Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/1.4
1.4 Onderzoeksmethode
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS396457:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 288 VW EU.
Zie bijvoorbeeld HvJ 19 januari 1982, zaak 8/81, Jur. 1982, blz. 53 (Becker), r.o. 25 en HvJ 12 februari 2009, zaak C-138/07, VN 2009/11.14 (Cobelfret), r.o. 58.
HvJ 19 november 1991, zaak C-6/90 en C-9/90,Jur. 1991, blz. I-5357 (Francovich), r.o. 58, HvJ 18 januari 2001, zaak C-150/99, VN 2001/11.21 (Stockholm Lindöpark) en W.A. Vermeend, H.A. Kogels en H. Mees, Compendium Europees belastingrecht, Deventer, Kluwer, 2002, blz. 65.
A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss. UvT), 2007, blz. 51.
HvJ 6 oktober 1982, zaak 283/81, Jur. 1982, blz. 3415 (CILFIT), r.o. 6, 14 en 15.
HvJ 13 november 1990, zaak C-106/89,Jur.1990, blz. I-4135 (Marleasing), r.o. 8, HvJ 16 december 1993, zaak C-334/92, Jur. 1993, blz. I-6911 (Wagner Miret), r.o. 20 en HvJ 16 juli 1998, zaak C-355/96, Jur. 1998, blz. I-4799 (Silhouette), r.o. 36. L.F. Ploeger, noot bij HR 16 mei 1984, nr. 22 246, BNB 1984/212 spreekt in dit verband over een kameleoneffect.
HvJ 8 februari 1990, zaak C-320/88, BNB 1990/271 (SAFE).
A. van Dongen, a.w., blz. 51 en 52.
Zie bijvoorbeeld HvJ 12 maart 2009, zaak C-566/07, VN 2009/31.14 (Stadeco), r.o. 43 en HvJ 4 juni 2009, zaak C-102/08, VN 2009/38.13 (SALIX), r.o. 44.
Meestal het wereldinkomen van personen die op het grondgebied van het land wonen of zijn gevestigd en het inkomen van buitenlanders behaald op het grondgebied van het land.
De Nederlandse omzetbelasting heeft een Europese grondslag in de vorm van de btw-richtlijn. De btw-richtlijn vormt onderdeel van het Unierecht. Lidstaten zijn verplicht de richtlijn zodanig in hun wetgeving te implementeren dat het door de richtlijn voorgeschreven resultaat wordt bereikt.1 Indien implementatie niet juist of niet tijdig heeft plaatsgevonden en de betreffende bepalingen uit de richtlijn zijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig geformuleerd dan kunnen burgers rechtstreeks een beroep doen op het Unierecht.2 Zij kunnen zelfs vergoeding krijgen van schade die zij hebben geleden als gevolg van de niet tijdige of niet juiste implementatie.3 Het Unierecht gaat dus boven het nationale recht.4 De nationale rechters zijn in samenwerking met het Hof van Justitie bewaker van een juiste implementatie van het Unierecht door de lidstaten. Elke nationale rechter kan een vraag aan het Hof van Justitie voorleggen. De hoogste rechterlijke instantie van een land is daartoe zelfs verplicht, tenzij het Hof al eerder uitspraak heeft gedaan over de betreffende vraag of er redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de wijze waarop een gestelde vraag moet worden beantwoord.5 De nationale rechters passen daarnaast regelmatig een verzoenende interpretatie toe. Indien de tekst van de wet niet volledig in overeenstemming is met de btw-richtlijn (bijvoorbeeld omdat de tekst van de nationale wet van voor de Zesde Richtlijn is gehandhaafd) wordt de tekst van de wet toch geacht overeen te komen met die van de bijbehorende richtlijnbepaling.6
De inhoud van het Unierecht dient ook in alle lidstaten gelijk te zijn. Veel begrippen in de richtlijnen worden dan ook aangeduid als communautaire begrippen. Zij zijn autonoom en dienen eenvormig te worden uitgelegd. Hun uitleg is niet afhankelijk van bijvoorbeeld het civiele recht7 van lidstaten. Van Dongen noemt als voorbeelden van dergelijke communautaire begrippen: vaste inrichting, levering van een goed, diensten op het gebied van reclame, verhuur van onroerend goed en onroerend goed.8 Vooral wanneer we het hebben over de regels voor de plaats van dienst is een uniforme uitleg van de begrippen uit het Unierecht van groot belang. Indien een lidstaat het begrip vaste inrichting anders invult dan een andere lidstaat kan dit een ongewenste dubbele heffing of niet-heffing tot gevolg hebben. Stel bijvoorbeeld