Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 april 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:44.
HR, 18-07-2025, nr. 24/01790
ECLI:NL:HR:2025:1170
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
24/01790
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1170, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:70
ECLI:NL:PHR:2025:70, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1170
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑05‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0065
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Overeenkomstenrecht. Huurrecht. Beëindiging van huurovereenkomst bedrijfsruimte in Aruba, toestemming huurcommissie, art. 7:274 lid 1 BWA en art. 7:248 lid 1 BWA, uitleg ‘ruimtelijke verbondenheid’ in uitzonderingsbepaling voor o.m. hotels, art. 7:274 lid 2 BWA. Bevoegdheid hof, uitleg 'in eerste aanleg' in art. 260 RvA. Doorbreking rechtsmiddelenverbod art. 7:252 BWA in samenhang met art. 7:246 lid 3 BWA.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01790
Datum 18 juli 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[huurder] ,
wonende in [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [huurder] ,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
GOLDEN STRIP DEVELOPMENT N.V.,
gevestigd in Aruba,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: GSD,
advocaat: F.J.L. Kaptein.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak AUA202204111 van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 april 2023;
b. de beschikking in de zaak AUA202204111 - AUA2023H00074 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 april 2024.
[huurder] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
GSD heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1.1
Het gaat in deze zaak om de beëindiging van huurovereenkomsten van bedrijfsruimte in Aruba. Kern is de betekenis van art. 7:274 BW Aruba (hierna: BWA). Lid 1 van deze bepaling verklaart een deel van de wettelijke regeling van de huur van woonruimte mede van toepassing op bepaalde bedrijfsruimte. Lid 2 maakt daarop weer een uitzondering. Op die uitzondering komt het in deze zaak aan.
2.1.2
Art. 7:274 BWA luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
“1. Afdeling 5, paragrafen 2 tot en met 4, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van winkels, magazijnen, tapperijen, koffiehuizen, logementen, sociëteiten, bierhuizen, ijshuizen, restaurants en kantoren (…).
2. Afdeling 5, paragrafen 2 tot en met 4, is niet van toepassing ten aanzien van zeehavens, luchthavens, hotels en op de in het eerste lid bedoelde panden voor zover deze in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn of daarmee ruimtelijk verbonden zijn.”
2.1.3
Tot de bepalingen van afdeling 5 die art. 7:274 lid 1 BWA van overeenkomstige toepassing verklaart, behoort art. 7:248 lid 1 BWA. Volgens deze bepaling leidt opzegging van een huurovereenkomst door de verhuurder niet tot beëindiging van de huur indien voor de beëindiging niet de toestemming van de huurcommissie is verkregen. Indien verhuurde bedrijfsruimte valt onder art. 7:274 lid 1 BWA, is voor het beëindigen van de huur dus de toestemming van de huurcommissie nodig. Valt de bedrijfsruimte onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA, dan is deze toestemming niet vereist. Of dat laatste geval zich voordoet, staat in deze procedure ter discussie.
2.2
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
(i) [huurder] heeft, al dan niet met tussenkomst van een vennootschap, van GSD twee bedrijfsruimten gehuurd. Hij exploiteerde daarin horecagelegenheden. De gehuurde ruimten waren onderdeel van een complex gelegen aan de zogeheten Palm Beach Strip in Aruba.
(ii) GSD heeft de huurovereenkomsten willen opzeggen. Zij heeft daartoe toestemming van de huurcommissie verzocht.
(iii) De huurcommissie heeft bij beschikking van 26 september 2022 het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat haar “is gebleken dat het commercieel winkelcentrum onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt”.
2.3
[huurder] heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van de huurcommissie. Hij heeft daarbij verzocht dat het gerecht het verzoek van GSD tot opzegging van de huur alsnog zou afwijzen. Het gerecht heeft het beroep ongegrond verklaard. Het hof1.heeft deze uitspraak bevestigd. Daaraan heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd.
Op grond van art. 7:252 BWA in verbinding met art. 7:246 lid 3 BWA staat tegen een beschikking waarin het gerecht heeft geoordeeld in beroep tegen een uitspraak van de huurcommissie alleen cassatie in het belang der wet open. In deze zaak is het appelverbod niet van toepassing. De huurcommissie heeft niet beoordeeld of toestemming tot beëindiging moet worden verleend, omdat zij op basis van haar antwoord op een voorvraag daaraan niet toekwam. De bestreden beschikking betreft slechts die voorvraag en niet de vraag of de huurcommissie al dan niet terecht toestemming tot beëindiging heeft verleend of onthouden. De bestreden beschikking houdt welbeschouwd dus geen beslissing in gevolge art. 7:252 BWA in. Om die reden is het appelverbod niet van toepassing. (rov. 3.1 en 3.5)
Art. 7:274 BWA is in het wetboek opgenomen met de introductie van het nieuwe huurrecht. Aan de voorganger van deze bepaling, art. 17a van de (Arubaanse) Huurcommissieverordening, zijn toen de woorden “of daarmee ruimtelijk verbonden zijn” toegevoegd. (rov. 3.7)
De wetgever beoogde met de uitbreiding niet alleen een codificatie van de bestaande rechtspraak. Hij heeft bewust gekozen voor uitbreiding van de uitzonderingsbepaling. De bedoelde rechtspraak moet, blijkens de inhoud daarvan en de memorie van toelichting op het nieuwe huurrecht, veeleer worden beschouwd als een illustratie van de wenselijkheid daarvan. (rov. 3.10)
Het hof is met het gerecht van oordeel dat het van algemene plaatselijke bekendheid is dat het gehuurde zich bevindt op de direct tegenover de high rise hotels gelegen Palm Beach Strip, zijnde zeer kostbare zo niet de meest kostbare grond in Aruba. Ook is van algemene plaatselijke bekendheid dat alle aldaar gebouwde panden en de daarin gevestigde ondernemingen, waaronder de in het gehuurde geëxploiteerde horecagelegenheden, geheel zijn ontwikkeld naar luxe – bij de tegenoverliggende hotels passende – maatstaven en zich hoofdzakelijk richten op toeristen met bijbehorende toeristenprijzen. (rov. 3.11)
Dat er niet een of meer specifiek(e) hotel(s) zijn aan te wijzen waarmee het gehuurde ruimtelijk verbonden is, is niet van doorslaggevend belang. Er is geen reden art. 7:274 lid 2 BWA in deze zin te beperken. Het gehuurde is gelegen in en maakt deel uit van een conglomeraat van op elkaar betrokken hotels en daartegenover gelegen ondernemingen, hetgeen ook een feit van algemene plaatselijke bekendheid is. Het is een wederkerige betrokkenheid waarbij de hotels gasten brengen en de ondernemingen mogelijkheden brengen om te winkelen, te genieten van horeca, etc. en de daarmee gepaard gaande drukte, gezelligheid en sfeer, wat voor de hotels en hun gasten meerwaarde biedt. Op grond daarvan, tezamen met hetgeen onder 3.11 is overwogen, dient ruimtelijke verbondenheid aangenomen te worden. (rov. 3.12)
Ook als het voorgaande met zich brengt dat ruimtelijke verbondenheid voor (veel)
meer huurobjecten gelegen tegenover de high rise hotels kan worden aangenomen, doet dat aan de ruimtelijke verbondenheid in deze zaak niet af. (rov. 3.13)
3. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
3.1
De Hoge Raad zal het incidentele beroep als eerste behandelen omdat het de verste strekking heeft. Het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [huurder] ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
3.2.1
Onderdeel 1 voert aan dat het hof [huurder] ambtshalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat hoger beroep bij het hof tegen een uitspraak van het gerecht als beroepsrechter volgens art. 260 Rv Aruba (hierna: RvA) niet mogelijk is.
3.2.2
Art. 7:252 BWA bepaalt dat van de uitspraak van de huurcommissie over een verzoek om toestemming om een huurovereenkomst op te zeggen zowel voor de huurder als voor de verhuurder beroep openstaat op de rechter in eerste aanleg. De bepaling verklaart art. 7:246 BWA van overeenkomstige toepassing. Volgens art. 7:246 lid 3 BWA staat tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
3.2.3
Volgens art. 260 RvA zijn partijen bevoegd om bij het Hof van Justitie in hoger beroep te komen van het vonnis of van een aan het vonnis voorafgaande beschikking van de rechter in eerste aanleg in een zaak waarin deze niet anders dan in eerste aanleg heeft geoordeeld.
3.2.4
Anders dan onderdeel 1 tot uitgangspunt neemt, is een uitspraak van het gerecht op grond van art. 7:252 BWA in verbinding met art. 7:246 BWA geen uitspraak ‘anders dan in eerste aanleg’ in de zin van art. 260 RvA. De uitzondering van laatstgenoemde bepaling is daarom niet van toepassing. Deze uitleg van art. 260 RvA past bij het karakter van de huurcommissie, die geen rechterlijk college is in de zin van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie. De procedure bij het gerecht geldt in dit verband als de ‘eerste aanleg’. Onderdeel 1 faalt daarom.
3.3.1
Onderdeel 2 klaagt – kort weergegeven – dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 7:252 BWA in verbinding met art. 7:246 lid 3 BWA niet van toepassing is, althans daarover een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven.
3.3.2
Het hof heeft geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 7:246 lid 3 BWA in deze zaak niet van toepassing is, op de grond dat de huurcommissie niet heeft beoordeeld of toestemming tot beëindiging moet worden verleend, maar daaraan niet toekwam op basis van haar antwoord op een voorvraag. Bij de beoordeling van de daartegen gerichte klacht is van belang dat de door [huurder] bij het hof aangevoerde stelling dat het gerecht in dit geval ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het toestemmingsvereiste, neerkomt op een beroep op de doorbrekingsgrond dat het gerecht art. 7:248 lid 1 BWA in verbinding met art. 7:274 lid 1 BWA ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel buiten het toepassingsgebied is getreden van de in art. 7:274 lid 2 BWA vervatte uitzonderingsbepaling.2.Het hof heeft [huurder] reeds daarom terecht ontvankelijk geoordeeld in zijn hoger beroep. Onderdeel 2 kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1
Het middel klaagt in de kern dat het hof een onjuiste, want te ruime, uitleg heeft gegeven aan de woorden “ruimtelijk verbonden zijn” in art. 7:274 lid 2 BWA. Volgens het middel is bepalend of er een fysieke verbondenheid is met een hotel, niet of er een financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden enerzijds en enig hotel anderzijds. Die fysieke verbondenheid ontbreekt. Als voor de toepassing van art. 7:274 lid 2 BWA relevant zou zijn dat er financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden en de hotels, geldt dat de hotels in financiële zin in niets hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het winkelcentrum en het gehuurde en dat het gehuurde niet bijdraagt aan de instandhouding van enig hotel, aldus het middel.
4.2.1
De uitzondering voor zeehavens, luchthavens en hotels in lid 2 van art. 7:274 BWA (zie hiervoor in 2.1.2) gaat terug op het in 1977 ingevoerde art. 17bis lid 1 van de Huurcommissieregeling.3.In de toelichting op deze bepaling staat:
“Van de gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt zeehavens, luchthavens, hotels en zakenpanden, voorzover zij in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn aan de competentie van een huurcommissie te onttrekken (artikel 17 bis, eerste lid, tweede volzin).
Ondergetekende is van oordeel dat zeehavens, luchthavens, hotels en zakenpanden, voorzover deze in een zeehaven, luchthaven of in een hotel gevestigd zijn, bezwaarlijk aan de beslissing van een huurcommissie kunnen worden onderworpen aangezien het hier gaat om grote complexen die in hun totaliteit minimaal kostendekkende opbrengsten moeten ontvangen. Het spel van vraag en aanbod zal dan kunnen bepalen welke huurprijs of welk tarief gehanteerd moet worden.”4.
4.2.2
Bij de invoering van art. 7:274 lid 2 BWA zijn de woorden “of daarmee ruimtelijk verbonden zijn” aan de bepaling toegevoegd. De toelichting vermeldt daarover:
“Toegevoegd zijn de slotwoorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’ in verband met de bestaande rechtspraak over deze uitzondering. Men zie recentelijk GHvJNAA 3 februari 2006, KG 208/04-H-224/05, Resort of the World v. Tromp, waarin is overwogen: ‘dat het gehuurde deel uitmaakt van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale positie inneemt. De wetgever heeft bij de term ‘hotels’ (…) blijkens de memorie van toelichting, met name gedacht aan grote complexen en daarbij belang gehecht aan het scheppen van een gunstig investeringsklimaat. (…)’ Het woord ‘daarmee’ slaat mede terug op de zeehaven en luchthaven. Overigens beperkte de wetgever zich tot de toeristische sector, internationale handel e.d. De wetgever had dus niet op het oog bijvoorbeeld een winkelcentrum dat zich op de lokale bevolking richt, ook al vergde de vestiging daarvan grote investeringen.”5.
4.2.3
Het hof heeft, evenals het gerecht, aan de woorden “of daarmee ruimtelijk verbonden zijn” in dit geval een ruime toepassing gegeven. Deze toepassing heeft het hof gebaseerd op de wens van de wetgever om een gunstig investeringsklimaat te scheppen voor voorzieningen gericht op de toeristische sector – waarbij dergelijke voorzieningen in de toelichting zijn afgezet tegen voorzieningen gericht op de lokale bevolking – en op de algemeen bekende plaatselijke omstandigheden genoemd in rov. 3.11 van het bestreden vonnis. In het licht hiervan geeft het oordeel van het hof dat er in dit geval ruimtelijke verbondenheid bestaat in de zin van art. 7:274 lid 2 BWA geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voor het overige verweven met een waardering van de feiten en omstandigheden van dit geval en niet onbegrijpelijk.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [huurder] in de kosten van het geding in cassatie tot op deze uitspraak aan de zijde van GSD begroot op € 873,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [huurder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt GSD in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [huurder] begroot op € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 18 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
Zie onder meer HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387, rov. 3.1.
