Zie p. 8 van de aanvulling op het verkorte arrest.
HR, 02-10-2012, nr. 11/01281 P
ECLI:NL:HR:2012:BX5153
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-10-2012
- Zaaknummer
11/01281 P
- Conclusie
Mr. Hofstee
- LJN
BX5153
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX5153, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑10‑2012
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6658
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5153
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6658
ECLI:NL:HR:2012:BX5153, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑10‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5153
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6658, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6658, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
Conclusie 02‑10‑2012
Mr. Hofstee
Partij(en)
Nr. 11/01281 P
Mr. Hofstee
Zitting: 26 juni 2012
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1.
Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 3 maart 2011 het - uit het medeplegen van een tweetal drugsdelicten, meermalen gepleegd, en deelname aan een criminele organisatie - wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de betrokkene vastgesteld op een bedrag van in totaal € 147.061,02 en, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 139,561,02 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Genoemd totaalbedrag van € 147.061,02 is de optelsom van € 73.705,25 als genoten voordeel uit de "Mexicotransactie" en € 73.355,77 aan verkregen voordeel uit de "overige drugstransacties".
2.
Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 11/01492 P en 11/01442 P, in welke zaken ik heden eveneens concludeer.
3.
Namens de betrokkene heeft mr. M. t'Sas, advocaat te Wijk bij Duurstede, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen de berekening van het uit de "overige drugstransacties" genoten voordeel (het bedrag van € 73.355,77) en behelst de klacht dat het Hof het namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdens zijn detentie voordeel heeft genoten ten onrechte, althans onbegrijpelijk c.q. anderszins onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen door te overwegen dat de betrokkene samen met de medeverdachte [betrokkene 1] binnen de organisatie een leidinggevende en coördinerende rol innam, terwijl in het "rapport wederrechtelijk verkregen voordeel" - door het Hof als bewijsmiddel 18 gebezigd - enkel [betrokkene 1] als leidinggevende persoon binnen het criminele samenwerkingsverband wordt aangemerkt.
5.
Ter terechtzitting van het Hof van 2 februari 2011 heeft de raadsvrouw blijkens haar aan het zittingsverbaal gehechte pleitnota namens de betrokkene onder meer aangevoerd:
"Detentie cliënt:
De verdediging stelt dat het niet voldoende aannemelijk is geworden dat cliënt tijdens zijn detentie voordeel heeft genoten. De zin die het OM aanhaalt doet daar niets aan af. Immers die zin geeft aan dat cliënt onmiddellijk na zijn detentie zijn activiteiten weer heeft opgepakt. Die zin gaat dus over de periode na zijn detentie. De verdediging blijft dan ook van mening dat er geen enkele aanwijzing is dat cliënt tijdens zijn detentie voordeel heeft genoten."
6.
In zijn bestreden arrest heeft het Hof dit verweer als volgt verworpen:
"In de strafzaak is door het hof geoordeeld dat veroordeelde samen met medeverdachte [betrokkene 1] binnen de organisatie een leidinggevende en coördinerende rol innam. Anders dan de raadsvrouw, acht het hof het daarom niet aannemelijk dat veroordeelde tijdens detenties (van korte duur) geen voordeel heeft genoten."
7.
Het door de steller van het middel aangehaalde "rapport wederrechtelijk verkregen voordeel" (bewijsmiddel 18) houdt in, voor zover hier van belang1.:
"Geen van de veroordeelden heeft tijdens het onderzoek een verklaring afgelegd of en zo ja op welke wijze er een verdeling heeft plaatsgevonden van de, middels strafbare feiten gegenereerd vermogen.
Gezien het feit dat uit de verklaringen kan blijken dat [betrokkene 1] de leidinggevende persoon binnen het criminele samenwerkingsverband was kan worden aangenomen dat aan hem het grootste deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden toegerekend.
T.a.v. [betrokkene] en [betrokkene 2] is aangenomen dat deze een positie op basis van gelijkwaardigheid bekleedden binnen het criminele samenwerkingsverband.
[betrokkene 3] had duidelijk een kleinere rol.
Gezien het bovenstaande, waarbij is meegenomen de, door de rechtbank Groningen, opgelegde straffen wordt een toedeling voorgesteld van:
[betrokkene 1] 40 %
[betrokkene] 25%
[betrokkene 2] 25 %
[betrokkene 3] 10%"
8.
In het verkort arrest heeft het Hof onder meer overwogen:
"Gelet op de door veroordeelde vervulde rol binnen de organisatie acht het hof redelijk dat veroordeelde 25% van het uit de overige drugstransacties behaalde voordeel wordt toegerekend, zijnde een bedrag van € 73.355,77."
9.
