Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.1
2.1 Geschiedenis van de Wet op de Arbeidsovereenkomst (1907)
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS304754:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
In 1838 werd bij de invoering van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gekozen voor een vergelijkbare regeling, zie hierover, in samenvattende zin, Heerma van Voss 1992, p. 28 e.v.
Over het bereik van dit artikel van de drie wetsartikelen bestond aanvankelijk een verschil van mening. Meer precies ging dit over de vraag of deze bepalingen zich ook uitstrekten over anderen dan de met name genoemde werkkrachten ('dienstboden en werklui'). Deze discussie werd in 1859 door de Hoge Raad beslecht, met zijn oordeel dat een restrictieve uitleg aangewezen was (HR 16 december 1859 W. 21251). Meer uitgebreid over dit arrest: Boot 2005, p. 22 e.v.
Bedenk hierbij dat overeenkomsten over het algemeen mondeling werden gesloten en dat – krachtens het toen geldende artikel 1638 BW - bij geschillen ten aanzien van bepaalde onderwerpen (zoals betaling van het loon, de duur van de overeenkomst) de 'meester' op zijn woord werd geloofd, zodat de positie van dienst- en werkboden nog bepaald zwak was te noemen.
Dit geldt in de eerste plaats voor Engeland, waar de Industriële Revolutie al in de achttiende eeuw begon. Maar ook in Frankrijk en België (rond 1815) en in Duitsland (1850) was eerder dan in Nederland sprake van industrialisering. Dat de ontwikkeling in Nederland laat op gang kwam, kan worden toegeschreven aan de spreekwoordelijke wet van de remmende voorsprong: in Nederland was het voor ondernemingen, gezien de traditioneel sterke handelspositie van ons land, minder rendabel aanzienlijke investeringen te doen in de industrie. Uiteindelijk ontkwam Nederland echter niet aan industrialisering.
Door p. A. Diepenhorst (Diepenhorst 1921, p. 90) werd in dit verband de – naar mijn opvatting iets kritischer getoonzette – term ‘laat maar waaien-stelsel’ gebruikt.
Molenaar 1957, p. 3 spreekt in dit verband zelfs van een toentertijd groeiende overtuiging, dat de taak van de wetgever ‘richtend en leidinggevend’ optreden vroeg, met ’voorschriften van dwingend recht’.
Aldus Molenaar 1953, p. 286.
Bles 1909, 1, p. 3-7.
Pas sinds 1992 wordt in het Burgerlijk Wetboek consequent gesproken van 'arbeidsovereenkomst' en 'werknemer', in plaats van 'dienstbetrekking', respectievelijk 'arbeider'. Omwille van de leesbaarheid wordt in dit boek consequent voor de moderne terminologie gekozen, tenzij het citaten betreft.
In kaart gebracht door Heerma van Voss 1992, p. 35.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat er wel gesproken is over een redelijkheidtoetsing van het ontslag, maar dat een dergelijke inhoudelijke toetsing niet in de voorstellen terecht is gekomen, omdat het te veel rechtsonzekerheid met zich zou brengen, Bles 1909, 4, p. 7-8, 14.
Aldus de oorspronkelijke regeling van de artikelen 1639o en 1639r BW, zie ook Bles 1909, 4, p. 93 e.v. en p. 168 e.v.; Molenaar 1953, p. 136 e.v.
