Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/8.4.2:8.4.2 Art. 5:61 lid 1 sub a
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/8.4.2
8.4.2 Art. 5:61 lid 1 sub a
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487200:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 192; Davids 1994, p. 6.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 455; Berger 2001, p. 124 en 125; vgl. Ktr. Lelystad 27 september 2000, Prg. 2001, 5774.
Davids 1994, p. 6; Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 182.
Davids 1994, p. 6; Berger 2001, p. 124.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 455.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 455; Berger 2001, p. 125; Wibbens-de Jong 2006, p. 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de bespreking van de eindigingsgrond onder a, te weten het einde ingevolge het eindigen van de gemeenschap, dienen wij ons te bedenken dat een vordering tot verdeling van een mandelige zaak is uitgesloten en dat een aandeel in mandeligheid niet afzonderlijk van het erfoverdraagbaar is. Dit is anders in het geval als bedoeld in art. 5:66 lid 1. In dit geval zal de mandeligheid eindigen ingeval de mandelige zaak wordt verdeeld,1,2 zodanig dat de eigendom van de mandelige zaak in een hand komt. De mandeligheid en de gemeenschap eindigen. Er is sprake van volle eigendom bij een van de ex-deelgenoten.
Voorts eindigt3 de mandeligheid en eindigt ook de gemeenschapingeval alle erven opandere wijze in een hand komen.4 Dit laatste kan onder andere het gevolg zijn van vererving,5 verjaring, afstand, boedelmenging of vermenging alsmede ingeval de eigenaren van de erven die betreffende erven overdragen aan een derde. Herleving – nadat een van de erven aan een derde in eigendom is overgedragen – van mandeligheid is niet mogelijk.6
Een bijzondere problematiek doet zich voor in de volgende situatie: A en B, ieder afzonderlijk eigenaar van een erf, hebben samen in gemeenschappelijke eigendom een onroerende zaak welke krachtens overeenkomst is bestemd tot nut van de afzonderlijke erven. Vervolgens gaan A en B huwen in gemeenschapvan goederen, waartoe derhalve alle zaken gaan behoren.
De vraag is of de mandeligheid blijft bestaan. Ik zou – mede gelet op de bestuursregeling – willen aannemen dat de mandeligheid nu blijft bestaan.