De strekking van de toelichting in de schriftuur omtrent de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie is juist. Het van een bijlage voorziene emailbericht van de raadsman van verdachte is verzonden en ingekomen bij een voor communicatie met medewerkers van de strafgriffie aangewezen adres inzake de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken (HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, NJ 2017/119). De schriftelijke volmacht in de bedoelde bijdrage voldoet niet aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102. Immers in de genoemde bijlage komt niet met zoveel woorden tot uitdrukking dat de raadsman door verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd beroep in cassatie in te stellen. De onvolkomen volmacht behoeft echter niet tot niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep te leiden nu de cassatieschriftuur is ondertekend en ingediend door en advocaat die verklaart dat verdachte haar daartoe bepaaldelijk heeft gemachtigd (HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416).
HR, 22-05-2018, nr. 16/03361
ECLI:NL:HR:2018:749
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-05-2018
- Zaaknummer
16/03361
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:749, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑05‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:489
ECLI:NL:PHR:2018:489, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑03‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:749
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑01‑2017
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2018-0217 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Uitspraak 22‑05‑2018
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal van frietwagen d.m.v. valse sleutel, art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr. Ontbreken feitelijke omschrijving van begrip “valse sleutel”. Onvoldoende feitelijke omschrijving van gedraging in tll.? Klacht berust kennelijk op opvatting dat het in tll. en bewezenverklaring gebezigde, aan art. 311.1.5 Sr ontleende begrip “valse sleutel” van louter kwalificatieve aard is. Die opvatting is onjuist. Dit brengt mee dat verweer dat dagvaarding gedeeltelijk nietig is o.g.v. onvoldoende feitelijke omschrijving van tlgd. gedraging, bestaande uit het zich toegang verschaffen d.m.v. een valse sleutel, samenhangt met waarderingen van feitelijke aard, zodat verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.
Partij(en)
22 mei 2018
Strafkamer
nr. S 16/03361
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2016, nummer 20/002269-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof heeft verzuimd de dagvaarding ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit nietig te verklaren aangezien een feitelijke omschrijving van het begrip 'valse sleutel' ontbreekt.
2.2.1.
Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat:
"hij in de periode 19 oktober 2013 tot en met 21 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel."
2.2.2.
Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 20 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, toebehorende aan [A], waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel."
2.2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 oktober 2013, weergegeven op p. 11 t/m 13 van het eindproces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1]:
Ik ben de eigenaar van [A] (het hof begrijpt: [A]) en zodanig bevoegd tot het doen van aangifte. Op dinsdag 16 oktober 2013 heb ik mijn frietwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [AA-00-BB] geparkeerd in mijn bedrijfsloods aan [a-straat 1] te Heeze, gemeente Heeze-Leende.
Op zaterdag, in de middag een keer, heeft een collega van mij nog gezien dat de frietwagen in de loods stond. In de loods stonden in totaal 6 frietwagens waarvan er 5 bedrukt waren met het logo van [A], de andere frietwagen was nog niet voorzien van belettering.
Op maandag 21 oktober 2013 omstreeks 13.00 uur kwam ik weer bij de loods en zag ik dat de frietwagen zonder belettering ontvreemd was uit de loods. Ik zag dat er geen schade was aan de rolpoort dan wel aan de toegangsdeur.
Ik zag dat de toegangsdeur, welke aan de zijkant van de loods zit, van het slot was. Deze is normaal altijd op slot. Aan de deur waren verder geen braaksporen te zien. Van deze toegangsdeur hebben maar 4 personen een sleutel. De rolpoort is voorzien van een toegangscode en deze is maar bij 6 mensen bekend.
Een buurtbewoner heeft gezien dat er zondag 20 oktober 2013 omstreeks 10.00 uur een donkergrijze Mercedes met desbetreffende frietwagen is weggereden vanaf mijn loods.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de politierechter d.d. 15 juli 2015, weergegeven op pagina 2 van het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal, voor zover inhoudende:
Ik heb samen met drie andere personen op 20 oktober 2013 in Heeze de frietwagen van [A] weggenomen. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn met de sleutel, die ik aan hen heb gegeven, de loods binnengegaan. Deze sleutel is bij mij in de brievenbus gegooid. Ik heb hen voor hun aandeel in de diefstal een bepaald geldbedrag gegeven. Wij zijn naar het bedrijfspand van [betrokkene 1] gegaan met de intentie de frietwagen weg te nemen. Ik wist ook dat we om in de loods te kunnen komen moesten beschikken over de code.
3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 11 september 2014, weergegeven op p. 88 t/m 89 van het eindproces-verbaal, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) en [verbalisant 3] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik weet ook waar de frietkar is, maar als ik dat zeg dan weten ze meteen van wie het komt.
Ik wil u opmerken dat ik 3 dagen voordat de diefstal gepleegd is van de frietkar ik een telefoontje heb gekregen van iemand. Deze persoon vertelde mij dat een frietwagen in een loods in Heeze weg moest. Ik kreeg het adres wel door maar weet niet meer welk adres genoemd is. Ik wil niet zeggen wie deze persoon is. Twee dagen na dit telefoontje kreeg ik een sleutel van de loods waar deze frietkar in stond in de brievenbus. Deze sleutel heeft de persoon waarmee ik telefonisch gesproken heb in de brievenbus gegooid. Deze sleutel betrof een sleutel waarmee we de voordeur van de loods konden openen.
4. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 augustus 2014, weergegeven op p. 73 t/m 77 van het eindproces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 4]:
Ik zei nog tegen [verdachte] (het hof: verdachte): 'Wat moet je ermee?'. [verdachte] zei mij dat ik me er niet mee moest bemoeien. [verdachte] heeft mij alleen gezegd dat hij een opdracht had gekregen van iemand die problemen had met de eigenaar van de frietkar en hij daarom de frietkar moest stelen van deze "opdrachtgever".
5. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 23 september 2014, weergegeven op p. 95 t/m 97 van het eindproces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3]:
[verdachte] (het hof: verdachte) liet ons een envelop zien met daarin een brief en een sleutel, was echt een lange brief met veel tekst. In de brief stond het adres van de ruimte waar de frietwagen zou staan, ergens in Brabant. Bij de brief zat een sleutel welke bestemd was om de loods te kunnen openen waar de frietwagen in stond. In de brief stond een hele uitleg hoe we te werk moesten gaan om de frietwagen weg te halen. Er stond in welke deur we moesten hebben van die loods, hoe we moesten rijden, welke stekker we moesten hebben en welke frietwagen we moesten hebben. Aan de hand van deze brief die [verdachte] per post opgestuurd heeft gekregen wisten we precies waar we moesten zijn en hoe we binnen konden komen met de sleutel in de loods.
Zowel [betrokkene 2] als de vriendin van [verdachte] wisten precies wat we gingen doen en hebben bovenstaand verhaal van [verdachte] gehoord in de flat voordat we zijn aangereden."
2.3.
De klacht berust kennelijk op de opvatting dat het in de tenlastelegging en bewezenverklaring gebezigde, aan art. 311, eerste lid onder 5°, Sr ontleende begrip 'valse sleutel' van louter kwalificatieve aard is. Die opvatting is onjuist. Dit brengt mee dat het verweer dat de dagvaarding gedeeltelijk nietig is op grond van een onvoldoende feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging, bestaande uit het zich toegang verschaffen door middel van een valse sleutel, samenhangt met waarderingen van feitelijke aard, zodat dit verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.
2.4.
In zoverre faalt het middel.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.
Conclusie 20‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal van frietwagen d.m.v. valse sleutel, art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr. Ontbreken feitelijke omschrijving van begrip “valse sleutel”. Onvoldoende feitelijke omschrijving van gedraging in tll.? Klacht berust kennelijk op opvatting dat het in tll. en bewezenverklaring gebezigde, aan art. 311.1.5 Sr ontleende begrip “valse sleutel” van louter kwalificatieve aard is. Die opvatting is onjuist. Dit brengt mee dat verweer dat dagvaarding gedeeltelijk nietig is o.g.v. onvoldoende feitelijke omschrijving van tlgd. gedraging, bestaande uit het zich toegang verschaffen d.m.v. een valse sleutel, samenhangt met waarderingen van feitelijke aard, zodat verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.
Nr. 16/03361 Zitting: 20 maart 2018 | Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 21 juni 2016 door het hof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Tevens is beslist op de vordering van een benadeelde partij als nader in het arrest verwoord.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.1.
3. Ten behoeve van de bespreking van het eerste en tweede middel geef ik nu eerst de tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsmiddelen weer.
4. De verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij in de periode 19 oktober 2013 tot en met 21 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze- Leende, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel”
5. Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij op 20 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, toebehorende aan [A], waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel.”
6. Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 oktober 2013, weergegeven op p. 11 t/m 13 van het eindproces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1]:
Ik ben de eigenaar van [A] (het hof begrijpt: [A]) en zodanig bevoegd tot het doen van aangifte. Op dinsdag 16 oktober 2013 heb ik mijn frietwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [AA-00-BB] geparkeerd in mijn bedrijfsloods aan [a-straat 1] te Heeze, gemeente Heeze-Leende. Op zaterdag, in de middag een keer, heeft een collega van mij nog gezien dat de frietwagen in de loods stond. In de loods stonden in totaal 6 frietwagens waarvan er 5 bedrukt waren met het loge van [A], de andere frietwagen was nog niet voorzien van belettering. Op maandag 21 oktober 2013 omstreeks 13.00 uur kwam ik weer bij de loods en zag ik dat de frietwagen zonder belettering ontvreemd was uit de loods. Ik zag dat er geen schade was aan de rolpoort dan wel aan de toegangsdeur. Ik zag dat de toegangsdeur, welke aan de zijkant van de loods zit, van het slot was. Deze is normaal altijd op slot. Aan de deur waren verder geen braaksporen te zien. Van deze toegangsdeur hebben maar 4 personen een sleutel. De rolpoort is voorzien van een toegangscode en deze is maar bij 6 mensen bekend. Een buurtbewoner heeft gezien dat er zondag 20 oktober 2013 omstreeks 10.00 uur een donder grijze Mercedes met desbetreffende frietwagen is weggereden vanaf mijn loods. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de politierechter d.d. 15 juli 2015, weergegeven op pagina 2 van het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal, voor zover inhoudende:
Ik heb samen met drie andere personen op 20 oktober 2013 in Heeze de frietwagen van [A] weggenomen. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn met de sleutel, die ik aan hen heb gegeven, de loods binnengegaan. Deze sleutel is bij mij in de brievenbus gegooid. Ik heb hen voor hun aandeel in de diefstal een bepaald geldbedrag gegeven. Wij zijn naar het bedrijfspand van [betrokkene 1] gegaan met de intentie de frietwagen weg te nemen. Ik wist ook dat we om in de loods te kunnen komen moesten beschikken over de code.
