Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.8
9.3.8 De vatbaarheid voor overdracht van een 403-vordering volgens de wilsrechttheorie
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648705:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wibier 2008.
Reehuis 2010, nr. 11; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 103. Zie ook: TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314.
Rongen 2012, nr. 552.
Zie Wiarda 1937, p. 376-377 en Van Hees 1997, p. 157.
Zie Rank-Berenschot & Snijders 2007, nr. 309 en Wiarda 1937, p. 377.
Zie Pitlo, Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 103.
In de zin van art. 1:392. Zie Pitlo, Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 103 en Reehuis 2010, nr. 11. Vgl. HR 30 mei 1997, NJ 1997/573 (Menschaert q.q./Stichting Pensioenfonds) en HR 27 november 1981, NJ 1982/503.
Zie HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203, r.o. 3.6 en vgl. reeds: Rb. Amsterdam 27 mei 1927, W 11 752.
Rongen 2012, nr. 552.
Zie HR 7 september 1990, NJ 1991/52.
Zie artikel 2:80 lid 1 BW/2:191 lid 1 BW.
Zie Peek 1997, p. 807 e.v.
HR 12 januari 1990, NJ 1990/766.
HR 16 mei 1997, NJ 1998/238.
Rongen 2012, nr. 1236.
Omdat de wilsrechttheorie niet voorkomt dat een tweede vorderingsrecht ontstaat, dient er binnen de theorie van Wibier een oplossing te worden gevonden voor het probleem dat de hoofdvordering en de 403-vordering in verschillende handen terecht komen. Wibier heeft betoogd dat de 403-vordering niet overdraagbaar is.1 De aard van de 403-vordering zou zich tegen overdracht verzetten;
“Op basis van het hierboven betoogde, ontstaat er pas een vordering op Holding N.V. onder de 403-verklaring op het moment dat een daartoe gerechtigde schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. Holding N.V. tot betaling aanspreekt onder de aansprakelijkheidsverklaring. Voor die tijd bestaat er slechts het recht Holding N.V. aan te spreken en aldus een vorderingsrecht jegens Holding N.V. in het leven te roepen. Een dergelijke bevoegdheid kwalificeert naar mijn mening als een wilsrecht dat niet voor afzonderlijke overdracht vatbaar is. Voor de uitoefening van de bevoegdheid een vordering uit hoofde van de 403-verklaring in het leven te roepen, moet men (krachtens de tekst van die verklaring) schuldeiser (uit hoofde van rechtshandeling) zijn van Werkmaatschappij B.V. Anderen dan dergelijke schuldeisers kunnen geen beroep doen op de verklaring, omdat de verklaring zich niet tot hen richt. Dat maakt dat het wilsrecht naar zijn aard niet afzonderlijk overdraagbaar is maar slechts toekomt aan diegenen die schuldeiser (uit hoofde van een rechtshandeling) zijn van Werkmaatschappij B.V.
In theorie zou zich dan de situatie kunnen voordoen dat X Holding N.V. aanspreekt onder de 403-verklaring en vervolgens onmiddellijk daarop de aldus in het leven geroepen vordering op Holding N.V. cedeert aan Y, zonder echter zijn vordering op Werkmaatschappij B.V. te cederen. Ik zou menen dat een dergelijke cessie geen effect heeft. Uit de 403-verklaring volgt dat Holding N.V. aansprakelijkheid aanvaardt jegens schuldeisers uit rechtshandeling van Werkmaatschappij B.V. Jegens anderen aanvaardt Holding N.V. geen aansprakelijkheid. Dat zo zijnde, moet worden aangenomen dat de vordering op Holding N.V. zich naar zijn aard tegen overdracht verzet.”
Vanzelfsprekend is het technisch gezien mogelijk dat een vordering niet overdraagbaar is, zie artikel 3:83 BW:
Artikel 3:83 BW
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.
Een onderdeel van de inhoud van een vorderingsrecht kan de niet-overdraagbaarheid zijn. Om te bepalen of een 403-vordering niet overdraagbaar is, zal vastgesteld moeten worden wat tot de inhoud van de 403-vordering behoort en wat niet. De inhoud van een vorderingsrecht wordt door verschillende factoren bepaald. De inhoud van vorderingen die voortvloeien uit onrechtmatige daad, zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking wordt bepaald door de wet. De inhoud van vorderingen die voortvloeien uit overeenkomst wordt bepaald door hetgeen partijen zijn overeengekomen, eventueel aangevuld door de wet. De inhoud van de 403-vordering wordt bepaald door de 403-verklaring. De 403-verklaring rept niet over niet-overdraagbaarheid. De wet bepaalt ook niet dat de 403-vordering niet overdraagbaar is. De aard van de 403-vordering lijkt het enige aanknopingspunt te zijn waaraan de niet-overdraagbaarheid kan worden gekoppeld.
In beginsel geldt dat een vordering overdraagbaar is. Er moet iets bijzonders aan de hand zijn met een vorderingsrecht, wil de aard van een vordering aan de mogelijkheid tot overdracht in de weg staan. Betoogd wordt dat de aard van een vordering zich tegen overdracht verzet wanneer de vordering een (hoogst)persoonlijk karakter heeft. Daarvan is sprake wanneer de prestatie sterk samenhangt met de persoon van de prestant2 of wanneer het persoonlijke element in de rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de schuldenaar overheerst.3 Het persoonlijke karakter komt onder meer tot uiting bij het recht op huur,4 het recht op arbeid,5 het recht op pensioen,6 het recht op levensonderhoud7 en het recht op verbruikleen.8 In al deze gevallen is de gemene deler dat de inhoud van de vordering ‘verandert’ wanneer de prestatie door een ander wordt geleverd of afgedwongen.9 Een 403-vordering lijkt moeilijk inpasbaar binnen dit rijtje.
