Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/6.3.3
6.3.3 SNL en Sknl
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS448648:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 12.1 SNL. De complete tekst van de regeling en de toelichting daarop zijn te vinden op de website www.portaalnatuurenlandschap.nl. In het kader van dit promotieonderzoek is gebruik gemaakt van de (Model)SNL 2013 en (Model)Sknl 2013.
Artt. 107-109 VWEU. Zie over dat onderwerp ook par. 6.2.4.
De onderdelen agrarisch natuurbeheer, landschapsbeheer en natuurbeheer zijn op 31 januari 2011, 21 maart 2011 en 26 april 2011 goedgekeurd. Zie Beschikking van 31 januari 2011 (Besluit C(2011)581 definitief) inzake steunmaatregel (N545/2009-SA 29568) ‘Natuur- en landschapsbeheer’, Beschikking van 21 maart 2011 (Besluit C(2011)1804 definitief) inzake steunmaatregel (SA 32622/2011/N) Wijziging van de regeling ‘Natuur en landschapsbeheer (land- en bosbouwaspecten)’ en de Beschikking van 26 april 2011 (Besluit C(2011)2631 definitief) inzake steunmaatregel N376/2010 (Subsidies voor natuurbeheer).
Zie bijvoorbeeld Beschikking van 26 april 2011 (Besluit C(2011)2631 definitief) inzake steunmaatregel N376/2010 (Subsidies voor natuurbeheer), r.o. 38.
Zie bijvoorbeeld Beschikking van 26 april 2011 inzake steunmaatregel N376/2010 (Subsidies voor natuurbeheer), r.o. 61. Een uitgebreide analyse van deze beschikking is te vinden in Saanen 2012. De auteur is van mening dat de EC ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid VWEU. Zie Saanen 2012, p. 62. Vanwege het onderwerp van dit promotieonderzoek wordt deze problematiek verder buiten beschouwing gelaten.
De verschillende onderdelen van het SNL zijn voor de officiële goedkeuring door de Europese Commissie van kracht geworden. De EC heeft van tevoren al via informele kanalen laten weten geen bezwaren te hebben. In art. 1.11 SNL worden de mogelijkheden om subsidies te verlenen expliciet gekoppeld aan de verleende toestemming van de EC en de staatssteunregels. Eventuele wijzigingen van de SNL moeten wederom ter goedkeuring worden voorgelegd aan de EC.
www.portaalnatuurenlandschap.nl onder het kopje ‘provincies en openstelling’.
De brief van de Minister van LNV d.d. 14 juli 2010 (referentie NLP/2010/2437) over dit onderwerp aan de Tweede Kamer.
Zie de uitgangspunten onder Modelverordeningen subsidiejaar 2013. [www.portaalnatuurenlandschap.nl/snl onder het kopje ‘subsidieverordening: SNL-verordening’].
Interprovinciaal Overleg 2009, p. 7.
Interprovinciaal Overleg 2009, p. 8
Interprovinciaal Overleg 2009, p. 8-10.
Zie art. 1.1 sub a – gg SNL.
Interprovinciaal Overleg 2009, p. 10.
Artt. 1.4 – artikel 1.12 SNL.
Art. 3.5, lid 1 SNL (Natuurbeheer) jo. art 4.1.1.5, lid 1 sub a SNL (Agrarisch natuurbeheer) en art 5.1.1.3, lid 1 SNL (Landschapsbeheer). Het natuurbeheerplan is een apart plan dat los staat van het beheerplan voor Natura 2000-gebieden.
Art. 2.1 SNL. De natuurbeheerplannen van alle provincies zijn te vinden op de www.portaalnatuurenlandschap.nl, onderdeel SNL onder het kopje ‘provincies en opstellingsbesluiten’.
Art. 2.1, lid 1 en 2 SNL. De kaart bij het natuurbeheerplan bevat een topografische ondergrond en moet in elk geval elektronisch beschikbaar worden gesteld.
