Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/2.8
2.8 Boek 5 BW
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623494:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder par. 4.3.2.
Zie ook par. 2.11.
Zie voor een vergelijkbare regel naar Duits recht § 383BGB, over de zogenoemde 'Selbsthilfeverkauf Staudinger/Olzen (§ 383, nr. 16) merken hierbij op dat een wettelijke regeling van de gevolgen van de vervreemding van de te leveren zaak voor de overeenkomst tussen koper en verkoper ontbreekt, maar dat het gezien de ratio van § 1247 BGB aannemelijk is dat de leveringsverplichting vanaf dat moment ziet op de verkregen koopsom. Vgl. voor Belgisch recht art. 1303 BBW.
Zie Part. Gesch. Boek 6, p. 318.
Zie Schoordijk 1979, p. 182. Anders: MvT II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 319.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 318.
Anders Keijser 2006, p. 220.
Zie HR 18 juni 1926, NJ 1926, p. 1078 m.nt. EMM. Zie ook Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-I*, nr. 310.
Wanneer slechts een klein deel van een onroerende zaak wordt afgescheiden, is aannemelijker dat sprake is van één nieuw registergoed en een voortbestaand maar gewijzigd oorspronkelijk registergoed.
Het oude recht kende een regeling in art. 737 en 741 (oud) BW. Zie hierover Land 1901, p. 15, nt. 2.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 178.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 646.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 178.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 646; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 627.
Zie ook HR 7 mei 1993, NJ 1993, 404 (Van Dongen/Van Zijverden).
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 178.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 348 en Pitlo/Reehuis 2006, nr. 464 en 725.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 452 en voor uitzonderingen op deze regel nr. 453.
Vgl. art. 875h (oud) BW, waarin de hypotheekhouder een keuze had tussen de bevoegdheid het goed uit te winnen zoals dat was verhypothekeerd, of het uitwinnen van de afzonderlijke appartementsrechten. Zie hierover Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 454.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 455.
Zie voor de gevolgen van en vereisten voor een wijziging van de splitsing art. 5:142 BW, waarover verder Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 595.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 453.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 603-604.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 603.
Aangenomen wordt dat hetzelfde geldt voor kwalitatieve verplichtingen. Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 457.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 403. De wetgever heeft slechts voorbereidende handelingen door de hoofdgerechtigde in het zicht van het einde van de belasting met het beperkte recht mogelijk willen maken, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis (Parl.i. Gesch. Boek 5, p. 388).
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 498.
51.
Een vinder moet gevonden zaken aangeven en kan (art. 5:5 lid 3 BW) of moet (art. 5:5 lid 1 aanhef en onder c) deze in bewaring geven bij de gemeente.1 Niet voor alle zaken is bewaring echter een goede oplossing en daarom biedt art. 5:8 BW de gemeente als bewaarder de mogelijkheid gevonden zaken, die snel tenietgaan of aan achteruitgang onderhevig zijn en zaken waarvan de kosten van het bewaren onevenredig hoog zijn, te verkopen. Het vierde lid bepaalt dat de opbrengst in de plaats van de zaak treedt. Dit is een voorbeeld van zaaksvervanging, omdat ongeacht de wijze van vervreemden en het antwoord op de vraag of de burgemeester optreedt als vertegenwoordiger van de eigenaar van het gevonden voorwerp, deze laatste van rechtswege rechthebbende wordt van de opbrengst en de daarbij behorende vordering tot afgifte wordt aangepast. Ten aanzien van de vinder treedt geen zaaksvervanging op, nu de vinder nog geen goederenrechtelijke aanspraak heeft tot het moment dat hij na een jaar eigendom verkrijgt op grond van art. 5:6 BW. Hier verandert slechts het object van de voorwaardelijke vordering tot afgifte.2
Art. 5:8 BW geeft een regel die sterk lijkt op de regel van art. 6:90 BW.3 In beide gevallen wordt de bevoegdheid gegeven om een zaak die snel tenietgaat, aan achteruitgang onderhevig is of om een andere reden bezwaarlijk te bewaren valt, te verkopen. Bij de gevonden zaken treedt ten aanzien van de opbrengst zaaksvervanging op, maar bij een verkoop op grond van art. 6:90 BW is dit naar mijn mening in beginsel niet het geval. Bij de laatstgenoemde vervreemding is het namelijk de eigenaar die voor zichzelf de in het geding zijnde zaken verkoopt en dus ook zelf en met uitsluiting van anderen aanspraak dient te maken op hetgeen hiermee wordt verkregen. Uitsluitend in het in de Toelichting Meijers genoemde geval, waarin de schuldenaar een zaak verkoopt die niet de zijne is, treedt mogelijk zaaksvervanging op. De opbrengst komt dan niet aan de schuldenaar toe en vermenging met zijn vermogen moet worden voorkomen.4 Aangenomen moet worden dat zolang de verkoopprijs niet is betaald, de vordering tot betaling hiervan in de plaats van de verkochte zaak treedt.5 Het tweede lid van het genoemde artikel heeft uitsluitend tot doel de leveringsverplichting die de eigenaar ten aanzien van de bederfelijke of anderszins moeilijk te bewaren zaken op zich heeft genomen, te converteren. In de woorden van Meijers is de opbrengst na de verkoop het object van de verbintenis.6 De vervanging die hier van rechtswege intreedt, is dus van toepassing op een persoonlijke verbintenis die wordt aangepast en niet op een goederenrechtelijke aanspraak van een derde. Om deze reden is van zaaksvervanging geen sprake.7 Een vergelijkbare oplossing was onder oud recht mogelijk op grond van een uitspraak van de Hoge Raad in Spoorwegkamp Andruicq.8
52.
