Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
R.Y. Nauta, actueel t/m 01-03-2026
Actueel t/m
01-03-2026
Tijdvak
01-09-2017 tot: -
Auteur
R.Y. Nauta
Vindplaats
T&C Rv, commentaar op art. 821 Rv
Vakgebied(en)
Corona (V)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Met het einde van een huwelijk in zicht, kan het noodzakelijk zijn een aantal ordemaatregelen te (laten) treffen. Welke maatregelen mogelijk zijn, vermelden art. 822 en 823. De algemene regeling van art. 223 over de voorlopige voorzieningen staat hier niet open, omdat de wetgever met de artikelen 821-826 heeft voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in de scheidingsprocedure (HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411). Deze voorzieningen kunnen door elk van beide echtgenoten of door de echtgenoten gezamenlijk aan de rechter worden verzocht. In de regel zal het verzoek gedaan worden aan de rechtbank. Is de zaak echter aanhangig bij de appelrechter, dan kan zo nodig alsnog het hof verzocht worden voorlopige voorzieningen te treffen. Zie art. 2.6.5Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Daarbij doet niet ter zake wie in de scheidingsprocedure verzoeker of verweerder is. De voorlopige voorzieningenprocedure en de scheidingsprocedure hangen weliswaar nauw met elkaar samen (eenmalig griffierecht verschuldigd, geldigheid(sduur) afhankelijk van scheidingsprocedure, art. 821 en 826), maar ze mogen niet als één procedure worden gezien in de zin dat een eerder gedane domiciliekeuze in de voorlopige voorzieningenprocedure ook geldt voor de scheidingsprocedure (HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8115, NJ 2003/646). De procedure in het kader van voorlopige voorzieningen verloopt volgens eigen regels die, voor zover ze afwijken, in deze paragraaf staan vermeld. Daarnaast wordt deze verzoekschriftprocedure geregeerd door de algemene bepalingen, zoals die gelden voor verzoekschriftprocedures (MvT, Kamerstukken II 1990/91, 21881, 3, p. 8). Zie wat betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter de Inleidende opmerkingen bij de Zesde titel van het Derde boek Rv, aant. 3 onder b en art. 4. Op grond van art. 42 RO is de rechtbank absoluut bevoegd om van de zaak kennis te nemen. De relatieve competentie is geregeld in art. 262. De termijn waarbinnen een dergelijk verzoek moet worden afgedaan verschilt van die in de scheidingsprocedure, hetgeen samenhangt met het spoedkarakter van de voorlopige voorzieningen. De voorlopige voorzieningen worden gegeven bij afzonderlijke beschikking, waartegen in beginsel geen hogere voorziening open staat. Wel kunnen reeds bestaande voorlopige voorzieningen tussentijds worden gewijzigd wanneer de feitelijke situatie is veranderd (art. 824). Om proces-economische redenen kan de wijziging van een voorlopige voorziening die de rechtbank heeft gegeven ook aan het hof worden gevraagd, indien het hoger beroep van de hoofdzaak daar aanhangig is. Wel moet voldoende samenhang bestaan tussen de te wijzigen voorlopige voorziening en de hoofdzaak. De tekst van art. 821 is als onderdeel van de Wet vereenvoudiging en digitalisering gewijzigd (Stb. 2017, 174). Het betreft enkel de gehanteerde terminologie: ‘behandeling ter terechtzitting’ is vervangen door ‘mondelinge behandeling’. Verder werd in lid 1 ‘bij verzoekschrift vragen’ gewijzigd in ‘verzoeken’ om duidelijk te maken dat hier de verzoekprocedure van toepassing is (MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34212, 3, p. 9).
2. Procedure (lid 1)
a. In welke zaken?
Volgens lid 1 is een verzoek tot het doen treffen van voorlopige voorzieningen beperkt tot zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed valt daarbuiten. Daarentegen kunnen bij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap wel voorlopige voorzieningen worden gevraagd (art. 828). Hebben partijen alleen een affectieve relatie gehad, dan kan tijdens een aanhangig geding elk van partijen naar analogie van art. 223 de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding. Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 21 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19232.
b. Tot welk moment te verzoeken?
Ieder der echtgenoten kan bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen vragen tot het moment waarop de desbetreffende voorziening ingevolge art. 826 haar kracht zou verliezen. Het is derhalve mogelijk voorlopige voorzieningen te verzoeken vóór, tijdens of ná de scheidingsprocedure (vgl. HR 9 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1019, NJ 1989/410, wanneer de te treffen voorziening betrekking heeft op de kinderen). Is de scheidingsprocedure nog niet aanhangig gemaakt, dan bepaalt lid 4 de termijn waarbinnen dat alsnog dient te gebeuren (zie aant. 5). Wat te doen als geen voorlopige voorzieningen zijn gevraagd, de scheidingsbeschikking inmiddels is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, maar de alimentatieprocedure nog loopt? De wet voorziet buiten het kader van de scheidingsprocedure niet in de mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen in verzoekschriftprocedures. De Hoge Raad oordeelde weliswaar dat overeenkomstig hetgeen art. 223 bepaalt voor dagvaardingsprocedures ook in verzoekschriftprocedures kan (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261), maar dat wat betreft de in art. 822 lid 1, aanhef en onder a-e, genoemde voorzieningen, geen plaats is voor overeenkomstige toepassing van art. 223 (HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411).
c. Op welke wijze?
Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen kan in principe worden gedaan bij echtscheidingsverzoek maar ook bij afzonderlijk verzoekschrift. Art. 3.2 Procesreglement scheiding kiest uitdrukkelijk voor laatstgenoemde variant. Op gezamenlijke indiening staat echter geen sanctie. Voor de verzending van het verzoekschrift en het eventuele verweerschrift aan de andere echtgenoot geeft de Zesde titel van het Derde boek geen bijzondere regels. Dientengevolge geldt de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (met name art. 271 e.v.).
d. Verweerschrift mogelijk?
Let op de termijn waarbinnen een verweerschrift wordt ingediend: art. 282 bepaalt dat dit kan tot de aanvang der behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop der behandeling. De andere echtgenoot kan op zijn beurt, in het verweerschrift, voorlopige voorzieningen vragen. Op grond van art. 282 lid 4 hoeft de rechter de oorspronkelijke verzoeker niet in de gelegenheid te stellen hier schriftelijk verweer tegen te voeren.
e. Door wie in te dienen?
In deze procedure geldt het beginsel van de verplichte procesvertegenwoordiging: verzoekschrift en verweerschrift worden ingediend door een advocaat (zie art. 278 en art. 282). Niet-naleving van dit voorschrift door de rechtbank is een grond voor doorbreking van het in art. 824 lid 1 neergelegde appelverbod (Hof Amsterdam 31 juli 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BJ2348).
f. Overige vereisten?
Art. 3 jo. art. 1 Procesreglement scheiding bevatten nog enige praktische voorschriften (indiening in tweevoud, genummerde bijlagen met inhoudsopgave en toelichting die, zo nodig, vertaald zijn).
3. Mondelinge behandeling (lid 2)
Het karakter van de voorlopige voorzieningen noopt tot een spoedige behandeling. In dat verband bepaalt art. 821 lid 2 dat de mondelinge behandeling niet later aanvangt dan in de derde week volgende op die waarin de voorziening is gevraagd. Deze termijn is aanzienlijk korter dan die voor de mondelinge behandeling in de scheidingsprocedure (vgl. art. 818 jo. art. 816). Het rechtvaardigt tevens het verschil in de verweertermijnen (zie art. 282 voor de voorlopige voorzieningen, art. 816 voor wat betreft de scheidingsprocedure). De wet stelt geen sanctie op niet-naleving van het voorschrift van art. 821 lid 2, maar in de praktijk houdt de rechter zich hier doorgaans aan. Is (nog) geen advocaat bekend, dan stuurt de griffie de oproep voor de behandeling en het afschrift van het verzoekschrift voorlopige voorzieningen, aangetekend aan de wederpartij (art. 3.3Procesreglement scheiding). Voor de mondelinge behandeling is geen formele procesvertegenwoordiging noodzakelijk (art. 279 lid 3), zij het dat partijen zich gewoonlijk door een advocaat laten bijstaan. Wees erop bedacht dat de rechter op de voet van art. 29a de mogelijkheid heeft ter zitting mondeling uitspraak te doen wanneer alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen (zie verder aant. 4 onder d).
