Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.4:7.4 Conclusie
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609047:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
B.F.A. van Huijgevoort, ‘Excessief beloningsgedeelte aftrekbaar?’, WFR 2008, p. 133.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Wet VPB 1969 zijn enkele tientallen verschillende, wettelijk omschreven begrippen van verbondenheid opgenomen. Net als voor de inkomstenbelasting geldt dat deze begrippen niet zonder meer met elkaar kunnen worden vergeleken, omdat de functie verschilt en omdat bepaalde begrippen zien op de relatie tussen natuurlijke personen, terwijl andere zijn gericht op de gelieerdheid met een lichaam. Naast de definities van verbondenheidbegrippen in de Wet VPB 1969 is voor de vennootschapsbelasting nog een aantal thema’s en regelingen relevant, waarin de gelieerdheid niet wettelijk is omschreven. Te denken valt aan het onderscheid tussen transparante en non-transparante samenwerkingsverbanden en de behandeling van de ‘vaste inrichting’.
In dit hoofdstuk zijn de wettelijk omschreven verbondenheidsbegrippen in de Wet VPB 1969 geanalyseerd. De conclusies die uit deze analyse kunnen worden getrokken, zijn samengevat in het volgende schema:
Begrip
Wettelijke omschrijving
Functie
Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Neutraliteit ten aanzien van de rechtsvorm en samenlevingsvorm
Open norm of scherpe norm
Uniformiteit
Aanbevelingen
‘Aandeelhouders’, ‘deelnemers’ of ‘leden’ en ‘bestuurders’ in de zin van art. 2 lid 7 Wet VPB 1969
Bedrijven, waarvan de aandeelhouders, deelnemers of leden uitsluitend bestaan uit Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen; Lichamen waarvan de Bestuurders uitsluitend door Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen worden benoemd en ontslagen, en waarvan het vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen
F
+/-
+
+
-
Verduidelijking eenheidgedachte:
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 100% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen niet mee bij de houder ervan
‘Belang’ in de zin van art. 2 lid 7 Wet VPB 1969
V en AO
+
+/-
-
Aansluiting bij het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
‘Groep’ in de zin van art. 2 lid 7 Wet VPB 1969
‘Groep’ in de zin van art. 2:24b BW
V En AO
+
+
+/-
-
Aansluiting bij het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
‘Directiepensioenlichamen’ in de zin van art. 5 lid 2 Wet VPB 1969
Bezit van ten minste 10% van de aandelen in een andelenvennootschap door een directeur- grootaandeelhouder, zijn echtgenoot, geregistreerd partner, en de partner met wie ongehuwd wordt samengeleefd, alsmede bloedof aanverwanten
AO
-
+
-
-
Aansluiting bij het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 5 Wet VPB 1969
‘Verbonden lichaam’ in de zin van art. 8 lid 6a onderdeel a Wet VPB 1969
‘Verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 en 6 Wet VPB
F
-
+
-
-
Onderscheid tussen begrip ‘verbonden lichaam’ met een antiontgaansfunctie als bedoeld in art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 en begrip ‘concern’ met een facilitaire functie:
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Belangen gehouden door de ‘partner’ en kinderen tellen mee bij de beoordeling van het bedoelde vermoeden;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen niet mee bij de houder ervan
‘Verbonden persoon’ in de zin van art. 8 lid 6a onderdeel b Wet VPB 1969
Vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een ‘aanmerkelijk belang’ heeft
F
-
+/-
-
-
Onderscheid tussen begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ met een antiontgaansfunctie als bedoeld in art. 10a lid 5 Wet VPB 1969 en begrip ‘concern’ met een facilitaire functie
‘Aandeelhouder voor ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal’ in de zin van art. 8 lid 8 onderdelen b en c Wet VPB 1969
Bezit van ten minste 33⅓% van het nominaal gestorte kapitaal in een aandelenvennootschap
AM
-
-
-
-
Aansluiting bij begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969
‘Deelname aan de leiding, het toezicht, of het kapitaal’ in de zin van art. 8b lid 1 en 2 Wet VPB 1969
Deelname aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam
AM
+
+
+
-
Aanslu iting bij begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
Concern’ in de zin van art. 8c lid 4 Wet VPB 1969
Belastingplichtige samen met ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ zoals bedoeld in art. 10a lid 4 tot en met 6 Wet VPB 1969
F
-
+
-
-
Aansluiting bij begrip ‘concern’
‘Verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
Bezit van ten minste een derde gedeelte ‘belang’ in een lichaam; Belang van echtgenoot en geregistreerd partner en ongehuwde en niet-geregistreerde partner telt mee; Neerwaartse, opwaartse en zijwaartse verbondenheid
AO
-
+
-
-
Uniforme uitleg ‘belang’:
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 33⅓% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Daadwerkelijke ‘belang’;
– Belangen gehouden door de echtgenoot, de geregistreerd partner en iedere andere ‘levensgezel’, kinderen en kinderen van de levensgezel worden meegeteld;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen ook mee bij de beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de houder ervan;
– Mogelijkheid van zekerheid
‘Verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 5 Wet VPB 1969
