Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/20.3.2
20.3.2 De terecht verbroken band tussen décharge en verantwoording
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577864:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs o.m. naar Beckman (1994) en (2000), Bier (2006a) en Pitlo/Raaijmakers (2006), p. 423-427 met verdere verwijzingen.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet tot aanpassing van Boek 2 BW in verband met kwijting aan bestuurders en commissarissen.
Vgl. p. 3 van de MvT bij het voorstel voor de Wet tot aanpassing van Boek 2 BW in verband met kwijting aan bestuurders en commissarissen. (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 483, nr. 3).
Andere voorstanders van verbreking van deze band zijn Bier (2006a), p. 41 en Beckman (2005a). Zie ook de opmerking van Timmerman (2008), p. 1, 'bevoegdheden die samenhangen met de jaarrekening, zoals de vaststellingsbevoegdheid en décharge zijn mijns inziens overbodige en soms voor de vennootschap kostbare franje.'
Beckman (2005a), p. 140.
Pitlo/Raaijmakers (2006), p. 425.
Niet iedereen deelt deze opvatting. Zo spreekt M. Raaijmakers in Pitlo/Raaijmakers (2006), p. 425, over een 'onbevredigende' regeling, (mede) omdat zij geïsoleerd zou zijn van haar normatieve context.
Door M. Raaijmakers (2004a), is in § 6.4 over de uit het art. 2:101 lid 3 BW voortvloeiende gescheiden agendering opgemerkt dat deze 'niet doordacht is', aangezien 'ook ons stelsel opschuift van vennootschapsrechtelijke rekening en verantwoording aan de AvA naar een marktgerichte, effectenrechtelijke 'clisclosure' In plaats van die systemen gedachteloos te cumuleren is heroverdenking nodig van de rol van de AvA in verhouding tot effectenrechtelijke handhavingsmechanismen.' Ik deel zijn standpunt niet. Juist de ontkoppeling tussen 'décharge' en '(vaststelling van) de jaarrekening' — die mijns inziens nog verder moet worden doorgevoerd, door ook de vaststelling door de AvA te laten vervallen — laat zien dat geen gedachteloze cumulatie plaatsvindt. In het door mij voorgestane systeem wordt juist een scheiding wordt aangebracht tussen de doelstellingen van de publicatieverplichtingen enerzijds, en de door AvA te verbinden vennootschapsrechtelijke- en civielrechtelijke gevolgen aan de door bestuurders en commissarissen vervulde taakuitoefening anderzijds. Zie ik het goed dan lijken M. RaaijmakersNan der Schee (2008), p. 153-155 voorstander te zijn van (weer) een ander systeem.
Een tweede voorbeeld waarbij de samenval van doelstellingen van de periodieke publicatieverplichtingen gevolgen heeft — en, terecht, wel tot aanpassingen heeft geleid van de Nederlandse wetgeving — betreft de (veronderstelde) band tussen de (geconsolideerde) jaarrekening en décharge van bestuurders en commissarissen van beursvennootschappen. Over de relatie tussen jaarrekening en décharge van bestuurders of commissarissen, op basis van die jaarrekening, is veel geschreven.1Sinds 1 januari 2002 bepaalt art. 2:101/210, lid 3, BW dat vaststelling van de jaarrekening van de vennootschap niet strekt tot kwijting aan een bestuurder, onderscheidenlijk commissaris.2 In de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling is opgemerkt dat "[b]estuurders en commissarissen (...) verantwoordelijkheid [dragen] voor het door hen gevoerde beleid en toezicht, waartoe behoort de wijze waarop zij de aandeelhouders hebben geïnformeerd over de financiële positie van de vennootschap. Wanneer de aandeelhouders de jaarrekening vaststellen of goedkeuren terwijl (nog) geen besluit tot decharge wordt genomen, staat daarmee (ook) nog niet vast dat de aandeelhouders in het beleid dat door het bestuur is gevoerd en het toezicht dat door de commissarissen is gehouden — en dat tot de gepresenteerde cijfers aanleiding heeft gegeven — een reden voor aansprakelijkheid zien."3
De "ontkoppeling" tussen décharge en vaststelling van de (geconsolideerde) jaarrekening is mijns inziens, in ieder geval voor Nederlandse beursvennootschappen, terecht aangebracht.4 Zoals Beckman heeft opgemerkt geldt dat "[o]f een beleid nu goed of slecht is gevoerd, de gevolgen ervan moeten goed worden weergegeven: de financiële gevolgen van een slecht beleid kunnen prima zijn weergegeven, evenals de financiële gevolgen van een goed beleid slecht kunnen zijn weergegeven."5 De AvA kan hierdoor, zoals Raaijmakers verwoordt, "het beleid van bestuur en RvC — ook los van elkaar — "afkeuren" zonder dat zij daartoe de jaarrekening behoeft te verwerpen (...)."6 Dat is een uitkomst die naar mijn mening voor de hand ligt, wanneer — zoals gebeurd is de doelstelling van de jaarlijkse financiële verslaggeving van beursvennootschappen in sterkere mate (mede) gericht wordt op het bijdragen aan een adequate werking van de effectenmarkt.7
Het als zelfstandig in de aandeelhoudersvergadering te agenderen punt van besluitvorming over het verlenen van décharge aan bestuurders en commissarissen is een ontwikkeling die naar mijn mening nauw aansluit bij de, in de vorige paragraaf bepleitte, afschaffing van de vaststellingsbevoegdheid van de AvA van de jaarrekening. Wanneer ook tot die afschaffing wordt besloten, heeft zich een — vennootschapsrechtelijk — stelsel gevormd dat recht doet aan de samenvallende doelstellingen van de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen. De jaarlijkse financiële verslaggeving van beursvennootschappen bestaat dan uit door de leidinggevenden van de beursvennootschap verstrekte informatie die enerzijds tot doel heeft de benodigde informatie te omvatten met het oog op het terugdringen van "agency-problemen binnen beursvennootschappen en anderzijds bij te dragen aan de adequate werking van de effectenmarkten. De besluitvorming over décharge, die duidelijk in de "principal-agent" relatie moet worden geplaatst, kan vervolgens op een doorgaans later moment in de aandeelhoudersvergadering plaatsvinden, waarbij de eerder verstrekte informatie een rol kan spelen.8