Hoofdstuk 3, 4 en 5 van de SNL.
Art. 2.1, lid 2, sub d SNL.
Toelichting op de SNL, art. 2.1, p. 86.
Schlössels en Zijlstra 2010, p. 281-285.
Er is tot dusver een beperkt aantal uitspraken over de vaststelling van natuurbeheerplannen: Rb. Oost- Nederland, 22 maart 2013, Awb 12/2310 en Awb 12/2311 (Gewijzigde vaststelling Natuurbeheerplan Overijssel); Rb. Arnhem, 24 mei 2012, LJN: BW 8937, BW 8939, BW8945 en NW 8947 (Natuurbeheerplan Gelderland 2011), eels overgenomen door het kabinet Rutte-Asscd 2009); ABRvS 10 augustus 2011, LJN: BR4619 (Natuurbeheerplan Noord-Brabant); Rb. Arnhem 16 december 2010, LJN: BP9269 (Natuurbeheerplan Gelderland 2009); Rb. Zwolle-Lelystad, 8 september 2010, LJN: BN6238 (Natuurbeheerplan Overijssel) en Rb. Zwolle-Lelystad, LJN: BN0654 (Natuurbeheerplan Overijssel).
Natuurbeheerplan Overijssel 2013. Plantekst behorende bij wijziging GS-besluit 18 september 2012, p. 8-9. en Natuurbeheerplan Flevoland 2013, p. 10. Op p. 74 e.v. van dit laatste plan is te zien op welke wijze dit is gebeurd voor het Natura 2000-gebied de Oostvaardersplassen.
Natuurbeheerplan Gelderland 2013, p. 9.
Natuurbeheerplan Friesland 2013, p. 9; Natuurbeheerplan Drenthe 2013, p. 10; Natuurbeheerplan Utrecht 2013, p. 10.
Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2013; Natuurbeheerplan Zeeland. Planwijziging 2012 en Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2013.
Index Natuur en Landschap 2013, onderdeel natuurbeheertypen (versie 0.4.15 juni 2009), p. 4-5. Zie www.portaalnatuurenlandschap.nl.
Index Natuur en Landschap 2013, onderdeel natuurbeheertypen (versie 0.4, 15 juni 1999), p. 23.
Zie www.synbiosys.alterra.nl/alterra/natura2000/gebiedendatabase onder het kopje ‘habitattypen’.
Er worden nergens in de Index doelstellingen met betrekking tot (vogel)soorten geformuleerd. Indirect bestaat deze relatie wel. Het behouden van bepaalde natuurbeheertypen kan bijdragen aan het behoud van bepaalde (vogel)soorten.
In de aanwijzingsbesluiten en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden wordt wel een koppeling aangebracht tussen de bescherming van kwalificerende habitattypen en soorten in een bepaald Natura 2000-gebied.
Een opsomming van alle beheertypen en landschapsbeheer met de bijbehorende beheerpakketten is te vinden in de bijlage die is opgenomen achter de SNL.
Het SNL bevat (nog) geen uitwerking van de beheerpakketten voor het beheertype natuur.
Interprovinciaal Overleg 2009, Subsidiestelsel Natuur- en landschapsbeheer, p. 20-22.
Het is ook mogelijk om een gebied als agrarisch floragebied aan te wijzen. Zie SNL, bijlage 3: Agrarisch natuurbeheer, onderdeel A. De uitwerking van de agrarische beheertypen en de beheerpakketten is te vinden in onderdeel B.
De andere (mogelijke) pakketten zijn: A01.01.02 Weidevogelgrasland met voorweiden, A01.01.03 Plas-dras, A01.01.04 Landbouwgrond met legselbeheer, A01.01.05 Kruidenrijk weidevogelgrasland en A01.01.06 Extensief beweid weidevogelgrasland.
