Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.2.1
7.2.1 Staatscommissie en Raad van State
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een predualistische analyse van het verschijnsel rekenkamer(commissie) Bultena/Thomas (1999).
Bijvoorbeeld de Rekenkamer Rotterdam, die in zekere zin model heeft gestaan voor de door de Staatscommissie voorgestelde inrichting van een onafhankelijke rekenkamer. Zie Staatscommissie-Elinzga (2000), p. 255.
Zie Staatscommissie-Elinzga (2000), p. 255. De Staatscommissie voert in dit verband ook het voorbeeld van de rekenkamer Rotterdam op waarin de raad een dergelijke beslisbevoegdheid niet toekomt. Het is wel een zeer vergaand voorbeeld, dat gelet op de latere omschrijving door de Staatscommissie van de onafhankelijke rekenkamer eigenlijk (mede) model staat voor de inrichting van de onafhankelijke rekenkamer. Deze variant is in de beschrijving van de rekenkamerachtige raadscommissie dus nogal a-typisch.
Staatscommissie-Elzinga (2000), p. 257.
Staatscommissie-Elzinga (2000), p. 256.
Warmelink (2008) en Warmelink (2011), p. 153.
Staatscommissie-Elzinga (2000), p. 379.
Staatscommissie-Elzinga (2000) p. 456-457.
Het idee van een rekenkamer(commissie) komt niet uit de koker van de Staatscommissie. Al vóór de dualisering deed deze figuur in de literatuur1 en de praktijk2 haar intrede. De Staatscommissie haakt aan bij deze ontwikkeling en staat in haar rapport uitgebreid stil bij een tweetal varianten van rekenkamers en de positie van de gemeenteraad ten opzichte van deze verschillende soorten reken-kamer(commissie)s.
De eerste variant is die van de rekenkamerachtige commissie. Een dergelijke commissie bestaat (deels) uit leden van de gemeenteraad en is daaraan ondergeschikt. Zij rapporteert aan de raad en voert die onderzoeken uit die de raad wenselijk acht.3
De tweede variant is die van de onafhankelijke rekenkamer. Deze is niet ondergeschikt aan andere gemeentelijke organen en is van deze organen onafhankelijk voor wat betreft haar personele bezetting en haar werkzaamheden. Volgens de Staatscommissie impliceert dit de introductie van wettelijke incompatibiliteiten (zodat onder meer raadsleden en collegeleden geen lid kunnen zijn van een rekenkamer), maar impliceert ook een zelfstandige vaststelling van de onderzoeksagenda. De raad en het college zouden de rekenkamer kunnen verzoeken bepaalde onderzoeken uit te voeren, maar uiteindelijk beslist de rekenkamer zelf welke onderzoeken zij daadwerkelijk ter hand neemt. Een dergelijke onafhankelijke rekenkamer zou bovendien over een aantal specifieke onderzoeksbevoegdheden moeten beschikken in verband met de inzage in administraties, documenten en informatiedragers.4 Om het instellen van dergelijke onafhankelijke gemeentelijke rekenkamers te faciliteren, zou de Gemeentewet volgens de Staatscommissie een min of meer uniforme regeling moeten bieden waarin de onafhankelijkheid van deze rekenkamers wordt gewaarborgd. De Staatscommissie overweegt:
"Een minder formele verankering biedt weliswaar het voordeel van flexibiliteit, maar dit bergt tevens een bepaalde kwetsbaarheid in zich daar waar het gaat om bezuinigingen. Een andere kwetsbaarheid houdt verband met de mogelijk kritische rapporten van een rekenkamer die in het politieke debat een pijnlijke rol kunnen vervullen. Zonder stevige verankering kan de neiging bestaan de 'boodschapper' te neutraliseren. Een stevige juridische basis versterkt bovendien het gezag van een gemeentelijke rekenkamer,,5
Warmelink suggereert dat de Staatscommissie in haar omschrijving van de beide varianten een voorkeur laat doorschemeren voor de eerste variant.6 Mijns inziens heeft hij hierin ongelijk. Uit het hoofdstuk "Weging en keuzes ten aanzien van dualisering" blijkt juist een zekere voorkeur voor de onafhankelijke rekenkamer. De Staatscommissie schrijft daar dat rekenkamerachtige raadscommissies weliswaar onmisbaar zijn, maar dat deze commissies hun controlerende rol beter kunnen vervullen als zij kunnen beschikken over de bevindingen van onafhankelijke deskundigen ten aanzien van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gemeentelijke beleid: "Daarom beoordeelt de commissie de ontwikkeling naar onafhankelijke lokale rekenkamers positief."7
Belangrijk is wel dat een dergelijke onafhankelijke rekenkamer in de ogen van de Staatscommissie facultatief zou moeten zijn. De door de Staatscommissie bepleite wettelijke regeling voor onafhankelijke rekenkamers zou alleen gelden voor gemeenten die daarvoor kiezen. Hoewel de Staatscommissie het in haar conclusies en aanbevelingen niet met zoveel woorden zegt, lijkt zij — gelet op het belang dat zij hecht aan onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gemeentelijke beleid — voorstander van de inrichting van rekenkamerachtige raadscommissies, indien een gemeente ervoor kiest geen onafhankelijke rekenkamer in te stellen.8
Gelet op het voorgaande is het overigens interessant dat de positieve beoordeling van de onafhankelijke rekenkamer impliciet in verband wordt gebracht met de versterking van de positie van de gemeenteraad ten aanzien van zijn fmanciële primaat. In hoofdstuk 13 ("Weging en keuzes ten aanzien van dualisering") van het rapport van de Staatscommissie wordt de facultatieve introductie van de onafhankelijke rekenkamer opgenomen in de paragraaf over de versterking van de positie van de gemeenteraad. Deze positionering van de rekenkamer is opmerkelijk te noemen. Het is immers de Staatscommissie zelf die aangeeft dat de raad rekenkamers van het onafhankelijke type (de tweede variant) slechts in zeer beperkte mate kan aansturen. Hij kan deze rekenkamers verzoeken bepaalde onderzoeken uit te voeren, terwijl de rekenkamers niet verplicht zijn aan deze verzoeken gehoor te geven. Voor een versterking van de positie van de raad lijkt een rekenkamerachtige raadscommissie (de eerste variant) de aangewezen figuur.