3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 11 september 2014, weergegeven op p. 88 t/m 89 van het eindproces-verbaal, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) en [verbalisant 3] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik weet ook waar de frietkar is, maar als ik dat zeg dan weten ze meteen van wie het komt. Ik wil u opmerken dat ik 3 dagen voordat de diefstal gepleegd is van de frietkar ik een telefoontje heb gekregen van iemand. Deze persoon vertelde mij dat een frietwagen in een loods in Heeze weg moest. Ik kreeg het adres wel door maar weet niet meer welk adres genoemd is. Ik wil niet zeggen wie deze persoon is. Twee dagen na dit telefoontje kreeg ik een sleutel van de loods waar deze frietkar in stond in de brievenbus. Deze sleutel heeft de persoon waarmee ik telefonisch gesproken heb in de brievenbus gegooid. Deze sleutel betrof een sleutel waarmee we de voordeur van de loods konden openen.
4. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 augustus 2014, weergegeven op p. 73 t/m 77 van het eindproces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 4]:
Ik zei nog tegen [verdachte] (het hof: verdachte): ‘Wat moet je ermee?’. [verdachte] zei mij dat ik me er niet mee moest bemoeien. [verdachte] heeft mij alleen gezegd dat hij een opdracht had gekregen van iemand die problemen had met de eigenaar van de frietkar en hij daarom de frietkar moest stelen van deze “opdrachtgever”.
5. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 23 september 2014, weergegeven op p. 95 t/m 97 van het eindproces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (hoofdagent van politie), voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3]:
[verdachte] (het hof: verdachte) liet ons een envelop zien met daarin een brief en een sleutel, was echt een lange brief met veel tekst. In de brief stond het adres van de ruimte waar de frietwagen zou staan, ergens in Brabant. Bij de brief zat een sleutel welke bestemd was om de loods te kunnen openen waar de frietwagen in stond. In de brief stond een hele uitleg hoe we te werk moesten gaan om de frietwagen weg te halen. Er stond in welke deur we moesten hebben van die loods, hoe we moesten rijden, welke stekker we moesten hebben en welke frietwagen we moesten hebben. Aan de hand van deze brief die [verdachte] per post opgestuurd heeft gekregen wisten we precies waar we moesten zijn en hoe we binnen konden komen met de sleutel in de loods.
Zowel [betrokkene 2] als de vriendin van [verdachte] wisten precies wat we gingen doen en hebben bovenstaand verhaal van [verdachte] gehoord in de flat voordat we zijn aangereden.”
7. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de inleidende dagvaarding partieel nietig te verklaren omdat het in de tenlastelegging voorkomende begrip “valse sleutel” niet feitelijk is omschreven en de tenlastelegging daarom niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv, althans dat de diefstal voor zover “gepleegd door middel van valse sleutels” ten onrechte als zodanig is gekwalificeerd, omdat in zoverre enige feitelijke omschrijving ontbreekt.2.
8. Alvorens ik het middel bepreek onder de nummers 15 en 16 enkele algemene vooropmerkingen. Heeft de verdachte belang bij het middel? In dat verband citeer ik r.o. 2.4 uit HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:511:
“Behalve dat de diefstal is begaan door twee of meer verenigde personen in de zin van art. 311, eerste lid onder 4°, Sr is in de onderhavige zaak blijkens de bewijsvoering de diefstal door de verdachte gepleegd onder een van de strafverzwarende omstandigheden als genoemd in voormelde bepaling onder 5°. In het licht daarvan en gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen voorts de door het Hof opgelegde straffen en de motivering daarvan, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov.2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling.”
9. In de thans in cassatie aanhangige zaak gaat het om beide zelfde strafmaximumverhogende omstandigheden. In de zaak uit het arrest van 2015 ging het om een substantieel lagere straf3.dan in de onderhavige zaak. In de strafmotivering in de onderhavige zaak ligt weliswaar het accent niet duidelijk op (één van) beide strafmaximumverhogende omstandigheden, maar het is misschien toch (net) te ruw om hier zonder meer de afdoening van het middel met toepassing van art. 80a RO voor te stellen. Daar komt bij dat in de toelichting op het middel nog wordt opgemerkt: “(…) het belang van de (rechts)vraag of het begrip ‘valse sleutels’ louter kwalificatieve betekenis heeft en daarom (in beginsel) altijd feitelijk moet worden omschreven in de tenlastelegging (en bewezenverklaring) zaaksoverstijgend is en bij uitstek een kwestie door Uw Raad dient te worden beoordeeld.”
10. Bij de vraag of een onderdeel van de tenlastelegging voldoende feitelijk is omschreven zijn niet alleen de bewoordingen van de tenlastelegging bepalend, maar tevens de proceshouding van verdachte en de inhoud van het dossier.4.Ik weet niet of ik de steller van het middel goed begrijp, wanneer ik veronderstel dat in de toelichting op het middel besloten ligt dat op deze benadering waarin verschillende factoren bepalend zijn uitzonderingen bestaan. Wordt bedoeld dat de bewoordingen ‘valse sleutel’ zo exclusief juridisch zijn5.dat altijd een feitelijke omschrijving noodzakelijk is? De steller van het middel is gelet op het citaat hierboven niet duidelijk. Wat betekent immers (in beginsel) altijd feitelijk moet worden omschreven?