Zie over de geschiedenis van de bepaling nader de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5 e.v.
Toelichting geciteerd uit H.Th. Lopez, De Huurcommissieregeling, 1981, p. 41.
Memorie van toelichting bij de ontwerp-Landsverordening tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (AB 1989 no GT 100), 2013/14, 784, no. 3, p. 364-365.
Conclusie 17‑01‑2025
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01790
Zitting 17 januari 2025
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[Huurder]
eiser in het principale cassatieberoep, verweerder in het incidenteel cassatieberoep
tegen
Golden Strip Development N.V.
verweerder in het principale cassatieberoep, eiser in het incidenteel cassatieberoep
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [Huurder] en GSD of Verhuurder.
Deze Arubaanse zaak gaat over de vraag of de door Huurder gehuurde bedrijfspanden ‘ruimtelijk verbonden’ zijn met een hotel in de zin van art. 7:274 lid 2 BWA en daarmee aan Huurcommissiecontrole zijn onttrokken. Scherper gezegd is de vraag in deze zaak hoe ruim – of hoe figuurlijk – ‘ruimtelijk verbonden’ hier mag worden opgevat. Huurder huurt twee bedrijfspanden van Verhuurder waarin een bar en restaurant worden uitgebaat. Deze panden maken deel uit van een klein winkelcentrum gelegen aan een drukke weg tegenover de luxe high rise hotels aan de toeristische [plaats] in Aruba. Verhuurder heeft de huur opgezegd en voor zover vereist toestemming voor die opzegging verzocht aan de Huurcommissie. De Huurcommissie heeft Verhuurder niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek, omdat het gehuurde onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt, zodat geen toestemming voor huuropzegging is vereist in dit geval. Huurder is hiertegen tevergeefs in beroep gegaan bij het Gerecht in Eerste Aanleg, dat ook oordeelde dat hier sprake is van ruimtelijke verbondenheid in de zin van art. 7:274 lid 2 BWA. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft het daartegen gerichte hoger beroep van Huurder ontvankelijk geacht, maar verworpen, onder overname van het oordeel van het Gerecht dat hier sprake is van ruimtelijke verbondenheid. Naar het oordeel van het Hof is het gehuurde gelegen in een op toerisme gericht conglomeraat van op elkaar betrokken hotels en daartegenover gelegen ondernemingen die voor elkaar van meerwaarde zijn. Beide feitelijke instanties en ook de Huurcommissie oordelen hier zodoende dat sprake is van ruimtelijke verbondenheid, zodat er geen plaats is voor Huurcommissietoezicht. Kern van het cassatieberoep van Huurder is dat het Hof art. 7:274 lid 2 BWA te ruim heeft toegepast; van ruimtelijke verbondenheid met enig hotel is hier volgens de klachten geen sprake. Ik zie dit principaal cassatieberoep, zij het met de nodige aarzeling, geen doel treffen. Het incidenteel cassatieberoep is onvoorwaardelijk ingesteld en gericht tegen het ontvankelijkheidsoordeel van het Hof, dat naar ik meen ook tevergeefs is voorgesteld.
1. Feiten1.
1.1 Huurder huurt, via Latin Food Corporation N.V., twee bedrijfspanden van Verhuurder. Het betreft de aan Verhuurder toehorende bedrijfspanden A en B gelegen in Aruba te [a-straat 1] (hierna: het gehuurde)2..
1.2 Verhuurder wil de huur van het gehuurde opzeggen.
1.3 Bij beschikking van de Huurcommissie van 26 september 2022, met kenmerk HOP/059/22, heeft de Huurcommissie het verzoek van Verhuurder om toestemming tot huuropzegging aan Huurder (c.q. Latin Food Corporation N.V.) niet-ontvankelijk verklaard. Het dictum van die beschikking luidt als volgt:
"(…);
I. Het verzoek ter sprake als niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de “Huurcommissie” in deze is gebleken dat dit commercieel winkelcentrum onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt;"
2.Procesverloop3.
2.1 Huurder heeft op 14 november 2022 op grond van art. 7:252 van het Burgerlijk Wetboek Aruba (hierna: BWA) beroep ingesteld tegen de beschikking van de Huurcommissie bij de griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). Huurder heeft verzocht dat het Gerecht zijn beroep gegrond verklaart, de beschikking van de Huurcommissie vernietigt en doet wat de Huurcommissie had behoren te doen, namelijk het verzoek van Verhuurder tot opzegging van de huur van het gehuurde alsnog afwijzen.
2.2 Verhuurder heeft verweer gevoerd.
2.3 Het Gerecht heeft bij beschikking van 4 april 2023 het beroep van Huurder ongegrond verklaard met als motivering dat het gehuurde ruimtelijk is verbonden met de in de directe nabijheid daarvan gelegen hotels in de zin van art. 7:274 lid 2 BWA, zodat krachtens de uitzondering van die bepaling geen toestemming van de Huurcommissie nodig is voor opzegging van de huurovereenkomst. Daartoe overweegt het Gerecht aldus:
‘3.5 De bedrijfspanden bevinden zich in Aruba op de direct tegenover de zogeheten high rise hotels gelegen – en dat is van algemene bekendheid – [plaats] , ofwel op – en ook dat is van algemene bekendheid – zeer kostbare zo niet de meest kostbare grond in Aruba. Verder is van algemene bekendheid dat alle aldaar gebouwde panden en de daarin gevestigde ondernemingen, waaronder begrepen horecagelegenheden zoals [A] en [B] , geheel zijn ontwikkeld naar luxe – bij de tegenoverliggende hotels passende – maatstaven en zich hoofdzakelijk richten tot toeristen met bijbehorende toeristenprijzen. Al die van algemene bekendheid zijnde omstandigheden in onderlinge samenhang gelezen en beschouwd brengen naar het oordeel van het Gerecht met zich dat de bedrijfspanden ruimtelijk zijn verbonden met de in de directe nabijheid daarvan gelegen hotels in de zin van het tweede lid van artikel 7:274 BW. Dat betekent dat krachtens die wettelijke bepaling Paragraaf 3 van Afdeling 5 van Boek 7 BW, waaronder begrepen het hiervoor onder 3.2.2 omschreven eerste lid van artikel 7:248 BW, niet van toepassing is met betrekking tot (de huur door [Huurder] of Latin Food Corporation N.V. van) de bedrijfspanden. Dit klemt te meer omdat uit de Memorie van Toelichting op het tweede lid van artikel 7:274 BW volgt of blijkt dat de wetgever daarmee de toeristische sector en internationale handel voor ogen had en bijvoorbeeld niet een winkelcentrum dat zich richt op de lokale bevolking, ook al vergde de vestiging daarvan grote investeringen. Dit alles betekent dat voor opzegging door GSD aan [Huurder] of aan Latin Food Corporation N.V. van de huur van de bedrijfspanden geen toestemming is vereist van de Huurcommissie, en er dienaangaande (overigens net als ter zake van de hoogte van de huurprijs) geen wettelijke taak is weggelegd voor die commissie.’
2.4 Huurder is in appel gegaan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het appelverbod van art. 7:246 lid 3 BWA moet worden doorbroken omdat het Gerecht essentiële vormen van procesrecht heeft veronachtzaamd en art. 7:274 lid 1 BWA in samenhang met art. 7:248 BWA niet heeft toegepast, dan wel buiten het toepassingsgebied van art. 7:274 lid 2 BWA is getreden. Daarnaast heeft hij twee inhoudelijke redenen gegeven op grond waarvan de huurovereenkomst volgens hem niet kan worden beëindigd.
2.5 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het Hof) heeft de beschikking van het Gerecht bevestigd en daartoe (alsmede omtrent de ontvankelijkheid van het appel), voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid/Doorbreking appelverbod?
3.1 Ingevolge art. 7:252 BW in verbinding met art. 7:246 lid 3 BW staat tegen een beschikking waarin het Gerecht heeft geoordeeld in beroep tegen een uitspraak van de huurcommissie, alleen cassatie in het belang der wet open. Over de vraag of in deze zaak dit zogenoemde appelverbod doorbroken moet worden, hebben partijen uitvoerig gedebatteerd. Naar het oordeel van het Hof is in deze zaak het appelverbod überhaupt niet van toepassing. Ter toelichting dient het volgende.
3.2 De huurcommissie heeft bij beschikking van 26 september 2022 (nr. HOP/059/22) het verzoek [naar het Hof begrijpt: voor zover vereist] van GSD als verhuurder om toestemming tot huuropzegging aan [Huurder] , zijnde de huurder van de aan GSD toehorende bedrijfspanden A en B gelegen in Aruba aan de [a-straat 1] (hierna: het gehuurde), niet-ontvankelijk verklaard. Het dictum van die beschikking luidt als volgt.
“(…);
I. Het verzoek ter sprake als niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien het de "Huurcommissie" in deze is gebleken dat dit commercieel winkelcentrum onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt;”
3.3 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht – samengevat – geoordeeld dat de te beantwoorden kernvraag is of de huurcommissie al dan niet terecht tot haar oordeel is gekomen dat de door [Huurder] van GSD gehuurde bedrijfspanden voor wat betreft de huuropzegging onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BW vallen, deze vraag bevestigend beantwoord en het beroep van [Huurder] ongegrond verklaard.
3.4 In Boek 7, Titel 4, Afdelingen 5 “Bijzondere bepalingen inzake de huur van woonruimte” en 6 “Bijzondere bepalingen inzake de huur van bedrijfsruimte” van het Burgerlijk Wetboek is een systeem neergelegd waarbij de huurcommissie is belast met het in de toepasselijke gevallen vaststellen van de maximale huurprijs (art. 7:241 BW) en het al dan niet verlenen van toestemming tot beëindiging van de huur (art. 7:248 BW).
3.5 In deze zaak heeft de huurcommissie niet beoordeeld of toestemming tot beëindiging moet worden verleend, omdat zij op basis van haar antwoord op een voorvraag daar niet aan toekwam. De bestreden beschikking betreft slechts die voorvraag en niet de vraag of de huurcommissie al dan niet terecht toestemming tot beëindiging heeft verleend of onthouden. De bestreden beschikking houdt welbeschouwd dus geen beslissing ingevolge art. 7:252 BW in. Om die reden is het appelverbod niet van toepassing. Het Hof zal daarom hieronder een inhoudelijk oordeel geven.
Beëindigingstoestemming niet vereist
3.6 Art. 7:274 lid 2 BW (in Titel 4, Afdeling 6 “Bijzondere bepalingen inzake de huur van bedrijfsruimte”) luidt als volgt:
2. Afdeling 5, paragrafen 2 tot en met 4, is niet van toepassing ten aanzien van zeehavens, luchthavens, hotels en op de in het eerste lid bedoelde panden voor zover deze in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn of daarmee ruimtelijk verbonden zijn.
3.7 Met de introductie van het nieuwe huurrecht, waarbij de toen verouderde (Arubaanse) Huurcommissieverordening is herzien en in Titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is geïntegreerd, is deze bepaling in het BW gekomen. Aan de voorganger van deze bepaling, artikel 17a van de (Arubaanse) Huurcommissieverordening, zijn toen de woorden “of daarmee ruimtelijk verbonden zijn” toegevoegd.
3.8 De Memorie van Toelichting houdt op dat punt het volgende in.
De uitzondering ingevolge het tweede lid voor ‘zeehavens, luchthavens, hotels en op de in het eerste lid bedoelde panden voorzover deze in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn’ is ontleend aan het bestaande artikel 17bis, eerste lid, slot, HCR. Toegevoegd zijn de slotwoorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’ in verband met de bestaande rechtspraak over deze uitzondering. Men zie recentelijk GHvJNAA 3 februari 2006, KG 208/04-H-224/05, Resort of the World v. […], waarin is overwogen: ‘dat het gehuurde deel uitmaakt van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale positie inneemt. De wetgever heeft bij de term "hotels" in artikel 17bis van de Huurcommissie-Regeling, blijkens de memorie van toelichting, met name gedacht aan grote complexen en daarbij belang gehecht aan het scheppen van een gunstig investeringsklimaat. Naar voorshands oordeel van het Hof moet het gehuurde daarom aangemerkt worden als gevestigd in een hotel als bedoeld in artikel 17bis van de Huurcommissie-Regeling (vergelijk ook HR 9 oktober 1998, Jurdoc HR 1998/019 […]/Karis Development Company).’ Het woord ‘daarmee’ slaat mede terug op de zeehaven en luchthaven. Overigens beperkte de wetgever zich tot de toeristische sector, internationale handel e.d. De wetgever had dus niet op het oog bijvoorbeeld een winkelcentrum dat zich op de lokale bevolking richt, ook al vergde de vestiging daarvan grote investeringen.
3.9 Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat het gehuurde valt onder de in art. 7:274 lid 2 BW bedoelde uitzondering en dus voor beëindiging van de huur geen toestemming van de huurcommissie is vereist, en maakt dit tot het zijne.
