden toegepast.51.Sluysmans meent dat uit de wijze waarop uw Raad omgaat met art. 2 Ow duidelijk blijkt dat deze bepaling wordt gezien als een middel om een voortvarend verloop van de onteigeningsprocedure te waarborgen:
‘Het bekende strooien van zand in de (proces)machine wordt met artikel 2 tegengegaan.’52.
4.7
Wat betekent dit nu voor de toelaatbaarheid in het onteigeningsgeding van een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv? Bij mijn weten is die vraag in de rechtspraak van uw Raad nog niet aan de orde gekomen.
4.8
Allereerst behoort te worden gelet op het belang dat een procespartij ook in een onteigeningsgeding bij het middel van een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv hebben kan. Dat belang kan wezenlijk zijn. Ook in onteigeningszaken moet een relevante informatieasymmetrie kunnen worden geredresseerd. Weliswaar kan dit ook plaatsvinden doordat de onteigeningsrechter gebruikmaakt van zijn bevoegdheid uit hoofde van art. 22 Rv en dus een partij beveelt om bepaalde bescheiden over te leggen, maar de strekking van de regeling van art. 843a Rv lijkt me nu juist mede dat een procespartij van zulke rechterlijke activiteit niet volledig afhankelijk behoort te zijn, maar in bepaalde gevallen op inzage recht heeft.53.Weliswaar kan dat recht ook in een afzonderlijke procedure aanhangig worden gemaakt, maar als reeds een procedure tussen partijen aanhangig is, is om meerdere redenen een incident veelal doelmatiger: (1) het is niet nodig dat een andere rechter dan die reeds over de aanhangige zaak moet oordelen, zich in het dossier verdiept, (2) een inhoudelijke afstemming van het rechterlijke oordeel over het inzagerecht en dat in het hoofdgeschil is gewaarborgd en (3) ook de voortgang van beide procedures wordt door dezelfde rechter bewaakt en op elkaar afgestemd.
4.9
Intussen is waar dat een 843a-incident tot vertraging van het onteigeningsgeding kán leiden. In de eerste fase van het onteigeningsgeding (de zogenaamde voorlopige onteigening) is dergelijke vertraging bezwaarlijk (in de tweede fase, de vaststelling van de schadeloosstelling, speelt dit mijns inziens niet en zeker niet in dezelfde mate). Daarbij moet dan echter worden bedacht dat de vertraging relatief gemakkelijk in de hand is te houden. Het opwerpen van een incident ontslaat een procespartij niet van haar gehoudenheid tot het verrichten van de proceshandeling waarvoor zij peremptoir staat en waarvoor haar akte niet-dienen is aangezegd, tenzij de rechter haar daarvoor uitstel heeft gegeven.54.
4.10
Verder is niet vanzelfsprekend dat een 843a-incident ook steeds vertragend werkt; het zal de voortgang van de zaak soms ook kunnen bespoedigen. Zoals gezegd is een bevel ex art. 22 Rv een alternatief, maar dit alternatief veronderstelt dat de rechter van de zaak reeds kennis heeft genomen. Vervolgens zal de rechter gewoonlijk een gepaste termijn aan een partij moeten gunnen om de stukken waarop het bevel betrekking heeft, te verzamelen. Veelal zal het daarna nog nodig zijn om op enigerlei wijze de behandeling van de zaak voort te zetten. De volgorde van gebeurtenissen in de onderhavige zaak is mogelijk illustratief. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de zaak had de Gemeente alle volgens de rechtbank essentiële stukken overlegd, maar dit had deels ná (en mogelijk naar aanleiding van) het instellen van de incidentele vordering plaatsgevonden (namelijk wat betreft de tussen de Kroon en de Gemeente gewisselde correspondentie). Indien in plaats hiervan de rechtbank bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de Gemeente een bevel tot het overleggen van stukken op grond van een art. 22 Rv zou hebben gegeven, zou dit gemakkelijk tot een vertraging hebben geleid die nu is voorkomen. In het ongunstigste geval zouden partijen, hun advocaten en hun adviseurs, alsook deskundigen, op een andere dag voor een voortzetting van de mondelinge behandeling nogmaals hebben moeten verschijnen (met behalve vertraging ook de daaraan verbonden kosten). Let wel, ik zeg niet dat het zonder een 843a-incident zo zou zijn gegaan, maar wel dat het zo zou hebben kúnnen gaan. Ik wil slechts illustreren dat een 843a-incident, behalve vertragend in sommige gevallen, ook bespoedigend kan werken in andere gevallen.
4.11
Bij het voorgaande komt nog dat de uitzondering van art. 2 Ow door de onteigeningsrechter mijns inziens ook ‘op maat’ kan worden toegepast. Ik bedoel dat de onteigeningsrechter kan oordelen dat het desbetreffende art. 843a-incident in verband met de bijzonderheden van het individuele geval in strijd is met de aard van het onteigeningsgeding. De uitzondering van art. 2 Ow functioneert aldus op vergelijkbare wijze als een toets aan de beginselen van de goede procesorde, die eveneens de rechter tot maatwerk in staat stelt. Aldus kan het door Sluysmans bedoelde ‘strooien van zand in de machine’ (hiervoor 4.6) effectief worden tegengegaan.
4.12
Op grond van een en ander meen ik dat geen grond bestaat om een 843a-incident in onteigeningszaken categorisch uit te sluiten. Daarop stuiten de meeste klachten van het middel af.
4.13
Wat nog overblijft zijn de motiveringsklachten van onderdeel 2. Ook die slagen mijns inziens niet. Kennemerland Beheer heeft de incidentele vorderingen ex art. 843a Rv op 10 maart 2021 ingesteld (gelijktijdig met haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak). Weliswaar had de Gemeente reeds op 18 november 2020 aan Kennemerland Beheer diverse stukken verschaft (tussen de Gemeente en Rijkswaterstaat gewisselde mails en andere correspondentie), maar eerst op 28 maart 2021 (dus ná het instellen van de vordering in het incident) is dit door de Gemeente aangevuld met het bij de Kroon ingediende dossier.55.In het licht van deze gang van zaken dunkt mij de beslissing van de rechtbank voldoende begrijpelijk. De door de steller van het middel vermelde stellingen dragen mijns inziens in het licht van het voorgaande geen essentieel karakter, zodat de rechtbank er niet uitdrukkelijk op behoefde te responderen. Ook in zoverre treft het middel dus geen doel.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principaal cassatieberoep als het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑03‑2022
Vergelijk het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 14 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5855, onder 2.1 tot en met 2.7.
Zelfs niet in de bestuursrechtelijke beroepsfase. Art. 3:2 maakt deel uit van het hoofdstuk ‘algemene bepalingen over besluiten’ van de Awb.
MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 553.
P.J.J. van Buuren, A.G.A. Nijmeijer & J. Robbe, Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2017, p. 32 e.v.
Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, p. 93. Vergelijk C.W.M. van Alphen, Module Ruimtelijke ordening, artikel 3.1 Wro, aant. 1.2 (bijgewerkt tot en met 20 april 2021).
ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3097 (Brummen).
ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3097 (Brummen), onder 96 tot en met 101.
ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3097 (Brummen), dictum onder V sub m, VII en VIII sub c.
ABRvS 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1326, TBR 2020/97 m.nt. A.G.A. Nijmeijer (Midden-Delfland).
ABRvS 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:220, onder 4 tot en met 7 (Midden-Delfland). Vergelijk voorts recent ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:396 waarin de Afdeling dezelfde constructie toepast ten aanzien van een bestemmingsplan waarin weliswaar een schakelbepaling is opgenomen, maar niet vermeldt dat de verbeelding en de planregels uit bestaande bestemmingsplannen van toepassing blijven.
TBR 2020/97.
Minder uitvoerig dan Nijmeijer, maar kennelijk in vergelijkbare zin: Module Ruimtelijke ordening 2018/7992 m.nt. G. van den End en de signalering door F. Damen van ABRVS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:421, https://www.francadamen.com/omgevingsrecht/oud-bestemmingsplan-herleeft-niet-bij-intrekking-onherroepelijk-bestemmingsplan/
In tegenstelling tot wat geldt met betrekking tot de verhouding tussen een bestemmingsplan en een beheersverordening. Zie art. 3.39 Wro dat in het eerste lid bepaalt dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt, het bestemmingsplan vervalt voor zover het op dat gebied betrekking heeft en in het tweede lid de omgekeerde situatie bevat (bestemmingsplan vervangt beheersverordening). Vergelijk over de geldigheid van beheersverordeningen ten opzichte van bestemmingsplannen en vice versa voorts: ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2519, TBR 2020/155 m.nt. H.J. de Vries, JM 2020/141 m.nt. M.H. Blokvoort; ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:217, TBR 2020/23 (Onzelfstandige bewoning Enschede); ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:42, TBR 2018/42, m.nt. H.J. de Vries (Beheersverordening Zundert); ABRvS 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2018:41, TBR 2018/41 m.nt. H.J. de Vries (Beheersverordening Borger-Odoorn).
ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:421, in welke zaak het ging om afwijzing van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade; ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1848, TBR 2020/120 m.nt. H.J. de Vries, Module Ruimtelijke ordening 2018/7992 m.nt. G. van den End (Herziening inpassingsplan Limburg), waarin het ging om intrekking van een nieuw, maar onherroepelijk geworden inpassingsplan met het oogmerk om het voorheen geldende planologisch regime, een beheersverordening, te doen herleven.
ABRvS 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1326, TBR 2020/97 m.nt. A.G.A. Nijmeijer (Midden-Delfland), ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3097 (Brummen) en ABRvS 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142 (Koggenland). Ook de uitspraak waarop Kennemerland Beheer zich in de nota van repliek van haar advocaat beroept, ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:396, betreft beroep tegen het besluit tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan.