11. Hoe dan ook meen ik mogelijk anders dan de steller van het middel niet dat de woorden ‘valse sleutel’ zo exclusief juridisch zijn dat een nadere feitelijke omschrijving nimmer mag ontbreken. De steller van het middel doet in dit kader een beroep op hof Den Bosch 15 augustus 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8351, NJ 2001/191 (geld opnemen bij een automaat - pinnen - met een gestolen bankpas) en in het bijzonder op de volgende overweging van het hof:
“Het hof overweegt daartoe dat, de term "valse sleutel" in het onderhavig geval uitsluitend een kwalifikatieve betekenis heeft nu die berust op een juridische fictie krachtens welke een bankpasje als een valse sleutel mag worden beschouwd. Nu in de tenlastelegging niet nader is aangeduid waaruit de "valse sleutel" heeft bestaan, is niet voldaan aan het in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde vereiste dat de dagvaarding een voldoende feitelijke omschrijving van de verweten gedraging van de verdachte behelst voor zover het betreft deze gekwalificeerde omstandigheid.”
12. Deze uitspraak wordt zonder nader oordeel eveneens genoemd door Van der Woude.6.De verruiming van het begrip valse sleutel tot onbevoegd gebruik van sleutel of pinpas geschiedt niet via wettelijke uitbreiding van het begrip in art. 90 Sr.7.Immers zowel de onbevoegd gebruikte sleutel als de onbevoegd gebruikte pinpas zijn beide in het algemeen wel “tot het openen van het slot bestemd”. In de woorden uit 2000 van het hof Den Bosch is in beide gevallen sprake van een juridische fictie. Zowel het arrest uit 2000 als dat uit 2016 betreft een arrest op tegenspraak. In beide gevallen was verdachte niet verschenen en trad op de terechtzitting ter verdediging een gemachtigde raadsman op. In 2016 werd geen beroep op nietigheid van het begrip valse sleutel door de verdediging gedaan, terwijl uit het arrest van 2000 niet valt af te leiden of er een dergelijk beroep is gedaan. Daarin kan dus een relevant verschil zitten. Bovendien verschaft het arrest uit 2000 geen enkele helderheid over de inhoud van het dossier. Die factor wordt namelijk niet meegewogen.
13. Steeds duidelijker heeft zich in het kader van de beoordeling van de geldigheid van de tenlastelegging het belang van andere factoren dan (alleen) de bewoordingen afgetekend. Als in feitelijke aanleg geen beroep op nietigheid wordt gedaan en voor de rechter op grond van het dossier helder is wat met valse sleutel wordt bedoeld, is er geen reden de dagvaarding partieel nietig te verklaren. Het enkele feit dat een term buiten de juridische context een andere betekenis heeft, behoeft nog niet te betekenen dat die term als louter kwalificatieve term zo besmet is dat deze niet in de tenlastelegging mag worden gebruikt. Bij een valse sleutel – ik laat art. 90 Sr nu verder buiten beschouwing – zal de eerste gedachte zijn een vals gefabriceerde sleutel, een nagemaakte sleutel. Van degene die onbevoegd een sleutel gebruikt kan naar algemeen spraakgebruik wel worden gezegd dat hij een sleutel vals heeft gebruikt, maar het klinkt niet gewoon in de oren te zeggen dat hij een valse sleutel heeft gebruikt. Hoe dan ook ligt het gebruik van een valse sleutel en het vals gebruiken van een sleutel heel dicht bij elkaar. Ook als wordt volgehouden dat ‘vals’ gebruiken van een sleutel iets (wezenlijk) anders is dan het gebruik van een valse sleutel, behoeft de term valse sleutel niet nietig te worden verklaard indien in de context van de zitting en het dossier duidelijk is dat onbevoegd gebruik van de sleutel wordt bedoeld.
14. Dat in de op rechtspraak.nl gepubliceerde arresten van de Hoge Raad na 1 januari 2000 geen voorbeelden worden aangetroffen van (gedeeltelijke) nietigverklaring van de dagvaarding voor zover daarin exclusief de woorden valse sleutel worden gebruikt verbaast gelet op het voorgaande niet. Ik kom voor alle duidelijkheid tot een nog wat algemenere slotsom over het gebruik van bewoordingen in de tenlastelegging die een eigen juridische betekenis hebben, die anders gezegd louter kwalificatief zijn of in de bewoordingen van het hof Den Bosch uit 2000 een juridische fictie behelzen.8.In een dergelijk geval is de vraag of die bewoordingen moeten leiden tot partiele nietigheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de beoordeling van de geldigheid van de tenlastelegging is daarmee in zoverre een feitelijke kwestie. Ik kom nu tot de bespreking van het middel.
15. De primaire klacht kan niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.9.De beoordeling of de dagvaarding op grond van een onvoldoende feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging nietig is, hangt namelijk samen met waarderingen van feitelijke aard – onder meer wat betreft de vraag of en in hoeverre bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten – waarvoor in cassatie geen plaats is.
16. De subsidiaire klacht betreft de kwalificatiebeslissing. Ik meen dat indien eenmaal de hobbel is genomen dat de term valse sleutel gelet op de context voldoende feitelijk is, dit ook betekent dat de bewezenverklaring van de term valse sleutel impliceert dat onbevoegd gebruik van de sleutel is bewezen. Dat is gelet op de bewijsconstructie in het onderhavige geval ook zo. Zie bewijsmiddelen 2, 3 en 5. In een dergelijke geval is de kwalificatievraag geabsorbeerd door de bewijsvraag. Ook deze klacht treft daarmee geen doel.