3.10 De uitbreiding van meergenoemde bepaling beoogde niet slechts een codificatie van de rechtspraak op dat punt, zoals door [Huurder] betoogd. Er is door de wetgever bewust gekozen voor uitbreiding van de uitzonderingsbepaling en bedoelde rechtspraak moet, blijkens de inhoud daarvan en de Memorie van Toelichting op het nieuwe huurrecht, veeleer worden beschouwd als een illustratie van de wenselijkheid daarvan.
3.11 Verder richt het appel zich tevergeefs tegen de door het Gerecht in de bestreden beschikking geformuleerde feiten van algemene bekendheid. Ook naar het oordeel van het Hof is van algemene – plaatselijke – bekendheid dat het gehuurde zich bevindt op de direct tegenover de high rise hotels gelegen [plaats] , zijnde zeer kostbare zo niet de meest kostbare grond in Aruba. En verder is van algemene plaatselijke bekendheid dat alle aldaar gebouwde panden en de daarin gevestigde ondernemingen, waaronder de in het gehuurde geëxploiteerde horecagelegenheden, geheel zijn ontwikkeld naar luxe – bij de tegenoverliggende hotels passende – maatstaven en zich hoofdzakelijk richten tot toeristen met bijbehorende toeristenprijzen.
3.12 Dat er niet een of meer specifiek(e) hotel(s) aan te wijzen zijn waarmee het gehuurde ruimtelijk verbonden is, is niet van doorslaggevend belang. Dat door [Huurder] gesuggereerde vereiste berust op een te beperkte uitleg van art. 7:274 lid 2 BW. Ook in het onderhavige geval geldt de uitzonderingsbepaling. Er is geen reden deze te beperken in de door [Huurder] voorgestelde zin. Het gehuurde is gelegen in en maakt deel uit van een conglomeraat van op elkaar betrokken hotels en daartegenover gelegen ondernemingen, hetgeen ook een feit van algemene plaatselijke bekendheid is. Het is een wederkerige betrokkenheid waarbij de hotels gasten brengen en de ondernemingen mogelijkheden brengen om te winkelen, te genieten van horeca, etc. en de daarmee gepaard gaande drukte, gezelligheid en sfeer, wat voor de hotels en hun gasten een meerwaarde biedt. Op grond daarvan dient, tezamen met het onder 3.11 overwogene, ruimtelijke verbondenheid aangenomen te worden.
3.13 De stelling van [Huurder] dat dit een categorische uitsluiting van de bemoeienis van de huurcommissie met zich brengt, is evenmin van doorslaggevend belang. Voor zover hij daarmee bedoelt dat ruimtelijke verbondenheid dan voor (veel) meer huurobjecten gelegen tegenover de high rise hotels aangenomen kan worden, mag dit zo zijn, maar doet dat aan de ruimtelijke verbondenheid in deze zaak niet af.
3.14 Het overigens door partijen naar voren gebrachte behoeft geen bespreking meer.
3.15 De slotsom luidt dat de bestreden beschikking zal worden bevestigd en dat [Huurder] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep van GSD zal worden veroordeeld.”
2.6 Huurder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Verhuurder heeft verweer gevoerd en onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, waartegen Huurder op zijn beurt verweer heeft gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
3.1
Het middel bevat zes onderdelen, gericht tegen het oordeel in rov. 3.9-3.13, 3.15 en het dictum dat het gehuurde valt onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA en dus voor beëindiging van de huurovereenkomst geen toestemming van de Huurcommissie is vereist. Volgens onderdeel 1 volgt al uit de feiten dat dit oordeel onjuist is. Onderdeel 2 bevat klachten voor het geval is geoordeeld dat voor art. 7:274 lid 2 BWA relevant zou zijn dat er financieel-economische verbondenheid bestaat tussen het gehuurde enerzijds en de aan de overzijde van de weg gelegen hotels anderzijds. In onderdeel 3 wordt geklaagd dat gelet op de Toelichting op art. 7:274 lid 2 BWA een aantal (uitdrukkelijke) stellingen van Huurder (indien juist bevonden) tot een ander oordeel had moeten leiden. Volgens onderdeel 4 is art. 7:274 lid 2 BWA te ruim uitgelegd, omdat is afgeweken van de in de Toelichting genoemde rechtspraak en daarmee ook van de bedoeling van de wetgever. Onderdeel 5 klaagt over wat hof in rov. 3.11 ten grondslag legt aan zijn oordeel, namelijk dat van algemene – plaatselijke – bekendheid is dat het gehuurde zich bevindt op de direct tegenover de high rise hotels gelegen [plaats] , zeer kostbare zo niet de kostbaarste grond van Aruba. En volgens onderdeel 6 is het hof (ook) in rov. 3.12 uitgegaan van een te ruimte uitleg van art. 7:274 lid 2 BWA.
3.2
Het is mij ambtshalve bekend dat partijen nog een andere huurprocedure hebben gevoerd waarin het Gerecht op 8 februari 2024 uitspraak heeft gedaan4.met als uitkomst dat de huurovereenkomst door opzegging door Verhuurder per 31 december 2022 is geëindigd en dat Huurder het gehuurde moet ontruimen. Ook blijkt uit dit vonnis dat de huurovereenkomst ten aanzien van één van de gehuurde bedrijfspanden, ‘ [B] ’, al per 30 november 2022 is geëindigd en dat Huurder dit deel van het gehuurde ook al heeft ontruimd en verlaten (rov. 2.5). Ik heb niet kunnen nagaan of appel is aangetekend tegen die uitspraak; in de cassatiestukken wordt niet naar deze andere procedure verwezen.
Toepassing van art. 7:274 lid 2 BWA
3.3
Het gaat in het principale cassatieberoep om art. 7:274 BWA en wel in het bijzonder om het begrip ‘ruimtelijke verbondenheid’ uit lid 2:
“1. Afdeling 5, paragrafen 2 tot en met 4, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van winkels, magazijnen, tapperijen, koffiehuizen, logementen, societeiten, bierhuizen, ijshuizen, restaurants en kantoren, met dien verstande dat in plaats van het in artikel 243, eerste lid, genoemde percentage een maximumpercentage van 14% zal gelden.
2. Afdeling 5, paragrafen 2 tot en met 4, is niet van toepassing ten aanzien van zeehavens, luchthavens, hotels en op de in het eerste lid bedoelde panden voor zover deze in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn of daarmee ruimtelijk verbonden zijn.”
3.4
Voor zover van belang voor deze zaak gaat het dus om ‘horeca’, gevestigd in, of ‘ruimtelijk verbonden’ met, een hotel. Afdeling 5, paragrafen 2 t/m 4 BWA kent bijzondere bepalingen over huur van woonruimte met de mogelijkheid voor de huurder om de huurprijs en de opzegging door de verhuurder te laten toetsen door de Huurcommissie. Art. 7:248 lid 1 BW uit paragraaf 3 leert dat de huur niet door opzegging door verhuurder wordt beëindigd, indien voor die beëindiging geen toestemming van Huurcommissie is verkregen. Deze bepaling is volgens art. 7:274 lid 1 BWA van overeenkomstige toepassing op de huur van winkels, magazijnen, ‘horeca’ en kantoren, behalve wanneer het gehuurde een zee-, luchthaven, of hotel is, of het gehuurde bedrijfsruimte betreft bedoeld in lid 1 gelegen in een zee-, luchthaven of hotel of daarmee ruimtelijk is verbonden, zo bepaalt lid 2.
3.5
Deze regeling maakt deel uit van het nieuwe huurrecht dat per 1 september 2021 op Aruba is ingevoerd5.. Art. 7:274 BWA is bijna letterlijk gelijk aan het uit in 1991 stammende art. 17a lid 1 Huurcommissieverordening (hierna: ‘HcV’), dat op haar beurt weer bijna letterlijk hetzelfde is als het in 1977 ingevoerde art. 17 bis lid 1 van de Huurcommissieregeling (hierna: ‘HcR)’6.. Uit de Toelichting op deze bepaling blijkt dat er een economische ratio was voor de onttrekking van deze panden aan het toezicht van de Huurcommissie7.:
“Van de gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt zeehavens, hotels en zakenpanden, voor zover zij in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn aan de competentie van de huurcommissie te onttrekken (…).
Ondergetekende is van oordeel dat zeehavens, luchthavens, hotels en zakenpanden, voorzover deze in een zeehaven, luchthaven of in een hotel gevestigd zijn, bezwaarlijk aan de beslissing van een huurcommissie kunnen worden onderworpen aangezien het hier gaat om grote complexen die in hun totaliteit minimaal kostendekkende opbrengsten moeten ontvangen. Het spel van vraag en aanbod zal dan kunnen bepalen welke huurprijs of welk tarief gehanteerd moet worden.” (Onderstreping A-G)
3.6
Bij de omzetting van art. 17a lid 1 HcV naar art. 7:274 BWA heeft de wetgever de uitzondering voor zee- en luchthavens en hotels gehandhaafd8.en daar aan toegevoegd het element ‘ruimtelijke verbondenheid’, hetgeen blijkens de Toelichting een codificatie was van rechtspraak over de uitzonderingsbepaling zoals die aanvankelijk luidde9.:
“De uitzondering ingevolge het tweede lid voor ‘zeehavens, luchthavens, hotels en op de in het eerste lid bedoelde panden voor zover deze in een zeehaven, op een luchthaven of in een hotel gevestigd zijn’ is ontleend aan het bestaande artikel 17a, eerste lid, slot, HCV. Toegevoegd zijn de slotwoorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’ in verband met de bestaande rechtspraak over deze uitzondering. Men zie recentelijk GHvJ 3 februari 2006, KG 208/04-H-224/05, Resort of the World v. […], waarin is overwogen: ‘dat het gehuurde deel uitmaakt van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale positie inneemt. De wetgever heeft bij de term “hotels” in artikel 17a van de Huurcommissieverordening, blijkens de memorie van toelichting, met name gedacht aan grote complexen en daarbij belang gehecht aan het scheppen van een gunstig investeringsklimaat. Naar voorshands oordeel van het Hof moet het gehuurde daarom aangemerkt worden als gevestigd in een hotel als bedoeld in artikel 17a van de Huurcommissieverordening (vergelijk ook HR 9 oktober 1998, Jurdoc HR 1998/019 […]/Karis Development Company).’ Het woord ‘daarmee’ slaat mede terug op de zeehaven en luchthaven. Overigens beperkte de wetgever zich tot de toeristische sector, internationale handel e.d. De wetgever had dus niet op het oog bijvoorbeeld een winkelcentrum dat zich op de lokale bevolking richt, ook al vergde de vestiging daarvan grote investeringen.” (Onderstrepingen A-G)
3.7
Naast de twee in de Toelichting genoemde uitspraken heb ik nog twee gepubliceerde uitspraken over deze kwestie getraceerd (en een tussen-uitspraak); de rechtspraak hierover is schaars. Ik laat deze nu de revue passeren.
3.8
Resort of the World/[…]10.speelde op Sint Maarten. Naar verluidt11.ging het hier om gehuurde bedrijfsruimte in een winkelcentrum. Dit winkelcentrum was gebouwd voor een hotel en werd geëxploiteerd door dezelfde partij die ook het hotel exploiteerde. Daarnaast was het winkelcentrum als zodanig toegankelijk via de openbare weg en bestond er, aldus het Gerecht, nauwelijks enig structureel of functioneel verband met het hotel en was dit ook niet als zodanig kenbaar voor het publiek. Het Gerecht oordeelde dan ook dat het gehuurde niet gevestigd was in een hotel in de zin van art. 17 bis lid 1 HcR, maar daar ging het Hof niet in mee. Het gehuurde maakte volgens het Hof deel uit van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, namelijk een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale positie innam. Het Hof wees op de ratio van art. 17 bis lid 1 HcR: de wetgever had bij de term ‘hotels’ in deze bepaling met name gedacht aan grote complexen en daarbij belang gehecht aan het scheppen van een gunstig investeringsklimaat.
3.9
Ook […]/Karis12.speelde op Sint Maarten. Volgens het Hof bevond de gehuurde winkelruimte zich hier in een hotel omdat (i) het paviljoen waarin de winkelruimte zich bevond door middel van een vaste corridor verbonden was met het gebouw waarin de hotelkamers zich bevonden, (ii) het geheel gelegen was op een afgesloten terrein met bij de ingang een bord met de vermelding ‘Belair Hotel’ en (iii) in het paviljoen ook de receptie van het hotel gevestigd was en diensten ten behoeve van de hotelgasten werden verleend. Dat de vennootschap die het hotel exploiteerde geen enkele zeggenschap had over de panden die gevestigd waren in het paviljoen en dat de verhuurder van de winkelruimte geen zeggenschap had over de hotelexploitatie, werd hier niet relevant geacht door het Hof (rov. 3.3). De Hoge Raad liet dit oordeel in stand: van onjuiste uitleg van art. 17 bis lid 1 HcR is geen sprake en dit oordeel geeft evenmin anderszins blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad. Daarbij wordt overwogen dat het Hofoordeel zozeer verweven is met waardering van de feitelijke situatie dat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Dat lijkt mij een aanwijzing dat de Hoge Raad hier veel ruimte laat aan de feitenrechter bij de uitleg van het begrip ruimtelijke verbondenheid.
