HR, 14-10-2022, nr. 20/03252
20/03252
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2022
- Zaaknummer
20/03252
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1448, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:6639
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑10‑2022
- Vindplaatsen
V-N 2022/45.3 met annotatie van Redactie
NTFR 2022/3533 met annotatie van Drs. N.E. Vis
NLF 2022/2077 met annotatie van Charlie Bruijsten
FED 2022/126 met annotatie van R. RUSSO
BNB 2023/4 met annotatie van R.P.C. CORNELISSE
Viditax (FutD) 2022101401
FutD 2022-2796
Uitspraak 14‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Artikel 3:8 en 3:25 Wet IB; Is afschrijving op een erfpachtrecht op landbouwgrond met een terugkooprecht toegestaan?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03252
Datum 14 oktober 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 augustus 2020, nr. 19/008011., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 16/2665) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door P. Zijlstra, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
De vader van belanghebbende (hierna: de vader) heeft in 1990 een aantal percelen landbouwgrond, onder voorbehoud van een recht van erfpacht, verkocht en geleverd aan een levensverzekeringsmaatschappij. Dit recht eindigde op 30 november 2016. In de akte van vestiging is bepaald dat de eigenaar aan de erfpachter per de expiratiedatum, naar keuze van de eigenaar, een voorstel zal doen om de percelen grond (a) opnieuw in erfpacht te verkrijgen, of (b) te kopen en in volle eigendom te verwerven tegen 85 procent van de vrije waarde. In 1994 heeft belanghebbende dit recht van erfpacht inclusief alle bijkomende rechten en verplichtingen (het eerste erfpachtrecht) verkregen van de vader.
2.1.2
Belanghebbende heeft verder, onder voorbehoud van een recht van erfpacht (het tweede erfpachtrecht), een aantal andere percelen landbouwgrond verkocht en geleverd, aan een andere verzekeringsmaatschappij. Het tweede erfpachtrecht eindigt op 2 december 2038. In de akte van vestiging is bepaald dat de erfpachter bij het einde van de erfpachtperiode het recht heeft (a) de percelen te kopen tegen een koopsom van 85 procent van de dan geldende vrije marktwaarde, of (b) de eigenaar te verzoeken een voorstel te doen voor het heruitgeven in erfpacht.
2.2
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende mag afschrijven over het door belanghebbende als insteekbedrag aangeduide verschil tussen de waarde van de erfpachtrechten, met inbegrip van het terugkooprecht/recht op heruitgifte in erfpacht (hierna: terugkooprecht), bij het begin van de erfpachtperiode en de waarde van die rechten aan het einde van de erfpachtperiode bij gelijkblijvende grondwaarde.
2.2.1
Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – vastgesteld dat elk van de erfpachtrechten, met inbegrip van het terugkooprecht, een afzonderlijk bedrijfsmiddel vormt en dat de waardeontwikkeling per bedrijfsmiddel (de rechten van erfpacht en van terugkoop tezamen) moet worden beschouwd.
2.2.2
Naar het oordeel van het Hof staat goed koopmansgebruik niet toe op de erfpachtrechten met inbegrip van de terugkooprechten (hierna: de gezamenlijke rechten) af te schrijven. Het heeft hiertoe overwogen dat belanghebbende voor elk erfpachtrecht niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de gezamenlijke rechten zou dalen. Belanghebbende heeft geen of onvoldoende concrete gegevens overgelegd over de verwachte waardeontwikkeling van de gezamenlijke rechten gedurende de looptijd van het erfpachtrecht of per expiratiedatum. Daarbij is volgens het Hof niet doorslaggevend of de waarde van landbouwgronden op enig moment dalende is. Uit de tot het dossier behorende gegevens volgt dat de waarde van landbouwgronden vanaf het moment van de verwerving juist is gestegen, aldus het Hof.
2.3
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat goed koopmansgebruik toestaat af te schrijven over het bedrag dat als ‘insteek’ is opgeofferd voor de verkrijging van de erfpachtrechten. Dat opgeofferde insteekbedrag komt volgens het middel tot uitdrukking in de waardedaling – het verschil tussen de aanvangswaarde en de eindwaarde – van het desbetreffende erfpachtrecht (inclusief het terugkooprecht) gedurende de erfpachtperiode. Zo’n waardedaling zal zich volgens het middel onvermijdelijk voordoen indien de waarde van de desbetreffende percelen landbouwgrond en dus de waarde van het terugkooprecht aan het einde van de erfpachtperiode niet aanzienlijk zal zijn gestegen. Volgens het middel hoeft bij de beoordeling of afschrijving is toegestaan geen rekening te worden gehouden met een eventuele waardestijging van de erfpachtrechten als gevolg van een toekomstige stijging van de waarde van de percelen landbouwgrond.