dat op grond van de Nederlandse wetgeving sprake is van een vaste inrichting in Finland waaraan de betreffende dienst volgens deze wetgeving ook moet worden toegerekend. Nederland zal de verrichte dienst dan niet in de heffing betrekken. Stel vervolgens dat volgens Finse wetgeving geen sprake is van een vaste inrichting en dat de prestatie is belast in het land waar de afnemer zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft, stel in dit geval in Nederland, dan zal ook Finland niet heffen. Er ontstaat een situatie van niet-heffing. In dit onderzoek zullen de btw-richtlijn en haar voorgangers evenals de jurisprudentie van het Hof van Justitie het uitgangspunt zijn. Ook het nationale recht en jurisprudentie zijn echter van groot belang bij invulling van de vier vestigingsplaatsvormen. Per geval zal steeds moeten worden bezien waar een belastingplichtige of eventueel niet-belastingplichtige is gevestigd voor de omzetbelasting. Dit is sterk afhankelijk van de feitelijke situatie. Het Hof van Justitie mag bij gestelde prejudiciële vragen geen uitspraak doen over de feiten. Zij mag dus niet constateren of iemand wel of niet in een bepaald land is gevestigd. Dat is aan de nationale rechter die over het individuele geval oordeelt. Wel geeft het Hof de nationale rechter over het algemeen aanwijzingen over de wijze waarop de nationale rechter met het antwoord op de prejudiciële vraag in de hand de kwestie kan beslechten.9 Op die manier wordt ook een uniforme invulling van communautaire begrippen bevorderd.
Ook in de directe belastingen worden woon- en vestigingsplaatsbegrippen gebruikt om enerzijds in nationale wetgeving vast te leggen van wie men wat wil belasten10 en anderzijds uitgaande van die nationale wetgeving in belastingverdragen de heffingsbevoegdheden tussen twee landen te verdelen. Daarbij wordt eveneens onderscheid gemaakt tussen een primaire vestiging en een secundaire vestiging, de vaste inrichting. Vraagstukken en problemen ofjuist oplossingen voor geconstateerde problemen die men in de directe belastingen tegenkomt bij de verdeling van heffingsbevoegdheden op grond van de woon- of vestigingsplaats kunnen inzicht bieden in vraagstukken en problemen die in de omzetbelasting spelen bij de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen landen met gebruikmaking van de woon- of vestigingsplaats of juist oplossingen bieden voor geconstateerde problemen of vraagstukken. In dit onderzoek zal dan ook de invulling van de woon- en vestigingsplaatsbegrippen in de directe belastingen worden betrokken.
Hetzelfde geldt voor de invulling van het vestigingsplaatsbegrip in het Europese recht. De omzetbelasting is immers een Europese belasting en indien men zich afvraagt hoe de vier vestigingsplaatsvormen genoemd in de regels voor de plaats van dienst in de btw-richtlijn moeten worden ingevuld, ligt het voor de hand na te gaan of uit ander Europese recht, met name het overkoepelende VW EU, een en ander kan worden afgeleid over de invulling van deze vestigingsplaatsvormen.
Hoewel het civiele recht van de lidstaten niet bepalend is voor de invulling van communautaire begrippen in de btw-richtlijn is ook in het internationale privaatrecht de woon- of vestigingsplaats van belang, bijvoorbeeld bij beantwoording van de vraag welke rechter bevoegd is over een geschil te beslissen. Hoe men internationaal denkt over de invulling van dergelijke begrippen kan interessant zijn voor de invulling van de vier vestigingsplaatsvormen in de omzetbelasting. Als men in het internationale privaatrecht consensus heeft bereikt over de invulling van begrippen als woonplaats en filiaal dan zou dit een hulpmiddel kunnen vormen voor de invulling van dergelijke begrippen in de omzetbelasting. De omzetbelasting kan ook niet geheel zonder het civiele recht. Het is geënt op dit civiele recht omdat het aansluit bij transacties tussen rechtssubjecten die worden beheerst door onder andere het overeenkomsten-recht en het eigendomsrecht.