Zie bijlage 3 SNL, beheerpakket A01.01 Weidevogelgebied, subvariant A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode. De instapeisen zijn in de modelverordening van 2012 komen te vervallen. De provincie Utrecht heeft instapeisen voor weidevogelpakketten opgenomen in het Natuurbeheerplan 2013 (zie p. 19-23). Onder meer in Friesland en Overijssel maken de instapeisen (nog) wel onderdeel uit van de provinciale SNL-verordening.
Art. 4.1.1.1 jo. art. 4.1.1.2. SNL.
Art. 4.1.1.6, lid 1 sub a SNL.
Art 10.1, lid 1 SNL.
Zie hoofdstuk 7 van de SNL.
Art. 11.1 SNL.
Art. 4.1.1.6, lid 1 onder d SNL.
De tekst en toelichting hierop zijn te vinden op www.portaalnatuurenlandschap.nl onder het kopje ‘subsidieregeling en vergoedingen’.
Art. 107, lid 1 VWEU.
Dit blijkt uit de Beschikking van 26 november 2008 inzake steunmaatregel (NN47/2004 (ex N344/A/1999, Programma Beheer) definitief en de Beschikking van 21 januari 2004 inzake steunmaatregelen van de Staten N344/B/1999 (Programma Beheer, functieverandering). Het onderdeel ‘Inrichting van de natuur’ werd wel aangemerkt als staatssteun maar de EC oordeelde dat deze maatregel verenigbaar was met de interne markt op basis van artikel 87, lid 3 onder c EU-verdrag (art. 107, lid 3 onder c VWEU). Naar de mening van de EC kon het onderdeel ‘functieverandering’ niet als een vorm van staatssteun worden aangemerkt. Voorgenoemde toestemmingen lopen in 2013 af. Dat betekent dat de huidige Sknl ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de EC. Een algemene uiteenzetting over de staatssteunproblematiek is te vinden in par 6.2.4.
Art. 8, lid 1, 2 en 3 Sknl.
Art. 7 Sknl.
Artt. 13 en 14 Sknl.
Art. 18 jo artikel 20 Sknl.
De PSN en de PSAN zijn ondertussen vervangen door de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer en de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap.1 In overleg tussen de Minister van LNV en de provincies is besloten om de SNL gefaseerd in te voeren. Ingevolge artikel 107, eerste lid VWEU was het namelijk niet uitgesloten dat het verlenen van natuursubsidies kon worden aangemerkt als een verboden staatssteunmaatregel.2 Om problemen te voorkomen heeft het Ministerie van EZ delen van het SNL ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie. De onderdelen agrarisch natuurbeheer, landschapsbeheer en natuurbeheer zijn goedgekeurd.3 In alle gevallen kwam de Europese Commissie tot de conclusie dat sprake van was van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid VWEU.4 Desondanks zijn de verschillende onderdelen van het SNL niet aangemerkt als een verboden staatssteunmaatregel. Naar de mening van de Europese Commissie voldoen de aangemelde delen van het SNL aan de voorwaarden van artikel 107, derde lid onder c VWEU. Om die reden wordt de aangemelde maatregel verenigbaar geacht met de interne markt.5 De SNL, onderdelen agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer, zijn op 1 januari 2010 in werking getreden. Het onderdeel natuurbeheer is op 1 januari 2011 van kracht geworden.6
De SNL en Sknl zijn zogenoemde modelverordeningen die jaarlijks worden herzien en – waar nodig – bijgesteld. De inhoud van de SNL en Sknl kan per provincie verschillen. Het is mogelijk om de modelverordening aan te passen aan eventuele provinciale ‘wensen’. Daarbij kan worden gedacht aan de subsidiëring van rietsnijders in de moerasgebieden van (Noordwest) Overijssel of het beheer van schaapskuddes op de Veluwe of in Drenthe.7 De modelverordening bevat geen standaardregeling voor dergelijke vormen van natuurbeheer.8 Uniformiteit vormt een belangrijk uitgangspunt bij de toepassing van de SNL en Sknl. Het is de bedoeling dat de provincies de verordeningen zo veel mogelijk conform het model vaststellen.9