Tot welke consequenties het standpunt van Kennemerland Beheer ook buiten de context van de onderhavige onteigening kan leiden, wordt geïllustreerd door de uitspraak van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7569 tussen dezelfde partijen. Kort gezegd komt het erop neer dat Kennemerland Beheer een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor de aanleg van een parkeerterrein met 818 parkeerplaatsen, zich daarbij op het standpunt stellend dat die aanleg niet in strijd is met een vigerende bestemming, eenvoudig omdat de voorheen vigerende bestemming ‘natuur’ is vervallen en thans geen bestemming meer geldt. De rechtbank stelde Kennemerland Beheer in het ongelijk.
ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:607, AB 2019/353 m.nt. M. van Zanten.
Niet gelijk wat betreft de stellingen (1), (2) en (3) in feitelijke aanleg, waarnaar het onderdeel verwijst.
HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7, NJ 2018/382 m.nt. E.W.J. de Groot (Hertogin Hedwigepolder I).
Conclusie wnd. A-G Van Oven, ECLI:NL:PHR:2017:980, onder 3.49.
TBR 2018/27 m.nt. B.S. ten Kate.
AB 2019/109 m.nt. W.J. van Doorn-Hoekveld.
TvAR 2018/5941 m.nt. C.F. van Helvoirt.
Brief Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 mei 2021, Kamerstukken II, 2020/21, 33 118, nr. CF.
T.a.p.
Zie Kamerstukken II, 2018/19, 35 133, nr. 4, p. 11. Vergelijk ook het amendement-Bisschop, Kamerstukken II, 2019/20, 35 133, nr. 32 dat naar aanleiding van het advies van de Raad van State om volle toetsing van onteigeningsbeschikkingen beter vast te leggen in de wet, voorstelde om telkens het woord ‘kennelijk’ te laten vervallen in het voorgestelde artikel 16.107 Omgevingswet. Dit amendement is door de regering ontraden op de grond dat het verplicht voorschrijven van een volle toets voor álle onderdelen van het onteigeningsbesluit onnodig knellend zou kunnen werken (Kamerstukken II, 2019/20, 35 133, nr. 36). Hoewel, anders dan ik in mijn conclusie (voetnoot 14) in zaak 21/00998 had vermeld, het amendement wel is aangenomen (Handelingen II, 2019/20, 35 133, nr. 14, item 5), volgt uit het wegvallen van het woord ‘kennelijk’ nog niet dat een volle toets ten aanzien van alle onderdelen van de onteigeningsbeschikking is voorgeschreven. Vergelijk in dit verband nog J.S. Procee, M.J.W. Timmer & L.A. Jager, Onteigenen, de bestuursrechter en de Omgevingswet, TBR 2021/68, p. 491, die betogen dat het ondoenlijk is om in algemene zin voor te schrijven hoe intensief de rechterlijke toetsing dient te zijn, omdat die intensiteit van het onderwerp van toetsing behoort af te hangen.
Vergelijk de schriftelijke toelichting van mr. R.T. Wiegerink onder 24.
Zie procesinleiding in cassatie, p. 14 (punt 1 tot en met 3).
Ongeveer anderhalve pagina tekst.
HvJEU 14 januari 2021, C-826/18, ECLI:EU:C:2021:2021:7, M en R 2021/40 m.nt. V.M.Y. van ’t Lam & S. Ravelli, JB 2021/28 m.nt. R.J.N. Schlössels & H.C.F.J.A. de Waele, AB 2021/202 m.nt. A.G.A. Nijmeijer & H.D. Tolsma (Varkens in nood) en ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, AB 2021/201 (Haghoek Rosarium Westeres).
Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998, goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB 2005, L 124, blz. 1). Dit verdrag berust op drie pijlers: (1) het recht op toegang tot informatie, (2) inspraak bij besluitvorming en (3) toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Vergelijk: https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/openbaarheid/handreiking-aarhus/1-inleiding/.
Rb. Limburg 21 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12159, AB 2019/177 m.nt. van R.S. Wertheim.
Vergelijk het nieuwsbericht bij de uitspraak van 4 mei 2021: https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/@125301/niet-belanghebbende-toegang-beroep/#highlight=varkens%20in%20nood
ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, AB 2021/201-202 m.nt. A.G.A. Nijmeijer & H.D. Tolsma.
Vergelijk de kritische noot bij deze uitspraak (en die van 4 mei 2021) van R.H.W. Frins, S. Hillegers, T.E.P.A. Lam & A.G.A. Nijmeijer, Anders omgaan met het ‘Varkens in Nood-arrest’, M en R 2021/64, p. 443-453.
ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, AB 2021/202 met noot A.G.A. Nijmeijer & H.D. Tolsma.
HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 m.nt. P.C.E. van Wijmen.
HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7, NJ 2018/382 m.nt. E.W.J. de Groot, TBR 2018/27 m.nt. B.S. ten Kate, AB 2019/109 m.nt. W.J. van Doorn-Hoekveld, TvAR 2018/5941 m.nt. C.F. van Helvoirt.
Vergelijk de schriftelijke toelichting van de zijde van de Gemeente, onder 90.
Vaste rechtspraak sinds HR 13 november 1946, ECLI:NL:HR:1946:120, NJ 1947/29. Voor betrekkelijk recente voorbeelden zie HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0006, NJ 2010/98 en HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5706, NJ 2010/375.
HR 13 november 1946, ECLI:NL:HR:1946:120, NJ 1947/29.
HR 30 juni 1926, ECLI:NL:HR:1926:297, NJ 1926, p. 1226.
HR 6 mei 1960, ECLI:NL:HR:1960:137, NJ 1960/426.
HR 24 december 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB5876, NJ 1971/75 m.nt. W. Blackstone.
J.A.M.A. Sluysmans, De vitaliteit van het schadeloosstellingsrecht in onteigeningszaken, Den Haag: Instituut voor Bouwrecht 2011, p. 54.
Vergelijk J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht: Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 62: ‘De rechter kan partijen ambtshalve een bevel geven. Een verzoek van een partij gegrond op art. 843a Rv daarentegen moet worden toegewezen indien de daartegen gevoerde verweren tenminste zijn verworpen en de beperkingen van lid 3 en 4, voor zover door de wederpartij aangevoerd, niet aan toewijzing in de weg staan. Indien geen verweren worden gevoerd, moet de rechter het verzoek toewijzen.’ Zie ook J. Ekelmans, De exhibitieplicht in de praktijk: de ruime mogelijkheden tot opvragen van bescheiden, TCR 2005/3, p. 59: ‘Art. 843a Rv geeft een aanspraak op bescheiden zowel tijdens een procedure als buiten rechte. Voor partijen kan van groot belang zijn, dat zij bescheiden tijdig vóór of in de procedure met gebruikmaking van art. 843a Rv opvragen en in het geding brengen. De rechter kan een aanbod tot leveren van bewijs door middel van bescheiden immers zonder meer passeren en is niet verplicht om op grond van het bepaalde in art. 22 Rv op eigen initiatief of desverzocht de overlegging van bescheiden te gelasten. De rechter behoeft zelfs niet uitdrukkelijk op een verzoek te reageren, terwijl er geen hoge eisen gesteld worden aan de eventuele motivering van zijn beslissing.’
Conclusie A-G Wesseling-van Gent vóór HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:678 (ECLI:NL:PHR:2014:47), gevolgd door een art. 81 RO van uw Raad.
Zie de brief van de advocaat van de Gemeente in feitelijke aanleg van 18 maart 2021, productie 3 bij conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv.
Beroepschrift 08‑10‑2021
Hoge Raad der Nederlanden
Zitting: 8 oktober 2021
VERWEERSCHRIFT TOT VERWERPING tevens houdende
INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
inzake:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE HAARLEMMERMEER
zetelend te Hoofddorp
verweerster in cassatie in het principale cassatieberoep
tevens eiseres in het incidentele cassatieberoep
(hierna: ‘de gemeente’)
advocaat bij de Hoge Raad: mr. R.D. Boesveld
tegen:
de besloten vennootschap
KENNEMERLAND BEHEER B.V.
gevestigd te Overveen, gemeente Bloemendaal
eiseres tot cassatie in het principale cassatieberoep
tevens verweerster in het incidentele cassatieberoep
(hierna: ‘Kennemerland Beheer’)
advocaat bij de Hoge Raad: mr. R.T. Wiegerink
Edelhoogachtbaar college!
I.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis op de in het cassatieberoep van Kennemerland Beheer aangevoerde gronden noch het recht geschonden, noch vormen verzuimd die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen. De gemeente concludeert daarom in het principale cassatieberoep tot verwerping; met zodanige verdere beslissing ten aanzien van de kosten als de Hoge Raad juist zal achten. De gemeente vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
II.
De gemeente stelt hierbij incidenteel cassatieberoep in tegen het vonnis van de rechtbank en voert daartoe het volgende aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat de rechtbank in haar hier bestreden vonnis van 14 juli 2021 heeft overwogen en beslist als hierna vermeld, zulks ten onrechte om één of meer van de volgende, mede in onderling verband en samenhang te lezen, redenen:
1.
Het oordeel van de rechtbank in rov. 4.5 van haar vonnis in het incident dat de aard van de onteigeningsprocedure zich, anders dan de gemeente heeft aangevoerd, niet zonder meer verzet tegen een vordering op grond van artikel 843a Rv, is rechtens onjuist. Op grond van artikel 2 van de Onteigeningswet zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het geding tot onteigening toepasselijk, doch slechts voor zover de eigen aard van de onteigeningsprocedure die toepasselijkheid mogelijk maakt. Die eigen aard van de onteigeningsprocedure is erin gelegen dat deze zo snel mogelijk moet verlopen en niet door processuele incidenten mag worden opgehouden. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan op verschillende manieren worden ingesteld; zelfstandig in kort geding, bij verzoekschrift los van een geding, of als vordering hangende een geding. Het toepassen van artikel 843a Rv als grondslag voor een incidentele vordering in een onteigeningsgeding verdraagt zich echter niet met de eigen aard van dit geding. Het kan immers ontegenzeggelijk tot (aanzienlijke) vertraging leiden.
