Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.4.5
4.5 Gevallen van vervanging van vóór 1 januari 2012
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948223:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 12, p. 5.
Zie paragraaf 3.7 hiervóór.
Zie Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 12, p. 5-6.
Zie artikel V lid 2 (overgangsrecht), Stb. 2011, 205.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 869, nr. 3, p. 29. Zie tevens paragraaf 3.7 hiervóór.
Zie ook paragraaf 4.2 hiervóór.
Zie daarover ook paragraaf 5.2.5 van hoofdstuk 6.
Zie in gelijke zin Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 104 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 31.
423. Hiervóór is al verschillende malen aan de orde gekomen dat de wet vóór 1 januari 2012 geen regels van zaaksvervanging voor de wettelijke gemeenschap van goederen bevatte. Om die reden werd aangenomen dat de regeling van artikel 1:124 lid 2 oud BW analoog toegepast mocht worden op de wettelijke gemeenschap van goederen (zie paragraaf 3.7 hiervóór). Voor de vruchten van privégoederen, de inning van privévorderingen, en vorderingen tot vergoeding met betrekking tot privégoederen van een echtgenoot bestond vóór 1 januari 2012 óók geen wettelijke regeling. Artikel 1:124 lid 3 oud BW bepaalde voor de gemeenschap van vruchten en inkomsten:
“Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats treedt van een eigen goed van een echtgenoot, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.”
Aangenomen werd dat óók deze regeling analoog op de wettelijke gemeenschap van goederen mocht worden toegepast.1 Bij invoering van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen kwam de regeling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten te vervallen. Het verval van artikel 1:124 lid 2 oud BW werd door de wetgever direct opgevangen middels artikel 1:95 lid 1 BW.2 Een vervanger voor artikel 1:124 lid 3 oud BW werd in eerste instantie niet in de regeling voor de wettelijke gemeenschap van goederen opgenomen. Artikel 1:94 lid 4 oud BW bepaalde alleen dat vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, evenmin in de gemeenschap vallen. Dat veranderde pas bij de Derde Nota van Wijziging. Daar werd aan artikel 1:94 lid 4 oud BW (toen nog lid 5 van artikel 1:94 BW) een tweede zin toegevoegd, waarin de regeling van artikel 1:124 lid 3 oud BW letterlijk werd overgenomen. De wetgever lichtte dat als volgt toe:3
“De wijziging onder a betreft een redactionele verbetering. De wijziging onder b stelt buiten twijfel dat ook onder het nieuwe recht de thans in artikel 124 lid 3 opgenomen, algemeen ook op de wettelijke gemeenschap van goederen toepasselijk geachte, regeling van eenvoudige zaaksvervanging blijft gelden. In verband met het voorgestelde vervallen van de artikelen 122 tot en met 128 is het wenselijk de bedoelde regel over te brengen naar afdeling een van titel 7. Vergelijk in dit verband ook artikel 3:213 BW betreffende vruchtgebruik, waarvan het eerste lid een vergelijkbare regeling van zaaksvervanging inhoudt (het tweede lid kan zo nodig overeenkomstig worden toegepast).”
424. Net zoals bij artikel 1:95 lid 1 BW werd ook aan artikel 1:94 lid 4 oud BW geen bijzondere regeling van overgangsrecht gekoppeld.4 Dat betekende dat (ook) deze regeling onmiddellijke werking had, en dus uitsluitend werkte voor gevallen van zaaksvervanging die zich vanaf 1 januari 2012 voordeden.5 Uit de hierboven geciteerde toelichting volgt echter dat de wetgever ervan uitging dat gevallen van zaaksvervanging van vóór 1 januari 2012 werden beheerst door analoge toepassing van artikel 1:124 lid 3 oud BW. Aldus bestaat er ten aanzien van hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de huwelijksgemeenschap valt, alsmede ten aanzien van een vordering tot vergoeding die buiten de huwelijksgemeenschap valt, géén verschil tussen gevallen van vervanging vóór 1 januari 2012 en gevallen van vervanging van daarna. Dat is evenwel anders voor de vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen. Daarvoor bevat artikel 1:94 lid 4 oud BW een regeling die artikel 1:124 lid 3 oud BW daarvóór niet kende.6 Zoals in paragraaf 4.2 reeds is aangegeven werd over het algemeen – naar mijn mening ten onrechte7 – aangenomen dat een erflater of schenker óók aan de vruchten van de door hem nagelaten of geschonken goederen een uitsluitingsclausule kon verbinden. Was dat echter niet gebeurd, dan vielen de vruchten op grond van boedelmenging sowieso in de huwelijksgemeenschap. De onmiddellijke werking van artikel 1:94 lid 4 oud BW heeft daarom voor die gevallen tot gevolg dat vruchten van privégoederen die vóór 1 januari 2012 zijn afgescheiden krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren, maar dat vruchten die vanaf januari 2012 zijn afgescheiden op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap zijn gevallen.8