3.10
In zijn conclusie vóór […]/Karis besteedt A-G Mok aandacht aan de ratio voor de onttrekking aan toezicht door de Huurcommissie. ‘Hotel’ moet ruim worden opgevat – daar valt ook een hotelcomplex onder, en de afbakening daarvan is vervolgens feitelijk van aard. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt volgens de A-G dat de wetgever ten aanzien van de in art. 17 bis lid 1 HcR genoemde complexen vooral belang heeft gehecht aan het scheppen van een gunstig investeringsklimaat voor de bouw van dergelijke complexen. Investeerders daarin moesten erop kunnen vertrouwen dat de huuropbrengsten hun investeringen in die complexen zouden goedmaken. Huurcommissietoezicht is daarbij niet passend. Irrelevant is volgens de A-G of de huuropbrengsten aan de hotelexploitant toevloeien. Het gaat niet om de hotelexploitatie, maar om de opbrengsten van het hotelcomplex teneinde de investeringen in dat complex terug te verdienen. Door de betreffende huurovereenkomsten buiten het Huurcommissietoezicht te houden zal in de regel een hogere huurprijs kunnen worden gevraagd. Als (een onderdeel van) het hotelcomplex vervolgens wordt verkocht, dan zal de uitzondering op de huurbescherming bijdragen aan een hogere opbrengst en op die manier dus ook bijdragen aan het terugverdienen van de investeringen die in het hotelcomplex zijn gedaan13..
3.11
In de Arubaanse zaak Brickel Bay/Entertainment Resource (2011)14.bestond het gehuurde uit twee restaurants die zich bevonden op het terrein van het Brickel Bay hotel, tegen het hotel aan gelegen (rov. 5.10). Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van art. 17a Hcv Aruba (rov 5.4), […]/Karis Development Company (rov. 5.5), de conclusie van A-G Mok vóór dat arrest (rov. 5.6) en Resort of the World v. […] (rov. 5.7) kwam het Hof tot het oordeel dat de ruimtelijke verbondheids-uitzondering hier van toepassing was. Dat er tussen het gehuurde en het hotel geen deur of een aansluiting op de hotellobby bestond en dat de toegangsdeuren van de restaurants aan de straatkant gesitueerd waren, was niet doorslaggevend. Evenmin deed het ertoe dat de grond waarop de restaurants stonden jarenlang ongebruikt was geweest en ook niet dat die restaurants niet door Brickel Bay zelf waren gebouwd. Het hotel hoefde volgens het Hof niet per se gedreven te worden door de verhuurder zelf, omdat de gedachte achter art. 17a Hcv is dat de verhuur van bedrijfsruimte op het hotelterrein direct of indirect financieel bijdroeg aan de instandhouding van het hotel (rov. 5.10).
3.12
De laatste zaak die ik heb kunnen traceren is City Café II (2013)15.op Bonaire en ziet op het vergelijkbare art. 17 bis lid 1, derde volzin van de Wet huurcommissie-regeling BES. Onder verwijzing naar Brickel Bay (rov. 2.4) is ook hier geoordeeld dat sprake was van ruimtelijke verbondenheid van het gehuurde restaurant met een hotel. Het gehuurde lag ook hier op het terrein van het Rochaline hotel, ook weer tegen het hotelgedeelte aan, en er bestonden verbindingsgangen vanuit de hotellobby naar delen van het gehuurde. Op bepaalde tijdstippen waren de grote deuren tussen de hotellobby en het gehuurde geopend ten behoeve van de hotelgasten. Ook had de huurder een kantoor in het hotelgedeelte. Daarnaast was volgens het Hof duidelijk dat de verhuur van de betreffende drie gedeelten op het hotelterrein direct of indirect financieel konden bijdragen aan de instandhouding van het hotel (rov. 2.5). Het door het Gerecht gehanteerde criterium dat er sprake moet zijn van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex waarin het hotelgedeelte met hotelkamers en lobby een centrale plaats inneemt, verwerpt het Hof als geen steun vindend in de wetsgeschiedenis. Ook hier is geoordeeld dat verhuur van belang kan zijn voor het kostendekkend maken van de exploitatie van het hotel (rov. 2.6).
3.13
Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak over de ruimtelijke verbondenheidsuitzondering doemt het volgende beeld op:
- Art. 7:274 lid 2 BWA is een bijna letterlijke voortzetting van art. 17 bis lid 1 HcR en uit de Toelichting op art. 7:274 lid 2 BWA blijkt niet dat op dit punt afwijking van bestaand recht is beoogd. De toevoeging ‘daarmee ruimtelijk verbonden’ is een codificatie van de (ruimere) wijze waarop art. 17 bis lid 1 HcR in de rechtspraak werd uitgelegd.
- De toevoeging ‘ruimtelijk verbonden’ betekent dat het gehuurde zich niet fysiek in het hotelgebouw hoeft te bevinden. Het is voldoende dat het gehuurde onderdeel uitmaakt van een hotelcomplex. Wanneer dit precies het geval is, vergt een sterk met de feiten verweven oordeel, zo leren de vier besproken zaken over ruimtelijke verbondenheid. Een gemene deler in die zaken is dat het gehuurde zich op het terrein van een specifiek, met naam genoemd, hotel(complex) bevond.
- Een zekere financieel-economische verbondenheid tussen het gehuurde en het hotel(complex) kan een rol spelen bij de feitelijke beoordeling of sprake is van ruimtelijke verbondenheid. Uit de Toelichting lijkt een ratio te volgen dat het erom moet gaan of de vrijstelling van Huurcommissietoezicht voor de investeerder in het hotelcomplex gunstig is met het oog op het terugverdienen van zijn investeringen. Uit de Toelichting blijkt dat de oorspronkelijke bepaling (art. 17 bis lis 1 HcR) is ingevoerd om de investeringen in grote (hotel)complexen te stimuleren en te beschermen. De verhuur van horeca en bedrijfsruimtes die zijn gevestigd in dergelijke complexen is daarom aan Huurcommissietoezicht onttrokken, zodat de vrije markt de huurprijs kan bepalen teneinde investeringen in zo’n complex terug te kunnen verdienen.
- Dat element lijkt door het Hof te worden verruimd in Brickel Bay/Entertainment Resource en City Café II tot de notie dat de gedachte achter de uitzondering zou zijn dat de bedrijfsruimteverhuur op het hotelterrein direct of indirect financieel bij kan dragen aan de instandhouding van het hotel of dat verhuur bijdraagt aan het kostendekkend maken van de exploitatie van het hotel. Dat lijkt een ander accent dan de in de Toelichting bedoelde ratio van investeringsbescherming in de vorm van terugverdienen van investeringen gedaan om überhaupt tot oprichting van zo’n hotelcomplex te komen.
Tussenconclusie
3.14
Wat het Hof in onze zaak heeft geoordeeld (in het voetspoor van de Huurcommissie en het Gerecht), rekt de uitzondering van het uitsluiten van Huurcommissietoezicht wegens ‘ruimtelijke verbondenheid’ – overigens welbewust, zo volgt uit de gebezigde motivering – aanzienlijk op ten opzichte van de situaties die in de besproken eerdere rechtspraak aan de orde waren, namelijk tot buiten de betreffende hotelcomplexen gelegen horeca aan de overzijde van de boulevard/weg met als motivering dat het hier een conglomeraat betreft van op elkaar betrokken hotels en daartegenover liggende ondernemingen die wederzijds van elkaar profiteren, nu het hier de prijzigste panden en ondernemingen van Aruba betreft, helemaal ontwikkeld naar luxemaatstaven en passend bij de tegenoverliggende hotels en (dan ook) hoofdzakelijk gericht op toeristen met bijbehorende toeristenprijzen (rov. 3.11). Volgens het Hof (rov. 3.10) is met de uitbreiding van de uitzonderingsbepaling met ruimtelijke verbondenheid niet slechts codificatie van rechtspraak op dit punt beoogd, maar ‘is door de wetgever bewust gekozen voor uitbreiding van de uitzonderingsbepaling’ en moet bedoelde rechtspraak op grond van de inhoud en de Toelichting op het nieuwe huurrecht ‘veeleer worden beschouwd als een illustratie van de wenselijkheid daarvan’16.. Dat je niet kan spreken van een of meer specifiek(e) hotel(s) waarmee het gehuurde ruimtelijk verbonden is, acht het Hof ‘niet van doorslaggevend belang’ en dat dat wel vereist zou zijn ‘berust op een te beperkte uitleg van art. 7:274 lid 2 BW’, zo overweegt het Hof in 3.12: ‘Er is geen reden deze te beperken in de door [Huurder] voorgestelde zin. Het gehuurde is gelegen in en maakt deel uit van een conglomeraat van op elkaar betrokken hotels en daartegenover gelegen ondernemingen, hetgeen ook een feit van algemene plaatselijke bekendheid is. Het is een wederkerige betrokkenheid waarbij de hotels gasten brengen en de ondernemingen mogelijkheden brengen om te winkelen, te genieten van horeca, etc. en de daarmee gepaard gaande drukte, gezelligheid en sfeer, wat voor de hotels en hun gasten meerwaarde biedt.’ Dat in combinatie met het hiervoor weergegeven in 3.11 overwogene brengt het Hof tot het aldus gemotiveerde oordeel dat hier ruimtelijke verbondenheid moet worden aangenomen.
3.15
Het is de vraag of deze uitleg de perken van het begrip ‘ruimtelijke verbondenheid’ overschrijdt – dat lijkt als je strikt naar deze wettelijke term zelf kijkt mogelijk het geval: het enige verband dat nu vereist wordt is dat het om verhuurde horeca gaat dat in hetzelfde gebied (namelijk: aan de overkant van de straat) ligt van een verzameling luxe, dure, vooral op toeristen gerichte hotels welke horeca op deze hotels en hun gasten is afgestemd en waarbij sprake is van wederzijds profiteren. Is deze oprekking van ‘ruimtelijke verbondenheid’ met enig hotel (of meerdere hotels) in de zin van de uitzonderingsbepaling, die huurders afhoudt van Huurcommissiecontrole op huurprijzen en huurbeëindiging in deze omstandigheden van het geval geen onjuiste uitleg, of wordt deze uitzondering daarmee juridisch te ‘los’ gezongen van wat bij ‘ruimtelijke verbondenheid’ (architectonisch, fysiek, althans visueel) voor ogen moet staan; is dat niet wat al te ‘figuurlijk’ of conceptueel genomen op die manier? Anders gezegd: moet de economische ratio voor de vrijstelling de doorslag geven (investeringsbescherming/stimulering m.b.t. de toeristische en handelssector) of moet meer worden aangesloten bij de wetstekst (wat is ‘ruimtelijk verbonden met een hotel’; is daarmee niet veeleer een soort architectonische, fysieke of althans visuele eenheid bedoeld?) en niet te zeer uit het oog worden verloren dat het hier om een uitzonderingsbepaling gaat, die doorgaans juist niet ruim, maar beperkt moet worden uitgelegd?
3.16
Dat is de kern van deze zaak: gaat de Hofuitleg juridisch te ver, of geeft hier de doorslag dat dit een oordeel is dat zozeer is verweven met oordelen van feitelijke aard en zozeer afhangt van de specifieke kenmerken en plaatselijke omstandigheden, dat dat in cassatie niet verder ten toets kan komen (vgl. […]/Karis)? Ik denk (toch) – als gezegd met de nodige aarzeling vanwege dat ‘loszingen’ en gelet op het uitzonderingskarakter van de uit te leggen bepaling – dat laatste, waarbij mij een factor van gewicht lijkt dat drie plaatselijke (semi-)gerechtelijke instanties in Aruba dit welbewust en uitgebreid gemotiveerd zo beoordelen, goed bekend als zij zijn met de feitelijke situatie ter plaatse waar dit speelt. Maar ik geef toe dat ook met kracht van argumenten kan worden geoordeeld dat hier juridisch geen sprake is van ruimtelijke verbondenheid in de zin van deze uitzonderingsbepaling, zoals het principaal cassatieberoep bepleit en dat als wenselijk zou worden geoordeeld dat in situaties als deze geen plaats zou moeten zijn voor Huurcommissietoezicht, de wetgever hier aan zet is.
3.17
Ik zou het hier bij kunnen laten; de klachtuitwerking komt telkens neer op deze hoofdvraag, maar ik loop de klachten nu nog afzonderlijk langs.
3.18
Volgens onderdeel 1 volgt al uit de feiten dat het oordeel van het Hof onjuist is17.. Het gehuurde bevindt zich in Aruba op de [plaats] , tegenover de zogeheten high rise-hotels. Tussen partijen is niet in geschil dat het gehuurde niet is gevestigd in een hotel, maar dat geschilpunt is of het ruimtelijk is verbonden met één of meerdere hotels18.. Het gehuurde maakt deel uit van een winkelcomplex aan de overkant van de straat waaraan de high rise-hotels liggen en bij het aangaan van de huurovereenkomsten lagen beide lokaliteiten aan een rustig open plein19.. Zoals Huurder (onbetwist) heeft gesteld20., ligt het winkelcomplex waarin het gehuurde zich bevindt ten opzichte van de dichtstbijzijnde hotels aan de overzijde van een drukke doorgaande weg, dat geheel los staat van de hotels, die aan de boulevard liggen21.. Het vormt geen visueel of architectonisch geheel met enig hotelcomplex in de buurt22.. Die stellingen laten geen andere conclusie toe dan dat geen sprake is van ruimtelijke verbondenheid met enig hotel of hotels. Zoals in rov. 3.8 aangegeven, is blijkens de Toelichting op art. 7:274 lid 2 BWA vereist ‘dat het gehuurde deel uitmaakt van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale plaats inneemt’ en uit voornoemde feiten volgt dat daar hier (evident) geen sprake van is.