2.
De rechtbank overweegt in rov. 4.5 van haar vonnis in het incident dat de gemeente geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die in deze zaak tot het oordeel zouden moeten leiden dat de incidentele vordering zich niet verhoudt tot de in de onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid. Dit oordeel van de rechtbank is rechtens onjuist of althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
2.1
Dit oordeel van de rechtbank is rechtens onjuist om de hiervóór bij onderdeel 1 uiteengezette reden.
2.2
Het oordeel van de rechtbank is onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de volgende (essentiële) stellingen van de gemeente:
- (i)
aan de incidentele vordering is reeds op 16 juli 2019 een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) met een vergelijkbare strekking voorafgegaan, welk verzoek werd ingediend door de gemachtigde die Kennemerland Beheer in de administratieve onteigeningsprocedure heeft bijgestaan. Op dat verzoek is bij brief van 8 augustus 2019 beslist, waarbij het dossier dat de gemeente in het kader van het voorliggende onteigeningsplan met het onteigeningsverzoek van 7 februari 2019 aan de Kroon had aangeleverd, openbaar is gemaakt en is toegezonden;1.
- (ii)
het eerste onteigeningsverzoek, waarvan de stukken bij brief van 8 augustus 2019 zijn verstrekt, is ingetrokken en vervangen door een nieuw onteigeningsverzoek van 17 september 2019. Ook de op dit tweede verzoek betrekking hebbende stukken zijn Kennemerland Beheer bekend, omdat deze ter inzage hebben gelegen en Kennemerland Beheer ook naar aanleiding daarvan een zienswijze heeft ingediend en — voor zover de gemeente bekend — zij deze stukken ook vanuit Rijkswaterstaat toegezonden heeft gekregen;2.
- (iii)
Kennemerland Beheer heeft bovendien op 18 september 2020 wederom een Wob-verzoek gedaan inzake dit onteigeningsdossier. Ook hierop is beslist en de gevraagde stukken — de tussen de gemeente en de afdeling Corporate Dienst van Rijkswaterstaat gewisselde mails en andere correspondentie met betrekking tot het eerste en het tweede onteigeningsbesluit — zijn verschaft bij brief van 18 november 2020;3.
- (iv)
bij brief van 28 maart 2021 heeft de advocaat van de gemeente aan de advocaat van Kennemerland Beheer in aanvulling op de reeds door de gemeente in 2019 en 2020 verstrekte stukken nogmaals de door de gemeente met het tweede verzoekbesluit aangeleverde stukken (zakelijke beschrijving, tekeningen etc.) toegezonden, hoewel er in redelijkheid geen twijfel over bestaat dat Kennemerland Beheer daarover reeds uit anderen hoofde beschikt;4.
- (v)
bij de incidentele vordering heeft Kennemerland Beheer dus geen belang meer, zo dat ooit heeft bestaan. Als zij deze vordering niettemin handhaaft, is evident dat zij dat louter doet om het onteigeningsgeding te vertragen;5.
- (vi)
het toepassen van artikel 843a Rv leidt ontegenzeggelijk tot aanzienlijke vertraging; het is zand in de machine en naar de overtuiging van de gemeente is de vordering in dit geval ook kennelijk met dat oogmerk ingesteld c.q. gehandhaafd;6.
- (vii)
Kennemerland Beheer heeft vanaf het moment dat het onteigeningsbesluit werd genomen ruim de tijd gehad om — indien zij meent daar recht en belang bij te hebben — zelfstandig een exhibitievordering in te stellen. Zij was daarvoor niet aangewezen op de door de gemeente te entameren onteigeningsprocedure. Zij kan die vordering ook nu [dat wil zeggen hangende de onteigeningsprocedure bij de rechtbank, toevoeging RDB] nog zelfstandig instellen als zij meent dat er nog specifieke bescheiden zouden zijn die de gemeente zou moeten overleggen, los van het onteigeningsgeding, maar niet in het onteigeningsgeding;7.
- (viii)
Het niet toelaten van de onderhavige incidentele vordering in het onteigeningsgeding doet dus niets af aan de rechten van Kennemerland Beheer om eventueel stukken op te vragen. Daarvoor staan andere wegen open. Dat zij dan mogelijk nog niet over de stukken beschikt op het moment dat zij verweer moet voeren, is het gevolg van haar eigen afwachtende opstelling;8.
- (ix)
De gemeente beschikt (en Kennemerland Beheer doet dat dus inmiddels ook) over afschriften van de onteigeningsstukken die zij aan de Kroon heeft aangeleverd en over — overigens zeer beperkte — correspondentie die zij in het kader van de behandeling van het verzoekschrift tot onteigening met de afdeling Corporate Dienst van Rijkswaterstaat heeft gevoerd. De bij de Kroon aangeleverde onteigeningsstukken zijn door deze zoals te doen gebruikelijk — ook voor Kennemerland Beheer — ter inzage gelegd in het kader van de openbare voorbereidingsprocedure voorafgaand aan het onteigeningsbesluit van de Kroon;9.
- (x)
Onduidelijk is op welke stukken de vordering van Kennemerland Beheer nu eigenlijk (nog) ziet. Anders gezegd: in het licht van de vele reeds aan Kennemerland Beheer beschikbaar staande stukken, is niet voldaan aan de eis dat de vordering op bepaalde bescheiden moet zien;10.
- (xi)
Kennemerland Beheer maakt niet duidelijk welke stellingen zij zou willen bewijzen of aannemelijk maken aan de hand van de opgevraagde stukken. Het verzoek is zonneklaar een fishing expedition.11.
Uit deze stellingen van de gemeente volgt dat Kennemerland Beheer geen (rechtens te respecteren) belang had bij haar incidentele vordering, terwijl toepassing van artikel 843a Rv ontegenzeggelijk tot (aanzienlijke) vertraging leidt. Het instellen van een incidentele vordering, waarbij geen (rechtens te respecteren) belang bestaat, verhoudt zich niet tot de in de onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid. De rechtbank heeft de hier bedoelde stellingen van de gemeente in rov. 4.5 dan ook niet onbesproken mogen laten.
3.
Het slagen van onderdeel 1 en/of onderdeel 2 vitieert ook het oordeel van de rechtbank in rov. 4.5 dat de kosten van het incident ingevolge artikel 50 van de Onteigeningswet ten laste van de gemeente komen, alsmede het dictum in het incident (onder 5.2 en 5.3).
Conclusie
De gemeente vordert op grond van dit middel dat de Hoge Raad het bestreden vonnis van de rechtbank van 14 juli 2021 zal vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten. De gemeente vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
III.
In haar procesinleiding, pagina 3, laatste alinea, wijst Kennemerland Beheer erop dat tussen haar en de gemeente ook nog een andere onteigeningsprocedure loopt, namelijk ter zake sportpark De Veldpost. Tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 februari 2021 in die zaak, waarbij de vordering van de gemeente tot onteigening bij vervroeging is toegewezen, heeft Kennemerland Beheer cassatieberoep ingesteld.12. Op 6 augustus 2021 hebben partijen in die zaak schriftelijke toelichtingen ingediend, waarna op 3 september 2021 nog nota's van repliek en dupliek zijn gewisseld. Vervolgens is de datum waarop de Procureur-Generaal voornemens is een conclusie te nemen bepaald op 14 januari 2022. Volgens Kennemerland Beheer ligt het vanwege de samenhang tussen De Veldpost-zaak en de onderhavige zaak inzake de zogeheten Groene As in de rede deze zaken voor zover mogelijk gezamenlijk te behandelen. De gemeente heeft er echter belang bij dat in de cassatieprocedure inzake sportpark De Veldpost zo spoedig mogelijk uitspraak wordt gedaan. Dit sportpark moet mede plaats gaan geven aan twee sportverenigingen die zich nu bevinden in het gebied Schuilhoeve in Badhoevedorp. De bestaande accommodaties van deze sportverenigingen zijn verouderd en te klein en de gemeente ziet meer in een centraal gelegen sportpark. De gemeente wil dan ook zo snel mogelijk met de realisatie van het nieuwe sportpark beginnen. Bij de ontwikkeling van sportpark De Veldpost respectievelijk de Groene As gaat het ook om afzonderlijke projecten, waarvoor verschillende bestemmingsplannen zijn vastgesteld en waarvoor verschillende aanbestedingsprocedures zullen worden doorlopen. Het is ook niet de bedoeling van de gemeente met de ontwikkeling van sportpark De Veldpost te wachten totdat de onteigeningsprocedure met betrekking tot de Groene As is afgewikkeld. Daarbij komt dat Kennemerland Beheer ook niet heeft toegelicht wat de noodzaak of meerwaarde van een gezamenlijke behandeling in cassatie van beide zaken zou zijn.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑10‑2021
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a RV, onder 1, alsmede de pleitnota van mr. Binnerts van 11 juni 2021, onder 2.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 2.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 3.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 4.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 5.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 7.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 8.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 9.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 12.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 14.
Conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, onder 15.
Deze zaak is bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer 21/00998.