De SNL en Sknl zijn opgesteld door het IPO in samenwerking met de rijksoverheid. Volgens de initiatiefnemers waren aan het oude stelsel allerlei nadelen verbonden. Het stelsel van PSN/PSAN werd als te ingewikkeld, te rigide en te gedetailleerd ervaren. Er was sprake van hoge administratieve lasten en weinig ruimte voor regionaal maatwerk.10 De SNL is bedoeld om deze problemen op te lossen. De regeling staat in principe open voor eenieder die een bijdrage kan leveren aan natuurbeheer in Nederland. Hierbij gaat het om agrarische natuurbeheerders, terreinbeherende organisaties (hierna: tbo’s) en natuurbeheerders niet zijnde tbo’s.11 De SNL moet voldoen aan een groot aantal uiteenlopende eisen. Zo is het de bedoeling dat er een uniforme regeling komt voor alle provincies. Een dergelijke regeling moet aansluiten bij de bestaande provinciale Ilg-structuren en zich beperken tot de ‘Europese regels’.12
De SNL is een omvangrijke en een complexe regeling. Een aantal zaken springt in het oog. Om de subsidieregeling te realiseren wordt gebruik gemaakt van een groot aantal begrippen. Onder het kopje ‘algemene bepalingen’ is een opsomming en een uitleg van deze begrippen te vinden.13 Het is niet eenvoudig om vast te stellen wanneer de SNL van toepassing is en/of de wijze waarop de regeling moet worden uitgevoerd. Dit gegeven staat op gespannen voet met het streven van de opstellers van de SNL om de subsidieregelingen voor natuurbeheer te vereenvoudigen.14 In de SNL is een expliciete koppeling aangebracht met het EU-recht. De subsidieregeling bevat een aantal bijzondere voorschriften met betrekking tot de indiening en de behandeling van een vergunningaanvraag bij Gedeputeerde Staten van de onderscheiden provincies.15
De SNL en de Sknl zijn geen generieke subsidieregelingen ten behoeve van natuur- en landschapsbeheer. Het aanvragen van een subsidie is alleen mogelijk voor natuurterreinen, landbouwgronden en landschapsbeheertypen die zijn opgenomen in een provinciaal natuurbeheerplan.16 Het natuurbeheerplan wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.17 In het plan is een kaart opgenomen met daarop een aanduiding van de gebieden die voor het aanvragen van een subsidie in aanmerking komen.18 Binnen de aangewezen gebieden is een subsidieaanvraag alleen mogelijk voor bepaalde beheertypen.19 Niet alle natuurwaarden komen automatisch voor een subsidie in aanmerking. Naast de ‘reguliere’ SNL-pakketten bestaat ook de mogelijkheid om voor bepaalde landbouwgronden een ‘probleemgebiedensubsidie’ aan te vragen.20 Een dergelijke aanvraag is alleen mogelijk voor landbouwgebieden die in het plattelandsontwikkelingsplan 2007-2013 zijn aangewezen als probleemgebied.21 Het is op basis van de SNL en de toelichting niet duidelijk wat onder een probleemgebied moet worden verstaan. Naar vorm en inhoud is het natuurbeheerplan een concretiserend besluit van algemene strekking.22 De vaststelling van een natuurbeheerplan is appellabel bij de bestuursrechter. De Afdeling bestuursrechtspraak is de bevoegde instantie in hoger beroep.23 Bij het vaststellen van de natuurbeheerplannen is alleen door Gedeputeerde Staten van Overijssel en Flevoland aantoonbaar rekening gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen, of nog aan te wijzen Natura 2000-gebieden.24 In de provincie Gelderland is de inhoud van het natuurbeheerplan zo veel mogelijk afgestemd op de inhoud van (concept) beheerplannen.25 In andere provincies bestaat het voornemen om in de toekomst natuurbeheerplannen te toetsen aan vastgestelde beheerplannen. Dat kan eventueel leiden tot een aanpassing van onderdelen van het natuurbeheerplan. Dit is onder meer het geval in de provincies Friesland, Drenthe, en Utrecht.26 In de natuurbeheerplannen van de provincies Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant ontbreekt iedere verwijzing naar en/of koppeling aan Natura 2000-gebieden.27
