De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.3.1:12.3.1 Waardering van het huidige recht; is wetswijziging wenselijk?
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.3.1
12.3.1 Waardering van het huidige recht; is wetswijziging wenselijk?
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366534:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik besloot de inleiding tot deze paragraaf over de objectieve termijn met de vraag of wetswijziging wenselijk is of dat, integendeel, (i) het principe van een objectieve termijn deugdelijk is, en wij met (ii) de corrigerende asbestarresten en (iii) het uitzonderen van de personenschade in lid 5 van art. 3:310 BW een bevredigende status quo hebben bereikt. Ik bespreek die aspecten hierna aan de hand van de aan de rechtsvergelijking ontleende inzichten en hetgeen in het eerste deel van dit boek is opgemerkt.
(i) Ik zie de volgende reden tot positieve beoordeling van de objectieve termijn als principe. Een vordering moet niet meer afdwingbaar zijn als (i) over de gegrondheid van de vordering geen volwaardig debat meer mogelijk is en/of (ii) het belang van de crediteur bij nakoming van de vordering door tijdsverloop is tenietgegaan. Mijn inschatting is dat in verreweg het grootste deel van de zaken na twintig jaar of dertig jaar aan een van die twee voorwaarden is voldaan. De objectieve termijn vervult in die gevallen een nuttige functie.
Inderdaad bestaat de mogelijkheid dat niet aan een van die voorwaarden is voldaan. Dan is verlies van recht eigenlijk niet te rechtvaardigen. Het Duitse recht biedt hier geen oplossing — de Duitse wetgever vindt zonder toelichting verjaring ook in deze gevallen gerechtvaardigd — en het voorstel van de Law Commission, dat een discretion to override de objectieve termijn van de hand wijst, ook niet. Dat brengt mij bij (ii), de asbestarresten.
Met de asbestarresten neemt Nederland naar ik meen een voorsprong op zijn buren, omdat die arresten wél een oplossing bieden. De asbestarresten geven immers de rechter "in uitzonderlijke gevallen" de mogelijkheid de objectieve termijn wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing te laten. Ik geloof dat een dergelijke ontsnappingsmogelijkheid, feitelijk een discretion to override, precies is wat wij nodig hebben om verifieerbare, actuele vorderingen te kunnen sparen. Het gaat mij hier overigens strikt om de mogelijkheid van buiten toepassing laten op zichzelf; de voorwaarden waaraan de Hoge Raad de mogelijkheid van uitzondering onderwerpt, zijn wat mij betreft vatbaar voor kritiek.1
Ten slotte (iii) het uitzonderen van personenschade. De rechtsvergelijking biedt een diffuus beeld. In Engeland geldt de objectieve termijn niet, in Duitsland geldt een hOchsffl-ist van dertig jaar. Ik heb mij al tijdens de parlementaire behandeling tegen lid 5 gekeerd,2 en nog steeds lijkt het mij minder gelukkig dat alle zaken van personenschade van een long-stop zijn uitgezonderd. De grond voor deze stelling is dat ook het bewijs inzake vorderingen tot vergoeding van personenschade op enig moment door de tijd geheel ondergesneeuwd is, en ook in dit type zaken ooit de tijd de wonden heelt, al duurt dat laatste dan wellicht over het algemeen langer. De hiervoor besproken in Nederland met de asbestarresten geïntroduceerde discretion to override lijkt mij een veel betere oplossing dan de algemene uitzondering van lid 5. In feite is in Nederland het grootst denkbare probleem met de objectieve termijn, namelijk de asbestproblematiek, ook langs die weg opgelost; het nieuwe vijfde lid heeft vanwege zijn uitgestelde inwerkingtreden op die gevallen geen enkele invloed.
Tot zover het principe van een objectieve termijn, de asbestarresten en de uitzondering van de personenschade. Hebben we een bevredigende status quo bereikt? Mijn oordeel is gematigd positief.
In het eerste deel van dit boek concludeerde ik het volgende: als van de eiser niet redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde, is twintig jaar na het evenement waaruit de vordering is ontstaan de verjaring van deze vordering toch gerechtvaardigd, tenzij de vordering nog (i) actueel en (ii) vaststelbaar is. Die regel vertoont weliswaar sterke gelijkenis met onze objectieve termijn (in brede zin,
dus daaronder begrepen de escape van de asbestarresten en de uitzondering voor personenschade), echt gelijkluidend is hij niet. Voor volmaakte overeenstemming zou een wetswijziging nodig zijn. Uiteindelijk ben ik daarvan op dit moment geen voorstander, om redenen die ik in het concluderende hoofdstuk van dit deel uiteen zal zetten. Een aanvaardbaar alternatief biedt wellicht de meer geleidelijke convergentie via ontwikkelingen in de rechtspraak. Over die optie gaat de volgende paragraaf.