Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.3.7.a
6.3.7.a Duiding van de 403-vordering als een hoofdelijke vordering
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250249:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.3.6.a.
Verdaas 2008, p. 307.
E.C.A. Nass 2019, p. 219. Zie bevestigend met betrekking tot hoofdelijkheid in algemene zin D.F.H. Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:227 BW, aant. 6.4.3.2.
Zie § 6.3.6.a.
HR 19 december 1997, NJ 1998/690, m.nt. Kleijn (Zuidgeest/Furness), r.o. 5.1.
Vranken 1999, p. 269-270.
Vgl. Biemans 2011, p. 289, die op basis van deze argumenten het standpunt van Vranken met betrekking tot de cessie van een hoofdelijke vordering afwijst. Zie ook Pors 2002, p. 148, die van mening is dat de crediteur betaling van de niet-verpande vordering niet kan weigeren.
D.F.H. Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:246 BW, aant. 1.4 en 1.4.1.
Hierboven heb ik er al op gewezen dat als de 403-vordering wordt geduid als een hoofdelijke vordering de crediteur de vorderingen op de moeder- en de 403-maatschappij onafhankelijk van elkaar kan cederen.1 Verdaas merkt op dat aangezien de vorderingen zelfstandig overdraagbaar zijn, zij op grond van art. 3:228 BW ook zelfstandig kunnen worden verpand.2 Als de crediteur de vordering op de 403-maatschappij verpandt, heeft de pandhouder niet tevens een pandrecht op vordering op de moedermaatschappij en vice versa.3
Evenals bij het zelfstandig cederen van een hoofdelijke vordering,4 pleit Vranken bij het verpanden van een dergelijke vordering voor een analoge toepassing van de voorrangsregel uit het arrest Zuidgeest/Furness.5 Als een crediteur een pandrecht vestigt op een van zijn hoofdelijke vorderingen, geeft hij daarmee volgens Vranken het recht op om de andere vordering te gelde te maken.6 Dit standpunt moet mijns inziens om dezelfde redenen worden verworpen als bij cessie. Kort gezegd is de door Vranken betoogde voorrangsregel in strijd met het principe van hoofdelijke aansprakelijkheid en leidt het tot een onevenredige benadeling van de hoofdelijke schuldenaar van de verpande vordering.7
Tot slot merk ik nog op dat het vestigen van een pandrecht op de vordering op de moeder- of de 403-maatschappij – zonder dat ook de andere vordering wordt verpand – tot onwenselijke situaties kan leiden. In het geval dat de verpanding van de vordering is meegedeeld aan de schuldenaar, komt het recht om deze vordering te innen op grond van art. 3:246 BW toe aan de pandhouder. De crediteur – als pandgever – is slechts bevoegd om de vordering te innen indien hij daarvoor toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter heeft gekregen.8 Zo wordt voorkomen dat de crediteur naar vrije keuze de vordering kan innen waardoor het pandrecht zou vervallen. Deze waarborg ex art. 3:246 BW wordt echter tenietgedaan doordat de crediteur nog steeds de andere niet-verpande vordering kan innen. Als hij dit doet, verdwijnt alsnog de verpande vordering inclusief het daarop rustende pandrecht.