De selectie van de gebieden en de bijbehorende beheertypen in een natuurbeheerplan is afhankelijk van de natuurdoelen. Deze doelen worden opgesteld met behulp van de Index natuur en landschap (hierna: de Index). De Index wordt jaarlijks vastgesteld en waar nodig herzien. De meest actuele versie van de Index stelt dat natuurbeheertypen zijn aangepast met als doelstelling de ‘stroomlijning met de doelen van Natura 2000’.28 Het is echter niet duidelijk waar de genoemde integratie en/of de aanpassing uit bestaat. Het is zelfs twijfelachtig of er sprake is van een relatie tussen natuurbeheertypen in de Index en habitats en soorten in de Hrl. Ter illustratie het volgende voorbeeld:
In de Index Natuur en Landschap is het natuurbeheertype N06.03 Hoogveen opgenomen. Dit natuurbeheertype wordt in algemene en globale termen omschreven.29 Ingevolge de habitatrichtlijn wordt een onderscheid aangebracht tussen de habitattypen H7110 Actieve Hoogvenen, H7120 Herstellende hoogvenen en H7140 Overgangs- en trilvenen. Ieder habitattype wordt zeer uitvoerig toegelicht met behulp van wetenschappelijke informatie. Daarbij is aandacht voor eventuele subtypen, biologische kenmerken en dergelijke.30
Het bovenstaande toont aan dat op essentiële onderdelen verschillen bestaan tussen natuurbeheertypen en habitattypen. De natuurbeheertypen zijn grover van opzet en de toelichting bevat globale informatie. De beschrijvingen van de natuurbeheertypen en de habitattypen lopen niet synchroon. Dit roept de vraag op voor welk type hoogveen (bijvoorbeeld actief of herstellend) het natuurbeheertype ‘Hoogveen’ bedoeld is. Is het wel mogelijk om de SNL of de Sknl in te zetten om een gunstige staat van instandhouding van habitats te realiseren? De ruime omschrijving van het natuurbeheertype hoogveen maakt het mogelijk om op basis van de SNL voor de habitattypen H7110, H7120 en H7140 een subsidie aan te vragen. Wel rijst de vraag of de globale omschrijving van ‘Hoogveen’ in de Index volstaat om aan de verlening van een subsidie voorwaarden te verbinden die nodig zijn om voor het betrokken habitattype ‘een gunstige staat van instandhouding’ te behouden, dan wel te realiseren. Hierdoor dreigt het gevaar dat de subsidiegelden niet efficiënt worden besteed. In de Index Natuur en Landschap wordt geen relatie gelegd met de bescherming van bepaalde (vogel)soorten.31 Bij de aanwijzing en de instandhouding van Natura 2000-gebieden is dat wel het geval.32
Voor ieder beheertype of landschapselement zijn in de SNL één of meerdere beheerpakketten opgenomen.33 De aanvrager van een subsidie kan hieruit een keuze maken. De uitwerking van de verschillende beheerpakketten is te vinden in de bijlage bij de SNL.34 De beheereisen zijn afhankelijk van het beheertype en het beheerpakket waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. De beheerpakketten voor de beheertypes natuur- en landschapsbeheer zijn bedoeld voor de instandhouding van de kwaliteit van bestaande natuurwaarden en landschapsbeheer. Bij de beheerpakketten voor de agrarische natuur ligt de nadruk op de instandhouding van natuurwaarden in het landelijke gebied door het combineren van landbouw en natuur. Om dat doel te bereiken zijn in de pakketten voornamelijk beheereisen opgenomen die bepaalde activiteiten verbieden.35 Dit kan worden verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld:
