De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.5:2.5 Slotsom
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.5
2.5 Slotsom
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385874:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het bovenstaande is duidelijk geworden dat de rangorde tussen schuldeisers met een goederenrechtelijk zekerheidsrecht wordt bepaald door de volgorde van vestiging. Aanvankelijk vond de zogenoemde prior-temporeregel onvoorwaardelijke toepassing, onverschillig of er sprake was van pand- of hypotheekrechten en ongeacht de wijze waarop de rechten waren gevestigd. Naar Justiniaans recht is de toepassing van de prioriteitsregel echter als gevolg van twee ontwikkelingen doorbroken.
De eerste ontwikkeling is de voorrang die door Keizer Leo werd verbonden aan een zekerheidsrecht dat was gevestigd bij authentieke of quasiauthentieke akte. Het Romeinse systeem dat een stelsel van registratie en publicatie vreemd is, kende de nodige problemen ten aanzien van het vaststellen van de juiste rangorde en werd bovendien geteisterd door fraude in de zin van antedatering. Derhalve werd gepoogd de vestiging bij authentieke akte te stimuleren, hetgeen als neveneffect met zich mee bracht dat aldus tot stand gekomen zekerheidsrechten geen rang innamen conform de prioriteitsgedachte, maar onverschillig het moment van vestiging een hogere plaats innamen dan zekerheidsrechten die niet bij authentieke akte waren gevestigd.
hypotheek toegekend. De rang die deze schuldeisers innamen, ontleenden zij aan de wet en niet aan het tijdstip van vestiging. Conflicten waarin een geprivilegieerde hypotheek is betrokken, werden dan ook niet opgelost aan de hand van de prior-temporeregel.
De bevindingen in nummer 2.3 overziend, kan worden vastgesteld dat het toepassingsgebied van de prioriteitsregel zich niet uitstrekt over de goederenrechtelijke genotsrechten in hun onderlinge verhouding bezien. Conflicten doen zich in dat kader slechts voor bij een meervoudige gerechtigdheid tot een erfdienstbaarheid en deze worden opgelost volgens de regels die voor mede-eigenaren gelden. De betreffende beperkt gerechtigden worden beschouwd als gelijkgerechtigden in een gemeenschap en kunnen in het geval van een geschil de praetor om een delingsactie (iudicium communi dividendo) verzoeken.
Rechten van erfpacht en opstal ten aanzien van eenzelfde goed kunnen slechts eenmaal rechtsgeldig worden gevestigd en het is aannemelijk, hoewel niet geheel duidelijk, dat hetzelfde voor het recht van vruchtgebruik geldt.
Een conflict waarin een gerechtigde tot een beperkt genotsrecht is betrokken is alleen aan de prioriteitsregel onderworpen indien dat recht collideert met dat van een zekerheidsnemer die de bezwaarde zaak te gelde maakt. Het Corpus Iuris benoemt in dit verband niet met zoveel woorden de prior-temporeregel, maar zijn toepassing ligt wel besloten in het gegeven dat een beperkt gerechtigde zijn recht slechts met inachtneming van de eerder op de zaak gevestigde goederenrechtelijke rechten kan uitoefenen. Zo zal een beperkt genotsrecht dat na een pandrecht is gevestigd – geheel volgens de gedachte dat het pandrecht eerder is in tijd en daarom sterker is in recht – in het geval van executie tenietgaan. Andersom zal een executerende pandhouder een ouder genotsrecht juist moeten respecteren en de zaak in bezwaarde rechtstoestand moeten uitwinnen.