3.19
Voor zover de klacht het cursief uit de Toelichting geciteerde tot criterium voor ruimtelijke verbondenheid zou maken, kan dat niet slagen, omdat dat te beperkt is. Met dit citaat uit Resort of the World/[…] in de Toelichting is alleen een voorbeeld gegeven waaruit blijkt dat al in de rechtspraak onder het oude huurrecht was aanvaard dat een gehuurde zaak niet letterlijk in een hotelgebouw gevestigd hoefde te zijn om onder de uitzondering van art. 17 bis lid 1 HcR te vallen. Dat het hier niet om een hard criterium gaat, volgt ook uit de verwijzing in de Toelichting naar […]/Karis, waarin weer andere feiten beslissend waren.
3.20
Maar of in de feitelijke constellatie van onze zaak de Hofuitleg onjuist is dat hier sprake is van ruimtelijke verbondenheid van de verhuurde horecapanden aan de overkant van een drukke weg in een winkelcentrum, alleen maar omdat die horeca is afgestemd op de high-rise hotels, dat is de te beslissen vraag. Ik heb aangegeven dat te betogen valt dat deze uitleg vanwege de specifieke plaatselijke omstandigheden van het geval die het Hof in het voetspoor van het Gerecht omstandig motiveert, niet onjuist is cassatie-technisch bezien en voor het overige te zeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard om nader in cassatie ten toets te kunnen komen (maar dat daar ook anders over geoordeeld kan worden). In de gekozen hoofdroute kets onderdeel 1 daar dan op af.
3.21
Onderdeel 2 klaagt dat indien en voor zover het Hof met de bestreden overwegingen heeft bedoeld te oordelen dat voor de toepassing van art. 7:274 lid 2 BWA relevant zou zijn dat er financieel-economische verbondenheid is tussen het gehuurde enerzijds en de aan de overzijde van de weg gelegen hotels anderzijds, dat oordeel (evenzeer) rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk is, met voorbijgaan aan essentiële stellingen van Huurder. Het onderdeel valt uiteen in de volgende twee sub-klachten:
- a) De tekst van de uitzonderingsbepaling en dan met name de slotwoorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’, alsmede de overweging in de Toelichting ‘... een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale plaats inneemt’, laten geen andere uitleg toe, dan dat voor de toepassing van de uitzondering uitsluitend bepalend is of er een fysieke verbondenheid is met een hotel, niet of er een financieel-economische verbondenheid is tussen het gehuurde enerzijds en enig hotel anderzijds. Voor het publiek kan uiteraard ook niet kenbaar zijn of er enige financieel-economische verbondenheid is tussen het gehuurde enerzijds en enig hotel anderzijds; voor het publiek is uitsluitend enige fysieke ruimtelijke verbondenheid zichtbaar.
- b) Indien hierover al anders geoordeeld zou moeten worden, is door Huurder uitdrukkelijk gesteld23., dat het gehuurde niet (direct of indirect) bijdraagt aan de instandhouding van enig hotel; in tegendeel, het winkelcentrum met de zich daarin bevindende restaurants en uitgaansgelegenheden zal juist concurreren met soortgelijke voorzieningen in een hotel en de investeerder is niet dezelfde als enige investeerder in een van de hotels, welke stellingen (indien juist bevonden) tot een ander oordeel hadden moeten leiden. Wat het Hof daarbij met name ook heeft miskend, is dat de kern voor de beëindigingsbescherming in art. 7:274 BWA niet is de investering in het nabijgelegen winkelcentrum, maar de bescherming van de investering in het hotel; is er geen sprake van verhuur van bedrijfsruimte die financieel bijdraagt aan de bescherming van de investering in het hotel, dan gaat de bescherming van de investeringen van de huurder en diens belang bij voortzetting van de huur vóór24..
3.22
De klacht onder a) is voor wat betreft het eerste gedeelte een herhaling van zetten van onderdeel 1 en strandt op de daar aangegeven redenen; de gegeven uitleg is te beperkt. De klacht maakt bovendien niet duidelijk wat zij precies bedoelt met ‘fysieke verbondenheid’. Voor zover bedoeld zou zijn te stellen dat sprake moet zijn van een verbinding in constructief opzicht, is dat te beperkt; in ieder geval is uit de rechtspraak duidelijk dat ook sprake kan zijn van twee aparte gebouwen. De klacht over financieel-economische verbondenheid mist eveneens doel in dit verband. Duidelijk is, zoals besproken, dat de ratio voor de uitzondering van Huurcommissietoezicht hier ligt in investeringsbescherming in de hotelsector.
3.23
De klacht onder b) is gebaseerd op deze ratio van de uitzondering om door huurprijzenmarktwerking investeringen in hotels terug te kunnen laten verdienen. Dat heeft het hof inderdaad ruimer getrokken dan uit de Toelichting valt op te maken. In de totstandkomingsgeschiedenis is geen verband gelegd met hotelexploitatie, maar met investering in oprichting van hotelcomplexen en het terug kunnen verdienen middels huurprijzenmarktwerking van investeringen daarin. We hebben gezien dat het hof meer is gaan zitten op wat het noemt ‘wederkerige betrokkenheid’ in rov. 3.12: ‘(h)et gehuurde is gelegen en maakt deel uit van een conglomeraat van op elkaar betrokken hotels en daartegenover gelegen ondernemingen (…). Het is een wederkerige betrokkenheid waarbij de hotels gaten brengen en de ondernemingen mogelijkheden brengen om te winkelen, te genieten van horeca, etc. en de daarmee gepaard gaande drukte, gezelligheid en sfeer, wat voor de hotels en hun gasten een meerwaarde biedt.’ Dat is inderdaad een vrije(re) interpretatie van de ratio voor de uitzondering en ook in de hiervoor besproken rechtspraak is al een tendens te zien om ook een link te leggen met hotelexploitatie in plaats van alleen investeringen in oprichting van hotels (en die investeringen kunnen terugverdienen via door marktwerking tot stand gekomen huurprijzen). Mogelijk is deze uitleg van het Hof onjuist, maar ik houd het erop dat dit in dit geval niet onjuist is in cassatie-technisch opzicht en voor het overige een oordeel betreft dat te zeer verweven is met feitelijke waarderingen om in cassatie nader ten toets te kunnen komen (en het wordt eentonig, maar ik heb al aangegeven dat daar ook geredelijk anders over kan worden geoordeeld). In de gekozen hoofdroute uit deze conclusie ketst de klacht onder b) hier zodoende op af.
3.24
Onderdeel 3 klaagt dat Huurder ook expliciet heeft gesteld25.dat het winkelcentrum waar het gehuurde ligt ook door veel locals wordt bezocht en niet voornamelijk door gasten van hotels in de buurt, dat de investeerder in het gehuurde niet dezelfde is als die in enig hotel daar, het winkelcentrum niet voornamelijk dienstbaar is aan enig concreet hotel of diens gasten en het publiek dit winkelcentrum ook niet zal associëren met enig hotel. Dat zijn volgens de klacht (essentiële) stellingen, die, indien juist bevonden, tot een ander oordeel hadden moeten leiden.
3.25
Deze stellingen zijn met het besproken en geciteerde Hofoordeel over wederkerige betrokkenheid impliciet verworpen, zodat deze klacht niet tot cassatie kan leiden, als de hoofdroute van deze conclusie gevolgd wordt.
3.26
Onderdeel 4 klaagt over de vrije exegese van het Hof in rov. 3.10: onjuist is dat de uitbreiding tot ruimtelijke verbondenheid niet slechts codificatie van bestaande rechtspraak op dat punt beoogde en dat door de wetgever bewust gekozen zou zijn voor uitbreiding van de uitzonderingsbepaling en dat bedoelde rechtspraak blijkens de inhoud van de Toelichting op het nieuwe huurrecht veeleer zou moeten worden beschouwd als een illustratie van de wenselijkheid van de uitbreiding. Ik heb al aangegeven dat daar inderdaad de nodige vraagtekens bij te plaatsen zijn, nu uit de Toelichting wel degelijk lijkt te volgen dat beoogd is die uitbreiding te beperken tot codificatie van bestaande rechtspraak. De klacht zou dan ook kunnen slagen, ware het niet dat de vraag is of Huurder daar belang bij heeft: is dit een zodanig dragende overweging, dat hier cassatie zou moeten volgen? Ik denk het niet en zie meer als beslispunt of de meerbesproken uitleg in rov. 3.12 over wederkerige betrokkenheiden het (net) houdt, zoals de hoofdroute van deze conclusie bepleit. De klacht ketst hier dan op af.
3.27
Onderdeel 5 is een herhaling van zetten met een klacht tegen rov. 3.11: ook al zou zijn gegeven dat de panden ter plekke met hun ondernemingen geheel zijn ontwikkeld naar luxe – bij de tegenoverliggende hotels passende – maatstaven, daar hebben die hotels dan volgens de klacht niets aan bijgedragen, zoals expliciet gesteld door Huurder26.: het gehuurde draagt volgens Huurder niet (in)direct bij aan instandhouding van enig hotel en de horeca en uitgaansgelegenheden in het winkelcentrum zullen juist concurreren met soortelijke voorzieningen in een hotel en de investeerders zijn ook niet dezelfde, zodat er geen enkele financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden en de aan de overzijde van de weg liggende hotels. Ook is expliciet betwist door Huurder dat de horeca in het gehuurde zich hoofdzakelijk zou richten tot toeristen met de daarbij behorende toeristenprijzen, en ten onrechte gepasseerde essentiële stelling. Deze kwesties zijn al in de voorgaande klachten aan de orde gesteld en verwerpend besproken en de betreffende stellingnames zijn door het hof in rov. 3.12 impliciet verworpen.
3.28
Onderdeel 6 klaagt ten slotte over rov. 3.12: dat er geen specifieke hotel(s) zijn aan te wijzen waarmee het gehuurde ruimtelijk verbonden is, is (juist wel) van doorslaggevend belang en ook dit geeft blijk van een te ruime uitleg van de uitzonderingsbepaling. Voornoemde feiten laten namelijk het besproken wederkerige betrokkenheidscriterium niet toe volgens de klacht. Voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling is nu juist niet relevant of de ruimte bestemd is te worden bezocht door toeristen27.. Dan volgt andermaal een hiervoor al bij herhaling afwijzend besproken herhaling van zetten: daarmee zou met name zijn miskend dat de hotels in financiële zin in niets hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het winkelcentrum en het zich daarin bevindende gehuurde, dat het gehuurde niet (in)direct bijdraagt aan de instandhouding van enig hotel (het winkelcentrum met de zich daarin bevindende restaurants en uitgaansgelegenheden concurreren juist met soortgelijke voorzieningen in een hotel) en dat de investeerder van het winkelcentrum niet dezelfde is als enige investeerder in een van de hotels28.. Anders dan het Hof (aan het slot van rov. 3.12) heeft overwogen, kan daarom geen ruimtelijke verbondenheid in de zin van art. 7:274 lid 2 BWA worden aangenomen. De betreffende stellingen zijn impliciet verworpen door het Hof. In de hoofdroute van de conclusie kan ook deze klacht geen doel treffen.
3.29
Het principaal cassatieberoep is tevergeefs voorgesteld.
4. Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
4.1
Verhuurder heeft onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het middel bevat twee onderdelen en is gericht tegen de gehele bestreden beschikking, in het bijzonder tegen rov. 3.1 tot en met 3.5 waarin het Hof onder het kopje "Ontvankelijkheid/Doorbreking appelverbod?" tot de slotsom is gekomen dat het kan overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Volgens onderdeel 1 heeft het Hof miskend dat de zaak al in beroep is beoordeeld door het Gerecht en dat daarom het hoger beroep bij het Hof op grond van art. 260 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (hierna: RvA) niet-ontvankelijk is. Onderdeel 2 bevat rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel dat het appelverbod van art. 7:252 in samenhang met 7:246 lid 3 BWA niet van toepassing is.
Het rechtsmiddelenverbod van art. 7:252 in verbinding met 7:246 lid 3 BWA
4.2
De Huurcommissie heeft onder het Arubaanse huurrecht twee bijzondere bevoegdheden ten aanzien van de huur van woonruimte. Huurder en verhuurder kunnen de Huurcommissie verzoeken om de huurprijs van woonruimte vast te stellen (§ 2 van afd. 7.4.5 BWA) en de huurovereenkomst van woonruimte eindigt niet door de opzegging van de verhuurder, indien daar geen toestemming voor is verkregen van de Huurcommissie (§ 3 van afd. 7.4.5 BWA). Onderdeel van § 2 is art. 7:246 BWA waarin bijzondere processuele voorschriften zijn opgenomen voor het geval waarin huurder en/of verhuurder het niet eens zijn met de uitspraak van de Huurcommissie waarin de huurprijs is vastgesteld. Lid 1 schrijft voor dat zij bij het Gerecht in beroep kunnen van de uitspraak van de Huurcommissie en lid 3 bevat een rechtsmiddelenverbod: tegen een dergelijke beschikking van het Gerecht staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Art. 7:246 BWA is, aldus art. 7:252 BWA, ook van toepassing op het geval waarin de Huurcommissie om toestemming is gevraagd voor de opzegging van de huurovereenkomst van woonruimte.