Bezit van ten minste een derde gedeelte ‘belang’ in een lichaam; Belang van echtgenoot en geregistreerde partner en ongehuwde en niet-geregistreerde partner telt mee
AO
-
+
-
-
Uniforme uitleg ‘belang’
‘Verbonden vennootschap’ in de zin van art. 10c lid 1 Wet VPB 1969
Bezit van ten minste een derde gedeelte belang in een vennootschap
O
-
-
-
-
Aansluiting bij begrip ‘concern’
‘Verbonden vennootschap’ in de zin van art. 10c lid 2 Wet VPB 1969
Bezit van ten minste een derde gedeelte belang in een vennootschap; Neerwaartse, opwaartse en zijwaartse verbondenheid
O
-
-
-
-
Aanslu iting bij begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
Groep’ in de zin van art. 10d lid 2 en 6 Wet VPB 1969
‘Groep’ in de zin van art. 2:24b BW
AO en F
+
+
+/-
-
Aanslu iting bij begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969; Aansluiting bij begrip ‘concern’ voor de concernratiotoets
‘Verbonden lichaam’ in de zin van art. 12c lid 5 Wet VPB 1969
Bezit van meer dan 50% ‘belang’ in een lichaam; Belang van echtgenoot en geregistreerde partner en ongehuwde en niet-geregistreerde partner telt mee; Neerwaartse, opwaartse en zijwaartse verbondenheid
F
-
+
-
-
Aansluiting bij begrip ‘concern’
‘Deelneming’ in de zin van art. 13 lid 2 onderdeel a Wet VPB 1969
Bezit van ten minste 5% van nominaal gestorte kapitaal van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal
‘Belang van 5% of meer’ in de zin van art. 13b lid 5 Wet VPB 1969
Bezit van een belang van 5% of meer
Verduidelijking dat dit duidt op het onderscheid tussen een ‘deelneming’ en een ‘belegging’, en niet moet worden aangemerkt als apart verbondenheidsbegrip
‘Normale bemoeienis met de bedrijfsvoering door de aandeelhouder of de concernleiding’ in de zin van art. 2a Uitv. besch. VPB 1971
Normale bemoeienis met de bedrijfsvoering door de aandeelhouder of de concernleiding
0
+
+
+/-
-
Aanslu iting bij begrip ‘concern’
‘Fiscale eenheid’ in de zin van art. 15 Wet VPB 1969
Bezit van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een dochtermaatschappij
F
-
-
+
-
Meer aandacht voor materieel- economische criteria:
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 95% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
F
-
-
+
-
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen niet mee bij de houder ervan
‘Uiteindelijke belang’ in de zin van art. 20a lid 1 Wet VPB 1969
‘Belang’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
AO en AM
-
+
-
-
Aansluiting bij een ‘belang’ van ten minste 33⅓%, evenals in begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
‘Uiteindelijke belang’ in de zin van art. 20a lid 2 Wet VPB 1969
‘Belang’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
F
-
+
-
-
Aansluiting bij begrip ‘concern’
45%-toets van art. 28 lid 2 onderdeel c onder 2° Wet VPB 1969
Bezit van minder dan 45% van de aandelen door een ander lichaam, of verbonden lichamen
AO
-
-
-
-
Aansluiting bij een ‘belang’ van ten minste 33⅓%, evenals in begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
75%-toets van art. 28 lid 2 onderdeel d onder 2° Wet VPB 1969
Bezit van ten minste 75% van de aandelen door natuurlijke personen of lichamen die niet zijn onderworpen aan de heffing van een winstbelasting
AO
-
-
-
-
Aansluiting bij een ‘belang’ van ten minste 33⅓%, evenals in begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
25%-toets van art. 13a lid 1 Wet VPB 1969
Bezit van een vierde gedeelte of meer van het ‘belang’
AO
-
+
+
-
Aansluiting bij een ‘belang’ van ten minste 33⅓%, evenals in begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969
25%-toets van art. 28 lid 2 onderdeel c onder 1° Wet VPB 1969
Bezit van een vierde gedeelte of meer van het ‘belang’
AO
-
+
+
-
Aansluiting bij begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ zoals omschreven in art. 10a lid 5 Wet VPB 1969
In hoofdstuk 2 en 3 is stilgestaan bij de ‘stakeholdersbenadering’ in de bedrijfseconomie en het ondernemingsrecht. De verbondenheid die hierin kan worden herkend, ontbreekt in de Wet IB 2001 en de Wet VPB 1969. Voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting is de aandacht met name gericht op de relatie tussen de vennootschap en de aandeelhouder, en niet op relaties met bijvoorbeeld werknemers en andere belanghebbenden. In dit verband concludeert Van Huijgevoort uit de rechtspraak dat de Wet VPB 1969 geen mogelijkheden lijkt te bieden voor een beperking van de aftrekbaarheid van een excessieve beloning van een bestuurder, maar alleen van bevoordelingen van een aandeelhouder.@ 1
In dit verband wordt nog opgemerkt dat in de bedrijfseconomische agentschap-theorie niet alleen een ‘agency’-probleem kan bestaan in de relatie tussen een aandeelhouder en het management, maar bijvoorbeeld ook in de relaties tussen een eigenaar van een onroerende zaak en diens zaakwaarnemer, een manager en een werknemer, en een financier en het management. In de bedrijfseconomie geldt daarom een ruimer begrip van ‘verbondenheid’. Overigens zou het ‘agency’-probleem een reden kunnen zijn om in het belastingrecht de transacties tussen verbonden personen niet zonder meer als ‘onzakelijk’ te bestempelen. Ogenschijnlijke onzakelijkheid van een transactie zou ook door informatieasymmetrie kunnen zijn veroorzaakt, hetgeen zou pleiten voor tegenbewijsmogelijkheden in de antimisbruikbepalingen die uitgaan van ‘verbondenheid’.