De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.5.4:6.5.4 Duiding van de 403-vordering als een dynamische 403-vordering
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.5.4
6.5.4 Duiding van de 403-vordering als een dynamische 403-vordering
Documentgegevens:
E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250255:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.2.2.c, waar ik beide uitspraken uitgebreider behandel.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, m.nt. Josephus Jitta (Minister van Financiën/VEB c.s.), r.o. 4.30. De Hoge Raad verwijst naar de bijbehorende conclusie van A-G Timmerman onder nr. 10.4 en 10.5.
HR 3 april 2015, JOR 2015/191, m.nt. Faber en Vermunt (Eikendal q.q./Lentink), r.o. 3.6.2.
Zie ook Van Zoest 2016a, p. 58.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de 403-vordering wordt geduid als een dynamische vordering heeft deze te gelden als een hoofdelijke vordering die altijd toekomt aan degene met de corresponderende vordering op de 403-maatschappij. Hierdoor is er sprake van een bepaalde mate van verbondenheid tussen de vordering op de moeder- en die op de 403-maatschappij. Deze verbondenheid leidt er onder meer toe dat een crediteur de vorderingen niet onafhankelijk van elkaar kan cederen en dat als hij afstand doet van zijn vordering op de 403-maatschappij hij daardoor ook zijn vordering op de moedermaatschappij verliest.
Toch leidt de duiding van de 403-vordering als een dynamische vordering niet in alle situaties tot de uitkomst volgens het door mij bepleite uitgangspunt voor compensatie. Als de 403-maatschappij bijvoorbeeld de nakoming van haar verplichting opschort omdat de crediteur een opeisbare vordering – van de 403-maatschappij – jegens hem niet nakomt,1 kan de crediteur onverminderd de vordering op de moedermaatschappij te gelde maken. Ook is de crediteur niet gehouden om eerst te proberen om zich op de 403-maatschappij te verhalen voordat hij zich tot de moedermaatschappij kan wenden.
Er bestaat echter onduidelijkheid hoe de Hoge Raad deze duiding van de 403-vordering ziet. Twee uitspraken van de Hoge Raad zijn op dit punt tegenstrijdig aan elkaar.2 In de beschikking Minister van Financiën/VEB c.s. oordeelt de Hoge Raad in lijn met de duiding van de 403-vordering als een dynamische vordering.3 Maar het oordeel in het Eikendal q.q./Lentink-arrest – dat twee weken later is gewezen – sluit niet aan bij deze duiding van de 403-vordering.4 Het is de vraag hoe de Hoge Raad zal oordelen als hij zich opnieuw over de duiding van de 403-vordering moet uitlaten. Naar mijn mening is het wenselijk dat de Hoge Raad de lijn uit de Minister van Financiën/VEB c.s.-beschikking bevestigt, omdat dit het meest aansluit bij de functie van de 403-aansprakelijkheid bij de compensatie van de crediteuren voor het niet kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij. Ik verwacht echter dat het oordeel in het arrest Eikendal q.q./Lentink zal worden gevolgd. In laatstgenoemde arrest vormt de duiding van de 403-vordering de kern van het oordeel van de Hoge Raad. Bij de beschikking inzake Minister van Financiën/VEB c.s. is dit slechts een van de vele onderwerpen waarover de Hoge Raad zich heeft uitlaten. Ik denk daarom dat er met betrekking tot de duiding van de 403-vordering meer waarde moet worden gehecht aan het oordeel van de Hoge Raad in het Eikendal q.q./Lentink-arrest.5