Einde inhoudsopgave
Codes en convenanten (SteR nr. 20) 2014/2.2.4
2.2.4 Voorwaarden
mr. A.G.D. Overmars, datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- Auteur
mr. A.G.D. Overmars
- JCDI
JCDI:ADS358945:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bressers legt het verband tussen bij het bedrijfsleven bestaande motivatie om het milieu te beschermen en de mogelijkheid om bedrijven op dat punt tot zelfregulering aan te zetten. Vgl. Bressers, J.Th.A., Motieven tot zelfregulering, in: Milieumanagement: een systematische aanpak voor bedrijven en andere organisaties, Alphen aan den Rijn 1994, p. 13-25.
Eijlander, Ph. & P. Populier, Het wetgevingsbeieid na de Bruikbare rechtsorde. In de beperking toont zich de meester?, Preadviezen Vereniging voor wetgevingsbeleid, Nijmegen 2007, p. 36.
Beroeps- en brancheorganisaties worden vaak als lobbygroepen gezien, maar hebben zich ontwikkeld tot belangrijke partijen op het terrein van beleidsvorming en -uitvoering. Vgl.: Heffen-Oude Vrielink, M. van & T. Brandsen, Brancheorganisaties en gedragscodes: de spagaat van zelfregulering, Recht der Werkelijkheid, 2004/2, p. 31-50.
Zie ook de door Fisher & Ury ontwikkelde onderhandelingstheorie Best alternative to a negotiated agreement (BATNA), in Fisher, R. & W. Ury Getting to Yes: Negotiating Agreement Without Giving In, Londen 2011. In deze theorie wordt, zonder elkaar daarover te informeren, door partijen een alternatief geformuleerd voor de situatie waarin de onderhandelingen niet tot overeenstemming leiden. De probleemoplossende benadering vereist dat partijen tijdens de onderhandelingen niet instemmen met een slechtere uitkomst dan het geformuleerde alternatief.
Van Petersen & Van Vree 2005.
Er zijn verschillende voorwaarden te onderkennen voor een kansrijke inzet van zelfregulering, kr de eerste plaats is het zelfregulerend vermogen van de sector van belang: de partijen moeten de wil hebben om samen te werken en sturing te geven aan verschillende beleidsvraagstukken. In de sector moet een cultuur van gedeelde verantwoordelijkheid ten aanzien van een maatschappelijke vraagstuk bestaan.1 Hiermee hangt de mate waarin partijen zich georganiseerd hebben samen. Veelal is een intermediaire organisatie noodzakelijk die voor de overheid of maatschappelijke organisaties als aanspreekpunt fungeert en individuele bedrijven informeert en aanspoort. Een brancheorganisatie waarin de verschillende individuele partijen vertegenwoordigd zijn, dient over voldoende deskundigheid te beschikken om beslissingen te nemen en controle uit te oefenen over de acties van haar leden, die zich vertegenwoordigd moeten voelen door de landelijke organisatie.2 Niet iedere onderneming of branche zal immers in staat zijn namens haar leden een maatschappelijk probleem te onderkennen, te analyseren en vervolgens een zelfreguleringsinstrument te ontwikkelen en te implementeren. De kans dat de achterban de aansluiting verliest gedurende dit proces is groot; de brancheorganisatie moet er derhalve voor waken dat de leden betrokken blijven.3
In de tweede plaats moet er draagvlak zijn binnen de sector, want draagvlak veronderstelt belang: pas wanneer voordeel verwacht wordt of nadeel kan worden afgewend, zal de sector tot zelfregulering bereid zijn. Voordeel kan ook zijn dat de sector de overheid op afstand houdt.4 Samenwerking moet daarbij voor ieder van de afzonderlijke partijen een betere optie zijn dan individueel handelen. Het behartigen van de belangen vereist niet alleen vakinhoudelijke, maar ook politiek-bestuurlijke en financiële kennis bij zowel bestuurders als uitvoerders: het zelfreguleringsproces speelt zich vaak af in samenwerking met, of op verzoek van, de overheid en zelfregulering is voor de betrokken partijen vaak een kostbare aangelegenheid in vergelijking met regulering door de overheid.5 Belangrijk hierbij is dat het eigenaarschap van het zelfreguleringsinstrument duidelijk voelbaar blijft bij de doelgroep: het creëren en onderhouden van draagvlak is belangrijk om betrokkenheid bij het proces te garanderen.
In de derde plaats zijn concrete en meetbare doelstellingen voor succesvolle zelfregulering van belang. Deze maken het mogelijk om aan het einde van het proces een oordeel te vellen over de vraag of het zelfreguleringsproces aan de verwachtingen heeft voldaan. Hierbij is inhoudelijk onderhoud nodig om te voorkomen dat de in het zelfreguleringsinstrument opgenomen informatie of verplichtingen na verloop van tijd onvoldoende aansluiten bij de wensen en doelstellingen van de belanghebbenden.
En tenslotte: wil een zelfreguleringsinstrument effectief zijn, dan moet het bekend zijn, geïnternaliseerd zijn en worden nageleefd. Een vorm van toezicht kan zijn het instellen van een arbitragecommissie en/of geschillencommissie, die sancties kan opleggen zoals een waarschuwing, een boete of een royement. Baarsma e.a. onderkermen daarnaast het belang van (gerechtvaardigd) vertrouwen op de sociale controle bij de naleving. Het is immers niet mogelijk of wenselijk om de naleving geheel te controleren op basis van formele procedures. Sociale controle kan vorm gegeven worden door een systeem van klachtbehandeling, waarbij consumenten of collega’s een klacht kunnen indienen wanneer zij vinden dat de code is geschonden.