4. Beschikking (lid 3)
a. Algemeen
Art. 286 schrijft voor dat de rechter na afloop van de mondelinge behandeling de dag bepaalt waarop hij uitspraak zal doen en deze dag aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden meedeelt.
b. Termijn uitspraak
Ingevolge art. 821 lid 3 beslist de rechter zo spoedig mogelijk. Volgens art. 10Procesreglement scheiding is de gebruikelijke termijn voor uitspraak twee weken na de datum waartegen behandeling is bepaald of — in het geval dat er geen behandeling is bepaald — twee weken na de datum waarop duidelijk wordt dat is afgezien van behandeling. Het gaat hier om maximumtermijnen die eventueel verlengd kunnen worden. Een verlenging van de uitspraaktermijn wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal, met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum (zie voor het elektronisch familiejournaal de Inleidende opmerkingen bij de Tweede Afdeling van de Zesde Titel van het Derde boek Rv, aant. 1). Op niet-naleving staat geen sanctie.
c. Inhoud beschikking
De beslissing op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt neergelegd in een beschikking, die moet voldoen aan de in art. 287 gestelde eisen. Weliswaar kan deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden (art. 288), maar men bedenke dat door het bepaalde in art. 824 lid 1 geen hogere voorziening openstaat en dat ingevolge art. 822 de voorlopige voorzieningen aanvangen op de dag van de dagtekening van de beschikking of op het tijdstip dat de rechter heeft vastgesteld.
d. Mondelinge uitspraak
Op grond van het op 1 september 2017 ingevoerde (art. 30p thans vernummerd tot) art. 29a kan de rechter mondeling uitspraak doen op voorwaarde dat alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen. De uitspraak vindt plaats onmiddellijk na de mondelinge behandeling, maar nog wel ter zitting. In de praktijk zal dit na een korte schorsing kunnen gebeuren (Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 76). De uitspraak hoeft alleen te bestaan uit de beslissing en de gronden, die de rechter in een proces-verbaal neerlegt dat binnen twee weken in afschrift aan partijen wordt gestuurd, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Overschrijding van de tweewekentermijn leidt niet tot een nietige uitspraak (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:320, NJ 2020/339). De regeling van art. 29a is echter niet exclusief. Hiermee is niet beoogd de voorheen bestaande praktijk van mondelinge uitspraken in bijvoorbeeld zaken met een spoedeisend belang of in verzoekprocedures op het gebied van het familie-en echtscheidingsrecht af te schaffen. De rechter kan dus zowel overeenkomstig de al bestaande praktijk als op de voet van art. 29a mondeling uitspraak doen, aldus HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, NJ 2020/337.
5. Beperkte gelding van vroegtijdig verzochte voorlopige voorzieningen (lid 4)
Worden voorlopige voorzieningen gevraagd voorafgaand aan de indiening van het scheidingsverzoek, dan speelt het bepaalde in art. 821 lid 4. De beschikking houdende voorlopige voorzieningen verliest haar gelding, indien niet binnen vier weken na haar dagtekening een scheidingsverzoek is gedaan. Wordt niet in een keer over alle gevraagde voorzieningen beslist, dan ligt het in de rede, gelet op het tijdelijke karakter van de maatregel, dat de vier-wekentermijn ingaat op de dagtekening van de eerste beschikking. De aanvang van het scheidingsgeding wordt gemarkeerd door de indiening ter griffie van het verzoekschrift waarin de scheiding wordt gevraagd (MvA, Kamerstukken II 1986/87, 19242, 6, p. 16). Het is dus zaak dat dit verzoekschrift als tijdig ingekomen wordt aangemerkt (zie art. 815, aant. 10). Anders staat alleen de weg van een nieuwe procedure ex art. 821 open. Voor wat betreft de geldigheidsduur van de verschillende voorlopige voorzieningen zij verwezen naar art. 826.