Van de (hoogst)persoonlijke vorderingen waarvan de inhoud zou wijzigen wanneer de prestant een andere persoon is, kan worden onderscheiden de categorie vorderingen waarvan de aard van een vorderingsrecht zich tegen overdracht verzet omdat de aard van de onderliggende rechtsverhouding zich tegen overdracht verzet. Zo heeft de Hoge Raad met betrekking tot het vorderingsrecht van de curator in faillissement op grond van art. 2:248 BW geoordeeld dat een dergelijke vordering, gezien zijn bijzondere aard, niet voor overdracht vatbaar is.10 Ook wordt ten aanzien van de vordering tot volstorting van aandelen die een vennootschap jegens de aandeelhouder kan hebben,11 gezegd dat deze naar haar aard niet vatbaar is voor overdracht.12 Voorts wordt een recht op een door de overheid aan een specifiek persoon toegekend krediet beschouwd als een vorderingsrecht dat naar zijn aard niet overdraagbaar is13 en hetzelfde kan opgaan voor een vorderingsrecht voortvloeiend uit een vergunning.14
De vorderingsrechten in dit laatste rijtje zijn meer zakelijk van aard en de niet-overdraagbaarheid is niet zozeer gelegen in de hoedanigheid van de prestant maar met name gelegen in de algehele rechtsverhouding. In dit laatste rijtje zou de 403-vordering mogelijk in te passen zijn. Uit een analyse van de situaties waarin is geoordeeld dat sprake is van een vorderingsrecht dat naar zijn aard niet voor overdracht vatbaar is, blijkt echter wel dat de benadering sterk casuïstisch is en kan geen duidelijke lijn worden opgetekend. Tot op heden heeft nog geen rechter aangenomen dat de aard van een 403-vordering zich tegen overdracht verzet.
De Hoge Raad zal uitsluitsel moeten geven ten aanzien van de vraag of een 403-vordering overdraagbaar is of niet. Mogelijk heeft de Hoge Raad al laten doorschemeren wat zijn visie is. Wibier betoogt dat de interpretatie waarbij de 403-vordering als een niet-overdraagbare vordering wordt gezien, op gespannen voet lijkt te staan met de visie van de Hoge Raad:
“Toegegeven moet worden dat deze interpretatie enigszins op gespannen voet staat met overweging 3.5.4 van de Hoge Raad in de ING/Akzo-beschikking waarin de Hoge Raad lijkt uit te gaan van de mogelijkheid een pandrecht te vestigen op de vordering op Akzo (de partij die de 403-verklaring had gedeponeerd). Slechts op goederen die voor overdracht vatbaar zijn kan een pandrecht worden gevestigd. Daarmee lijkt de Hoge Raad op het spoor te zitten dat de bij het handelsregister gedeponeerde hoofdelijke aansprakelijkheidstelling resulteert in het ontstaan van een tweede, van de oorspronkelijke vordering onafhankelijke vordering op Akzo, zulks in lijn met de reeds meerdere malen aangehaalde Parl. Gesch.”
Het argument dat de 403-vordering overdraagbaar is, omdat er een pandrecht op de 403-vordering kan worden gevestigd, wordt niet door iedereen gedeeld. Zo betoogt Rongen:15
“Anders dan wel wordt betoogd is de bezwaring van een goed met een beperkt recht niet op te vatten als een vorm van overdracht van dat goed, maar als een rechtsfiguur met een eigen aard. Het is veeleer dat uit de aard en inhoud van een onoverdraagbaar recht vaak voortvloeit dat het recht niet met een beperkt recht kan worden bezwaard. Met de onoverdraagbaarheid heeft dat op zichzelf niets van doen. De artikelen 3:81 lid 1 en 228 BW kunnen als beginselbepalingen worden beschouwd: overdraagbare goederen zijn in beginsel ook vatbaar voor bezwaring met beperkte rechten. Daarmee is echter niet gezegd dat op onoverdraagbare goederen nooit een beperkt recht gevestigd zou kunnen worden. Of dit het geval is moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van de aard en inhoud van het betreffende goed en het betreffende beperkte recht. Voor vorderingen geldt bovendien dat schuldenaar en schuldeiser de mogelijkheid hebben om te differentiëren. Het wettelijk systeem (zoals dat blijkt uit art. 3:98 jo 83 lid 2 BW) en de partijautonomie staan het toe om enkel de verpandbaarheid van de vordering uit te sluiten, maar niet ook de overdraagbaarheid. De vordering is dan wel vatbaar voor overdracht, maar niet voor verpanding. Evenzo impliceert het feit dat de overdraagbaarheid is uitgesloten nog niet noodzakelijkerwijs dat partijen ook de verpandbaarheid van de vordering hebben willen uitsluiten. Of dit zo is, dient door uitleg te worden vastgesteld. Indien de bewoordingen van het onoverdraagbaarheidsbeding geen duidelijkheid verschaffen, is het uitgangspunt dat het beding enkel in de weg staat aan een overdracht, maar niet ook aan een verpanding.”
Over de overdraagbaarheid van een 403-vordering valt mogelijk nog wat te zeggen. Niet is uitgesloten dat de aard van de 403-vordering zich tegen overdracht verzet.