4.3
Het Nederlandse huurrecht kent met art. 7:262 BW een met art. 7:246 BWA vergelijkbare bepaling. Als huurder en/of verhuurder de Huurcommissie om een uitspraak hebben verzocht over een betalingsverplichting kunnen zij daartegen in beroep bij de kantonrechter. Art. 7:262 lid 2 BW bevat ook een rechtsmiddelenverbod dat bepaalt dat tegen een beslissing krachtens art. 7:262 BW geen hogere voorziening open staat29..
4.4
Het is vaste rechtspraak, zowel in het Caribisch deel als in het Europese deel van het Koninkrijk, dat een rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken op grond van een aantal in de rechtspraak aanvaarde doorbrekingsgronden. Het gaat om (i) de situatie dat de rechter buiten het toepassingsgebied van een regeling of artikel is getreden of deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten en/of (ii) de rechter een fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd, zodat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak30.. Een appellant is ontvankelijk in zijn hoger beroep als hij stelt dat een doorbrekingsgrond zich heeft voorgedaan31..
4.5
In deze zaak heeft het Hof geoordeeld dat Huurder ontvankelijk is in appel, omdat de bestreden beschikking van het Gerecht slechts een voorvraag betreft en geen (inhoudelijke) beoordeling bevat of toestemming tot beëindiging van de huurovereenkomst moet worden verleend, zodat het rechtsmiddelenverbod van art. 7:252 BWA jo. 7:246 lid 3 BWA niet van toepassing is. De voorvraag is of een bepaalde regeling waarvoor een rechtsmiddelenverbod geldt überhaupt wel van toepassing is. Het gaat doorgaans om kwalificatievragen die positief beantwoord moeten worden, wil de rechter tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil kunnen komen32.. Een voorbeeld is de situatie waarin partijen discussiëren over de vraag of sprake is van woonruimte volgens art. 7:233 BW. In zo’n geval is het rechtsmiddelenverbod van art 7:262 BW niet van toepassing, omdat die bepaling slechts betrekking heeft op beslissingen van de kantonrechter waarin de Huurcommissie zich eerst heeft uitgesproken over de huurprijsvoorschriften die gelden voor de huur van woonruimte33..
4.6
Een rechtsmiddelenverbod is dus niet van toepassing op voorvragen34.. Een voorvraag kan aan de orde komen in zowel de situatie waarin de rechter buiten het toepassingsgebied van een regeling of artikel is getreden, als in de situatie waarin de rechter deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten35.. In dit laatste geval wordt bijvoorbeeld gesteld dat de rechter een geschil niet inhoudelijk heeft beoordeeld, omdat hij ter beantwoording van een voorvraag (ten onrechte) een bepaalde regeling niet van toepassing achtte. Vertaalt naar een doorbrekingsgrond wordt dan aangevoerd dat de rechter een bepaalde regeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten36..
4.7
Volgens onderdeel 1 geeft rov. 3.1-3.5 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het Hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of het hoger beroep ontvankelijk is, terwijl al een beroepsinstantie bij het Gerecht is doorlopen. Het Hof had Huurder ambtshalve niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat hoger beroep bij het Hof tegen een uitspraak van de beroepsrechter niet mogelijk is.
4.8
De klacht wordt als volgt uitgewerkt. De procedure is ingeleid met een verzoek van Verhuurder bij de Huurcommissie. Tegen de beschikking van de Huurcommissie is door Huurder op grond van art. 7:252 jo. art. 7:246 BWA beroep ingesteld bij het Gerecht. Dit beroep is door het Gerecht als beroepsrechter beoordeeld37.. Volgens art. 260 RvA is hoger beroep bij het Hof niet mogelijk tegen uitspraken waarin anders dan in eerste aanleg is geoordeeld. Het Gerecht heeft hier in beroep en dus anders dan in eerste aanleg geoordeeld, zodat het Hof heeft miskend dat de zaak al in beroep is beoordeeld en het appel bij het Hof daarom niet-ontvankelijk is. Dat art. 260 RvA van hoger beroep van een "vonnis" spreekt, doet daar niet aan af; de regel dat hoger beroep niet mogelijk is tegen een in beroep gewezen uitspraak is ook van toepassing op de onderhavige beschikking van het Gerecht. Ook art. 429n Rv doet daar niet aan af, dat hoger beroep van een eindbeschikking toestaat en niet uitdrukkelijk bepaalt dat het moet gaan om een beschikking gegeven in eerste aanleg; dat artikel doet geen afbreuk aan genoemde regel, althans is die bepaling hier niet van toepassing. Er is al een beroepsprocedure doorlopen (beroep bij het Gerecht) en voor een tweede beroepsprocedure (hoger beroep bij het Hof) en daarmee drie feitelijke instanties is geen rechtvaardiging. Zeker nu de wetgever deze rechtsgang expliciet heeft beperkt tot twee instanties (zie onderdeel 2). Ook daarom kan niet worden aanvaard dat partijen en de rechterlijke macht kunnen worden belast met drie in plaats van de gebruikelijke twee feitelijke instanties. Tot slot doet aan dit een en ander ook niet af dat in de procedure bij het Hof geen beroep is gedaan op deze grond voor niet-ontvankelijkheid. Appellabiliteit is van openbare orde. Het Hof had daarom ambtshalve moeten beoordelen of Huurder gelet op het in dit onderdeel aangevoerde appelverbod ontvankelijk was. Ook dit heeft het Hof miskend.
4.9
De klacht faalt, nu wordt miskend dat de procesgang van art. 7:252 jo. art. 7:246 BWA een bijzonder eigen rechtsmiddelenverbod kent in de vorm van art. 7:246 lid 3 BWA dat aan art. 260 RvA in dit geval derogeert38.. Zoals besproken, kan het rechtsmiddelenverbod van art. art. 7:246 lid 3 BWA worden doorbroken met een geldig beroep op een doorbrekingsgrond. Een partij is ontvankelijk in appel als zij een doorbrekingsgrond stelt. Dat heeft Huurder in deze zaak gedaan met de stelling dat het Gerecht essentiële vormen van het procesrecht heeft veronachtzaamd én ten onrechte art. 7:274 lid 1 jo. 7:274 lid 2 BWA niet heeft toegepast, dan wel ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 7:274 lid 2 BW is getreden39.. Het Hof heeft Huurder dan ook terecht ontvankelijk geacht in appel, nu hij zich op een doorbrekingsgrond heeft beroepen.
4.10
Daarnaast miskent de klacht dat de procedure die volgens art. 7:252 jo. art. 7:246 BWA voor het Gerecht wordt gevoerd nadat de Huurcommissie een uitspraak heeft gedaan niet kan worden gezien als een procedure waarin het Gerecht anders dan in eerste aanleg heeft geoordeeld in de zin van art. 260 RvA. De Huurcommissie is namelijk geen rechterlijke instantie, maar (slechts) een administratief orgaan40.. De procedure voor de Huurcommissie is dan ook geen gerechtelijke procedure in eerste aanleg.
4.11
Onderdeel 2 richt nog een andere rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel dat het appelverbod van art. 7:252 jo. 7:246 lid 3 BWA hier niet van toepassing is en beroept zich op de volgende, zo nodig in samenhang te lezen, redenen:
- a) het oordeel dat de beschikking van het Gerecht geen beslissing volgens art. 7:252 BW is en dat het appelverbod om die reden niet van toepassing is, is onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd. Verhuurder heeft de Huurcommissie zekerheidshalve – voor zover vereist – verzocht toestemming te verlenen tot huuropzegging41.. De Huurcommissie heeft die toestemming niet verleend met als reden dat het gehuurde onder de uitzonderingsbepaling van art. 7:274 lid 2 BWA valt42.. Huurder is tegen deze beschikking op grond van art. 7:252 BWA in beroep gegaan43.. Het Gerecht heeft dit beroep ook zo opgevat door onder meer te beoordelen of het beroep is ingesteld binnen de termijn van art. 7:246 lid 1 BWA44.. Ook partijen zijn ervan uitgegaan dat sprake is van een beslissing waarop het rechtsmiddelenverbod van art. 7:252 jo. art. 7:246 lid 3 BWA van toepassing is45.. Huurder heeft alleen betoogd dat het appelverbod moet worden doorbroken en niet aangevoerd dat het rechtsmiddelverbod niet van toepassing zou zijn46.. Daarmee is een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken gegeven en is onjuist en zonder nadere maar ontbrekende toelichting onbegrijpelijk waarom de beschikking van het Gerecht geen beslissing in beroep in de zin van art. 7:252 jo. art. 7:246 lid 2 BWA is (waarop het rechtsmiddelenverbod van art. 7:246 lid 3 BWA wel van toepassing is).
- b) Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de bestreden beschikking van het Gerecht slechts een voorvraag betreft en het rechtsmiddelenverbod niet van toepassing is, omdat de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA geldt en daarom niet aan art. 7:248 lid 1 BWA wordt toegekomen, dan is dat oordeel onjuist. Ook de bevestigende beantwoording van de voorvraag of het toestemmingsvereiste van art. 7:248 lid 1 BWA gelet op art. 7:274 lid 2 BWA buiten toepassing moet blijven, wordt bestreken door het rechtsmiddelenverbod van art. 7:252 BWA jo. art. 7:246 lid 3 BWA. Dat verbod strekt ertoe verhuurder en huurder zo snel mogelijk definitief uitsluitsel te geven over hun rechtspositie. In deze zaak hebben partijen die snelle duidelijkheid gekregen door de bindende rechtsgang bij de Huurcommissie en het Gerecht. De Huurcommissie heeft in haar beschikking onder meer overwogen dat Verhuurder een rechtmatig belang heeft bij de beëindiging van de huurovereenkomst en geoordeeld dat het gehuurde onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt47.. In beroep heeft het Gerecht, kort gezegd, (eveneens) geoordeeld dat art. 7:274 lid 2 BWA van toepassing is, wat betekent dat het toestemmingvereiste van art. 7:248 lid 1 BW niet van toepassing is op het gehuurde, en het beroep van Huurder verworpen48.. Dit oordeel verschaft partijen de beoogde duidelijkheid dat het toestemmingsvereiste van art. 7:248 lid 2 BWA niet van toepassing is en dat de buitengerechtelijke beëindiging werking heeft gehad. Die duidelijkheid is ook spoedig gegeven, namelijk binnen een jaar door het Gerecht.49.. Door een hoger beroep wordt die periode minimaal verdubbeld50.. Door in een geval als dit waarin voor zover vereist om beëindigingstoestemming wordt verzocht aan de Huurcommissie een (volgend) rechtsmiddel toe te staan, wordt de wens van de wetgever om snel uitsluitsel te geven op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarom is hoger beroep ook niet mogelijk tegen een beschikking van het Gerecht waarin is geoordeeld dat art. 7:274 lid 2 BWA van toepassing is. Het Hof heeft dit miskend.
- c) Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de bestreden beschikking van het Gerecht slechts een voorvraag betreft en dat de beantwoording van die voorvraag tot niet-ontvankelijkheid leidt bij de Huurcommissie zoals door het Gerecht is bevestigd51.en dergelijke oordelen niet onder een rechtsmiddelverbod vallen, dan is dat oordeel eveneens rechtens onjuist en onbegrijpelijk. Een rechtsmiddelenverbod geldt ook voor een niet-ontvankelijkheidsbeslissing als die beslissing rechtstreeks is gegrond op de wettelijke regeling waarvoor het verbod geldt.
4.12
Deze klachten treffen geen doel vanwege het navolgende.
4.13
Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de beschikking van het Gerecht geen art. 7:252 BW -beslissing is. Zowel de Huurcommissie als het Gerecht zijn blijven steken bij de besproken voorvraag en aan inhoudelijke beoordeling of toestemming tot huuropzegging kon worden verleend is niet toegekomen. In die zin is de beschikking van het Gerecht dus geen beslissing volgens art. 7:252 BW, omdat zij buiten de reikwijdte valt van de regeling waar deze bepaling onderdeel van uitmaakt. Dat tekent het lot van de rechtsklacht van onderdeel 2.a.
4.14
Van ontoereikende motivering is ook geen sprake. Huurder heeft drie doorbrekingsgronden aangevoerd: 1) schending essentiële vormen door de grenzen van de rechtsstrijd te overschrijden, waardoor niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige beslissing52., 2) ten onrechte art. 7:274 lid 1 jo. art. 7:248 BWA niet toegepast, dan wel 3) ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 7:274 lid 2 BWA getreden. Ter onderbouwing heeft Huurder uitgebreid betoogd waarom het gehuurde niet onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt53.. Dat Huurder heeft gesteld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 7:246 lid 3 BWA doorbroken moet worden en niet letterlijk dat het rechtsmiddelenverbod niet van toepassing is, is een (onnodige) semantische discussie; daar zit geen licht tussen. Door doorbrekingsgronden aan te voeren heeft Huurder immers duidelijk beoogd dat het Hof het rechtsmiddelenverbod moest passeren. En dat is voldoende voor ontvankelijkheid.