6. Art. 810 en 812 van overeenkomstige toepassing (lid 5)
a. Algemeen
Aangezien in scheidingszaken vaak (de belangen van) kinderen betrokken zijn, verklaart art. 821 lid 5 twee bepalingen uit de zesde titel van het derde boek van overeenkomstige toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure.
b. Art. 810 van overeenkomstige toepassing
Art. 810 betreft het horen van de raad voor de kinderbescherming. In de regel zal bij de voorlopige voorzieningenzittingen altijd iemand van de raad aanwezig zijn voor zaken waarbij toevertrouwing of omgang (zie art. 822 lid 1 onderdeel c en d) punt van discussie is. Bij de op de voet van art. 823 verzochte ondertoezichtstelling is het horen van de raad verplicht.
c. Art. 812 van overeenkomstige toepassing
Art. 812 geeft de ouder aan wie de minderjarige volgens de getroffen voorlopige voorziening is toevertrouwd, het recht de afgifte van deze minderjarige, desnoods met behulp van de sterke arm, af te dwingen. Art. 822 lid 1 onderdeel c bevatte oorspronkelijk zelf deze verwijzing naar art. 925 (oud), de voorganger van art. 812. Sinds de invoering van de wet van 7 juli 1994, Stb. 570 maakt deze verwijzing niet langer deel uit van art. 822, noch werd gekozen voor een verwijzing in art. 812 naar art. 822, maar prefereerde de wetgever een verwijzing in art. 821 naar art. 812, omdat de regeling van het scheidingsprocesrecht een afgerond geheel is (NvW, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 7, p. 2-3). Vgl. Rb 's-Gravenhage 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26908.
d. Niet van overeenkomstige toepassing
Op de voorlopige voorzieningenprocedure zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard art. 809 (horen van minderjarigen), art. 810a (deskundigenrapport) en art. 811 (recht op inzage en afschrift).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C Rv, commentaar op art. 821 Rv
Procedure
R.Y. Nauta, actueel t/m 01-03-2026
01-03-2026
01-09-2017 tot: -
R.Y. Nauta
T&C Rv, commentaar op art. 821 Rv
Corona (V)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
corona
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 821
1. Uitleg
Met het einde van een huwelijk in zicht, kan het noodzakelijk zijn een aantal ordemaatregelen te (laten) treffen. Welke maatregelen mogelijk zijn, vermelden art. 822 en 823. De algemene regeling van art. 223 over de voorlopige voorzieningen staat hier niet open, omdat de wetgever met de artikelen 821-826 heeft voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in de scheidingsprocedure (HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411). Deze voorzieningen kunnen door elk van beide echtgenoten of door de echtgenoten gezamenlijk aan de rechter worden verzocht. In de regel zal het verzoek gedaan worden aan de rechtbank. Is de zaak echter aanhangig bij de appelrechter, dan kan zo nodig alsnog het hof verzocht worden voorlopige voorzieningen te treffen. Zie art. 2.6.5Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Daarbij doet niet ter zake wie in de scheidingsprocedure verzoeker of verweerder is. De voorlopige voorzieningenprocedure en de scheidingsprocedure hangen weliswaar nauw met elkaar samen (eenmalig griffierecht verschuldigd, geldigheid(sduur) afhankelijk van scheidingsprocedure, art. 821 en 826), maar ze mogen niet als één procedure worden gezien in de zin dat een eerder gedane domiciliekeuze in de voorlopige voorzieningenprocedure ook geldt voor de scheidingsprocedure (HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8115, NJ 2003/646). De procedure in het kader van voorlopige voorzieningen verloopt volgens eigen regels die, voor zover ze afwijken, in deze paragraaf staan vermeld. Daarnaast wordt deze verzoekschriftprocedure geregeerd door de algemene bepalingen, zoals die gelden voor verzoekschriftprocedures (MvT, Kamerstukken II 1990/91, 21881, 3, p. 8). Zie wat betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter de Inleidende opmerkingen bij de Zesde titel van het Derde boek Rv, aant. 