Intellectuele eigendom in het conflictenrecht
Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/3.4.4:3.4.4 Slotbeschouwing: krachtenveld en ontwikkelingsstadia
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/3.4.4
3.4.4 Slotbeschouwing: krachtenveld en ontwikkelingsstadia
Documentgegevens:
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461639:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Actes BC 1908, p. 169 (Procès-verbaux, toespraak gedelegeerde Osterrieth namens gastland Duitsland).
Actes BC 1908, p. 177 (Procès-verbaux, opmerking Zweedse gedelegeerde Taube); Ruffini 1927, p. 526.
Villefort 1851, p. 53. Vgl. ook Lagarde 1978, p. 111: 'face noble d'une réalité plus vulgaire'.
Actes VP 1925, p. 415 (Rapport Sous-Commission I, opmerking Duitse delegatie).
Dit komt verder ter sprake in hoofdstuk 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
324. Belang van ontwikkelingsgeschiedenis. Wij hebben nu artikel 5 lid 1 tot en met 3 van de Berner Conventie in elk onderdeel volledig en consistent verklaard. Zonder onderzoek naar zijn genesis was dit niet mogelijk geweest. Artikel 5 is immers het product van een lange ontwikkelingsgeschiedenis, die in de eerste helft van de negentiende eeuw is ontkiemd — een geschiedenis van onderhand twee eeuwen. Het is een bouwwerk dat stamt uit de tijd van het statutistische conflictenrecht en dat in de loop der tijd steeds is verbouwd. Dat verklaart de complexiteit van het eindresultaat: het is een oud, organisch gegroeid bouwwerk. Wie dat bouwwerk zonder begrip van zijn ontwikkelingsgeschiedenis beziet, zal het niet kunnen doorgronden.
325. Krachtenveld. In die geschiedenis is een aantal krachten zichtbaar, die op elkaar inwerken: de nationale-behandelingsgedachte, de (materiële-) reciprociteitsgedachte, en de unificatiegedachte. De unificatiegedachte — het streven naar eenvormig auteursrecht — kon zijn vleugels pas in de twintigste eeuw uitslaan, en heeft toen een belangrijke vlucht genomen. Enerzijds werkt zij in op de nationale-behandelingsgedachte• immers, hoe meer eenvormig auteursrecht, hoe kleiner het speelveld van het beginsel van nationale behandeling. Anderzijds werkt zij in op de reciprociteitsgedachte. Want hoe meer eenvormig auteursrecht de conventie kent, des te minder is in het algemeen de behoefte aan reciprociteitstoetsen. Dat wordt bijvoorbeeld treffend geillustreerd door de stellingname van de 'Association Litéraire et Artistique Internationale' tijdens de Berlijnse herzieningsconferentie: zij pleitte vóór het behoud van de materiële-reciprociteitsuitzondering inzake de beschermingsduur zolang men niet tot een uniforme beschermingsduur kon komen.1
326. Dominant in het zojuist geschetste krachtenveld is echter de strijd tussen de nationale-behandelingsgedachte en de materiële-reciprociteitsgedachte. Deze strijd beheerst voor een groot deel de ontwikkelingsgeschiedenis van het beginsel van nationale behandeling. De materiële-reciprociteitsgedachte (kort gezegd: vreemde werken of auteurs krijgen niet méér bescherming van onze wet dan hun wet — de lex originis — verleent) is de inspiratiebron geweest voor het opnemen en oprekken van vele van de voorwaarden en uitzonderingen die in de loop der tijd ten aanzien van het beginsel van nationale behandeling zijn gemaakt. Als tegenkracht is zij verschillend geapprecieerd. Nu eens werd zij gepresenteerd als gezond en evenwichtig: "(...) principe qui de tous temps a démontré son utilité et son efficacité comme une base saine et équitable pour les relations internationales, savoir celui de la réciprocité: do ut des." 2 Dan weer werd zij ontmaskerd als "un principe beaucoup plus fécond en apparence qu'en réalité" 3 of als "le principe funeste d'une réciprocité matérielle".4 Hoe dan ook, in de loop der tijd is zij geleidelijk, doch met moeite, teruggedrongen. Die strijd heeft, zo hebben wij gezien, ook zijn sporen nagelaten in de tekst van de Berner Conventie, in het huidige artikel 5 lid 2.
327. Ontwikkelingsstadia. Met de geleidelijke terugdringing van de materiële-reciprociteitsgedachte kwam, omgekeerd evenredig, het beginsel van nationale behandeling verder tot wasdom. In de loop van ons onderzoek hebben wij aan de hand van het verloop van deze strijd tot nu toe drie stadia onderscheiden in de ontwikkelingsgang van het beginsel van nationale behandeling.
328. Ontwikkelingsstadium 1. In het eerste stadium werd het beginsel van nationale behandeling eenzijdig in de nationale wet afgekondigd onder voorwaarde van (materiële) reciprociteit: men ging pas over tot nationale behandeling voor zover aan deze reciprociteitsvoorwaarde was voldaan. Zo had de reciprociteitsgedachte in feite het gehele spectrum van de auteursrechtelijke bescherming in haar greep. In veel negentiende-eeuwse auteurswetten was zo'n voorwaardelijk beginsel van nationale behandeling opgenomen.
