Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.5.2:IV.5.5.2 Relativiteit bij inbreuk op een recht
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.5.2
IV.5.5.2 Relativiteit bij inbreuk op een recht
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460159:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Andersom kunnen derden-belanghebbenden in beginsel geen aanspraak maken op bescherming wanneer inbreuk wordt gemaakt op het recht van een ander. Onder omstandigheden kan er dan wel sprake zijn van een schending van een zelfstandige ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk op een recht’, werkt de relativiteitstoets betrekkelijk eenvoudig. Rechten strekken vanzelfsprekend tot de bescherming van de houder van het recht.1 Als een rechthebbende iemand aansprakelijk stelt voor een rechtsinbreuk, is het persoonlijke element van relativiteit een gegeven.2 Echter moet nog wel worden nagegaan of de schadesoort en de ontstaanswijze van de schade vallen onder het beschermingsbereik van het geschonden recht. Als een inbreukmakende gedraging bijvoorbeeld atypische schadelijke gevolgen heeft, of als de schade in indirect verband staat met de rechtsinbreuk, dan zou een vordering tot schadevergoeding op grond van een rechtsinbreuk toch nog kunnen vastlopen op relativiteit. Ik ben tijdens mijn onderzoek geen voorbeelden tegengekomen waarin een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op een subjectief recht is vastgelopen op het relativiteitsvereiste.