Wanneer een perceel in twee delen wordt gesplitst, kan daarna juridisch sprake zijn van twee registergoederen.9 Door een dergelijke rechtshandeling kunnen beperkte rechten die op het oorspronkelijke registergoed rusten, in het geding komen. Voor erfdienstbaarheden is bij wet een oplossing opgenomen in art. 5:76 BW.10 Wanneer het heersende erf wordt verdeeld, dat wil zeggen wanneer sprake is van een lichamelijke verdeling of splitsing,11 stelt het eerste lid dat de erfdienstbaarheid ten behoeve van ieder gedeelte van het heersende erf blijft bestaan. Aangezien het bezwaarde erf niet wijzigt en van een nieuw recht om deze reden niet per definitie sprake is, is zaaksvervanging niet onder alle omstandigheden vereist. De reeds bestaande erfdienstbaarheid kan inhoudelijk aan de nieuwe situatie worden aangepast. Voor zover dit een verzwaring van de last drukkend op het dienende erf meebrengt, moet hierop de afweging uit art. 5:73 lid 1 BW worden toegepast.12 Hetzelfde principe is van toepassing bij een splitsing van het heersende erf in appartementsrechten.13
Wanneer echter het dienende erf wordt gesplitst in twee of meer percelen, is zaaksvervanging wel noodzakelijk om de bevoegdheden voortvloeiend uit de erfdienstbaarheid ten gunste van het heersende erf te kunnen blijven uitoefenen. De eigenaar van het heersende erf mag van de splitsing geen nadeel ondervinden.14 Indien nieuwe percelen ontstaan, zullen evenveel nieuwe belastingen met erfdienstbaarheid moeten worden geconstrueerd als voor de uitoefening van de bevoegdheden van de eigenaar van het heersende erf nodig is.15 Een hernieuwde vestiging op grond van art. 3:98 jo art. 3:84 jo art. 3:89 BW is niet noodzakelijk, nu art. 5:76 lid 2 BW zaaksvervanging toepast ten laste van die nieuwe percelen, ten aanzien waarvan de uitoefening van de erfdienstbaarheid naar de akte van vestiging en de aard der erfdienstbaarheid mogelijk is. Hernieuwde en tevens gewijzigde vestiging kan echter wenselijk zijn, indien de inhoud van de erfdienstbaarheid door de splitsing aangepast moet worden.16
53.
Ten aanzien van voorrechten, beslag en beperkte rechten op (registergoederen die worden gesplitst in) appartementsrechten zijn in Boek 5 BW diverse bepalingen van zaaksvervanging opgenomen. Splitsing van een onroerende zaak in appartementsrechten kan worden beschouwd als een door de wet toegestane opsplitsing van de eigendom in een aantal nieuwe zelfstandige zakelijke rechten.17 Dit leidt ertoe dat de in de splitsing betrokken goederen in beginsel hun karakter van zelfstandig rechtsobject verliezen.18 Het ontstaan van nieuwe rechten brengt de vraag met zich welke gevolgen dit heeft voor de op de oorspronkelijke zaak rustende beperkte rechten en overige goederenrechtelijke aanspraken. Art. 5:114 lid 1 BW bevat een deel van het antwoord. Een hypotheek, beslag of voorrecht dat op het ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing rust op alle in de splitsing betrokken registergoederen, komt voor de gehele schuld vanaf dat ogenblik op elk der appartementsrechten te rusten.19 Inschrijving in de opeisbare registers is daarbij geen constitutief vereiste.20 Zaaksvervanging leidt hier dus tot een verveelvoudiging van het bedoelde hypotheekrecht, voorrecht of beslag.21
Het tweede lid geeft een regel voor het geval slechts een deel van de bij de splitsing betrokken goederen is belast. In dat geval kunnen de oorspronkelijke rechten worden uitgeoefend alsof er geen splitsing heeft plaatsgevonden. Door de uitwinning wordt de splitsing namelijk met betrekking tot het belaste deel beëindigd.22 De oplossing is in dit geval dus gezocht in de relativering van de splitsing in plaats van zaaksvervanging. In het omgekeerde geval, waarin een bestaande splitsing in appartementsrechten wordt opgeheven, past art. 5:146 BW wel zaaksvervanging toe.23 Beperkte rechten, beslagen en voorrechten die rusten op een appartementsrecht, rusten na opheffing van de splitsing op het aandeel van de gewezen appartementseigenaar in de goederen die in de splitsing betrokken waren. Terecht merkt Van Velten op dat deze regel praktisch echter van weinig belang is, nu voor de opheffing van de splitsing reeds de toestemming van de hier genoemde gerechtigden is vereist (zie art. 5:143 lid 2 jo art. 5:139 lid 3 BW) en zij er dus voor kunnen zorgen dat rekening wordt gehouden met hun belangen.24
Het derde lid van art. 5:114 BW maakt zaaksvervanging overbodig ten aanzien van het recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik, dat op het ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing rust op de registergoederen of een deel daarvan.25 Dit recht bestaat 'daarna ongewijzigd voort', hetgeen aldus wordt uitgelegd dat de splitsing in appartementsrechten pas gevolgen teweegbrengt nadat de genoemde beperkte rechten zijn geëindigd.26 Voor erfdienstbaarheden geldt dat deze blijven voortbestaan na splitsing. Dit is een uitwerking van het beginsel dat de splitsing geen nadeel kan toebrengen aan beperkte zakelijke rechten die op het tijdstip van de splitsing reeds bestaan.27