Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.3.1
5.3.3.1 Het PIGI-arrest
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499149:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Waarom de derogatiebevoegdheid wat betreft de hier besproken categorieën enkel beperkt is tot diefstal is mij niet duidelijk. Ik kan mij voorstellen dat de gedachte van de Uniewetgever geweest is dat gestolen goederen nog steeds kunnen leiden tot consumptie. Dit lijkt bij vernietiging en verlies niet aan de orde. Vgl. paragraaf 5.3.5.
Uit r.o. 29-30 meen ik te mogen opmaken dat dat diefstal alleen dan geacht moet worden te zijn bewezen en aangetoond als de dader geïdentificeerd en/of veroordeeld is (al lijkt mij deze uitleg wat strikt).
R.o. 28-30.
In dezelfde zin: HvJ 15 mei 2014, nr. C-337/13, V-N 2014/27.21 (Almos), r.o. 21.
In het PIGI-arrest betrof het een Bulgaarse onderneming die handelde in levensmiddelen. Nadat een aantal goederen waren gestolen, besloot de belastingdienst de aan de gestolen goederen toerekenbare voorbelasting te corrigeren. Grond hiervoor was een nationale bepaling die herziening van de aftrek voorschreef wanneer werd vastgesteld dat goederen ontbraken. Het maakte voor toepassing van deze nationale herzieningsregel niet uit onder welke omstandigheden de diefstal had plaatsgevonden. PIGI ging in beroep. De zaak belandde bij de rechter, die besloot het HvJ om raad te vragen. In het bijzonder wilde de nationale rechter vernemen onder welke omstandigheden sprake is van ‘naar behoren bewezen diefstal’.
Na enkele inleidende opmerkingen over aftrek en herziening van btw (zie in dat kader onder meer de hiervoor besproken rechtspraak), overweegt het HvJ aangaande de wijziging van de elementen die voor de btw-aftrek van belang zijn:
“27. Aangezien een gestolen goed door de belastingplichtige niet meer kan worden gebruikt voor later belaste handelingen, vormt diefstal een dergelijke wijziging die in beginsel tot herziening van het uitgeoefende recht op aftrek van de voorbelasting leidt.”
De woorden ‘in beginsel’ lijken te slaan op art. 185 lid 2 eerste alinea Btw-richtlijn, op grond waarvan (naar behoren bewezen en aangetoonde) diefstal als uitgangspunt van de herzieningsregels wordt uitgesloten. Omdat Bulgarije evenwel geacht moest worden gebruik te hebben gemaakt van de derogatiebevoegdheid van art. 185 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn,1 concludeert het HvJ vervolgens – mijns inziens terecht – dat de Bulgaarse belastingdienst niet verplicht was om na te gaan of de betrokken diefstal ‘naar behoren bewezen’ was.2 Daarmee was de nationale regeling niet in strijd met de Btw-richtlijn.3
Dat de Bulgaarse belastingwet de term ‘diefstal’ niet kent, en in plaats daarvan in de gevallen waarin ‘is vastgesteld dat hoeveelheden goederen ontbreken’ herziening voorschrijft, doet volgens het HvJ aan bovenstaande conclusie niet af. Het HvJ overweegt:
“32. Dienaangaande zij opgemerkt dat de lidstaten die gebruikmaken van de hun bij artikel 185, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn geboden mogelijkheid, in hun interne belastingwetgeving bewoordingen kunnen hanteren die niet identiek zijn aan die welke in de machtigingsbepaling van de richtlijn zijn gebruikt, voor zover deze bewoordingen met de door de richtlijn nagestreefde doelstelling overeenstemmen.
33. Het Hof heeft in dit verband gepreciseerd dat de lidstaten bij de uitoefening van de hun door de richtlijn verleende bevoegdheid de wetgevingstechniek mogen kiezen die hun het meest geschikt lijkt. Zij kunnen zich met name ertoe beperken in hun nationale belastingwetgeving de in de richtlijn gebruikte formulering of een gelijkwaardige uitdrukking op te nemen (...).
34. Aangezien het begrip „diefstal” in principe tot het strafrecht behoort, kunnen de lidstaten bewoordingen gebruiken die hun in het kader van de belastingregeling die ertoe strekt, een bepaling van het recht van de Unie op het gebied van herziening van btw uit te voeren, geschikter lijken.
35. Voor zover diefstal tot het „ontbreken” van de betrokken goederen leidt, zodat deze niet meer voor nadien belaste handelingen kunnen worden gebruikt, moeten de nationale belastingregeling en de toepassing ervan door het bevoegde bestuur dan ook worden geacht, een juiste toepassing te geven aan artikel 185, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn.”
Uit deze bijzonder heldere formulering volgt dat lidstaten enige beoordelingsvrijheid hebben wat betreft de invulling van het begrip ‘diefstal’ in het nationale recht, temeer nu dit begrip doorgaans een strafrechtelijke betekenis heeft. Ik zie geen reden om aan te nemen dat dit bij de andere begrippen uit art. 185 Btw-richtlijn anders zou zijn (ik kom daar nog over te spreken), zolang de bewoordingen uit het nationale recht de door de richtlijn nagestreefde doelstellingen maar eerbiedigen.4 Het gaat hierbij naar mijn smaak in het bijzonder om (het gebrek aan) een verband tussen de aftrek in een eerder stadium en de economische activiteiten van de ondernemer in een later stadium.