Beroepschrift 05‑08‑2021
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK DEN HAAG |
Datum indiening: | 5 augustus 2021 |
Uiterste verschijningsdatum verweerster: | 9 september 2021 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eiseres tot cassatie
Naam: | de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KENNEMERLAND BEHEER B.V. |
Vestigingsplaats: | Overveen, gemeente Bloemendaal |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. R.T. Wiegerink, die door eiseres als zodanig wordt aangewezen om haar in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Van der Feltz advocaten N.V. Javastraat 22 2585 AN DEN HAAG |
Verweerster in cassatie
Naam: | de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE HAARLEMMERMEER, zetelend te Hoofddorp |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. J.C. Binnerts |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pot Jonker Advocaten N.V. Nieuwe Gracht 124 2011 NM Haarlem |
Bestreden uitspraak
Eiseres stelt beroep in cassatie tegen de volgende uitspraak:
Instantie: | Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem |
Datum: | 14 juli 2021 |
Zaaknummer: | C/15/313264/HA ZA 21–89 |
Akte verklaring van cassatie
Eiseres heeft zich op de voet van art. 52 lid 3 Onteigeningswet tijdig in cassatie voorzien door middel van een op 15 juli 2021 ter griffie van rechtbank Noord-Holland afgelegde verklaring (bijlage 1), die met deze procesinleiding wordt meebetekend aan verweerster in cassatie.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat de Rechtbank heeft geoordeeld als hierna vermeld, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding
De onderhavige procedure betreft de onteigening van een perceelsgedeelte dat in eigendom is van Kennemerland Beheer B.V. (‘Kennemerland Beheer’). Dit perceelsgedeelte wordt onteigend door de gemeente Haarlemmermeer (‘de Gemeente’). Onteigend wordt ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost’, althans dat is waar de Gemeente en de Rechtbank van zijn uitgegaan.1. Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van een deel van de Groene As, een ecologische verbindingszone aan de zuidzijde van de Schipholweg in Badhoevedorp. Bij Koninklijk Besluit van 1 september 2020 (‘het KB’) is het perceelsgedeelte ter onteigening aangewezen. Vervolgens is Kennemerland Beheer gedagvaard voor de Rechtbank. Kennemerland Beheer heeft verweer gevoerd tegen de onteigeningstitel. De Rechtbank heeft het verweer bij het in cassatie bestreden vonnis van 14 juli 20212. verworpen en de onteigening uitgesproken.
Het cassatieberoep van Kennemerland Beheer bestaat uit zes onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de beslissing van de Rechtbank die erop neerkomt dat niet het gehele Kroondossier aan de Rechtbank behoeft te worden overgelegd. Het tweede onderdeel ziet op de beslissing van de Rechtbank dat er sprake is van een deugdelijke planologische grondslag voor de onteigening. Het derde tot en met vijfde onderdeel zijn gericht tegen de beslissingen van de Rechtbank over het zelfrealisatieverweer en het zesde onderdeel betreft de vraag of de Gemeente medewerking had moeten verlenen aan het (tijdig) door Kennemerland Beheer gedane aanbod een erfpachtovereenkomst te sluiten.
De onderhavige procedure hangt nauw samen met de (beoogde) onteigening van het overblijvende gedeelte van het onderhavige perceel ten behoeve van de realisatie door (althans in opdracht van) de Gemeente van sportpark De Veldpost. De Rechtbank heeft in die zaak de onteigeningsvordering van de Gemeente bij vonnis van 10 februari 2021 toegewezen.3. Tegen dat vonnis heeft Kennemerland Beheer cassatieberoep ingesteld, welk beroep thans nog niet tot een arrest van de Hoge Raad heeft geleid.4. In die procedure worden de schriftelijke toelichtingen op 6 augustus 2021 gegeven. Het komt Kennemerland Beheer voor dat het in de rede ligt de zaken voor zover mogelijk gezamenlijk te behandelen.
Onderdelen van het cassatiemiddel
Onderdeel 1: incidentele vordering ex art. 843a Rv en art. 21 en 22 Rv
Bestreden beslissingen Rechtbank
Kennemerland Beheer heeft in de procedure bij de Rechtbank een incident aanhangig gemaakt en gevorderd dat de Rechtbank de Gemeente ingevolge art. 843a Rv gebiedt dat zij het volledige bij de Kroon aangeleverde en bij de Kroon berustende dossier overlegt, met inbegrip van alle met de Kroon gewisselde correspondentie. Subsidiair heeft Kennemerland Beheer de Rechtbank in dit incident verzocht om de Gemeente ingevolge art. 21 en 22 Rv op te dragen dat zij het volledige bij de Kroon aangeleverde en bij de Kroon berustende dossier overlegt.
De Rechtbank heeft in rov. 4.2 van haar vonnis overwogen dat Kennemerland Beheer de in rov. 4.1 weergegeven stellingen van de Gemeente onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en dat het ervoor moet worden gehouden dat de Gemeente het volledige bij de Kroon aangeleverde dossier heeft overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie. Volgens de Rechtbank heeft Kennemerland Beheer dus geen belang bij haar vordering en wordt zij daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Vervolgens gaat de Rechtbank in rov. 4.3 in op het subsidiaire beroep op art. 22 Rv. Zij wijst dat af, omdat Kennemerland Beheer niet heeft gesteld dat de Gemeente bepaalde stukken onder zich heeft gehouden die van belang zijn voor de beslissing in deze zaak. Ook de verwijzing van Kennemerland Beheer naar de uitspraak van rechtbank Den Haag van 9 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14308 kan Kennemerland Beheer volgens de Rechtbank niet baten.
In rov. 4.4 heeft de Rechtbank beslist dat de Gemeente de verplichtingen van art. 21 Rv niet heeft geschonden. De verplichting die ex art. 21 Rv op de Gemeente rust om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, brengt namelijk niet mee dat de Gemeente stukken moet overleggen die volgens haar niet relevant zijn en zij bovendien niet in haar bezit heeft, aldus de Rechtbank. Evenmin brengt art. 6 EVRM naar het oordeel van de Rechtbank als algemene regel met zich dat de Rechtbank over het hele Kroondossier moet beschikken. Door Kennemerland Beheer zijn volgens de Rechtbank geen argumenten genoemd die maken dat het in dit geval een vereiste is.
Klachten
1.
De hiervoor weergegeven beslissingen in rov. 4.2 dat de Gemeente niet op grond van art. 843a Rv is gehouden het dossier over te leggen dat de Kroon in verband met het onteigeningsbesluit onder zich heeft, in rov. 4.3 dat Kennemerland Beheer niet heeft gesteld dat de Gemeente bepaalde bescheiden onder zich heeft, zodat ook het subsidiaire beroep op art. 22 haar niet kan baten en in rov. 4.4 dat art. 21 Rv niet is geschonden, geven om de hierna uit te werken redenen, die mede in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans, zijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
1.1.
De Rechtbank heeft in rov. 4.2–4.4 miskend dat in onteigeningszaken in alle gevallen het gehele Kroondossier (dat wil zeggen het door de onteigenaar bij de Kroon aangeleverde dossier en bij de Kroon berustende stukken, alsmede het dossier dat de Kroon in verband met het onteigeningsbesluit onder zich heeft, met inbegrip van alle met de Kroon gewisselde correspondentie5.) aan de onteigeningsrechter moet worden overgelegd, omdat de rechterlijke toetsing van het Koninklijk Besluit tot onteigening anders niet behoorlijk kan worden uitgevoerd, althans niet naar de maatstaven die daaraan moeten worden gesteld gelet op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM (in het bijzonder het recht op een ‘fair trial’ en het daarmee samenhangende recht op ‘equality of arms’). Teneinde de voorgeschreven rechtmatigheidstoets van het onteigeningsbesluit te kunnen uitvoeren, waaronder de toets aan het in art. 3:2 Awb6. vervatte zorgvuldigheidsbeginsel, en te kunnen beoordelen of de Kroon ten aanzien van de noodzaak tot onteigening en de afweging van belangen in redelijkheid tot de aan het besluit liggende afweging heeft kunnen komen, en acht heeft geslagen op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht, is het immers onontbeerlijk dat de rechter en de beoogd te onteigenen partij beschikken over het gehele Kroondossier. De te onteigenen partij dient haar verweren immers te kunnen baseren op alle relevante stukken, omdat anders in de rechterlijke fase niet is voldaan aan het mede uit art. 6 EVRM volgende recht op een eerlijk proces, zoals Kennemerland Beheer ook heeft gesteld7. en in het licht van het bepaalde in art. 8:42 Awb, ingevolge welke bepaling het bestuursorgaan (in procedures bij de bestuursrechter) is gehouden de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ aan de bestuursrechter toe te sturen (en welke bepaling na inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtstreeks op het onteigeningsbeding van toepassing zal zijn).8. De Rechtbank heeft op die stelling echter niet, althans onvoldoende gerespondeerd. In rov. 4.4 overweegt zij slechts — kennelijk in verband met het beroep op art. 21 Rv — dat art. 6 EVRM niet als algemene regel met zich brengt dat de Rechtbank over het gehele Kroondossier moet beschikken, maar die beslissing is in het licht van het voorgaande onjuist. Op de bepleite toepassing van art. 8:42 (bij wege van anticipatie of naar analogie) gaat de Rechtbank evenwel ten onrechte in het geheel niet in. Kennemerland Beheer heeft erop gewezen dat de omstandigheid dat onder huidig recht (om louter historische redenen) tegen het KB geen beroep bij de bestuursrechter, maar toetsing bij de civiele rechter mogelijk is, niet aan die toepassing van art. 8:42 Awb in de weg zou moeten staan, althans niet aan de verplichting voor het onteigenende bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.9. Het KB wordt immers voorbereid met toepassing van de bestuurlijke voorprocedure van de Awb. Ook de civiele rechter zal de toepassing daarvan volledig en zonder voorbehoud ten aanzien van de dossierstukken moeten kunnen toetsen. Kennemerland Beheer heeft voorts gesteld dat anders dan de Gemeente heeft doen voorkomen, het onteigeningsgeding geen normale civiele procedure is waarin de te onteigenen partij haar verweer zelf maar moet zien te onderbouwen met bewijsstukken uit een dossier dat alleen de Gemeente heeft en kent, en voor zover dat niet het geval is, eenvoudig door de Gemeente bij de instantie die op haar verzoek het KB heeft geslagen — de Kroon c.q. Rijkswaterstaat — kan opvragen.10. De Rechtbank is ten onrechte aan deze (essentiële) stelling voorbijgegaan, althans haar beslissing dat de Gemeente — kort gezegd — niet het gehele Kroondossier hoeft te overleggen, is in het licht van deze stelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
1.2.