17. Het eerste middel faalt.
18. Het tweede middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde, in het bijzonder voor zover het “de toegang tot de plaats des misdrijf hebben verschaft door middel van een valse sleutel” en “een frietwagen, toebehorende aan [A]” betreft.
19. Het middel bevat twee deelklachten. Als eerste wordt geklaagd over de motivering van het bewezenverklaarde begrip valse sleutel nu uit de bewijsmiddelen niet zou blijken dat de sleutel door verdachte en zijn mededaders onbevoegd is gebruikt. Hoewel een verklaring over de onbevoegdheid van het gebruik van de sleutel niet met zoveel woorden voorkomt in de voor het bewijs gebruikte verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten, acht ik de motivering van de bewezenverklaring op dit punt toereikend en niet onbegrijpelijk. Immers blijkt uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten dat ze beschikten over een sleutel van de loods in combinatie met instructies voor diefstal uit die loods, terwijl daarenboven uit de aangifte naar voren komt dat alleen een beperkt aantal personen kon beschikken over een sleutel van de loods en dat geen recht of toestemming is verleend tot het plegen van het feit. Daarin ligt mijns inziens besloten dat van een bevoegd betreden van de loods met de sleutel geen sprake was.
20. Voorts bevat het middel de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de frietwagen toebehoorde aan [A]. Uit het eerste bewijsmiddel zou niet meer af te leiden zijn dan dat de wagen toebehoorde aan [betrokkene 1]. De kwestie heeft nauwelijks enig belang. Uit het eerste bewijsmiddel blijkt dat aangever [betrokkene 1] eigenaar is van [A], terwijl hij vervolgens spreekt over ‘mijn’ frietwagen. Het is niet onbegrijpelijk daaruit af te leiden dat de frietwagen toebehoort aan [A]. Kennelijk is dat de naam waaronder [betrokkene 1] zijn handel drijft.
21. Het tweede middel faalt eveneens.
22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑03‑2018
Niet wordt betwist dat onbevoegd gebruik van een sleutel het verschaffen van toegang door een valse sleutel kan opleveren. Zie reeds HR 20 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9359, NJ 1987/130. Zie over de vraag of het wel van deze tijd is om het onbevoegd gebruik van een sleutel aan te merken als het gebruik van een valse sleutel recent een conclusie in bevestigende zin van mijn ambtgenoot Knigge (PHR 4 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1012).
Twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf en tachtig uren taakstraf.
Uitvoeriger hierover mijn conclusie PHR 13 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU2792.
De toelichting op de schriftuur wijst op hof Den Bosch 15 augustus 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8351, NJ 2001/191.
“Van der Woude”, T&C Strafrecht, art. 90 Sr, aant. 2.
Reijntjes schrijft dat verruimingen via de betekenistitel naar algemene opvatting niet in de tenlastelegging tot uitdrukking behoeven te worden gebracht. Overigens zou dat naar zijn mening wel moeten. Zie J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, Deventer: Kluwer 2011, p. 101.
Te denken valt aan ‘ontuchtige handelingen’ als bedoeld in de zedentitel (HR 21 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0623, NJ 1989/668), ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ als bedoeld in 240b Sr (HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739), ‘anders dan door misdrijf’ als bedoeld in artikel 321 Sr (HR 13 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2828, NJ 1987/864) of ‘een handelsnaam voeren’ als bedoeld in artikel 4 Handelsnaamwet (HR 23 maart 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB5692, NJ 1971/284).
HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1562, r.o. 4.3.1.
Beroepschrift 09‑01‑2017
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S 16/03361
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE
Van : Mr. L.E.G. van der Hut
Dossiernummer: 1617074
Inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch op 21 juni 2016, onder parketnummer 20-002269-15 gewezen arrest.
ONTVANKELIJKHEID VAN HET CASSATIEBEROEP
1.
Blijkens de akte cassatie is op 30 juni 2016 — derhalve: tijdig — door een daartoe gevolmachtigde griffiemedewerker van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, E.J.M. Heijmans, beroep in cassatie ingesteld.
2.
Aan de akte cassatie is gehecht een op 30 juni 2016 om 12:17 uur verzonden e-mailbericht en de als bijlage bij die e-mail verzonden brief gedateerd 30 juni 2016, ondertekend door mr. G.M.M. van Tilborg, gericht aan het ‘Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, Centrale Balie(…)’, inhoudende, voor zover hier relevant:
‘Per e-mail: cib@rechtspraak.nl
(…)
Uw referentie: HB: 20-002269-15 — Eerste aanleg: 01-283373-14
Sittard, 30 juni 2016
Edelachtbare Heer/Vrouwe,
Hierbij verzoek ik heden beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch (zie bijlage) met parketnummer 20-002269-15.
Namens cliënt, de heer [verzoeker], geb. [geboortedatum]-1980, machtig ik u hierbij dit te doen.
(…)
met verontschuldigde hoogachting,
mr. G.M.M. van Tilborg’
3.
Naar aanleiding van deze schriftelijke volmacht is door de griffiemedewerker van het Hof diezelfde dag beroep in cassatie ingesteld.
4.
Uit de rechtspraak van Uw Raad volgt, dat een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat op de wijze van art. 450, derde lid, Sv beroep in cassatie kan instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102). In HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654 heeft Uw Raad beslist, dat een als bijlage bij een e-mail gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte een rechtsmiddel aan te wenden, tevens als zo een (rechtsgeldige) schriftelijke bijzondere volmacht moet worden aangemerkt, mits:
- (i)
het e-mailbericht, met bijlage, is verzonden naar een e-mailadres dat door het gerecht is aangewezen voor communicatie met de griffiemedewerkers inzake de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken en
- (ii)
de schriftelijke volmacht voldoet aan de in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102 geformuleerde eisen.