2.4
Bij de beoordeling van het middel wordt – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU3996 – het volgende vooropgesteld.
2.4.1
In het kader van de fiscale jaarwinstbepaling hebben afschrijvingen ten doel lasten die worden opgeroepen door de aanschaf van zaken die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt (bedrijfsmiddelen), te spreiden over de jaren waarin dat gebruik plaatsvindt.
2.4.2
Het in totaal voor afschrijving in aanmerking komende bedrag moet worden bepaald op de kosten van aanschaf van het bedrijfsmiddel vermeerderd met de kosten van de in samenhang met de aanschaf gedane investeringen in dat bedrijfsmiddel, verminderd met de restwaarde.
2.4.3
De restwaarde moet bij aanvang van het gebruik schattenderwijs worden bepaald op de waarde die het bedrijfsmiddel bij de beëindiging van het gebruik door de belastingplichtige in elk geval zal hebben.Goed koopmansgebruik vereist niet dat bij de bepaling van de restwaarde rekening wordt gehouden met – bijvoorbeeld ten gevolge van te verwachten inflatie – wellicht waarschijnlijke, maar nog niet zekere toekomstige waardestijgingen van het bedrijfsmiddel. Indien met die mogelijke waardestijgingen wel rekening zou worden gehouden, zou de jaarwinst – door middel van een lagere afschrijving of door afschrijving achterwege te laten – worden verhoogd ten gevolge van waardestijgingen die nog niet hebben plaatsgevonden. Goed koopmansgebruik verplicht niet tot een dergelijk vooruitlopen op toekomstige waardestijgingen.Evenmin vereist goed koopmansgebruik dat de aldus bepaalde restwaarde – en daarmee de afschrijving – gedurende het gebruik van het bedrijfsmiddel wordt aangepast aan waardestijgingen van die restwaarde. Zo’n aanpassing is echter wel geboden bij een aanmerkelijke verandering van die waarde, die redelijkerwijs als blijvend kan worden beschouwd. De partij die zich op een dergelijke aanpassing beroept, heeft de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat een verandering van de waarde aanmerkelijk is en redelijkerwijs als blijvend kan worden beschouwd.
2.5
In de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt het oordeel besloten dat goed koopmansgebruik niet toestaat af te schrijven over de bedragen die als insteek zijn opgeofferd voor de gezamenlijke rechten. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat goed koopmansgebruik niet toestaat over de waarde van de gezamenlijke rechten af te schrijven als niet zeker is dat die gezamenlijke rechten gedurende hun looptijd per saldo in waarde zullen dalen, heeft het Hof hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen miskend.Indien het Hof zou zijn uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, had het zijn oordeel nader moeten motiveren, in het licht van de berekeningen die belanghebbende in zijn hogerberoepschrift over de waarde van (elk van) de gezamenlijke rechten per expiratiedatum heeft aangevoerd. Die nadere motivering ontbreekt in de bestreden uitspraak.Het middel slaagt.
2.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 131, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.518 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑10‑2022
Beroepschrift 14‑10‑2022
MOTIVERING BEROEPSCHRIFT IN CASSATIE [X]
Belastingplichtige: [X] Aanslag IB/
Betreft: PVV2011
Kenmerk: 20/0352
1. Verloop van het geding/feiten
Voor het verloop van het geding en de vaststelling van de feiten verwijs ik naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2. Eerste middel: Schending van het recht en motiveringsgebrek
Het Gerechtshof heeft in haar arrest het recht geschonden door in de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.9 te oordelen dat [X] in het geheel niet mag afschrijven over het bij hem in eigendom zijnde erfpachtrecht. De klacht richt zich niet tegen het oordeel dat niet over het gehele erfpachtrecht mag worden afgeschreven, wel tegen het oordeel dat ook op een gedeelte van het erfpachtrecht — het zogenaamde ‘insteek erfpacht’- niet mag worden afgeschreven.