Van oudsher is in het landelijk gebied veel aandacht voor de bescherming van weidevogels. Daartoe kan een gebied in een natuurbeheerplan worden aangewezen als A01 agrarische faunagebied36 met als beheertype A01.01 Weidevogelgebied. De aanvrager van de SNL-subsidie kan vervolgens kiezen uit zes verschillende beheerpakketten. De pakketten verschillen qua instap- en beheereisen. Het aanvragen van pakket A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode is alleen mogelijk indien de beheereenheid bestaat uit minimaal 0.5 hectare grasland.37 De beheerder moet in de beheereenheid een bepaalde rustperiode in acht nemen. Daarbij bestaat de keuze uit verschillende varianten. Gedurende de rustperiode wordt de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, heringezaaid of bemest. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is evenmin toegestaan. De hoogte van de subsi-die is afhankelijk van het gekozen beheerpakket.38
Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie agrarisch natuurbeheer voor een periode van zes aangesloten beheerjaren.39 De ontvanger van een subsidie moet er voor zorgen dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het beheerpakket wordt voldaan.40 Indien de ontvanger niet voldoet aan de voorwaarden en verplichtingen kunnen Gedeputeerde Staten de jaarvergoeding verlagen.41 Onder bepaalde voorwaarden is het ook toegestaan om een subsidie te wijzigen en/of in te trekken. Het initiatief daartoe kan uitgaan van Gedeputeerde Staten of van de ontvanger van de subsidie.42 Het toezicht op de naleving van de subsidievoorwaarden wordt uitgevoerd door ambtenaren die door Gedeputeerde Staten van de onderscheiden provincie met deze taak zijn belast.43 De ontvanger van de subsidie is verplicht om er voor te zorgen dat door of namens Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.44 In de SNL zijn overeenkomstige voorschriften ten behoeve van subsidies voor natuur- en landschapsbeheer opgenomen.
De SNL heeft een (sterk) conserverend karakter. De regeling is bedoeld voor het in stand houden van bestaande natuurwaarden. Het is op basis van de SNL niet mogelijk om subsidie aan te vragen voor het herstel van verdwenen natuurwaarden en/of de aanleg van ‘nieuwe natuur’. Voor dat doel is een aanvullende regeling opgesteld: de Subsidieverordening kwaliteitsimpuls natuur en landschap.45 Deze regeling is bedoeld om subsidies te verstrekken voor de inrichting van natuur en functiewijziging. De huidige Sknl is niet ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie.46 De reden hiervoor is dat de huidige regeling qua inhoud voortbouwt op de vroegere Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN). De genoemde regelingen zijn in het verleden goedgekeurd door de Europese Commissie, en verenigbaar geacht met de interne markt.47
De Sknl kan worden gebruikt voor de omzetting van landbouwgrond in natuur, de verhoging van de natuurkwaliteit van bestaande natuurwaarden, de omzetting van een bestaand natuurtype naar een gewenst natuurtype en de aanleg van bepaalde landschapselementen.48 Het aanvragen van een subsidie is alleen mogelijk voor gebieden die zijn opgenomen op een ambitiekaart die onderdeel uitmaakt van het natuurbeheerplan.49 Dit is in de praktijk het natuurbeheerplan dat ook voor de uitvoering van de SNL wordt gebruikt. De Sknl wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld en waar nodig gewijzigd. In de verordening wordt precies omschreven welke kosten wel en niet voor een subsidie in aanmerking komen. Alleen de werkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel. De subsidie bedraagt maximaal 95% van deze kosten.50 In de Sknl is een speciale regeling voor functieverandering van gronden opgenomen. Op basis van die regeling is het mogelijk om subsidie aan te vragen voor omzetting van landbouwgronden in natuur. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de optredende waardevermindering van de betreffende grond.51