5.
In casu is aan de onder (i.) genoemde voorwaarde voldaan, nu de e-mail, met bijlage, is verzonden naar een e-mailadres dat door het Hof 's‑Hertogenbosch is aangewezen voor communicatie met de griffiemedewerkers inzake onder meer de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken1., hetgeen bevestiging vindt in het feit dat naar aanleiding van de betreffende e-mail, met bijlage, daadwerkelijk door een griffiemedewerker van het Hof cassatieberoep is ingesteld, alsmede in hetgeen is weergeven in de Conclusie van Hofstee voor laatstgenoemd arrest (ECLI:NL:PHR:2016:1155, par. 9). Tot slot heeft steller dezes bij de griffie van het Hof 's‑Hertogenbosch nog eens (telefonisch) navraag gedaan, waarbij haar expliciet is bevestigd dat het gebruikte e-mailadres, cib@rechtspraak.nl, kan worden aangemerkt als een e-mailadres dat door het Hof 's‑Hertogenbosch is aangewezen voor communicatie met griffiemedewerkers inzake onder meer de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken.
6.
Met betrekking tot de onder (ii.) vermelde voorwaarde geldt, dat de schriftelijke volmacht verleend door een advocaat aan een griffiemedewerker tot het voor de verdachte aanwenden van beroep in cassatie, dient in te houden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep. De brief van mr. G.M.M. van Tilborg d.d. 30 juni 2016 houdt niet in dat hij door verzoeker bepaaldelijk is gevolmachtigd beroep in cassatie in te stellen. Aan deze voorwaarde lijkt dan ook niet te zijn voldaan.
7.
In het arrest van 19 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ7146) heeft Uw Raad echter geoordeeld, dat uit de omstandigheid dat namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat die heeft verklaard daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, moet worden afgeleid dat aan een onvolkomen volmacht bij het instellen van cassatieberoep de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen, zodat die onvolkomen volmacht niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep.
8.
Verzoeker kan daarom in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Middel I
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de inleidende dagvaarding ten aanzien van het primair ten laste gelegde (partieel) nietig te verklaren, nu het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘valse sleutel’ niet feitelijk is omschreven en de tenlastelegging daarom niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv, althans doordat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’, aangezien de feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging(en) — in het bijzonder met betrekking tot het kwalificerende deel van de primaire tenlastelegging c.q. bewezenverklaring — in het geheel ontbreekt.
2. Toelichting
2.1
Aan verzoeker is primair ten laste gelegd, dat (arrest, p. 2):
‘hij in de periode 19 oktober 2013 tot en met 21 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;’
2.2
Bij arrest van 21 juni 2016 is door het Hof bewezenverklaard, dat (arrest, p. 2):
‘hij op 20 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, toebehorende aan [A], waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel.’
2.3
Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’. In het veroordelende arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat de inleidende dagvaarding geldig is.
2.4
Verzoeker meent dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de inleidende dagvaarding ten aanzien van het primair ten laste gelegde (partieel) nietig te verklaren, nu deze tenlastelegging niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv, althans dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’, nu het bewezenverklaarde niet het feitelijk handelen beschrijft waaruit de diefstal ‘door middel van een valse sleutel’ zou hebben bestaan. Ter toelichting het volgende.
2.4
De omschrijving van het primair tenlastegelegde feit houdt in dat verzoeker, met anderen, een frietwagen heeft weggenomen, waarbij hij en de mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel. Een dagvaarding met een tenlastelegging waarin louter aan de wet ontleende termen voorkomen is nietig indien deze alleen kwalificatieve en niet tevens feitelijke betekenis hebben (Vgl. HR 9 februari 1999, NJ 1999/327).
2.5
De term ‘valse sleutel’ heeft evenwel uitsluitend kwalificatieve betekenis. Onder het begrip ‘valse sleutel’ wordt immers een veelheid van werktuigen verstaan. In het commentaar bij art. 90 Sr vermeldt NLR in dit verband (aantekening 2, bijgewerkt t/m 30-05-2016, zonder voetnoten):
‘Valse sleutel is een begrip dat altijd nader bepaald moet worden. Een sleutel is niet op zich zelfvals omdat hij tot opening van een vreemd slot gebruikt zou kunnen worden, maar wordt het alleen door het gebruik.
De uitbreiding van het begrip dient hier tevens tot de bepaling daarvan. Zegt de wet toch dat onder valse sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen, dan definieert zij tevens impliciete valse sleutel als sleutel tot opening van het slot niet bestemd.
Het onderscheid tussen de sleutel en de overige hier bedoelde voorwerpen bestaat enkel hierin dat de laatste niet bestemd zijn tot de opening van enig slot, de sleutel alleen niet bestemd is tot opening van het slot waarvoor hij in concreto is gebezigd. Bij die overige voorwerpen heeft men dus slechts te beslissen naar hun aard, bij de sleutel naar de hem gegeven bestemming, en wel met inachtneming van de bevoegdelijk gegeven, aan de sleutel inhaerente bestemming. (…)
Maar de vraag of er sprake is van een valse sleutel is tegenwoordig niet beperkt tot de voorwerpen die gebruikt worden om sloten mee te openen. Gebruikmaking van een gestolen pinpas bij financiёle transacties kan ook als het aanwenden van een valse sleutel worden aangemerkt. Het gebruikmaken van een tankpas van een voormalig werkgever is daaronder ook te rubriceren als men niet meer gerechtigd is om die pas te gebruiken.’