4.15
Onderdeel 2.b berust op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals besproken wordt beslechting van een voorvraag niet bestreken door een rechtsmiddelenverbod. Huurder heeft aangevoerd dat het Gerecht ten onrechte de regeling van art. 7:274 lid 1 jo. art. 7:248 BWA niet heeft toegepast54.. Hiermee heeft hij in wezen een kwalificatievraag aan het Hof voorgelegd: valt het Gehuurde onder de uitzondering van het Huurcommissietoezicht als bedoeld in art. 7:274 lid 2 BWA? Het Hof heeft dit terecht als een voorvraag opgevat, die niet wordt bestreken door het rechtsmiddelenverbod van art. 7:246 lid 3 BWA. Dat ziet immers slechts op procedures waarin eerst de Huurcommissie en vervolgens het Gerecht een oordeel heeft gegeven over de huurprijs of, via de schakelbepaling van art. 7:252 BWA, de opzegging door de verhuurder. Hoger beroep tegen een beschikking van het Gerecht waarin is geoordeeld dat art. 7:274 lid 2 BWA van toepassing is, is dus mogelijk met aanvoering van doorbrekingsgronden. Dat de procedure hierdoor langer duurt, mag zo zijn, maar daarmee wordt niet op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de wens van de wetgever om partijen zo spoedig mogelijk duidelijkheid te geven. Gezien de reikwijdte van het rechtsmiddelenverbod van art. 7:246 lid 3 BWA ziet die wens immers alleen op geschillen waarin het om de huurprijsvaststelling of huuropzegging door de verhuurder gaat en valt de voorvraag of die regelingen überhaupt van toepassing zijn hierbuiten.
4.16
Onderdeel 2.c. treft geen doel om twee redenen. Ook hiervoor geldt dat een partij ontvankelijk is in appel als zij een doorbrekingsgrond stelt tegen een rechtsmiddelenverbod, waarna het Hof de doorbrekingsgrond moet beoordelen. Dat een rechtsmiddelenverbod ook zou gelden voor een niet-ontvankelijkheidsbeslissing als die beslissing rechtstreeks is gegrond op de wettelijke regeling waarvoor het verbod geldt, vindt geen steun in het recht. Daarnaast is de niet-ontvankelijkheidsbeslissing van de Huurcommissie niet rechtstreeks gegrond op de wettelijke regeling waarvoor het rechtsmiddelenverbod geldt. De niet-ontvankelijkheidsbeslissing van de Huurcommissie in deze zaak is erop gegrond dat zij heeft geoordeeld dat het gehuurde onder de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA valt (afd. 7.4.6 BWA). Dat is een andere wettelijke regeling dan die waar het rechtsmiddelenverbod van art. 7:246 lid 3 BWA voor geldt.
4.17
Het onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep kan niet slagen.
5. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van zowel het principaal als het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑01‑2025
Het Hof heeft in de bestreden beschikking, GHvJ 9 april 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:44, geen afzonderlijke feitenvaststelling opgenomen. Hetzelfde geldt voor de beschikking van het Gerecht, GEA Aruba 4 april 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:75. Ik heb voor de weergave van de feiten gebruik gemaakt van rov. 3.2 van de bestreden beschikking.
De huurovereenkomst van een van de bedrijfspanden (‘ [B] ’) is per 30 november 2022 beëindigd en door Huurder ontruimd. Het gaat in deze zaak dus alleen nog om de andere gehuurde ruimte, namelijk de ‘ [A] ’. Zie verweerschrift Verhuurder EA 3.
Het procesverloop is gedeeltelijk ontleend aan de beschikking van het Gerecht, al aangehaald, rov. 2.2-2.4.
GEA Aruba 8 februari 2024, ECLI:NL:OGEAA:2024:31; in rov. 2.6 van die uitspraak wordt uit het GEA-vonnis in eerste aanleg van de onderhavige cassatieprocedure geciteerd.
De HcR gold sinds 1977 op alle eilanden van het Caribisch deel van het Koninkrijk, te weten: Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Toen Aruba in 1986 een ‘status aparte’ kreeg, bleef de HcR daar gelden tot zij in 1991 werd vervangen door de HcV. Zie hierover C. de LaFuente & W.J. Noordhuizen, Nederlands-Antilliaans en Arubaans huurrecht, 2009, p. 12-13 en W. Smit, De rechtskracht van huurcommissie-uitspraken in de Nederlandse Antillen en Aruba, WPNR 1999/6356, p. 325-326.
H.Th. Lopez, De Huurcommissieregeling, 1981, p. 41 en 51.
Zie ook C. de La Fuente & W.J. Noordhuizen, Nederlands-Antilliaans en Arubaans huurrecht, 2009, p. 201-202.
Landsverordening tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (AB 1989 no GT 100), no. 3 (MvT), p. 364-365. Dezelfde toelichting staat ook de Toelichting op art. 7:274 van het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten, zie: Landsverordening van 9 januari 2014 tot vaststelling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening huur), no. 8, p. 65.
GHvJ 3 februari 2006, TAR-Justicia 2008, p. 34.
Uit het gepubliceerde vonnis van het Hof is niet op te maken wat het gehuurde in deze zaak precies was en hoe het zich nader verhield tot het hotelcomplex. De feiten hierover zijn daarom ontleend aan de omschrijving van het (niet gepubliceerde) vonnis van het Gerecht in C. de La Fuente & W.J. Noordhuizen, Nederlands-Antilliaans en Arubaans huurrecht, 2009, p. 23.
HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2736.
Conclusie A-G Mok vóór HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2736 ([…]/Karis Development Company), 2.3.4-2.3.6.
GHvJ 13 december 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2051.
GHvJ 11 juni 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:7. Na 7 april 2014, de datum van de Toelichting, heb ik slechts één gepubliceerde Hof-uitspraak kunnen vinden over de uitzondering van art. 7:274 lid 2 BWA, maar dat is een tussenuitspraak; de betreffende einduitspraak is v.z.v. ik heb kunnen nagaan niet gepubliceerd. Zie GHvJ 15 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:177 (Momo’s place/Alegria Operations).
Dat geeft blijk van een wel heel vrije interpretatie van de hiervoor geciteerde Toelichting op dit punt.
De PI 1 merkt hierbij op dat het Hof die feiten niet heeft vastgesteld en dat dat een omissie is. De Hoge Raad zal, aldus de PI, van de door [Huurder] in deze procesinleiding weergegeven feiten, die op zichzelf niet zijn betwist, (zo nodig veronderstellenderwijs) hebben uit te gaan.
Onder verwijzing naar GEA Aruba 4 april 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:75, rov. 3.4.
Onder verwijzing naar verweerschrift Huurder Hc p. 1, 4e alinea, hetgeen in confesso is, waartoe wordt verwezen naar het inl verz het inl Hc, derde alinea, alsmede het verweerschrift Verhuurder EA 10, eerste volzin.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 20.
Onder verwijzing naar beroepschrift Huurder EA 12, voorafgaande reactie Huurder EA p. 7 onderaan en p. 8 bovenaan.
De PI 1 merkt op dat het onbestreden is dat in het winkelcentrum geen enkel hotel is gevestigd.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 20.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 19 en de voorafgaande reactie Huurder EA p. 7 onder het midden.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 20.
Idem.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 10.
Idem.
Zie over art. 7:262 BW ook mijn conclusie van 22 november 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:1259) voor een zaak waarin de Hoge Raad nog geen arrest heeft gewezen.
Zie voor art. 7:246 BWA C. de La Fuente & W.J. Noordhuizen, Nederlands-Antilliaans en Arubaans huurrecht, 2009, p. 250 en G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2009, p. 42-43. Zie voor art. 7:262 BW Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/242, T.J. de Groot, GS Huurrecht, 2021, art. 7:262 BW, aant. 5.1 en F.J. Ringnalda & T.J. de Groot (red.), Huurrecht Woonruimte, 2022, par. 13.1.6.
De Groot, GS Huurrecht, 2021, art. 7:262, aant. 5.1, W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, p. 65 en bijvoorbeeld HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0417, NJ 1992/119 (Stichting Huisvesting voor Ouderen Naarden), rov. 3.2.
Conclusie van A-G Huydecoper vóór HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8925, NJ 2009/242 m.nt. P.A. Stein (Mariënwaerdt/ […]), 21.
H.M. Hielkema, J.M. Heikens & M.H. Wissink, Huurrechtmemo, 2024, p. 136 en HR 13 maart 1987, ECLI:NL:HR:AG5571 (Beerling/Philips), rov. 3.2. Een ander voorbeeld betreft een procedure die op de voet van art. 7:230a BW wordt gevoerd. Op grond van die bepaling kan de huurder van een gebouwde onroerende zaak (niet zijnde woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van titel 7.4 BW) na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. Art. 7:230a lid 8 BW bevat een rechtsmiddelenverbod voor de beslissing van de rechter op een dergelijk verlengingsverzoek. Doorgaans twisten partijen over de (voor)vraag of überhaupt sprake is van een gebouwde onroerende zaak (niet zijnde woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van titel 7.4 BW). Deze voorvraag moet eerst worden beantwoord, voordat de rechter tot toepassing van art. 7:230a BW kan komen. Zij valt daarom niet onder het toepassingsgebied van het rechtsmiddelenverbod van lid 8. Zie J.L.R.A. Huydecoper, Huurprocesrecht, 2022, p. 140 en de daar genoemde rechtspraak.
Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/238 en 242, De Groot, GS Huurrecht, art. 7:262 BW, 2021, aant. 3.3 en 3.5, W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, p. 65, A-G Huydecoper vóór HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8925, NJ 2009/242 m.nt. P.A. Stein en JHV 2009/64 m.nt. F. Borst (Mariënwaerdt/ […]), 21 en W.H. Heemskerk in zijn noot bij HR 9 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1019, NJ 1989/410.
H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, 2009, nrs. 318 en 320 en F.J.H. Hovens, Civiel appèl, 2007, p. 46-47.
R.P.J.L. Tjittes & W.D.H. Asser, Rechtsmiddelen, 2011, p. 7 en H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 320.
Onder verwijzing naar rov. 2.1-2.2 van de beschikking van het Gerecht van 4 april 2023, waarnaar het Hof verwijst in rov. 2.1 van de bestreden beschikking.
Zie ook G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2009, p. 41-42.
Appelschrift Huurder 3-22.
C. de La Fuente & W.J. Noordhuizen, Nederlands-Antilliaans en Arubaans huurrecht, 2009, p. 226 en 230. Datzelfde geldt voor de huurcommissie in Nederland, zie De Groot, GS Huurrecht, 2021, art. 7:262 BW, aant. 1.11. In gelijke zin vws. inc. cassatieberoep 1.3.
Onder verwijzing naar pleitaantk Verhuurder HB 1 en 2.
Onder verwijzing naar de beschikking van de huurcommissie p. 2 laatste gedachtestreepje en het dictum op p. 3.
Onder verwijzing naar beroepschrift Huurder EA met als titel: 'Beroep Ex artikel 7:252 BWA'.
Onder verwijzing naar GEA Aruba 4 april 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:75, rov. 3.1.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 1-22, verweerschrift Verhuurder HB 3-16, memo ter zitting (deel 1) Huurder 3-7 en pleitaantekeningen Verhuurder 10-12.
Onder verwijzing naar appelschrift Huurder 1-22.
Onder verwijzing naar de beschikking van de huurcommissie p. 2 laatste gedachtestreepje en het dictum op p. 3.
Onder verwijzing naar GEA Aruba 4 april 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:75, rov. 3.5.
In het verweerschrift Verhuurder HB p. 13 wordt erop gewezen dat het verzoek aan de huurcommissie van 9 april 2022 is en de beschikking van het Gerecht van 4 april 2022.
In de PI p. 13 wordt erop gewezen dat de bestreden beschikking van het Hof in deze zaak van 9 april 2024 is.
Onder verwijzing naar GEA Aruba 4 april 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:75, rov. 3.6.
Appelschrift Huurder 3-8.
Appelschrift Huurder 9-22.
Appelschrift Huurder 9-22.
Beroepschrift 03‑05‑2024
PROCESINLEIDING (in een Caribische zaak) IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Verzoeker tot cassatie is: de heer [huurder], wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108 (2282 AE), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. K. Aantjes, die ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om hem in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 426a Rv);
Verweerster in cassatie is: de naamloze vennootschap GOLDEN STRIP DEVELOPMENT N.V., gevestigd te Aruba aan de J.E. Irausquinboulevard nr. 348 A, in de vorige instantie van deze zaak domicilie gekozen hebbende te Aruba aan de Caya Dr. J.E.M. Arends nr 12, ten kantore van haar advocaat mr. P.R.C. Brown.
Verzoeker stelt hierdoor beroep in cassatie in tegen de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, op 9 april 2024 onder zaaknummers AUA202204111 — AUA2023H00074 tussen verzoeker tot cassatie als appellant en verweerster in cassatie als geïntimeerde gewezen.
Verzoeker tot cassatie richt zich tegen voormelde beschikking met het navolgende
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
Dit middel richt zich tegen rov. 3.9 t/m 3.13, alsmede de uitwerking daarvan in rov. 3.15 en het dictum, waarin het hof, zakelijk weergegeven, heeft overwogen en beslist dat het gehuurde valt onder de in art. 7:274 lid 2 BW1. bedoelde uitzondering en dus voor beëindiging van de huur geen toestemming van de huurcommissie is vereist. Die overweging en beslissing zijn rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van [huurder].
Uitwerking en toelichting
1.