De eerste wettelijke bepalingen betreffende de Nederlandse arbeidsovereenkomst dateren van het begin van de negentiende eeuw. Het begon met het 'Wetboek Napoleon ingericht voor het Koninkrijk Holland' dat gold van 1808 tot 1811 en dat na de inlijving door Frankrijk werd opgevolgd door de Franse Code Civil.1
In 1838 werd bij de invoering van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gekozen voor een vergelijkbare regeling. In het Burgerlijk Wetboek werd plaats ingeruimd voor drie artikelen onder de titel "Van huur van dienstboden en werklieden". Deze wetgeving bood werknemers nog maar weinig bescherming.2 Werkgevers ('meesters') konden overeenkomsten, afgesloten voor zowel onbepaalde als bepaalde tijd, te allen tijde en zonder opgave van reden opzeggen, zij het dat voor beëindiging van overeenkomsten voor bepaalde tijd sprake was van de verplichting tot betaling van een schadeloosstelling van loon over een periode van zes weken, of zoveel minder als de dienstbetrekking nog zou duren.3
De industrialisering van de maatschappij voltrok zich in Nederland vanaf 1870, veel later overigens dan in de Nederland omringende landen.4 Dit had zeer sterke gevolgen voor de wijze waarop de arbeid werd georganiseerd. Er vond een verschuiving van activiteiten plaats van platteland naar stad. Er werd op grote schaal in fabrieken gewerkt, ook door vrouwen en kinderen. Deze maatschappelijke ontwikkeling, met vaak erbarmelijke arbeidsomstandigheden, lage lonen en grote mate van afhankelijkheid van werknemers, vroeg om nieuwe regels. De onvoorwaardelijke laisser faire-benadering5 werd losgelaten en men kwam tot het inzicht dat ook een taak voor de Staat was weggelegd.6 Hierbij werd het enigszins neerbuigende, maar ongetwijfeld goedbedoelde standpunt gehuldigd, dat bescherming behoorde te worden verleend aan zogenoemde personae miserabiles, zijnde personen die door onvoldoende ontwikkeling van hun geestelijke en verstandelijke vermogens niet bij machte zouden zijn hun eigen belangen voldoende te behartigen.7
Naast speciale wetten ter bestrijding van uitwassen, zoals onder meer de Kinderwet-Van Houten (1874) en de Arbeidswet (1889), leidde dit tot een uitvoeriger civielrechtelijke regeling van de arbeidsovereenkomst: de Wet op de Arbeidsovereenkomst (1907), waarmee met ingang van 1909 wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek werden aangebracht. Bij de totstandkoming van deze wet werd tot uitgangspunt genomen, dat sprake is van een economisch zwakkere partij die extra bescherming verdient. In de "Algemeene Beschouwingen" van de memorie van toelichting werd het als volgt verwoord:
"Het is zoo: ook bij andere overeenkomsten ziet men somtijds, dat de eene partij sterker, de ander zwakker is. Doch daar plegen de rollen om te wisselen. Bij den koop bijv. is nu eens de overmacht bij den kooper, dan weder stelt de verkooper de wet. Bij deze overeenkomst daarentegen doet zich het verschijnsel voor, dat in den regel dezelfde partij, namelijk de arbeider, de zwakke is.
(...)
Geldt dit min of meer van allen, die tegen loon in dienst van anderen arbeid verrichten, het geldt met name van diegenen onder hen, voor wie ten gevolge van hun geringere ontwikkeling en van hun zwakken financieelen toestand toetreding tot het aangeboden arbeidscontract eene gebiedende noodzakelijkheid is. Bij hen beheerscht het arbeidscontract het geheele bestaan. Van deze arbeiders vooral gaat de drang uit, door wettelijke regeling eenige bescherming te verkrijgen tegen al te drukkende voorwaarden. (...) Eene bevredigende ordening is, vooral met het oog op deze arbeiders, niet anders te verkrijgen dan door een gedeelte der rechtsregels met dwingende kracht te voorzien."8
Deze principiële beschermingsgedachte kon in de uiteindelijke wettekst (het duurde na het eerste wetsvoorstel van Drucker ruim vijftien jaar voordat er een door het parlement goedgekeurde wet kwam) vooral worden teruggevonden bij de bepalingen over het loon (zoals de verplichting tot doorbetaling daarvan bij ziekte). Van serieuze, substantiële bescherming van werknemers tegen ontslag was echter nog geen sprake. Weliswaar werd in de wet een uitgebreide regeling opgenomen over de wijzen waarop de arbeidsovereenkomst9 kon eindigen, maar al deze bepalingen10 lieten onverlet, dat de uit het algemene overeenkomstenrecht afkomstige mogelijkheid tot het beëindigen van overeenkomsten door opzegging zonder meer bleef bestaan. Een opzegging was onaantastbaar, zo lang maar met inachtneming van de geldende opzegtermijn werd opgezegd.11 Zelfs beëindiging zonder inachtneming van de (volledige) opzegtermijn was mogelijk, maar dan slechts met instemming van de wederpartij of wegens een dringende reden. Het niet respecteren van deze laatste regels leidde tot onrechtmatigheid van het ontslag, die vervolgens echter kon worden opgeheven door het betalen van een schadeloosstelling die hetzij het loon over de resterende duur van een contract voor bepaalde tijd bedroeg, hetzij – bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd – het loon over de opzegtermijn (in beginsel: de periode tussen twee loonbetalingen, hetgeen ook een dag of een week kon zijn).12 Al met al bood een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zonder tussentijdse opzegmogelijkheid) de werknemer vaak meer bescherming dan een overeenkomst voor onbepaalde tijd met haar over het algemeen korte opzegtermijnen.