Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.4
4.2.4 Levensonderhoud
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437958:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 32 (MvT). In de Toelichting wordt gesproken van `levensonderhoud en dergelijke'. De toevoeging 'dergelijke' wordt niet verder uitgewerkt zodat niet echt helder is wat hiermee wordt bedoeld.
Zie in het kader van art. 429c Rv oud: HR 13 januari 1987, NJ 1987, 1014 (ICS), besproken in par. 2.6.3.
In BR 17 juni 1955, NJ 1955, 679 (DJV), Kollewijn, Tien Jaren, p. 182, werd voor rechtsmacht tot wijziging van een buitenlandse alimentatiebeslissing nog vereist dat de verhouding tussen partijen binnen de Nederlandse rechtssfeer was getreden. Hiervan was sprake bijv. als de partijen zich inmiddels (weer) in Nederland hadden gevestigd, aldus BR 24 februari 1950, NJ 1950, 742 (DJV) en BR 22 april 1955, NJ 1955, 342. Van een treden binnen de Nederlandse rechtssfeer was geen sprake als de alimentatieplichtige in het buitenland woonde en de uitkering werd betaald uit door hem aldaar verdiende inkomsten, aldus BR 17 juni 1955, NJ 1955, 679. Zie nader Voskuil (1962), p. 168-180.
Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, 's-Gravenhage 2 oktober 1973, Trb. 1974, 85. Ingevolge art. 7 sub 2 wordt de autoriteit van de staat van herkomst bevoegd geacht in de zin van het verdrag, indien o.a. de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde ten tijde van de inleiding van het geding de nationaliteit van de staat van oorsprong hadden.
Volgens de Memorie van Toelichting bij art. 3 sub c Rv moeten ook in het buitenland wonende Nederlanders bij de Nederlandse rechter wijziging kunnen krijgen van eerdere uitspraken van een Nederlandse rechter over levensonderhoud.1 Dit betekent dat in het buitenland woonachtige Nederlandse ex-echtgenoten of een van hen in Nederland een bevoegd forum vinden voor een verzoek tot wijziging van een Nederlandse beslissing inzake levensonderhoud. De verbondenheid met Nederland is niet gelegen in het feit dat het de wijziging van een Nederlandse beslissing betreft, maar in de Nederlandse nationaliteit van partijen. De bepaling strekt niet zo ver dat het wijzigingsverzoek steeds voldoende band met Nederland heeft, indien het verzoek betrekking heeft op de wijziging van een Nederlandse alimentatiebeslissing.2 Art. 3 sub c Rv biedt Nederlandse partijen die in het buitenland woonachtig zijn in principe ook een bevoegd Nederlands forum ter zake van de wijziging van een buitenlandse alimentatiebeslissing.3 Het ligt echter in de lijn der verwachting dat partijen een dergelijk verzoek aanhangig zullen maken voor de rechter van de staat waar zij gewoon verblijf hebben.
Hoe zit het met het zelfstandige verzoek, buiten echtscheiding, ingesteld door een Nederlandse man tot vaststelling van kinderalimentatie ten laste van een Nederlandse vrouw, terwijl alle betrokkenen hun woonplaats buiten Nederland hebben? Levert art. 3 sub c Rv in dit geval ook rechtsmacht op? Is de Nederlandse rechter forum conveniens? Volgens Hof ' s-Gravenhage 24 november 2004, LJN AR6357 niet:
`Het hof acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de man tot het vaststellen van een kinderalimentatie van€600,- per maand per kind, ten laste van de vrouw (...). Het hof baseert zich op artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Immers, dit verzoek van de man in hoger beroep kan aangemerkt worden als een zelfstandig verzoek. Daarnaast wonen zowel de man als de vrouw in Turkije, zodat de zaak naar het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden.'
Hierover kan anders worden gedacht. Internationaal bezien wordt de gemeenschappelijke nationaliteit als bevoegdheidsgrondslag in alimentatiezaken niet als exorbitant beschouwd. Zie art. 4 jo. 7 sub 2 Haags Alimentatie-Executieverdrag 1973,4 maar ook art. 5 sub 2 EEX-Vo jo. art. 3 lid 1 sub b Vo-BIIbis. Ingevolge art. 5 sub 2 EEXVo is de krachtens gemeenschappelijke nationaliteit van partijen bevoegde echtscheidingsrechter tevens bevoegd ter zake van de bijkomende vordering tot levensonderhoud. Wordt de rechtsmacht inzake alimentatie gebaseerd op de Nederlandse nationaliteit van slechts een der partijen, dan zal de kans op erkenning en tenuitvoerlegging in het buitenland afnemen (vgl. art. 4 jo. 7 Alimentatie-Executieverdrag 1973).