En in de aanvulling op het verkort arrest heeft het Hof daaraan toegevoegd:
"In beginsel kan het genoten voordeel gelijkelijk tussen verdachte en zijn medeverdachten worden verdeeld, hetgeen zou neerkomen op toerekening van een kwart van het voordeel aan zowel [betrokkene 2], [betrokkene 1], [betrokkene] en [betrokkene 3]. Ten aanzien van [betrokkene 1] heeft het hof om redenen als voormeld in het tegen [betrokkene 1] gewezen arrest geoordeeld dat in beginsel 40% van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [betrokkene 1] dient te worden toegerekend. In de hierboven weergegeven verklaringen vindt het hof aanleiding 10% van het voordeel toe te rekenen aan [betrokkene 3]. Aan zowel [betrokkene 2] als [betrokkene] wordt een kwart van het voordeel toegerekend."
10.
Het voorgaande in ogenschouw nemend heeft het Hof enerzijds de betrokkene evenals zijn medeverdachte [betrokkene 1] een leidinggevende en coördinerende rol binnen de drugsorganisatie toegedicht en anderzijds kennelijk aangenomen dat [betrokkene 1] binnen dat criminele samenwerkingsverband het leidinggevende kopstuk was. Met betrekking daartoe heeft het Hof vastgesteld dat aan [betrokkene 1] het relatief grootste gedeelte van de drugswinsten (te weten 40%) kan worden toegerekend, en aan de betrokkene een wat minder groot gedeelte (25%). Deze vaststelling noopt naar mijn mening niet tot de conclusie dat de betrokkene geen leidinggevende en coördinerende rol binnen de criminele organisatie heeft vervuld. Hooguit kan daaruit worden afgeleid dat [betrokkene 1] binnen de hiërarchie kennelijk een hogere machtspositie dan de betrokkene innam. Dat de betrokkene in dit criminele organogram aan [betrokkene 1] ondergeschikt was, sluit echter niet uit dat ook de betrokkene (als rechterhand van [betrokkene 1]) leiding gaf en drugstransacties coördineerde.
11.
Anders dan de steller van het middel meen ik dat 's Hofs verwerping van het verweer - voor zover daarover in cassatie wordt geklaagd - geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
12.
Het middel faalt.
13.
Het tweede middel klaagt over de verwerping van het namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de kosten die gemaakt zijn in verband met het omwisselen van Duitse Marken in Nederlandse Guldens in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
14.
Blijkens de eerder genoemde pleitnota heeft de raadsvrouw namens de betrokkene ter terechtzitting van 2 februari 2011 onder meer aangevoerd:
"Wisselkoers DM:
Bij een ontneming gaat het om het aannemelijkheidsvereiste. Aannemelijk is het dat cliënt de Duitse Marken heeft omgewisseld, aangezien hij belang had bij Nederlandse Guldens. Aldus dient er uit te worden gegaan van een koers waarbij rekening wordt gehouden met wisselkosten. Derhalve is het redelijk om de koers gunstig af te ronden en aldus een koers aan te houden van 1,1 zoals ook in het eerste rapport is gebeurd."
15.
Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
"Het verweer van de raadsvrouw dat geen rekening is gehouden bij de berekening van het voordeel met de wisselkosten van de door veroordeelde ontvangen geldbedragen in Duitse Marken naar Nederlandse Guldens, wordt verworpen. Het is aan veroordeelde om aannemelijk te maken dat hij wisselkosten heeft moeten maken die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, alsmede de hoogte van deze kosten. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat veroordeelde deze kosten heeft moeten maken, ook niet op grond van hetgeen de raadsvrouw hieromtrent naar voren heeft gebracht."
16.
Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de wetgever de rechter grote vrijheid heeft gelaten of en, zo ja, in welke mate hij bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening wil houden met de kosten die de betrokkene heeft gemaakt teneinde de betreffende feiten te begaan. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende kosten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.2.
17.
Gelet op de voorgaande vooropstelling en gezien de wel heel summiere inhoud van hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht ten aanzien van de bedoelde 'wisselkosten', getuigt het bestreden oordeel van het Hof - dat het niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene wisselkosten heeft moeten maken die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict en dat daarom het verweer wordt verworpen - niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet op het feitelijke karakter van dit oordeel leent het zich niet voor een verdere toetsing in cassatie.
18.
Het middel faalt.
19.
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
20.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
21.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑10‑2012
HR 30 oktober 2001, LJN AB3200, NJ 2002/124 m.nt. Mevis en HR 5 februari 2008, LJN BC2913, NJ 2008/288 m.nt. Borgers.
Uitspraak 02‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. HR: 81 RO.
Partij(en)
2 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/01281 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 maart 2011, nummer 24/002501-05, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M. t'Sas, advocaat te Wijk bij Duurstede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 2 oktober 2012.