2.1. Eerste middel
[X] meent dat op het moment van het afsluiten van het erfpachtrecht zijn vermogen is verminderd. Deze vermogensdaling moet volgens [X] op grond van het totaalwinstbeginsel van artikel 3.8 Wet Inkomstenbelasting 2001 ten laste van zijn ondernemingsvermogen gebracht kunnen worden gebracht.
Op grond van goedkoopmansgebruik uit artikel 3.25 Wet Inkomstenbelasting 2001, met name het matchingsbeginsel en voorzichtigheidsbeginsel, moet volgens [X] gedurende de periode waarvoor het erfpachtrecht is afgesloten een deel van deze vermogensdaling aan ieder jaar worden toegerekend. [X] meent dat, in tegenstelling tot het oordeel van het Gerechtshof, dit kan door middel van een jaarlijkse afschrijving.
[X] meent dat vanaf het moment dat hij zijn grond heeft verkocht, ook als rekening wordt gehouden met het bedongen erfpachtrecht en terugkooprecht, zijn vermogen is gedaald. Dit door de betaling van het zogenaamde ‘insteek erfpacht’.
2.2. Berekening insteek erfpacht
[X] berekent het door hem opgeofferde insteek van het erfpachtrecht als volgt:
2.2.1. Erfpachtrecht [A]
[X] heeft de grond aangekocht voor een bedrag van € 570.978. Hij heeft vervolgens de grond doorverkocht voor € 466.299. Het erfpachtrecht dat hij daarbij heeft afgesloten heeft daarmee een waarde van € 104.679.
De grond in zijn geheel is € 570.978 waard. [X] heeft op grond van het contract bij terugkoop van het blote eigendom van de grond een korting van 15% (artikel 23 lid 1).1. Hij mag de grond terugkopen voor 85% van de waarde van de grond in het economisch verkeer bij terugkoop.
Zou hij direct de grond terugkopen, dan betekent dit dat hij de bloot eigendom van de grond zou kunnen terugkopen voor € 485.331,30, wat een korting op zou leveren van € 85.646,70. In dat geval betaald hij € 19.032 meer voor het terugkopen van het bloot eigendom van de grond dan dat hij heeft ontvangen voor de verkoop van het bloot eigendom van de grond.
2.2.2. Erfpachtrecht [B]
De vader van [X] heeft de grond waarop een erfpachtrecht is gevestigd, gekocht voor een bedrag van € 184.142. Het bloot eigendom van de grond is vervolgens verkocht aan [B] voor een bedrag van € 97.725. Het erfpachtrecht dat bij de transactie is afgesloten heeft daarmee een waarde van € 86.417.
De grond in zijn geheel is bij de transactie € 184.142 waard. Op grond van het contract mag de eigenaar van het erfpachtrecht de grond terugkopen voor 85% van de waarde van de grond in het economisch verkeer bij terugkoop (art. 22 sub b).2.
Zou de vader van [X] de bloot eigendom van de grond direct terugkopen, dan zou hij daarvoor € 156.520,70 dienen te betalen. Het terugkooprecht heeft daardoor een waarde van € 27.621,30. In dat geval had hij € 58.796 meer betaald voor de aankoop van het bloot eigendom dan hij had ontvangen bij de verkoop van het bloot eigendom.
[X] heeft het erfpachtrecht, dat voor zijn vader een waarde had van € 86.417, voor € 59.718 van zijn vader overgenomen. Dit betekent dat [X] een bedrag van € 26.699 niet heeft hoeven op te offeren. [X] heeft daardoor als insteek voor dit erfpachtrecht niet € 59.718 maar € 32.097 opgeofferd.
2.2.3. Uitwerking vermogensmutaties
In een tabel is deze berekening nogmaals uitgewerkt:3.