Uit de feiten volgt reeds, dat het oordeel van het hof onjuist is.2. De bedrijfspanden waar het in casu om gaat, bevinden zich in Aruba op de tegenover de zogeheten high rise-hotels gelegen Palm Beach Strip. Tussen partijen is niet in geschil, dat deze bedrijfs-panden niet zijn gevestigd in een hotel (of zeehaven of luchthaven); het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de bedrijfspanden al dan niet ruimtelijk zijn verbonden met één of meerdere hotels.3. De bedrijfspanden waar het in casu om gaat, maken deel uit van een winkelcomplex, dat is gelegen aan de overkant van de straat, waaraan de zogenaamde high rise-hotels zijn gelegen, waarbij bij het aangaan van de huurovereenkomsten beide lokaliteiten waren gelegen aan een rustig open plein.4. Ook dat is tussen partijen niet in geschil.5. Zoals [huurder] (onbetwist) heeft gesteld,6. ligt het winkelcomplex waarin het gehuurde zich bevindt ten opzichte van de dichtstbijzijnde hotels aan de overzijde van een drukke doorgaande weg, dat geheel los staat van de hotels, die aan de boulevard gelegen zijn.7. Het vormt geen visueel of architectonisch geheel met enig hotelcomplex in de buurt.8. Die stellingen laten geen andere conclusie toe, dan dat het gehuurde niet ruimtelijk is verbonden met een of meerdere hotels. Zoals het hof zelf in ov. 3.8 heeft overwogen, is blijkens de Memorie van Toelichting op art. 7:274 lid 2 BWA vereist ‘dat het gehuurde deel uitmaakt van een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale plaats inneemt’ en voornoemde feiten laten geen andere conclusie toe, dan dat daar in casu (evident) geen sprake is.
2.
Indien en voor zover het hof met de bestreden overwegingen heeft bedoeld te oordelen dat voor de toepassing van art. 7:274 lid 2 BWA relevant zou zijn dat er financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden enerzijds en de aan de overzijde van de weg gelegen hotels anderzijds, is zijn oordeel (evenzeer) rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van [huurder].
- a)
De tekst van voornoemde bepaling en dan met name de slotwoorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’, alsmede de overweging in de Memorie van Toelichting ’… een voor het publiek als eenheid kenbaar complex, een resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale plaats inneemt’, laten geen andere uitleg toe, dan dat voor de toepassing van art. 7:274 lid 2 BWA uitsluitend bepalend is of er een fysieke verbondenheid is met een hotel, niet of er een financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden enerzijds en enig hotel anderzijds. Voor het publiek kan uiteraard ook niet kenbaar zijn of er enige financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden enerzijds en enig hotel anderzijds; voor het publiek is uitsluitend enige fysieke ruimtelijke verbondenheid zichtbaar.
- b)
Indien al anders geoordeeld zou moeten worden, is door [huurder] uitdrukkelijk gesteld,9. dat het gehuurde niet (direct of indirect) bijdraagt aan de instandhouding van enig hotel, in tegendeel het winkelcentrum met de zich daarin bevindende restaurants en uitgaansgelegenheden juist zal concurreren met soortgelijke voorzieningen in een hotel en de investeerder niet dezelfde is als enige investeerder in een van de hotels, welke stellingen (indien juist bevonden) tot een ander oordeel hadden moeten leiden. Wat het hof daarbij met name ook heeft miskend, is dat de kern voor de beëindigingsbescherming in meergenoemde bepaling niet is de investering in het nabijgelegen winkelcentrum, maar de bescherming van de investering in het hotel; is er geen sprake van verhuur van bedrijfsruimte die financieel bijdraagt aan de bescherming van de investering in het hotel, dan gaat de bescherming van de investeringen van de huurder en diens belang bij voortzetting van de huur vóór.10.
3.
Zoals het hof zelf in rov. 3.8 aanhaalt, beperkte de wetgever zich blijkens de Memorie van Toelichting tot de toeristische sector, internationale handel e.d.; ‘De wetgever had dus niet het oog op bijvoorbeeld een winkelcentrum dat zich op de lokale bevolking richt (.…)‘. Door [huurder] is uitdrukkelijk gesteld,11. het winkelcentrum niet voornamelijk door gasten van enig hotelcomplex in de buurt wordt bezocht,12. maar ook door veel locals, dat de investeerder niet dezelfde is als enige investeerder in een van de hotels, het winkelcomplex niet voornamelijk dienstbaar is aan enig concreet hotel of diens gasten13. en het publiek het winkelcentrum ook niet zal associëren met een of meer hotels, welke stellingen (indien juist bevonden) tot een ander oordeel hadden moeten nopen.
4.
Anders dan het hof in rov. 3.10 heeft overwogen, vormt de uitbreiding in meergenoemde bepaling met de woorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’ (wel degelijk slechts) codificatie van de rechtspraak op dat punt en is onjuist de overweging dat er door de wetgever bewust gekozen is voor uitbreiding van de uitzonderingsbepaling en is evenzeer onjuist de overweging dat ‘bedoelde rechtspraak’, blijkens de inhoud daarvan en de Memorie van Toelichting op het nieuwe huurrecht, veeleer moet worden beschouwd als een illustratie van de wenselijkheid daarvan.14. Zoals het hof zelf in rov. 3.8 heeft aangehaald, zijn de woorden ‘of daarmee ruimtelijk verbonden zijn’ toegevoegd in verband met de bestaande rechtspraak over deze uitzondering, waarbij is verwezen naar een (destijds) recente uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof, waarin is overwogen: ‘dat het gehuurde deel uitmaakt van een door het publiek als eenheid kenbaar complex, en resort, waarin een hotelgebouw met hotelkamers en lobby als hoofdgebouw een centrale plaats inneemt.’ Dat laat geen andere conclusie toe, dan dat de wetgever slechts een codificatie van de rechtspraak op dit punt heeft beoogd, althans blijkt daaruit niet dat de wetgever (laat staan ‘bewust’) heeft gekozen voor uitbreiding van deze uitzonderingsbepaling tot andere situaties dan in de Memorie van Toelichting zijn genoemd of dat bedoelde rechtspraak veeleer als illustratie van de wenselijkheid daarvan moet worden beschouwd. Zoals door [huurder] is betoogd:15. als het de wens van de wetgever was geweest om — kort gezegd — alle investeringen in de High en Low Rise hotelstrip te beschermen door de huurder geen andere bescherming te bieden dan voortvloeit uit het huurcontract, dan was de wetswijziging een uitgelezen gelegenheid daarvoor; de wetgever heeft daarvoor evenwel niet gekozen, maar zich beperkt tot de uit de jurisprudentie ontleende aanvulling ‘of daarmee ruimtelijk verbonden’. Uit niets blijkt dat het hier slechts zou gaan om een ‘illustratie’. Het hof heeft meergenoemde bepaling aldus te ruim uitgelegd,16. waarmee het afwijkt van de in de Memorie van Toelichting genoemde jurisprudentie, wat de bedoeling van de wetgever juist niet kan zijn geweest.
5.
Rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen zijdens [huurder] is, dat het hof in rov. 3.11 aan zijn oordeel ten grondslag legt dat van algemene — plaatselijke — bekendheid is dat het gehuurde zich bevindt op de direct tegenover de high rise-hotels gelegen Palm Beach Strip, zijnde zeer kostbare zo niet de meest kostbare grond van Aruba. Voor de toepassing van meergenoemde bepaling is dat immers een irrelevant gegeven. Het moge zo zijn, dat (zoals het hof eveneens in rov. 3.11 overweegt) verder van algemene plaatselijke bekendheid is dat alle aldaar gebouwd panden en de daarin gevestigde ondernemingen, geheel zijn ontwikkeld naar luxe — bij de tegenoverliggende hotels passende — maatstaven, maar daaraan hebben die hotels in niets bijgedragen; zoals hiervoor al betoogd, is door [huurder] immers uitdrukkelijk gesteld,17. dat het gehuurde niet (direct of indirect) bijdraagt aan de instandhouding van enig hotel, in tegendeel het winkelcentrum met de zich daarin bevindende restaurants en uitgaansgelegenheden juist zal concurreren met soortgelijke voorzieningen in een hotel en dat de investeerder van het winkelcentrum niet dezelfde is als enige investeerder in een van de hotels,18. hetwelk geen andere conclusie toelaat dan dat er geen enkele financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden enerzijds en de aan de overzijde van de weg gelegen hotels anderzijds. Dat de in het winkelcentrum gevestigde ondernemingen, waaronder de in het gehuurde geëxploiteerde horecagelegenheden zich hoofzakelijk richten tot toeristen met de daarbij behorende toeristenprijzen (zoals het hof tenslotte in rov. 3.11 verweegt) is door [huurder] expliciet en gemotiveerd betwist,19. waaraan het hof ten onrechte is voorbijgegaan en, als het dat wel in zijn oordeel had betrokken, tot een ander oordeel had moeten leiden.
6.
Anders dan het hof in rov. 3.12 heeft overwogen, is het feit dat er niet een of meer specifieke hotel(s) zijn aan te wijzen waarmee het gehuurde ruimtelijk verbonden is, (juist wel) van doorslaggevend belang en gaat het hof (ook hier) uit van een te ruime uitleg van meergenoemde bepaling. Voornoemde feiten laten niet toe het oordeel dat het gehuurde is gelegen in en deel uitmaakt van een conglomeraat van op elkaar betrokken hotels en daartegenover gelegen ondernemingen en dat er een wederkerige betrokkenheid zou zijn ‘waarbij de hotels gasten brengen en de ondernemingen mogelijkheden brengen om te winkelen, te genieten van horeca, etc. en de daarmee gepaard gaande drukte, gezelligheid en sfeer, wat voor de hotels en hun gasten een meerwaarde biedt.’ Voor de toepassing van meergenoemde bepaling is nu juist niet relevant of de ruimte bestemd is te worden bezocht door toeristen.20. Wat het hof daarbij met name miskent, is dat (voor zover voor de toepassing van art. 7:274 lid 2 BWA relevant zou zijn dat er financieel-economische verbondenheid is tussen de bedrijfspanden enerzijds en de aan de overzijde van de weg gelegen hotels anderzijds) de hotels in financiële zin in niets hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het winkelcentrum en het zich daarin bevindende gehuurde, dat het gehuurde niet (direct of indirect) bijdraagt aan de instandhouding van enig hotel, in tegendeel het winkelcentrum met de zich daarin bevindende restaurants en uitgaansgelegenheden juist zal concurreren met soortgelijke voorzieningen in een hotel en dat de investeerder van het winkelcentrum niet dezelfde is als enige investeerder in een van de hotels.21. Anders dan het hof (aan het slot van rov. 3.12) heeft overwogen, kan daarom geenszins ‘ruimtelijke verbondenheid’ in de zin van meergenoemde bepaling worden aangenomen.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen de tussen partijen op 9 april 2024 onder zaaknummers AUA202204111 — AUA2023H00074 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba gewezen beschikking, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rijswijk, 3 mei 2024
Advocaat [A07813]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑05‑2024
Waarmee bedoeld is: het Burgerlijk Wetboek van Aruba; hierna te nomen: BWA.
Het hof stelt die feiten niet vast. Dat is een omissie. Uw Raad zal van de door [huurder] in deze procesinleiding weergegeven feiten, die op zichzelf niet zijn betwist, (zo nodig veronderstellenderwijs) hebben uit te gaan.
Zie beschikking Gerecht in Eerste Aanlag van Aruba, rov. 3.4.
Verweerschrift zijdens [huurder] aan de Huurcommissie, p. 1, 4e alinea.
Zie o.a. het inleidend verzoek van Golden Strip Development aan de Huurcommissie, derde alinea, alsmede het verweerschrift zijdens Golden Strip Development aan het Gerecht in Eerste Aanleg sub 10, eerste volzin.
Zie appeischrift sub 20.
Beroepschrift aan het Gerecht in Eerste Aanleg sub 12, Voorafgaande reactie zijdens [huurder] aan het Gerecht in Eerste aanleg, p. 7 onderaan en p. 8 bovenaan.
Onbestreden is dat in het winkelcentrum geen enkel hotel is gevestigd.
Appelschrift sub 20.
Appelschrift sub 19, Voorafgaande reactie zijdens [huurder] aan het Gerecht in Eerste aanleg, p. 7 onder het midden.
Appelschrift sub 20.
Waarbij [huurder] er in voetnoot 32 terecht op heeft gewezen dat de stelplicht en bewijslast daarvoor op Golden Strip Development rust.
Zoals bijvoorbeeld een winkel(tje) of restauratieve voorziening die door de ligging primair bedoeld is voor hotelgasten die daar doorgaans de rekening ook ‘op de kamer’ kunnen zetten aldus voetnoot 34.
Vgl. appelschrift sub 10.
Appelschrift sub 21, Voorafgaande reactie zijdens [huurder] aan het Gerecht in Eerste aanleg, p. 8, tweede alinea.
Vgl. appelschrift sub 9.
Appelschrift sub 20.
Ook de huurder zelf zal in het gehuurde veel geld hebben geïnvesteerd — zie appelschrift sub 12, p. 7 onderaan — anders dan in het geval dat de gehuurde ruimte ‘bij een hotel hoort’, waarbij het volstrekt logisch is, dat aan die huurder geen ontruimingsbescherming toekomt. Zie ook de voorafgaande reactie van [huurder] aan het Gerecht in Eerste Aanleg, p. 5 boven het midden. Zie ook appelschrift sub 32, p. 16 derde gedachtestreepje, alwaar is betoogd dat juist de investeringen van [huurder] hebben geleid tot de ‘loop’ van het publiek ter plaatse.
Appelschrift sub 20.
Appelschrift sub 10.
Verwezen zij, ook naar de vindplaatsen in feitelijke instanties, naar het voorgaande.