De beslissing van de Rechtbank in rov. 4.2 dat Kennemerland Beheer niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering ex art. 843a Rv omdat zij daarbij geen belang heeft, nu het ervoor moet worden gehouden dat het gehele bij de Kroon aangeleverde dossier door de Gemeente is overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie, is onjuist dan wel onbegrijpelijk. De vordering van Kennemerland Beheer ziet immers, anders dan de Rechtbank kennelijk heeft aangenomen, niet slechts op het volledige door de Gemeente bij de Kroon aangeleverde dossier en alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie, maar op het gehele bij de Kroon berustende dossier.11. Bovendien is de Rechtbank in dit verband ten onrechte voorbijgegaan aan de (essentiële) stelling van Kennemerland Beheer dat de Gemeente naar aanleiding van twee Wob-verzoeken van Kennemerland Beheer inventarislijsten van de in die procedures openbaar gemaakte stukken als producties 2 en 3 heeft overgelegd bij haar CvA in incident, maar dat de Gemeente die stukken zelf niet in het geding heeft gebracht.12. Althans haar beslissing is in het licht van deze stelling onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Hieruit volgt immers dat in ieder geval niet alle stukken in het geding zijn gebracht door de Gemeente.
Daar komt bij dat Kennemerland Beheer heeft gesteld dat de Gemeente desverzocht niet aan haar noch ten overstaan van de Rechtbank heeft willen verklaren dat thans het gehele bij de Kroon berustende dossier aan Kennemerland Beheer is overgelegd13. en de beslissing van de Rechtbank dat het ervoor moet worden gehouden dat het gehele bij de Kroon aangeleverde dossier door de Gemeente is overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie, is ook in zoverre, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
1.3.
De Rechtbank heeft met haar beslissing in rov. 4.2 dat art. 843a Rv, waar Kennemerland Beheer zich primair op beroept, in dit verband slechts kan zien op bescheiden die ter beschikking van de Gemeente staan of die de Gemeente zelf onder haar berusting heeft, miskend dat voor zover de Gemeente het in haar macht heeft stukken op te vragen, zij die stukken ook ter beschikking heeft in de zin van voormelde bepaling. Indien de Rechtbank dit niet heeft miskend, is haar beslissing zonder nader motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Kennemerland Beheer dat de Gemeente is gehouden het volledige bij de Kroon berustende dossier over te leggen14. en dat de Kroon die stukken op eerste verzoek van de Gemeente aan haar zal overleggen.15. De beslissing van de Rechtbank dat niet valt in te zien waarom de Kroon zonder meer zou zijn gehouden om het door haar opgebouwde dossier desgevraagd integraal aan de Gemeente af te geven, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De Rechtbank licht in het geheel niet toe waarop zij deze aanname baseert, terwijl Kennemerland Beheer heeft aangevoerd dat als zij zelf de stukken bij de Kroon opvraagt, zij niet kan controleren of zij een compleet dossier krijgt, terwijl de Gemeente dat wel kan.16. In ieder geval heeft de Rechtbank miskend dat zij op grond van art. 22 Rv de bevoegdheid heeft de Gemeente op te dragen bij de Kroon alle stukken op te vragen die betrekking hebben op de onderhavige onteigening, althans had zij haar beslissing dat van die bevoegdheid in dit geval geen gebruik wordt gemaakt, (nader) dienen te motiveren dan zij heeft gedaan.
1.4.
Met de overweging van de Rechtbank dat een vordering tot inzage niet is bedoeld om het bij de Kroon berustende dossier te bestuderen, zodat zij kan kijken of zij wellicht iets nuttigs aantreft dat zij kan gebruiken bij haar verweer tegen de onteigening, miskent de Rechtbank dat zij moet kunnen beoordelen of het KB overeenkomstig de wet en met inachtneming van de algemene beginselen van bestuur tot stand is gekomen.17. Die beoordeling is slechts (goed) te maken als zij over het gehele Kroondossier beschikt. De Rechtbank miskent hiermee aldus het bijzondere karakter van de onteigeningsprocedure en de verstrekkende gevolgen die een onteigening heeft voor de onteigende (c.q. te onteigenen) partij. Voorts ziet de Rechtbank er met deze beslissing aan voorbij dat als de Gemeente al bij de dagvaarding het volledige Kroondossier in het geding had gebracht — hetgeen mede in het licht van art. 11 lid 3 Rv in de rede had gelegen -, het instellen van de onderhavige incidentele vorderingen niet nodig was geweest.18.
1.5.
De door de Rechtbank in rov. 4.3 aan haar beslissing dat het subsidiaire beroep van Kennemerland Beheer op art. 22 Rv haar niet kan baten, ten grondslag gelegde redenering dat de Onteigeningswet voorschrijft welke procedure moet worden gevolgd en welke stukken moeten worden overgelegd, kan aan het voorgaande niet afdoen en kan in het bijzonder niet de beslissing dragen dat er geen gehoudenheid is voor de onteigenaar, al dan niet op de voet van art. 22 Rv, het gehele Kroondossier aan de onteigeningsrechter te overleggen. Het in onteigeningsprocedures geldende toetsingskader is niet slechts gebaseerd op hetgeen de Onteigeningswet voorschrijft, maar berust mede op hetgeen uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt19., zodat niet valt in te zien waarom het enkele feit dat de onteigenaar de in de Onteigeningswet vermelde stukken heeft overgelegd, reeds ertoe leidt dat is voldaan aan de verplichtingen van art. 22 Rv.
1.6.
De overweging van de Rechtbank in rov. 4.3 dat Kennemerland Beheer niet heeft gesteld dat de Gemeente bepaalde bescheiden onder zich heeft gehouden die van belang zijn voor de beslissing, kan de beslissing van de Rechtbank niet dragen, omdat als regel heeft te gelden dat het gehele Kroondossier (inclusief correspondentie) moet worden overgelegd, zoals Kennemerland Beheer ook gemotiveerd naar voren heeft gebracht.20. Het gehele Kroondossier heeft immers betrekking op de onteigening die in de onderhavige gerechtelijke procedure door de Gemeente is gevorderd. De beslissing van de Rechtbank is voorts zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, in het licht van de stelling van Kennemerland Beheer dat zij haar verweer naar aanleiding van de kennisname van het volledige Kroondossier wil kunnen aanvullen.21. De Rechtbank heeft met haar beslissing dat Kennemerland Beheer niet heeft gesteld dat de Gemeente bepaalde bescheiden onder zich heeft gehouden, voorts miskend dat het niet mogelijk is om specifieke stukken te vermelden als onbekend is om welke stukken het precies gaat (nu dat juist de achtergrond is van het verzoek om overlegging van die stukken). Voorts is de beslissing van de Rechtbank onbegrijpelijk in het licht van de stelling van Kennemerland Beheer dat de Gemeente in ieder geval (ook) de stukken aan de Rechtbank had moeten overleggen waarvan zij slechts de inventarislijsten heeft ingebracht.22. Daaruit blijkt immers dat Kennemerland Beheer in zoverre zeer specifiek heeft aangegeven welke stukken moeten worden ingebracht.
1.7.
De overweging van de Rechtbank in rov. 4.3 dat het in de procedure die leidde tot de uitspraak van rechtbank Den Haag van 9 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14308, ging om concrete stukken naar aanleiding van een concreet verweer, is onbegrijpelijk. Zoals blijkt uit de uitspraak, wenste de rechtbank in die zaak met het oog op de vorderingen van de onteigenaar, het verweer daarop en haar eigen vordering, te beschikken over alle stukken uit het Kroondossier die na een bepaald tijdstip waren gewisseld. Het bevel zag dus niet op concrete stukken, althans niet valt in te zien dat de stukken om overlegging waarvan Kennemerland Beheer in dit geval heeft verzocht, minder concreet zouden zijn dan de stukken waar het om ging in de procedure die tot voormelde uitspraak leidde. De Rechtbank miskent hiermee ook dat zij ook zelfstandig moet kunnen beoordelen of de onteigeningsvordering aan de formele vereisten voldoet en voor toewijzing in aanmerking komt en dat overlegging van het gehele Kroondossier ook om die reden is aangewezen.
Onderdeel 2: planologische grondslag
Bestreden beslissingen Rechtbank
De Rechtbank heeft in rov. 4.11 het (in rov. 4.6 geparafraseerde) betoog van Kennemerland Beheer dat de onteigening geen deugdelijke planologische grondslag heeft, verworpen en deze concluderende overweging is in rov. 4.7–4.10 van een motivering voorzien.
In rov. 4.7 heeft de Rechtbank — met juistheid — overwogen dat het oordeel of de onteigening geschiedt ter uitvoering van een vigerend bestemmingsplan past binnen de rechtmatigheidstoets van het onteigeningsbesluit en daarmee aan de onteigeningsrechter toekomt.
Vervolgens heeft de Rechtbank in rov. 4.8 overwogen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost heeft vernietigd onder meer voor zover het kort gezegd twaalf deelgebieden betreft die niet het te onteigenen perceel betreffen. Vervolgens heeft de Gemeente de bestemming voor een aantal van deze deelgebieden herzien in het bestemmingsplan 1e herziening. Daarbij is ook een omissie op de verbeelding van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost gecorrigeerd.
Die omissie betrof de aanduiding ‘Luchtverkeerszone’ waarnaar in art. 43 van de planvoorschriften werd verwezen. Deze zone was niet op de verbeelding terechtgekomen.