[A] | ||
Gebeurtenis | Bedrag | Percentage waarde grond |
Aankoop grond | € 570.978 | 100,00% |
Verkoop bloot eigendom | € -466.299 | 81,67% |
Erpachtrecht | € 104.679 | 18,33% |
Terugkoop | Bedrag | Percentage waarde grond |
Waarde grond | € 570.978 | 100% |
Terugkoopkorting | € 85.646,70 | 15,00% |
Te betalen bij terugkoop | € 485.331,30 | 85,00% |
Vermogensmutatie bij terugkopen (zonder gestegen waardegrondprijs) LM: Betaald voor eigendom | € -570.978 | |
Grond | € 570.978 | |
Verkoop grond | € -570.978 | |
Erfpachtrecht | € 104.679 | |
LM: Verkoopopbrengst bloot eigendom | € 466.299 | |
LM: Terugkoopuitgaven bloot eigendom | € -485.331 | |
Verlies erfpachtrecht | € -104.679 | |
Grond | € 570.978 | |
Vermogensmutatie | € -19.032 | |
[B] | ||
Gebeurtenis | Bedrag | Percentage waarde grond |
Aankoop grond | € 184.142 | 100,00% |
Verkoop bloot eigendom | € -97.725 | 53,07% |
Erpachtrecht | € 86.417 | 46,93% |
Terugkoop | Bedrag | Percentage waarde grond |
Waarde grond | € 184.142 | 100% |
Terugkoopkorting | € 27.621,30 | 15,00% |
Te betalen bij terugkoop | € 156.520,70 | 85,00% |
Gebeurtenis | Bedrag | |
Koop erfpachtrecht vader | € 86.417,00 | |
Overname erfpachtrecht [X] | € 59.718,00 | |
Lager opgeofferd bedrag [X] | € 26.699,00 | |
Vermogensmutatie bij terugkopen (zonder gestegen waarde grondprijs) LM: Betaald voor eigendom Grond Verkoopegrond Erfpachtrecht LM: Verkoopopbrengst bloot eigendom LM: Terugkoopuitgaven bloot eigendom Verlies erfpachtrecht Grond Vermogensmutatie vader Voordeel [X] door lagere aankoopprijs erfpachtrecht | € -184.142 € 184.142 € -184.142 € 86.417 € 97.725 € -156.521 € -86.417 € 184.142 € -58.796 € 26.699 € -32.097 | |
Vermogenmutatie [X] |
2.2.4. Conclusie
[X] meent daarom dat hij € 19.032 als insteek voor het erfpachtrecht bij [A] heeft betaald en€ 32.097 als insteek voor het erfpachtrecht bij [B].
2.3. Motivatie eerste middel
[X] meent dat het Gerechtshof ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van het voorzichtigheidsbeginsel uit het goedkoopmansgebruik over het insteek van het erfpachtrecht dat [X] heeft opgeofferd, niet mag worden afgeschreven.
[X] meent dat het Gerechtshof, door te overwegen dat hij niet heeft aangetoond dat het erfpachtrecht en het terugkooprecht gezamenlijk in waarde zijn gedaald, op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat [X] niet jaarlijks een bedrag van het geactiveerde erfpachtrecht mag afschrijven.
[X] meent dat zijn vermogen ten tijde van het afsluiten van het erfpachtrecht is verminderd door de betaling van het insteek erfpacht. Hij meent dat in ieder geval op deze vermogensvermindering, die is ontstaan op het moment van het afsluiten van het erfpachtrecht, ten laste van zijn ondernemingswinst mag worden gebracht.
[X] meent dat dit bij het afsluiten van het erfpachtrecht ineens ten laste van de winst had kunnen worden gebracht of, zoals [X] het heeft verwerkt, door dit vermogen jaarlijks toe te rekenen aan een periode waarin het erfpachtrecht in gebruik is middels afschrijving.
De enige manier waarop [X'] vermogen namelijk niet zal dalen door de erfpachtconstructie, is als de grond na het moment van het vestigen van het recht van erfpacht, gedurende de periode waarin [X] het erfpachtrecht bezit, zodanig in waarde stijgt dat de korting die wordt verkregen op grond van het terugkooprecht meer waard is dan het bedrag dat als insteek voor het erfpacht is opgeofferd.
Indien de grond niet, dan wel onvoldoende, in waarde stijgt gedurende de periode dat [X] het erfpachtrecht bezit, is het vermogen in de onderneming lager dan voor het afsluiten van de erfpachtconstructie.
Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat [X] niet heeft aangetoond dat het erfpachtrecht en het terugkooprecht gezamenlijk in waarde zijn gedaald. Zij overweegt dat [X] niet heeft aangetoond dat de grond, en daarmee de gezamenlijke rechten, in waarde is gedaald gedurende de erfpachtperiode.
[X] meent dat dit een rechtens onjuist oordeel is. De enige manier waarop zijn gezamenlijke rechten door de erfpachtconstructie niet in waarde zullen verminderen, is wanneer de grond gedurende de erfpachtperiode in waarde stijgt.