3 onder b en art. 4. Op grond van art. 42 RO is de rechtbank absoluut bevoegd om van de zaak kennis te nemen. De relatieve competentie is geregeld in art. 262. De termijn waarbinnen een dergelijk verzoek moet worden afgedaan verschilt van die in de scheidingsprocedure, hetgeen samenhangt met het spoedkarakter van de voorlopige voorzieningen. De voorlopige voorzieningen worden gegeven bij afzonderlijke beschikking, waartegen in beginsel geen hogere voorziening open staat. Wel kunnen reeds bestaande voorlopige voorzieningen tussentijds worden gewijzigd wanneer de feitelijke situatie is veranderd (art. 824). Om proces-economische redenen kan de wijziging van een voorlopige voorziening die de rechtbank heeft gegeven ook aan het hof worden gevraagd, indien het hoger beroep van de hoofdzaak daar aanhangig is. Wel moet voldoende samenhang bestaan tussen de te wijzigen voorlopige voorziening en de hoofdzaak. De tekst van art. 821 is als onderdeel van de Wet vereenvoudiging en digitalisering gewijzigd (Stb. 2017, 174). Het betreft enkel de gehanteerde terminologie: ‘behandeling ter terechtzitting’ is vervangen door ‘mondelinge behandeling’. Verder werd in lid 1 ‘bij verzoekschrift vragen’ gewijzigd in ‘verzoeken’ om duidelijk te maken dat hier de verzoekprocedure van toepassing is (MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34212, 3, p. 9).
2. Procedure (lid 1)
a. In welke zaken?
Volgens lid 1 is een verzoek tot het doen treffen van voorlopige voorzieningen beperkt tot zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed valt daarbuiten. Daarentegen kunnen bij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap wel voorlopige voorzieningen worden gevraagd (art. 828). Hebben partijen alleen een affectieve relatie gehad, dan kan tijdens een aanhangig geding elk van partijen naar analogie van art. 223 de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding. Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 21 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19232.
b. Tot welk moment te verzoeken?
Ieder der echtgenoten kan bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen vragen tot het moment waarop de desbetreffende voorziening ingevolge art. 826 haar kracht zou verliezen. Het is derhalve mogelijk voorlopige voorzieningen te verzoeken vóór, tijdens of ná de scheidingsprocedure (vgl. HR 9 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1019, NJ 1989/410, wanneer de te treffen voorziening betrekking heeft op de kinderen). Is de scheidingsprocedure nog niet aanhangig gemaakt, dan bepaalt lid 4 de termijn waarbinnen dat alsnog dient te gebeuren (zie aant. 5). Wat te doen als geen voorlopige voorzieningen zijn gevraagd, de scheidingsbeschikking inmiddels is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, maar de alimentatieprocedure nog loopt? De wet voorziet buiten het kader van de scheidingsprocedure niet in de mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen in verzoekschriftprocedures. De Hoge Raad oordeelde weliswaar dat overeenkomstig hetgeen art. 223 bepaalt voor dagvaardingsprocedures ook in verzoekschriftprocedures kan (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261), maar dat wat betreft de in art. 822 lid 1, aanhef en onder a-e, genoemde voorzieningen, geen plaats is voor overeenkomstige toepassing van art. 223 (HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411).
c. Op welke wijze?
Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen kan in principe worden gedaan bij echtscheidingsverzoek maar ook bij afzonderlijk verzoekschrift. Art. 3.2 Procesreglement scheiding kiest uitdrukkelijk voor laatstgenoemde variant. Op gezamenlijke indiening staat echter geen sanctie. Voor de verzending van het verzoekschrift en het eventuele verweerschrift aan de andere echtgenoot geeft de Zesde titel van het Derde boek geen bijzondere regels. Dientengevolge geldt de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (met name art. 271 e.v.).
d. Verweerschrift mogelijk?