In rov. 4.9 heeft de Rechtbank overwogen dat anders dan in art. 3.39 Wet ruimtelijke ordening (‘Wro’) voor de verhouding tussen bestemmingsplan en beheersverordening is geregeld, er geen wettelijke bepaling bestaat waaruit volgt dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het voorgaande bestemmingsplan wordt ontnomen. Uit het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost en het bestemmingsplan 1e herziening in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de Rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat bestemmingsplan 1e herziening voor wat betreft (onder meer) het te onteigenen perceel niets heeft toegevoegd aan het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost. Het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost is voor wat betreft de bestemming van het te onteigenen perceel niet gewijzigd en geldt volgens de Rechtbank nog onverkort. Gelet op beide bestemmingsplannen kan voor het te onteigenen perceel dan ook geen misverstand bestaan over de bestemming, zodat in zoverre de rechtszekerheid niet in geding is, aldus de Rechtbank.
Alleen als twee onherroepelijke bestemmingsplannen in samenhang bezien tot onduidelijkheid leiden, is de rechtszekerheid in het geding, zo overweegt de Rechtbank in rov. 4.10. In zoverre verschilt deze casus naar het oordeel van de Rechtbank van de gevallen die aan de orde waren in de door Kennemerland Beheer aangehaalde jurisprudentie, zodat Kennemerland Beheer aan die jurisprudentie geen argumenten kan ontlenen voor haar stelling dat met het onherroepelijk worden van bestemmingsplan 1e herziening het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost haar gelding heeft verloren. Dat geldt te meer nu die opvatting tot gevolg zou hebben dat een groot deel van het plangebied onbestemd zou zijn. Die consequentie volgt naar het oordeel van de Rechtbank niet uit (het systeem van) de Wro.
Klachten
2.
De hiervoor weergegeven beslissing van de Rechtbank in rov. 4.11 dat het betoog dat de onteigening geen deugdelijke planologische grondslag heeft, wordt verworpen, geeft om de navolgende redenen, die mede in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.1.
De Rechtbank miskent met haar in dit onderdeel bestreden beslissing dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het voorgaande bestemmingsplan wordt ontnomen. Dit volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel en blijkt ook uit diverse door Kennemerland Beheer vermelde uitspraken van de Afdeling.23. Het gaat om de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2019:
‘Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142, kan op zichzelf in overeenstemming met het systeem uit de Wro een bestemmingsplan worden vastgesteld dat alleen voorziet in de planonderdelen (bestemmingen, aanduidingen en regels) die ten opzichte van een bestaand bestemmingsplan worden gewijzigd. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel vereist dat de planregels in een zogenoemde schakelbepaling ondubbelzinnig bepalen dat de verbeelding en planregels uit het vorige bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van (overeenkomstige) toepassing blijven. Voorts dient in de planregels te zijn vastgelegd voor welke gronden het nader te noemen bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van toepassing blijft.
De schakelbepaling uit artikel 31, lid 31.1 van de planregels voldoet hier niet aan, nu hierin niet is bepaald dat de verbeelding en planregels uit bestaande bestemmingsplannen, al dan niet gedeeltelijk, van toepassing blijven en niet is bepaald welke bestemmingsplannen dit betreft. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld.’24.
Dit blijkt ook uit een uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2020:
‘Op zichzelf kan in overeenstemming met het systeem van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een bestemmingsplan worden vastgesteld dat alleen voorziet in de planonderdelen (bestemmingen, aanduidingen en regels) die ten opzichte van een bestaand bestemmingsplan worden gewijzigd. Gelet op de rechtszekerheid is evenwel vereist dat de planregels in een zogenoemde schakelbepaling ondubbelzinnig bepalen dat de verbeelding en planregels uit het vorige bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van (overeenkomstige) toepassing blijven. Voorts dient in de planregels te zijn vastgelegd voor welke gronden het nader te noemen bestemmingsplan al dan niet gedeeltelijk van toepassing blijft. Vergelijk de uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2142.
Een dergelijke schakelbepaling ontbreekt in de planregels. Noch uit de planregels, noch uit de verbeelding volgt dat de bestemming ‘Leiding — Gas’ aan de gronden ter plaatse van de leiding is toegekend. De plantoelichting is geen juridisch bindend onderdeel van het plan. Daarom kan niet worden volstaan met het opnemen van passages in de plantoelichting. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld.’25.
Kortom, uit deze rechtspraak blijkt dat bij een opvolgend bestemmingsplan expliciet in de planregels moet worden bepaald voor welke gronden het voorheen geldende bestemmingsplan (deels) van kracht blijft. Zo niet, dan geldt alleen het nieuwe bestemmingsplan. Dat is hier evident niet gebeurd en de Rechtbank heeft dat miskend.
2.2.
Anders dan de Rechtbank heeft overwogen, is er in dat verband geen ruimte voor het maken van een afweging op basis van de inhoud van het vigerende en het voorgaande bestemmingsplan. Het gevolg van die door de Rechtbank gemaakte afweging zou immers zijn dat de bestemming niet alleen uit de planregels van het vigerende bestemmingsplan kan worden afgeleid, maar dat daarvoor altijd ook de voorgaande bestemmingsplannen moeten worden geraadpleegd. De Afdeling — die als hoogste algemene bestuursrechter bij uitstek is belast met de interpretatie van bestemmingsplannen — heeft naar mag worden aangenomen (mede) in verband met die als onwenselijk beschouwde situatie, in diverse uitspraken in algemene zin beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel meebrengt dat bij inwerkingtreding van een bestemmingsplan het voorheen geldende bestemmingsplan zijn werking in beginsel verliest. De Rechtbank heeft dit alles miskend.
2.3.
Althans, de beslissing van de Rechtbank is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, omdat zij niet in voldoende mate heeft toegelicht dat de door de Afdeling geformuleerde rechtsregel hier niet van toepassing zou zijn. De beslissing van de Rechtbank dat alleen als twee onherroepelijke bestemmingsplannen in samenhang bezien tot onduidelijkheid leiden, de rechtszekerheid in het geding is en dat de onderhavige casus in zoverre verschilt van de gevallen die aan de orde waren in de jurisprudentie (van de Afdeling), berust op een onbegrijpelijke uitleg van die jurisprudentie. Zoals blijkt uit de uitspraken heeft de Afdeling haar beslissingen steeds in algemene zin verwoord en is dit vaste rechtspraak van de Afdeling waaraan steeds wordt getoetst, zonder dat voor het toetsingskader van (doorslaggevend) belang was of er sprake was van de door de Rechtbank bedoelde onduidelijkheid.
Onderdelen 3–5: beroep op zelfrealisatie
Bestreden beslissingen Rechtbank
De Rechtbank heeft in rov. 4.18 de overwegingen uit het KB over het beroep op zelfrealisatie weergegeven. Zij heeft in dat verband in rov. 4.19 vooropgesteld dat de toetsing door de Rechtbank zich op het punt van het beroep op zelfrealisatie beperkt tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot de aan het besluit ten grondslag liggende afweging heeft kunnen komen, waarbij in beginsel alleen acht wordt geslagen op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht.
In rov. 4.20 overweegt de Rechtbank dat de Kroon in redelijkheid het standpunt van de Gemeente heeft kunnen volgen dat zelfrealisatie ondoelmatig is. Uit het KB volgt naar het oordeel van de Rechtbank dat de Kroon uitvoerig heeft gemotiveerd waarom volgens haar sprake is van een samenhang tussen de realisering van de bestemming natuur en sportpark De Veldpost en dat de voor de bestemming Natuur te onteigenen grond niet een zelfstandig onderdeel vormt van het totaal te realiseren Park De Veldpost. In het bijzonder heeft De Kroon gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het perceel — als onderdeel van het gelijktijdig in ontwikkeling te brengen Park De Veldpost — openbaar toegankelijk zal zijn waarin ook fiets- en wandelpaden zijn voorzien die aansluiten op andere delen van het Park De Veldpost. Tegen die achtergrond heeft de Kroon in redelijkheid kunnen overwegen dat het (ook) gelet op de samenhang met de Groene As vanuit een oogpunt van een doelmatige aanleg en beheer, alsmede van een integraal beheer, noodzakelijk is dat de gronden door de Gemeente in één hand gehouden (moeten) worden, aldus de Rechtbank.
Dat de Kroon een samenhang aanneemt tussen de realisatie van de bestemming natuur en sportpark De Veldpost, geeft naar het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.21 (anders dan Kennemerland Beheer meent) geen ruimte om in deze procedure opnieuw (of volgens Kennemerland Beheer alsnog) in te gaan op de mogelijkheid van zelfrealisatie van (een deel van) het sportpark, zoals door haar is aangevoerd in de onteigeningsprocedure inzake de Veldpost26. (zie rov. 2.7) en waarop in die procedure al is beslist. In deze procedure ligt volgens de Rechtbank wel voor of de Kroon in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen dat de wens van de Gemeente om de genoemde plannen in samenhang nader uit te werken, te realiseren, te beheren en te onderhouden, gelet op het maatschappelijke karakter van deze functies, reëel is. De Rechtbank oordeelt dat dit het geval is: aan deze plannen liggen weliswaar twee verschillende bestemmingsplannen ten grondslag, maar het hoofddoel is om beide plannen in samenhang met elkaar als één aantrekkelijke parkstructuur te ontwerpen, dat bovendien aan moet sluiten bij de Groene As, waarbij het gebied als geheel een maatschappelijke functie heeft.
In rov. 4.22 komt de Rechtbank tot de conclusie dat uit het voorgaande volgt dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen.
Klachten
3.
De Rechtbank heeft in rov. 4.19 ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de door de onteigeningsrechter uit te voeren toets naar aanleiding van een beroep op zelfrealisatie van de onteigende, zich beperkt tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot de aan het besluit ten grondslag liggende afweging heeft kunnen komen, waarbij in beginsel alleen acht wordt geslagen op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht. De Rechtbank had de noodzaak van de onteigening en dus ook het niet honoreren van het beroep op zelfrealisatie ‘vol’ moeten toetsen, althans op zodanige wijze dat praktisch geen verschil bestond tussen de redelijkheidstoets en de volle toets.27.
