De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten
Einde inhoudsopgave
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/7.2.3:7.2.3 Vergoedingen en betalingen
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/7.2.3
7.2.3 Vergoedingen en betalingen
Documentgegevens:
mr. L.A.R. Siemerink, datum 13-03-2007
- Datum
13-03-2007
- Auteur
mr. L.A.R. Siemerink
- JCDI
JCDI:ADS384405:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De prijs is een kernbeding van de ISP-overeenkomst. Een regeling over vergoedingen en de wijze waarop betalingen plaatsvinden, is in de algemene voorwaarden noodzakelijk. De prijs is afhankelijk van de te leveren diensten. Het is wenselijk dat de prijs inclusief BTW is en per maand wordt berekend. Er kan financiële zekerheid van de klant worden verlangd op grond van een waarborgsom. Bij een niet tijdige betaling dient de ISP eerst een nadere termijn te stellen alvorens de klant in verzuim is. Het buiten gebruik stellen van de diensten is een redelijke sanctie wanneer de klant in verzuim is, mits de klant door de ISP vooraf op de hoogte wordt gesteld van de sanctie (zie paragraaf 7.3.6 'Sanctiemogelijkheden'). Het feit dat de ISP-overeenkomst een duurovereenkomst is, brengt met betrekking tot de prijs met zich mee dat de ISP een bepaling in zijn algemene voorwaarden zal opnemen die hem de bevoegdheid geeft om de tarieven van tijd tot tijd aan te passen. De artikelen van de zwarte lijst die een rol kunnen spelen bij het onderdeel vergoedingen en betalingen zijn ten eerste art. 6:236 sub i BW dat zich richt op prijsverhogingsbedingen en beoogt op dit gebied bescherming aan de consument te bieden. De bescherming is gericht tegen de onbeperkte gebondenheid van de consument aan de gewijzigde overeenkomst. In een prijsverhogingsbeding moet uitdrukkelijk worden bepaald dat een klant de mogelijkheid heeft om de overeenkomst op te zeggen, wanneer de ISP de prijs verhoogt. Ten tweede speelt art. 6:236 sub k BW dat zich richt op bewijsafspraken een rol. Zolang een beding aan de klant de mogelijkheid geeft om tegenbewijs te leveren is sprake van een redelijk beding.