Let op de termijn waarbinnen een verweerschrift wordt ingediend: art. 282 bepaalt dat dit kan tot de aanvang der behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop der behandeling. De andere echtgenoot kan op zijn beurt, in het verweerschrift, voorlopige voorzieningen vragen. Op grond van art. 282 lid 4 hoeft de rechter de oorspronkelijke verzoeker niet in de gelegenheid te stellen hier schriftelijk verweer tegen te voeren.
e. Door wie in te dienen?
In deze procedure geldt het beginsel van de verplichte procesvertegenwoordiging: verzoekschrift en verweerschrift worden ingediend door een advocaat (zie art. 278 en art. 282). Niet-naleving van dit voorschrift door de rechtbank is een grond voor doorbreking van het in art. 824 lid 1 neergelegde appelverbod (Hof Amsterdam 31 juli 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BJ2348).
f. Overige vereisten?
Art. 3 jo. art. 1 Procesreglement scheiding bevatten nog enige praktische voorschriften (indiening in tweevoud, genummerde bijlagen met inhoudsopgave en toelichting die, zo nodig, vertaald zijn).
3. Mondelinge behandeling (lid 2)
Het karakter van de voorlopige voorzieningen noopt tot een spoedige behandeling. In dat verband bepaalt art. 821 lid 2 dat de mondelinge behandeling niet later aanvangt dan in de derde week volgende op die waarin de voorziening is gevraagd. Deze termijn is aanzienlijk korter dan die voor de mondelinge behandeling in de scheidingsprocedure (vgl. art. 818 jo. art. 816). Het rechtvaardigt tevens het verschil in de verweertermijnen (zie art. 282 voor de voorlopige voorzieningen, art. 816 voor wat betreft de scheidingsprocedure). De wet stelt geen sanctie op niet-naleving van het voorschrift van art. 821 lid 2, maar in de praktijk houdt de rechter zich hier doorgaans aan. Is (nog) geen advocaat bekend, dan stuurt de griffie de oproep voor de behandeling en het afschrift van het verzoekschrift voorlopige voorzieningen, aangetekend aan de wederpartij (art. 3.3Procesreglement scheiding). Voor de mondelinge behandeling is geen formele procesvertegenwoordiging noodzakelijk (art. 279 lid 3), zij het dat partijen zich gewoonlijk door een advocaat laten bijstaan. Wees erop bedacht dat de rechter op de voet van art. 29a de mogelijkheid heeft ter zitting mondeling uitspraak te doen wanneer alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen (zie verder aant. 4 onder d).
4. Beschikking (lid 3)
a. Algemeen
Art. 286 schrijft voor dat de rechter na afloop van de mondelinge behandeling de dag bepaalt waarop hij uitspraak zal doen en deze dag aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden meedeelt.
b. Termijn uitspraak
Ingevolge art. 821 lid 3 beslist de rechter zo spoedig mogelijk. Volgens art. 10Procesreglement scheiding is de gebruikelijke termijn voor uitspraak twee weken na de datum waartegen behandeling is bepaald of — in het geval dat er geen behandeling is bepaald — twee weken na de datum waarop duidelijk wordt dat is afgezien van behandeling. Het gaat hier om maximumtermijnen die eventueel verlengd kunnen worden. Een verlenging van de uitspraaktermijn wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal, met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum (zie voor het elektronisch familiejournaal de Inleidende opmerkingen bij de Tweede Afdeling van de Zesde Titel van het Derde boek Rv, aant. 1). Op niet-naleving staat geen sanctie.
c. Inhoud beschikking
De beslissing op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt neergelegd in een beschikking, die moet voldoen aan de in art. 287 gestelde eisen. Weliswaar kan deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden (art. 288), maar men bedenke dat door het bepaalde in art. 824 lid 1 geen hogere voorziening openstaat en dat ingevolge art. 822 de voorlopige voorzieningen aanvangen op de dag van de dagtekening van de beschikking of op het tijdstip dat de rechter heeft vastgesteld.