Weliswaar kan de toepasselijkheid van het door de Rechtbank vermelde toetsingskader worden afgeleid uit het door haar vermelde arrest HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7, maar Kennemerland Beheer meent dat er aanleiding bestaat de noodzaak van de onteigening ‘vol’ te toetsen, in ieder geval indien de onteigende een beroep op zelfrealisatie doet. Redengevend daarvoor is dat het voormelde arrest van uw Raad kritisch is ontvangen in de vakliteratuur28. en dat na het wijzen van het arrest is gebleken dat in het toekomstige stelsel — dat in de Aanvullingswet grondeigendom is vervat — sprake is van een volle toetsing van de noodzaak (en urgentie) van de onteigening.29. In ieder geval rechtvaardigen deze ontwikkelingen dat (reeds nu) niet slechts wordt getoetst of de Kroon in redelijkheid tot de aan het besluit ten grondslag liggende afweging heeft kunnen komen, waarbij in beginsel alleen acht wordt geslagen op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht.
Zo nodig had de Rechtbank het gemotiveerde betoog van Kennemerland Beheer dat zij bereid en in staat is de op haar gronden rustende bestemming zelf te realiseren, moeten opvatten als een beroep op het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb en had zij daarom in verband met de door haar uit te voeren rechtmatigheidstoets moeten beoordelen of aan deze wettelijke bepaling was voldaan, zodat haar beslissing in zoverre blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. De stellingen van Kennemerland Beheer:
- (1)
dat Kennemerland Beheer zich zal conformeren aan de wijze van planuitvoering van de Gemeente, zoals die is neergelegd in DSO Park De Veldpost en dat zij park De Veldpost al dan niet in samenhang met het sportpark onverkort kan realiseren;30.
- (2)
dat zelfrealisatie niet ondoelmatig is, omdat de Gemeente thans geen bezwaar heeft tegen het sluiten van een separate erfpachtovereenkomst;31.
- (3)
dat Kennemerland Beheer zich bereid en in staat heeft verklaard de in het DSO Park De Veldpost opgenomen en gedetailleerd ingetekende werken aan te leggen (en dat voor het afzonderlijk indienen van een (bouw)plan geen aanleiding bestond nu de werken en inrichtingsmaatregelen zeer concreet zijn ingetekend en niet is voorzien in vergunningplichtige bouwwerken), zodat het oordeel van de Kroon dat Kennemerland Beheer geen concrete, op uitvoering gerichte plannen heeft overgelegd, geen stand kan houden,32.
laten immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat Kennemerland Beheer gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat de onteigening onevenredig is in het licht van art. 3:4 Awb. De toets die de Rechtbank in dit verband heeft uitgevoerd aan deze stellingen in rov. 4.18–4.22, volstaat derhalve niet, omdat daarbij door de Rechtbank slechts de vraag is beantwoord of die stellingen ertoe leiden dat de Kroon in redelijkheid niet tot afwijzing van het zelfrealisatieverweer van Kennemerland Beheer heeft kunnen komen.
4.
Voor zover — anders dan in onderdeel 3 wordt betoogd — moet worden uitgegaan van een marginale toets van het zelfrealisatieverweer, heeft de Rechtbank ten onrechte beslist in rov. 4.22 — en de daaraan voorafgaande overwegingen 4.18–4.21 — dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen, althans haar beslissing is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, in het licht van de hiervoor in onderdeel 3 weergegeven (essentiële) stellingen. In het bijzonder gaat het om de stelling van Kennemerland Beheer dat zelfrealisatie niet ondoelmatig is, omdat de Gemeente thans geen bezwaar heeft tegen het sluiten van een separate erfpachtovereenkomst.33.
5.
Kennemerland Beheer heeft diverse stellingen34. ingenomen, die erop neerkomen dat de Rechtbank voor wat betreft het zelfrealisatieverweer ten onrechte (althans zonder toereikende motivering) heeft aangenomen dat de sportvoorzieningen waarvoor wordt onteigend in de onteigeningsprocedure inzake De Veldpost en de onderhavige groenvoorzieningen, in samenhang moeten worden gerealiseerd. De Rechtbank is in rov. 4.22 ten onrechte aan die stellingen voorbijgegaan, althans zij had haar beslissing dat die samenhang bestaat, nader dienen te motiveren dan zij heeft gedaan. Haar beslissing kan in ieder geval niet in stand blijven als de beslissingen met betrekking tot zelfrealisatie in de onteigeningsprocedure inzake De Veldpost zouden worden vernietigd door de Hoge Raad.
Onderdeel 6: privaatrechtelijk alternatief (erfpacht)
Bestreden beslissingen Rechtbank
In rov. 4.23 en 4.24 gaat de Rechtbank in op het betoog van Kennemerland Beheer dat de Gemeente ten onrechte niet de mogelijkheid heeft verkend om door middel van een privaatrechtelijke afspraak de gedwongen eigendomsontneming te voorkomen. De Rechtbank beslist in rov. 4.23 dat, anders dan Kennemerland Beheer heeft aangevoerd, de omstandigheid dat de Gemeente bereid is gebleken om met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, aan het vorenstaande (kort gezegd: aan de beslissing dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen) niet afdoet. Daargelaten dat ook in dat geval de Gemeente om vorenstaande redenen het perceel zelf in ontwikkeling zal willen brengen, hebben partijen naar het oordeel van de Rechtbank geen overeenstemming bereikt, onder andere over de canon. Bovenal betreft dit verweer een verweer waarmee bij de toetsing van het goedkeuringsbesluit in beginsel rekening moet worden gehouden. Kennemerland Beheer had dan echter wel dat verweer al in de administratieve procedure die aan het onteigeningsgeding voorafgaat, naar voren moeten brengen, zodat het in de bestuurlijke belangenafweging had kunnen worden betrokken, aldus de Rechtbank. Het gaat hier immers volgens de Rechtbank niet om een bezwaar dat zonder enige belangenafweging aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg zou kunnen staan (zie 4.19 en HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 rov. 3.3 in verbinding met de daaraan voorafgaande conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5).
In rov. 4.24 overweegt de Rechtbank voorts dat niet is vast komen te staan dat de mogelijke uitgifte in erfpacht onderdeel is geweest van de administratieve procedure. Kennemerland Beheer heeft in dit verband verwezen naar door haar met de Gemeente gevoerde correspondentie in de periode 4 november 2020 — 8 maart 2021, dus in een periode dat het KB reeds een feit was. Verder haalt Kennemerland Beheer een gesprek aan dat zij op 9 oktober 2019 voerde met de wethouder, dus voor de datum van het KB. Uit het verslag van het gesprek blijkt volgens de Rechtbank dat de mogelijkheid van een huurovereenkomst is verkend en dat vervolgens in dat verband als andere vorm van gronduitgifte onder andere erfpacht is genoemd. Verder valt in het gespreksverslag niets te lezen over erfpacht, zodat dit verslag naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende aanknopingspunten geeft om aan te nemen dat erfpacht als privaatrechtelijk alternatief onderdeel is geweest van de administratieve procedure bij de Kroon. Dat laatste geldt ook voor het door Kennemerland Beheer in dit verband aangehaalde logboek, waarin slechts melding wordt gemaakt van het gesprek met de wethouder op 9 oktober 2019, zonder dat daarbij het woord ‘erfpacht’ is genoemd, aldus de Rechtbank. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het KB het gesprek op 9 oktober 2019 wel noemt, maar daaraan niet verbindt dat Kennemerland Beheer zich bereid heeft verklaard de grond in erfpacht te geven. Daarnaast heeft Kennemerland Beheer verwezen naar de notities van de Gemeente die zijn opgesteld voor de hoorzitting van 5 december 2019 bij de Kroon. Uit deze notities blijkt volgens Kennemerland Beheer dat de Gemeente de zienswijzen van Kennemerland Beheer zo heeft begrepen dat bij haar de bereidheid bestond om de gronden desnoods via erfpacht ter beschikking te stellen. Echter, de notities van de Gemeente waarnaar Kennemerland Beheer verwijst, betreffen de andere onteigeningsprocedure ten behoeve van het sportpark (zie punt 2.7), zodat de Rechtbank daarin geen onderbouwing leest dat de bereidheid tot erfpacht zou zijn ingebracht in de administratieve procedure ten aanzien van de onteigening die in deze procedure voorligt. Voor zover Kennemerland Beheer heeft willen aanvoeren dat de ná het KB gevoerde discussie over een mogelijke uitgifte in erfpacht een nadere invulling is van haar stellingname in de administratieve procedure, kan zij daarin volgens de Rechtbank niet worden gevolgd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Kennemerland Beheer verwezen naar meerdere citaten zoals opgenomen in haar pleitnota ter zitting. Deze citaten zijn deels ontleend aan haar inspreeknotitie tegen het verzoekbesluit van 1 november 2018, haar zienswijze tegen het ontwerp KB van 24 februari 2020 en het verhandelde bij gelegenheid van de hoorzitting ex art. 78 Ow. Wat daar verder van zij, deze citaten zien naar het oordeel van de Rechtbank allemaal op de door Kennemerland Beheer voorgestane zelfrealisatie zonder dat deze enige vingerwijzing bevatten naar een privaatrechtelijk alternatief als erfpacht. De Rechtbank overweegt aan dit verweer dan ook voorbij te gaan.
Klachten
6.
De beslissing van de Rechtbank in rov. 4.23 dat de omstandigheid dat de Gemeente bereid is gebleken met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, aan het voorgaande niet afdoet en de voor die beslissing in rov. 4.23 en 4.24 gegeven onderbouwing, geven in het licht van de navolgende subonderdelen die mede in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
6.1.