329. Ontwikkelingsstadium 2. In het tweede stadium ontdeed het beginsel van nationale behandeling zich van dergelijke reciprociteitsvoorwaarden. Het werd verheven naar een verdragsrechtelijk plan — eerst bilateraal, later multilateraal —, en daarmee viel de reden om nationale behandeling afhankelijk te stellen van een reciprociteitsvoorwaarde weg. Het beginsel van nationale behandeling werd onvoorwaardelijk. Maar zo gemakkelijk liet de materiële-reciprociteitsgedachte zich niet verslaan. Op het onvoorwaardelijke beginsel van nationale behandeling werden voor cruciale onderdelen uitzonderingen gemaakt waardoor op die punten niet méér bescherming door de nationale wet werd verleend dan de lex originis verleende. Zo maakten de bilaterale verdragen gewoonlijk de zogeheten 'pendant l'existence'-uitzondering, die in de praktijk zo werd uitgelegd dat zij niet alleen betrekking had op de duur en het bestaan van het recht, maar ook op de omvang van het recht. Men ziet, de materiële-reciprociteitsgedachte woekerde voort. De multilaterale Berner Conventie drong deze uitzondering vervolgens verder terug. Zij maakte alleen nog een materiële-reciprociteitsuitzondering voor de duur, en niet meer voor de omvang en het bestaan van het recht. Maar wederom liet de materiële-reciprociteitsgedachte zich niet gemakkelijk knevelen. Men twijfelde over de bedoeling van de verdragsopstellers, en nam in de praktijk de ruimte om voor het bestaan van het recht — een cruciaal punt — tóch een uitzondering te maken: de 'impliciete' derde lex originis-uitzondering.
330. Ontwikkelingsstadium 3. In het derde stadium van zijn ontwikkelingsgang schudde het beginsel van nationale behandeling de grote uitzonderingen, zoals de `impliciete' derde lex originis-uitzondering, van zich af. Dit stadium werd voor het Berner beginsel van nationale behandeling bereikt tijdens de Berlijnse herzieningsconferentie in 1908, toen het onafhankelijkheidsbeginsel werd ingevoerd. Alleen voor de beschermingsduur werd nog een uitzondering toegelaten, voor het overige was de strijd van de nationale-behandelingsgedachte tegen de materiëlereciprociteitsgedachte gestreden — en gewonnen. Later zou op een enkel punt nog een uitzondering worden toegelaten, vaak als noodoplossing voor een bijzonder onderwerp — als unificatie onbereikbaar bleek —, zoals het volgrecht of de toegepaste kunst.5
331. Slagveld. Deze drie stadia overziende, kunnen wij constateren dat de strijd tussen de nationale-behandelingsgedachte en de materiële-reciprociteitsgedachte zich grotendeels afspeelde op het slagveld van het vreemdelingenrecht. De tegenkracht van de reciprociteitsgedachte heeft zich vooral geuit op vreemdelingen-rechtelijk vlak, dus als inslag op de vreemdelingenrechtelijke component van het beginsel van nationale behandeling (het non-discriminatiebeginsel). Dat ligt voor de hand, en de zojuist weergegeven schets van de ontwikkelingsstadia is dan ook daarop toegespitst. Toch heeft de reciprociteitsgedachte ook effect gesorteerd op de conflictenrechtelijke component van het beginsel van nationale behandeling. In het eerste stadium was bijvoorbeeld het beginsel van nationale behandeling als geheel aan een reciprociteitsvoorwaarde onderworpen; dat gold dus ook voor zijn conflictregel. Vanaf het tweede stadium verslapte de greep van de materiële-reciprociteitsgedachte op de conflictenrechtelijke component evenwel. Niettemin strekten haar tentakels zich ook in dit stadium nog uit op het conflictenrechtelijke vlak in de gedaante van een conflictenrechtelijke uitzondering: men herinnere zich de desbetreffende constructie voor de 'derde lex originis-uitzondering.' Zelfs de zeldzame — en vruchteloos gebleven — voorstellen om een lex originis-conflictregel in te voeren, laden de verdenking op zich te zijn geboren uit de materiële-reciprociteitsgedachte. Want die voorstellen kwamen uit de mond van hen, die er gelet op hun eigen superieure auteurswet — geen terugslag van te duchten hadden, sterker nog: die er alleen garen bij zouden spinnen. Want aldus zouden vreemde werken worden afgescheept met hun altijd inferieure wet, terwijl de eigen werken overal de superieure bescherming van eigen wet zouden genieten. Hoe dan ook, ook deze voorstellen zijn in Berlijn van tafel geveegd.
332. Ontwikkelingsstadium 4. De grootste aanslag op de conflictenrechtelijke component zou na Berlijn komen, en kwam uit een geheel andere hoek. Want vanaf het tweede kwart van de twintigste eeuw begon het begrip van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling te vervagen. Men begreep deze conflictregel niet meer. Men begon haar bestaan te ontkennen, en men begon het beginsel van nationale behandeling te duiden als een louter vreemdelingenrechtelijk non-discriminatiebeginsel. Dit is het vierde stadium van de `Werdegang' van het beginsel van nationale behandeling, het stadium waarin wij thans nog verkeren: het stadium van de begripsverduistering ten aanzien van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. Dit zal worden behandeld in Deel II van deze studie. Eerst bezien wij nog, in het navolgende hoofdstuk 4, de ontwikkeling van het beginsel van nationale behandeling in het industriële-eigendomsrecht c.q. Verdrag van Parijs.