Het Gerechtshof oordeelt dan wel dat [X] niet heeft aangetoond dat de grond gedurende de erfpachtperiode in waarde daalt, maar dit heeft in de praktijk tot gevolg dat [X] er bij het aangaan van de erfpachtconstructie vanuit moet gaan dat de grond in waarde zal stijgen, aangezien alleen dan zijn vermogen gelijk blijft. [X] meent dat dit strijdig is met het voorzichtigheidsbeginsel uit het goedkoopmansgebruik, aangezien deze waardestijging allerminst zeker is op het moment van afsluiten van de erfpachtconstructie.
[X] meent daarom dat hij op grond van het matchingsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel uit het goedkoopmansgebruik het bedrag dat hij opoffert als insteek voor de erfpacht middels jaarlijkse afschrijving gedurende de erfpachttermijn ten laste van de winst mag brengen.
In casu betekent dit dat [X] meent gedurende dertig jaar een bedrag van één dertigste deel van het als insteek erfpacht opgeofferde bedrag mag afschrijven. Voor het erfpachtrecht dat is afgesloten met [A] is dit jaarlijks een bedrag van € 634. Voor het erfpachtrecht dat is afgesloten met [B] geldt een looptijd van het erfpachtrecht van 23 jaar, hetgeen een bedrag per jaar betekent dat volgens [X] afgeschreven kan worden van € 1.396.
Aangezien [X] als maat in de maatschap gerechtigd is tot 50% van de winst en 50% van de kosten draagt, betekent dit voor hem een afschrijving van respectievelijk € 317 en € 698.
2.4. Arrest Hoge Raad 10 april 1996
De inspecteur verwijst in zijn verweerschrift in hoger beroep naar het arrest van de Hoge Raad van 10 april 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1866). De Rechtbank heeft in haar vonnis in eerste aanleg tevens naar dit arrest verwezen. [X] meent dat de feiten en omstandigheden uit de erfpachtconstructie in de zaak die leidde tot dit arrest verschillen van de feiten en omstandigheden in onderhavige casus.
In de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest van 10 april 1996 had de verkoper van het bloot eigendom het recht om het bloot eigendom terug te kopen voor minimaal de prijs die hij zelf ontvangen had voor de verkoop van het bloot eigendom, plus bij de overdracht gemaakte kosten (totaal: 290.000 gulden). In het slechtste geval ging de belastingplichtige er in die casus in zijn vermogen niet op achteruit, omdat de aankoopprijs gelijk zou zijn met de verkoopprijs.
[X] meent dat zijn situatie niet één op één met de casus in dit arrest te vergelijken is. Indien hij de bloot eigendom van de grond terug wil kopen, is hij — wanneer als uitgangspunt wordt genomen datde grond gedurende de erfpachtperiode niet in waarde daalt — minimaal een groter bedrag aan aankoopkosten verschuldigd dan hetgeen hij zelf heeft ontvangen bij de verkoop van de grond.
Ook als hij rekening houdt met de waarde van het terugkooprecht, hetgeen in de casus die leidde tot het arrest van 10 april 1996 door de belastingplichtige niet werd gedaan, is het vermogen van [X] verminderd bij de totstandkoming van de erfpachtconstructie. [X] meent daarom dat in zijn casus wel degelijk afschrijving mogelijk is.
3. Conclusie eerste middel: Schending van het recht en motiveringsgebrek
Op het bedrag dat als insteek voor het erfpachtrecht is betaald, is afschrijving mogelijk. De afschrijving dient over een periode van respectievelijk dertig en drieëntwintig jaar plaats te vinden, de periode waarvoor het erfpachtrecht is aangegaan. Het bedrag waarover mag worden afgeschreven bedraagt voor het erfpachtrecht ‘[A]’ € 19.032 en voor het erfpachtrecht ‘[B]’ € 32.097. Per jaar betekent dit een afschrijving van respectievelijk € 317 en € 698 .
4. Algemene conclusie
Het arrest van het Gerechtshof dient vernietigd te worden met terugverwijzing van het geschil naar het Gerechtshof indien Uwe Raad de zaak niet zelf af kan doen.
5. Kostenvergoeding
[X] verzoekt de Belastingdienst te veroordelen in de kosten van het voeren van het hoger beroep en cassatie conform de wettelijke regeling.