De overweging van de Rechtbank in rov. 4.23 dat de omstandigheid dat de Gemeente bereid is gebleken met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, aan het voorgaande niet afdoet, mede omdat ook in dat geval de Gemeente om vorenstaande redenen het perceel zelf in ontwikkeling zal willen brengen, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dat de Gemeente bereid is gebleken met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden, impliceert immers dat er kennelijk (ook voor de Gemeente) voldoende basis was voor verder overleg en daaruit volgt noodzakelijkerwijs dat de Gemeente niet uitsluit (althans uitsloot) dat tot overeenstemming zou worden gekomen over het sluiten van een erfpachtovereenkomst. Die overeenstemming zou dan dus wel afdoen aan ‘vorenstaande redenen’ — waarmee de Rechtbank kennelijk doelt op hetgeen is overwogen in rov. 4.20–4.22. In dit verband is de Rechtbank ten onrechte niet ingegaan op de (essentiële) stelling van Kennemerland Beheer dat er in het licht van de reeds bereikte overeenstemming over de erfpacht als zodanig geen redelijke grond denkbaar is waarom de Gemeente niet met het voorstel van Kennemerland Beheer (over de canonvaststelling) zou willen instemmen, althans haar beslissing is in het licht van deze stelling onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.35.
6.2.
Ten onrechte heeft de Rechtbank in rov. 4.23 beslist dat Kennemerland Beheer haar verweer dat de Gemeente bereid is gebleken met haar in verdere onderhandeling te treden over het sluiten van een erfpachtovereenkomst, al in de administratieve procedure die aan het onteigeningsgeding voorafgaat naar voren had moeten brengen. Die beslissing geeft immers blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in onteigeningsprocedures niet langer mag worden vastgehouden aan de uit de jurisprudentie van de Hoge Raad voortvloeiende voorwaarde dat een verweer al in de administratieve procedure naar voren moet zijn gebracht.36. De achtergrond van de noodzaak van het laten vervallen van die voorwaarde is terug te vinden in het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7 (Varkens in Nood).37. De Afdeling heeft naar aanleiding van het arrest Varkens in Nood bij richtinggevende uitspraak van 14 april 2021 in de zaak van Haghoek Rosarium Westers te Almelo (ECLI:NL:RVS:2021:786) beslist dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, art. 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden.38. Dit geldt zowel voor de zgn. ‘personenfuik’ (belanghebbenden kunnen alleen beroep instellen als zij een zienswijze hebben ingediend) als de ‘onderdelentrechter’ (de belanghebbende kan alleen in beroep gronden aanvoeren die betrekking hadden op de onderdelen waar ook in de zienswijze gronden tegen werden aangevoerd). Waar het Hof van Justitie oordeelde dat het ging om zgn. Verdrag van Aarhus-zaken, heeft de Afdeling die beperking als te ingewikkeld terzijde geschoven en bepaald dat deze lijn geldt voor het gehele omgevingsrecht. Daarbij beschouwt de Afdeling als omgevingsrechtelijke zaken de zaken over besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening (rov. 4.9).39. Het onteigeningsrecht maakt ontegenzeglijk óók onderdeel uit van het omgevingsrecht, maar kent om louter historische redenen een rechterlijke toetsing door de civiele rechter en niet de bestuursrechter. Niet voor niets zal de oude Onteigeningswet van 1851 met haar archaïsche KB-stelsel opgaan in de Omgevingswet, waarbij niet langer de Hoge Raad maar de Afdeling bestuursrechtspraak de zgn. onteigeningsbeschikkingen in hoogste instantie zal gaan toetsen. Zowel onder huidig recht als onder toekomstig recht zal bij onteigening sprake zijn van een door het bestuursorgaan op uitvoering gericht omgevingsrechtelijk besluit waarvoor een effectieve toegang tot de rechter moet zijn gewaarborgd. In het licht van het Varkens in Noord-arrest en de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021 kan de lijn van de Hoge Raad ten aanzien van de omgang met zienswijzen tegen het ontwerp van het KB, niet onverkort worden gehandhaafd. Niet valt derhalve in te zien waarom dit arrest niet evenzeer zou gelden in die gevallen waarin in onteigeningsprocedures als de onderhavige een bepaald verweer voor het eerst in de rechterlijke fase wordt aangevoerd, zodat de andersluidende beslissing van de Rechtbank onjuist is. De omstandigheid dat de onteigeningsprocedure (thans nog) een procedure is ten overstaan van de civiele rechter, zou in dat verband geen rol moeten spelen. In ieder geval is de beslissing van de Rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, onjuist althans onbegrijpelijk, in het licht van de (essentiële) stelling van Kennemerland Beheer dat de voorwaarde dat een verweer al in de administratieve fase moet zijn aangevoerd, omdat dit anders niet meer aan de orde kan komen, gelet op het arrest Varkens in Nood, niet meer geldt40., omdat de Rechtbank zonder enige motivering aan deze stelling is voorbijgegaan. De enkele verwijzing door de Rechtbank naar het arrest van uw Raad van 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, rov. 3.3 in verbinding met de daaraan voorafgaande conclusie onder 3.5, kan in dat verband niet gelden als een (afdoende) motivering, omdat Kennemerland Beheer nu juist heeft aangevoerd dat op dat arrest moet worden teruggekomen.
6.3.
De overweging van de Rechtbank in rov. 4.24, dat niet is komen vast te staan dat de mogelijke uitgifte in erfpacht onderdeel is geweest van de administratieve procedure, is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De aan die beslissing ten grondslag liggende overweging dat het verslag van een gesprek dat Kennemerland Beheer op 9 oktober 2019 voerde met de wethouder, onvoldoende aanknopingspunten geeft om aan te nemen dat erfpacht als privaatrechtelijk alternatief onderdeel is geweest van de administratieve procedure, kan die beslissing niet dragen. Zijdens Kennemerland Beheer is er immers op gewezen dat er tijdens het hiervoor bedoelde overleg met de wethouder van 9 oktober 2019 — dus voorafgaand aan de datum van het KB — de mogelijkheid van erfpacht aan de orde is gesteld en dat het verslag van dit overleg in het Kroondossier zit.41. Uit dat verslag blijkt dat Kennemerland Beheer expliciet heeft aangegeven dat vormen van gronduitgifte in de vorm van opstalrecht en erfpacht mogelijk zijn. De omstandigheid dat dit blijkens het verslag is geschied nadat eerst over de mogelijkheid van een huurovereenkomst is gesproken en dat in het gespreksverslag verder niets valt te lezen over erfpacht, zoals de Rechtbank overweegt, brengt niet mee dat de naar voren gebrachte mogelijkheid van uitgifte van erfpacht geen deel uit heeft gemaakt van de administratieve procedure, althans de andersluidende beslissing van de Rechtbank is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dat de Rechtbank in dit verband voorts overweegt dat uit de omstandigheid dat het, ondanks de omstandigheid dat het verslag van het gesprek met de wethouder is vermeld in het logboek, niet verwonderlijk is dat het KB aan de vermelding van het gesprek niet verbindt dat Kennemerland Beheer zich bereid heeft verklaard de grond in erfpacht te geven, is eveneens onbegrijpelijk. Anders dan de Rechtbank kennelijk van oordeel is, had van de Kroon mogen worden verwacht dat zij de in het logboek vermelde stukken, zoals het verslag van het hiervoor bedoelde gesprek, erop zou naslaan teneinde alle verweren tegen de onteigening gemotiveerd te bespreken, althans Kennemerland Beheer kan niet worden tegengeworpen dat het privaatrechtelijk alternatief niet in de administratieve fase naar voren is gebracht. De Rechtbank had het door Kennemerland Beheer aangevoerde verweer — kort gezegd inhoudende dat Kennemerland Beheer bereid is een erfpachtovereenkomst te sluiten, waarbij de Gemeente haar plan kan realiseren op de wijze van planuitvoering die zij voor ogen heeft42. — gelet op het voorgaande wel in haar beoordeling dienen te betrekken, althans de grond die zij heeft gehanteerd om dat niet te doen, kan die beslissing niet dragen.
Conclusie
Op grond van dit middel vordert eiseres vernietiging van het bestreden vonnis met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van verweerster in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑08‑2021
Zie echter onderdeel 2 van het cassatieberoep.
C/15/307299 / HA ZA 20-591, ECLI:NL:RBNHO:2021:1239.
Het zaaknummer van die cassatieprocedure is 21/00998.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 6.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 6 en par. 9.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 9.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 9.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 5 en 7.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 5.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 11.
Proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, p. 3.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 10.
Zie bijv. HR 25 mei 1988, NJ 1988/927, 928 en 930 en HR 9 februari 2000 NJ 2000/418 (Strijpse Kampen).
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 5 en 7; zie voorts subonderdeel 1.2 hiervoor.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 24–26.
ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3097, rov. 93.4.
ABRvS 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1326, rov. 3.5.
In welke procedure thans onder. 21/00998 een cassatieprocedure aanhangig is.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 58 en 36.
Zie de annotatie van E.W.J. de Groot in NJ 2018/382.
Zie HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, rov. 4.19.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 58 jo. 37–42.
Zie: ‘Ruimere toegang tot de bestuursrechter bij omgevingsrechtelijke besluiten’https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/@125054/toegang-bestuursrechter-omgevingsrecht/
De zeer vergaande implicaties van het arrest Varkens in nood blijken ook uit een uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953. In die uitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van het arrest beslist dat (kort gezegd) niet-belanghebbenden soms toch bij de bestuursrechter beroep kunnen instellen tegen een omgevingsbesluit.
Pleitaantekeningen mr. W.J.E. van der Werf voor de zitting van de Rechtbank van 11 juni 2021, par. 58 jo. 37–42.