2.6
Dit beeld komt tevens naar voren uit eerdere rechtspraak van Uw Raad: zo kan de huissleutel die (wederrechtelijk) uit de tas van de eigenaar is gepakt en die — door iemand die daartoe geen recht heeft — is gebruikt tot de opening van het slot van de toegangsdeur van een woning is ten aanzien van dat slot een valse sleutel betreffen (HR 20 mei 1986, NJ 1987/130), maar ook het wederrechtelijk gebruik van een bank- of giropas plus pincode kan onder dit begrip vallen (HR 8 december 1992, NJ 1993/323).
2.7
Het Hof 's‑Hertogenbosch heeft eerder geoordeeld dat het bestanddeel ‘valse sleutel’ in de tenlastelegging nader feitelijk moet worden aangeduid op straffe van (partiёle) nietigheid van de dagvaarding, daar, zo overwoog het Hof destijds (ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8351, NJ 2001/191):
‘de term ‘valse sleutel’ in het onderhavig geval uitsluitend een kwalifikatieve betekenis heeft nu die berust op een juridische fictie krachtens welke een bankpasje als een valse sleutel mag worden beschouwd. Nu in de tenlastelegging niet nader is aangeduid waaruit de ‘valse sleutel’ heeft bestaan, is niet voldaan aan het in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde vereiste dat de dagvaarding een voldoende feitelijke omschrijving van de verweten gedraging van de verdachte behelst voorzover het betreft deze gekwalificeerde omstandigheid.’
2.8
De in het bestreden arrest besloten liggende oordelen dat de term ‘valse sleutel’ (mede) feitelijke betekenis heeft, dat de tenlastelegging voor wat betreft het primair ten laste gelegde voldoet aan de eisen van art. 261 Sv en de inleidende dagvaarding geldig is, geven — mede gelet op de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen — blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn onbegrijpelijk. In de tenlastelegging is immers niet nader aangeduid of zij ziet (uitsluitend) op het gebruik van de sleutel van de toegangsdeur van de loods (die bij verzoeker door de brievenbus is gedaan en waarmee de loods is geopend; blijkens de door hem overgelegde pleitnota is de raadsman van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep uitsluitend hiervan uitgegaan) of dat zij (al dan niet: mede) ziet op de voor opening van de rolpoort van de loods benodigde toegangscode (in welk geval uit de gedingstukken ontegenzeggelijk blijkt dat bij verzoeker en zijn raadsman onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten), terwijl in bewijsmiddelen 1 en 2 beide voor de toegang tot het plaats des misdrijfs benodigde ‘sleutels’ worden vermeld. Dat dit verweer in feitelijke aanleg niet is gevoerd, dient overigens aan de beoordeling en/of slagen van dit middel in cassatie niet in de weg te staan. De beoordeling hangt in deze situatie immers niet zodanig samen met waarderingen van feitelijke aard — onder met betrekking tot de vraag of het verzoeker duidelijk is of was hetgeen hem wordt verweten — dat het verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd, daar (i.) de tenlastegelegde gedraging niet ‘onvoldoende’ feitelijk is omschreven, maar in het geheel niet, en (ii.) het belang van beantwoording van de (rechts)vraag of het begrip ‘valse sleutels’ louter kwalificatieve betekenis heeft en daarom (in beginsel) altijd feitelijk dient te worden omschreven in de tenlastelegging (en bewezenverklaring) zaaksoverstijgend is en bij uitstek een kwestie door Uw Raad dient te worden beoordeeld.
2.9
Voor zover Uw Raad desondanks zou oordelen dat voor een beoordeling van de nietigheid van de inleidende dagvaarding in cassatie geen plaats (meer) is, dan geldt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’, aangezien het kwalificerende deel van de primaire tenlastelegging c.q. bewezenverklaring in het geheel niet feitelijk is omschreven. Een feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging(en) ontbreekt. De bewijsvoering biedt overigens geen opheldering waar het betreft wat het Hof kennelijk heeft verstaan onder de ‘valse sleutel’ of sleutels die gebruikt is/zijn om zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen, nu zowel de sleutel van de toegangsdeur daarin is opgenomen, als de toegangscode van de rolpoort van de loods, terwijl met betrekking tot de toegangscode niet blijkt dat die is gebruikt of door wie (Vgl. ECLI:NL:HR:2013:1562). Onduidelijk is dan ook waar het kwalificerende handelen precies uit zou hebben bestaan.
2.10
Het arrest kan — gelet op al het voorgaande — niet in stand blijven.
Middel II
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de bewezenverklaring — in het bijzonder voor zover zij inhoudt, dat de toegang tot de plaats des misdrijfs is verschaft door middel van een ‘valse sleutel’ en dat de weggenomen frietwagen toebehoort aan [A] — niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard, dat (arrest, p. 2):
‘hij op 20 oktober 2013 te Heeze, gemeente Heeze-Leendem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in bedrijfspand ([a-straat 1]) heeft weggenomen een frietwagen, toebehorende aan [A], waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel’
2.2
De bewezenverklaring steunt op de in de aanvulling bij het arrest van het Hof opgenomen bewijsmiddelen, te weten een verklaring van aangever [aangever] (eigenaar van [A]), twee verklaringen van verzoeker en verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].
2.3
Verzoeker meent dat de bewezenverklaring (op ten minste twee onderdelen) niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Ter toelichting het volgende.