d. Mondelinge uitspraak
Op grond van het op 1 september 2017 ingevoerde (art. 30p thans vernummerd tot) art. 29a kan de rechter mondeling uitspraak doen op voorwaarde dat alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen. De uitspraak vindt plaats onmiddellijk na de mondelinge behandeling, maar nog wel ter zitting. In de praktijk zal dit na een korte schorsing kunnen gebeuren (Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 76). De uitspraak hoeft alleen te bestaan uit de beslissing en de gronden, die de rechter in een proces-verbaal neerlegt dat binnen twee weken in afschrift aan partijen wordt gestuurd, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Overschrijding van de tweewekentermijn leidt niet tot een nietige uitspraak (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:320, NJ 2020/339). De regeling van art. 29a is echter niet exclusief. Hiermee is niet beoogd de voorheen bestaande praktijk van mondelinge uitspraken in bijvoorbeeld zaken met een spoedeisend belang of in verzoekprocedures op het gebied van het familie-en echtscheidingsrecht af te schaffen. De rechter kan dus zowel overeenkomstig de al bestaande praktijk als op de voet van art. 29a mondeling uitspraak doen, aldus HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, NJ 2020/337.
5. Beperkte gelding van vroegtijdig verzochte voorlopige voorzieningen (lid 4)
Worden voorlopige voorzieningen gevraagd voorafgaand aan de indiening van het scheidingsverzoek, dan speelt het bepaalde in art. 821 lid 4. De beschikking houdende voorlopige voorzieningen verliest haar gelding, indien niet binnen vier weken na haar dagtekening een scheidingsverzoek is gedaan. Wordt niet in een keer over alle gevraagde voorzieningen beslist, dan ligt het in de rede, gelet op het tijdelijke karakter van de maatregel, dat de vier-wekentermijn ingaat op de dagtekening van de eerste beschikking. De aanvang van het scheidingsgeding wordt gemarkeerd door de indiening ter griffie van het verzoekschrift waarin de scheiding wordt gevraagd (MvA, Kamerstukken II 1986/87, 19242, 6, p. 16). Het is dus zaak dat dit verzoekschrift als tijdig ingekomen wordt aangemerkt (zie art. 815, aant. 10). Anders staat alleen de weg van een nieuwe procedure ex art. 821 open. Voor wat betreft de geldigheidsduur van de verschillende voorlopige voorzieningen zij verwezen naar art. 826.
6. Art. 810 en 812 van overeenkomstige toepassing (lid 5)
a. Algemeen
Aangezien in scheidingszaken vaak (de belangen van) kinderen betrokken zijn, verklaart art. 821 lid 5 twee bepalingen uit de zesde titel van het derde boek van overeenkomstige toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure.
b. Art. 810 van overeenkomstige toepassing
Art. 810 betreft het horen van de raad voor de kinderbescherming. In de regel zal bij de voorlopige voorzieningenzittingen altijd iemand van de raad aanwezig zijn voor zaken waarbij toevertrouwing of omgang (zie art. 822 lid 1 onderdeel c en d) punt van discussie is. Bij de op de voet van art. 823 verzochte ondertoezichtstelling is het horen van de raad verplicht.
c. Art. 812 van overeenkomstige toepassing
Art. 812 geeft de ouder aan wie de minderjarige volgens de getroffen voorlopige voorziening is toevertrouwd, het recht de afgifte van deze minderjarige, desnoods met behulp van de sterke arm, af te dwingen. Art. 822 lid 1 onderdeel c bevatte oorspronkelijk zelf deze verwijzing naar art. 925 (oud), de voorganger van art. 812. Sinds de invoering van de wet van 7 juli 1994, Stb. 570 maakt deze verwijzing niet langer deel uit van art. 822, noch werd gekozen voor een verwijzing in art. 812 naar art. 822, maar prefereerde de wetgever een verwijzing in art. 821 naar art. 812, omdat de regeling van het scheidingsprocesrecht een afgerond geheel is (NvW, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 7, p. 2-3). Vgl. Rb 's-Gravenhage 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26908.
d. Niet van overeenkomstige toepassing
Op de voorlopige voorzieningenprocedure zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard art. 809 (horen van minderjarigen), art. 810a (deskundigenrapport) en art. 811 (recht op inzage en afschrift).