Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.4:5.2.4 Het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.4
5.2.4 Het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946235:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ahsmann 1995, p. 11.
Hartmann & Van Russen Groen 1998, p. 27.
Groenhuijsen 1986, p. 122.
Groenhuijsen 2013, p. 608. Daarbij verdient opmerking dat Groenhuijsen in de betreffende bijdrage doelde op een andere – hierboven reeds aangehaalde – set van factoren waaruit het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht wordt opgemaakt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De beschouwingen over de verhouding tussen het privaatrecht en het publiekrecht, en het privaatrecht en het strafrecht in het bijzonder, zijn informatief voor de beantwoording van de volgende vraag: wat moet worden verstaan onder het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht? Die vraag moet zijn beantwoord alvorens kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijk verankerde regeling van klachtdelicten dat karakter geweld aandoet.
Een belangrijke constatering is dat de strafrechtelijke literatuur geen eenduidige, op dogmatische gronden gestoelde en algemeen aanvaarde beschrijving biedt van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. De duiding van dat karakter door diverse auteurs bevat geregeld overeenkomende aspecten, maar is desondanks niet uniform. Zo beschrijft Ahsmann dat het strafrecht tegenwoordig algemeen wordt beschouwd als een onderdeel van het publiekrecht, waarbij van overheidswege een door het algemeen belang ingegeven strafvervolging van de dader plaatsheeft.1 Hartmann en Van Russen Groen zien het strafrecht als publiekrecht
“omdat het de overheid bevoegdheden geeft om eenzijdig in te grijpen in de relatie tussen burgers onderling, macht centraliseert en daardoor recht in het leven roept in het publieke domein”.2
Groenhuijsen stelt op zijn beurt dat het strafrecht tot het publiekrecht behoort omdat het de bevoegdheid van de overheid omlijnt om op te treden tegen burgers. Zijns inziens gaat de overheid met het oog op het algemeen belang een rechtsverhouding aan met een burger om tot bestraffing te komen. De bevoegdheid om dit te doen is daarbij strak omlijnd door een samenstel van drie factoren. Daarmee doelt hij ten eerste op de delictsomschrijvingen en straf- en vervolgingsuitsluitingsgronden, ten tweede op de bij wet bepaalde maximale strafbedreiging en ten derde vindt de bevoegdheidstoepassing begrenzing in de strafprocesrecht.3
Hiervoor kwam in paragraaf 2.3.2 het onderscheid tussen het strafrecht en het privaatrecht aan bod. Ook bij die beschrijving van verschillen zijn door diverse auteurs onderscheidende karakteristieken van het strafrecht voor het voetlicht gebracht die bijdragen aan de duiding van de (publiekrechtelijke) aard van het strafrecht. De aangehaalde auteurs hebben bij het benoemen van hetgeen het strafrecht onderscheidt van het privaatrecht nagenoeg steeds oog voor de uiteenlopende doelen van die rechtsgebieden, de (on)gelijksoortigheid van de belangen die daarbinnen centraal staan en een verschil in gelijkwaardigheid van de partijen die zijn betrokken bij de procesvoering binnen die rechtsgebieden.
Uit al het voorgaande destilleer ik vier facetten van het strafrecht die nadrukkelijk op de voorgrond treden als in de literatuur aandacht uitgaat naar het publiekrechtelijke karakter van dat rechtsgebied. Dit betreft ten eerste de vaststelling dat het gaat om een verticale, ongelijkwaardige relatie tussen de overheid en de burger waarbij het de overheid is die zorgdraagt voor de vervolging en bestraffing van de dader. Een tweede punt van belang is dat die vervolging en bestraffing is ingegeven door de bescherming van het algemeen belang. Daarop sluit het derde element nauw aan: de aard van de strafoplegging. Het gaat om een sanctionering van (het handelen van) de dader. Daarbij staat een eventuele compensatie van getroffenen niet centraal, al kan dit in bepaalde gevallen een wezenlijke rol spelen. Ten vierde is van belang dat de overheid uitsluitend op wettelijk voorgeschreven wijze mag vervolgen en sanctioneren. Het voorgaande betekent dat de verticale relatie tussen de betrokken partijen, de aard van de sancties, de redengeving voor sanctionering en de normering van het overheidshandelen in dit verband gezamenlijk invulling geven aan het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Groenhuijsen stelde mijns inziens terecht: “Dit betekent – welbeschouwd – dat het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht méér dan één dimensie heeft”. 4Net zoals een menselijk karakter uit vele facetten is opgebouwd, geldt dat voor het strafrecht als rechtsgebied evenzeer. Bij de duiding van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht kan één van de voornoemde elementen ten aanzien van specifieke deelaspecten van het strafrecht de boventoon voeren, maar in breder verband geven deze elementen gezamenlijk invulling aan het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht.