Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.1
7.1 Inleiding
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605413:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R.A. de Mooij, Heeft de vennootschapsbelasting een toekomst? (oratie), Rotterdam: Erasmus Universiteit 2003.
Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 25, vraag 3, ontleend aan N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht, Vennootschapsbelasting, onderdeel 0.0.1.
J.A.G. van der Geld, De herziene deelnemingsvrijstelling, Deventer: Kluwer 1990.
Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990, PbEG 1990, L 225 (Rectificatie PbEG 1997, L 16), betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, laatstelijk gewijzigd 22 december 2003, PbEU 2004, L 7.
Richtlijn van de Raad van 3 juni 2003, PbEG 2003, L 157, betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten, laatstelijk gewijzigd 29 april 2004, PbEU 2004, L 157 (Rectificatie PbEU L 195).
Gedragscode ter voorkoming van schadelijke belastingconcurrentie, PbEG 1998, C2/01.
Vennootschapsbelasting wordt geheven van lichamen, zo is bepaald in art. 1 Wet VPB 1969. In art. 2 en 3 Wet VPB 1969 zijn de belastingplichtige lichamen nader omschreven.
In juridische zin is de vennootschapsbelasting een directe belasting. In economische zin lijkt echter sprake van een indirecte belasting; de aandeelhouders hoeven waarschijnlijk niet in economische zin de last van de vennootschapsbelasting te betalen, omdat deze wordt afgewenteld op werknemers.1
Volgens Verburg (1984) vindt de vennootschapsbelasting haar rechtvaardiging in de inkomstenbelasting. Van Lindonk (1990) beschrijft in dit verband dat de vennootschapsbelasting complementair is aan de heffing van inkomstenbelasting: de Wet VPB 1969 heft over ondernemingswinsten die niet door natuurlijke personen zijn behaald.
Overigens ontbreekt een duidelijke rechtsgrond voor de vennootschapsbelasting. De Vries en De Vries verwijzen naar de parlementaire behandeling van de Wet VPB 1969, waarin de bewindslieden opmerkten dat de vennootschapsbelasting budgettair gesproken niet meer viel weg te denken.2 Van der Geld noemt naast dit budgettaire argument, de zogenoemde antropomorfe visie, de leer van het globale evenwicht, de compensatietheorie, het profijtbeginsel en het buitenkansbeginsel als rechtvaardigingsgronden.3
In EU-verband is nog geen sprake van een harmonisatie van de vennootschapsbelasting die in de verschillende lidstaten wordt geheven. In het verleden zijn wel enkele principiële kwesties geüniformeerd door middel van richtlijnen, zoals de Moeder-dochterrichtlijn4 en de Interest- en royaltyrichtlijn.5 Voorts heeft de jurisprudentie van het HvJ EG de afgelopen jaren bijgedragen tot enige uniformering. De Vries en De Vries noemen ook het toezicht op staatssteun door de Europese Commissie als harmoniserende factor, alsmede de zogenoemde ‘code of conduct’ van 1 december 1997 van de Ecofin-Raad.6 Hoewel dit geen volledige harmonisatie betreft, wijs ik in dit verband nog op het project dat de Europese Commissie in 2001 heeft geïnitieerd om te komen tot een ‘Common Consolidated Corporate Tax Base’ (CCCTB). Dit biedt moedervennootschappen van multinationale ondernemingen de mogelijkheid om voor hun EU-activiteiten één geconsolideerd belastbaar bedrag vast te stellen.
In de Wet VPB 1969 kan een groot aantal verschillende verbondenheidsbegrippen worden gevonden. Evenals in de Wet IB 2001 betreft dit enerzijds begrippen waarin in de relatie tussen natuurlijke personen wordt gedefinieerd en anderzijds verbondenheidsbegrippen voor lichamen. Voorts zijn er enkele onderwerpen waarin ‘verbondenheid’ een rol speelt, zonder dat deze nader is omschreven in de wet. Hierna worden eerst deze onderwerpen behandeld. Vervolgens worden de wettelijk omschreven verbondenheidsbegrippen onderzocht, waarbij de begrippen worden vergeleken met het geschetste bedrijfseconomische en privaatrechtelijke toetsingskader. Voorts worden de begrippen beoordeeld op rechtstheoretische aspecten, zoals neutraliteit, het gebruik van een open norm dan wel een scherpe norm en de uniformiteit van definities. Op basis van deze analyse worden per begrip aanbevelingen gedaan, rekening houdend met de aard en functie van de begrippen.