2.4
In de eerste plaats is niet naar de eis der wet met redenen omkleed de bewezenverklaring van het (kwalificatieve en strafverzwarende) onderdeel van de tenlastelegging van het primaire feit, dat verzoeker en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel.
2.5
Art. 90 Sr bepaalt dat alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen onder valse sleutels worden begrepen. Ook kan het met behulp van een ontvreemde sleutel of het onbevoegd gebruik maken van een sleutel worden aangemerkt als het gebruik maken van een ‘valse sleutel’, evenals het gebruik van een betaalpas en de daarbij behorende pincode door een ander dan de daartoe gerechtigde (Vgl. HR 20 mei 1986, NJ 1987/130, HR 8 december 1992, NJ 1993/323, HR 7 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI1588, NJ 2004/63 en HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9237, NJ 2007/386).
2.6
Tegen deze achtergrond rijst de vraag of — bij gebreke van een feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde of bewezenverklaarde gedraging — hetgeen uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, kan worden aangemerkt als het gebruik van een valse sleutel zoals bedoeld in art. 311, eerste lid onder 5, Sr in verbinding met art. 90 Sr. En die vraag moet volgens verzoeker ontkennend worden beantwoord.
2.7
Ten aanzien van de sleutel blijkt uit de bewijsvoering, dat er geen schade was aan de toegangsdeur van de loods waarin de frietwagen zich bevond, dat deze toegangsdeur van het slot was, terwijl deze normaal altijd op slot is, en dat 4 personen een sleutel hebben van deze deur (bewijsmiddel 1). Verder heeft het Hof vastgesteld, dat een sleutel van de (voor)deur van de loods waarin de frietwagen zich bevond bij verzoeker door de brievenbus is gedaan door de persoon die verzoeker eerder telefonisch had gezegd dat de frietwagen in een loods in Heeze weg moest, en dat die sleutel is gebruikt om op 20 oktober 2013 de loods te openen (bewijsmiddelen 2, 3 en 5).
2.8
Tegen deze achtergrond geldt, dat niet blijkt dat verzoeker (en/of zijn mededaders) onbevoegd gebruik heeft/hebben gemaakt van de sleutel om de deur van de loods te openen. Verzoeker heeft deze sleutel ontvangen van een persoon ten aanzien van wie niet blijkt dat diegene tot het gebruik van die sleutel niet bevoegd was, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de verstrekker van de sleutel aan verzoeker bevoegd was tot het gebruik van die sleutel om de toegangsdeur te openen. En dat die persoon die bevoegdheid heeft overgedragen aan verzoeker. Verzoeker heeft de sleutel immers ook ontvangen met de uitdrukkelijke opdracht van die persoon om die sleutel te gebruiken om de loods te openen. Dat verzoeker (met anderen) onbevoegd gebruik heeft gemaakt van de aan hem verstrekte sleutel, kan dan ook niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid. Het daaropvolgende wegnemen van de frietwagen en de bewezenverklaarde wederrechtelijkheid daarvan doet hier niet aan af; het begrip gebruik maken van een ‘valse sleutel’ zou ontoelaatbaar worden opgerekt in het geval dat deze omstandigheid (het achterliggende doel waarmee de sleutel wordt gebruikt, of de handelingen volgend op het op zichzelf rechtmatige gebruik van een sleutel) wel in dit verband een rol zou spelen.
2.9
Voor zover met het gebruik maken van een valse sleutel in dezen wordt bedoeld het gebruik maken van de toegangscode voor de rolpoort van de loods, dan geldt evenzeer dat dit niet uit de bewijsvoering blijkt. Uit de voor het bewijs gebezigde aangifte (bewijsmiddel 1) blijkt slechts dat er een toegangscode nodig was en dat er geen schade was aan de rolpoort. Uit de bewijsvoering blijkt verder niet, dat verzoeker of een ander in het bezit was van de toegangscode, dat die code gebruikt zou; zelfs niet dat de rolpoort überhaupt dicht of ‘op slot’ was (en dus de betreffende dag is/moet zijn geopend door middel van een toegangscode).
2.10
De bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, inhoudende dat verzoeker en de mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een ‘valse sleutel’, is gelet op het voorgaande niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd. Het arrest kan niet in stand blijven.
2.11
Daarnaast kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat de weggenomen frietwagen toebehoorde aan [A]. Uit de voor het bewijs gebezigde aangifte van [aangever] (bewijsmiddel 1) blijkt dat hij eigenaar is van [A] en dat de weggenomen frituurwagen niet was voorzien van belettering (het logo van [A]). Als zijn verklaring is bovendien voor het bewijs gebezigd, voor zover hier relevant: ‘Op dinsdag 16 oktober 2013 heb ik mijn frietwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [AA-11-BB] geparkeerd (…).’. Door het Hof is aldus uitsluitend vastgesteld, dat de frituurwagen aan [aangever] toebehoorde, terwijl dit tegenstrijdig is met de bewezenverklaring.
2.12
De bewezenverklaring is ook op dit punt dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk (innerlijk tegenstrijdig) gemotiveerd.
2.13
Het arrest kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker haar daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
L.E.G. van der Hut
Den Haag, 9 januari 2017
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 09‑01‑2017
https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-s-Hertogenbosch/Contact: zowel het e-mailadres strafgriffie.hof-she@rechtspraak.nl als cib@rechtspraak.nl kan worden en wordt gebruikt voor het verstrekken van een schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van cassatieberoep.