Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/XII.4.3.2
XII.4.3.2 Misbruik van rechtskeuzebevoegdheid en ‘offshore’ SPV’s
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358801:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook: Rank 1998a, p. 16.
Wellicht anders: Verhagen, JOR 1997/77, die het voorbeeld geeft van een Nederlandse factormaatschappij die een pakket vorderingen wenst te verkrijgen zonder dat mededeling van cessie wordt gedaan en de cessie derhalve laat plaatsvinden via een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij zodat rechtskeuze mogelijk wordt. Bij dit voorbeeld zij opgemerkt dat naar huidig recht art. 3:94 lid 3 BW een stille cessie mogelijk maakt.
Vgl. Rank 1998a, p. 16, die kennelijk van mening is dat hier wel sprake is van misbruik van de rechtskeuzevrijheid.
Voor securitisation geldt dat een rechtstreekse overdracht van de vorderingen aan de investeerders geen reëel alternatief is, al is het maar vanwege de verhandelbaarheid van de “participaties” van de investeerders in de vorderingenportefeuille. Indien de vorderingen rechtstreeks zouden worden overgedragen aan de investeerders en de investeerders of de originator zelf de contracten zouden aangaan die nodig zijn in het kader van de financial support (credit enhancement e.d.), dan zou de verhandelbaarheid van ieders participatie in de transactie gering zijn, aangezien zowel het aandeel in de vorderingenportefeuille, als het aandeel in de rechten onder de financial support alleen kan worden verhandeld door middel van cessie. Door een SPV de spil van de transactie te laten zijn, wordt een optimale verhandelbaarheid bereikt. Door middel van het SPV kan een relatief illiquide vorderingenportefeuille worden “herverpakt” tot verhandelbare effecten waaraan door toepassing van financial support technieken (credit enhancement, swaps e.d.) andere betalings- en risicokarakteristieken kunnen worden toegekend dan aan de onderliggende vorderingen zijn verbonden.
Wet van 17 december 1997, Stb. 697. Art. 1 lid 1 van deze wet luidt als volgt: “In deze wet wordt onder formeel buitenlandse vennootschap verstaan een naar een ander dan Nederlands recht opgerichte, rechtspersoonlijkheid bezittende kapitaalvennootschap die haar werkzaamheid geheel of nagenoeg geheel in Nederland verricht en voorts geen werkelijke band heeft met de staat waarbinnen het recht geldt waarnaar zij is opgericht. In dit artikel worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden als staat aangemerkt.”
Aldus: Verhagen & Rongen 2000, p. 19.
Zie MvT, TK 1994-1995, 24 139, nr. 3, p. 5 en Nota, TK 1996-1997, 24 139, nr. 6, p. 14.
Zie MvT, TK 1994-1995, 24 139, nr. 3, p. 5.
Aldus: Nota, TK 1996-1997, 24 139, nr. 6, p. 4.
Zie Nota, TK 1996-1997, 24 139, nr. 6, p. 15.
1192. Buitenlandse cessionaris als tussenpersoon: misbruik van rechtskeuzebevoegdheid. Een andere vraag is of cedent en cessionaris, indien zij in verschillende landen gevestigd zijn, te allen tijde de mogelijkheid van een rechtskeuze hebben. Moet wellicht onder omstandigheden het verschil in statutaire zetel worden genegeerd voor de vraag of is voldaan aan het internationaliteitsvereiste? Hoe bijvoorbeeld te oordelen over het geval dat een Nederlandse bank een lening verstrekt aan een Nederlandse leningnemer en daarbij bedingt dat de leningnemer vorderingen op Nederlandse afnemers tot zekerheid aan de bank dient te cederen. Enkel en alleen om het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW te ontlopen, spreken partijen af dat de zekerheidscessie zal plaatsvinden aan een dochter- of zustermaatschappij van de bank die in het buitenland is gevestigd en die mogelijk zelfs met het oog op de transactie wordt opgericht (een SPV). Deze dochter- of zustermaatschappij heeft als enige doel de tot zekerheid gecedeerde vorderingen ten titel van beheer voor de bank te houden en volgt ook de instructies op van de bank. Voor het overige vervult zij geen functie in het kader van de financiering die de leningnemer wordt verstrekt.
Ik heb mijn twijfels over de vraag of in een dergelijk geval een conflictenrechtelijke rechtskeuze mogelijk is. Hier is mogelijk sprake van misbruik van de rechtskeuzebevoegdheid.1 Indien er voor de inschakeling van de buitenlandse dochter- of zustermaatschappij vanuit een economisch-financieel of transactietechnisch perspectief geen enkele reden is en zij uitsluitend fungeert als een “stroman” voor de bank, kan worden betoogd dat er materieel bezien geen sprake is van een internationale rechtsverhouding. De buitenlandse dochter (de cessionaris) kan als het ware worden vereenzelvigd met de moeder. In het hier gegeven voorbeeld is naar mijn mening dan ook het Nederlandse recht van toepassing op de goederenrechtelijke aspecten van de cessie. Men zou dit juridisch kunnen onderbouwen door aan te nemen dat niet is voldaan aan het internationaliteitsvereiste. De rechtskeuze is dan niet meer dan een materieelrechtelijke rechtskeuze, hetgeen betekent dat de dwingende regels van het Nederlands goederenrecht (waaronder de leveringsvoorschriften en het fiduciaverbod) niet terzijde worden gesteld (art. 3 lid 3 Rome I).2
1193. Financiële transacties en het gebruik van ‘offshore’ SPV’s; “pseudobuitenlandse” vennootschappen. Uit het voorgaande mag niet de conclusie worden getrokken dat in geval van financiële transacties, zoals securitisations en covered bonds, waarbij Nederlandse cedenten betrokken zijn geen gebruikgemaakt zou kunnen worden van een ‘offshore’ SPV als cessionaris, ook niet indien de oprichting van een SPV naar buitenlands recht enkel is ingegeven door de wens om door middel van een rechtskeuze het Nederlandse goederenrecht buiten de deur te houden (zoals het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW).3 De conflictenrechtelijke rechtskeuze dient in beginsel te worden gesanctioneerd. Bij de genoemde transacties bestaan voor de oprichting van het SPV immers transactietechnische en financieel-economische redenen die niets van doen hebben met de wens om bepaalde rechtsregels te omzeilen. De oprichting van een SPV is noodzakelijk met het oog op de (in verband met de rating en eventueel een solvabiliteitsvrijval) gewenste vermogensafzondering van de vorderingen, het eventuele “off-balance”-effect en de uitgifte van de ABS of de covered bonds.4 Daarbij geldt dat het de oprichters van een rechtspersoon is toegestaan het op de rechtspersoon toepasselijke recht te kiezen door de statutaire zetel in een bepaald land te plaatsen en de rechtspersoon overeenkomstig het recht van dat land op te richten (art. 10:118 BW). Bovendien zijn de investeerders in ABS of covered bonds over het algemeen niet alleen Nederlandse partijen. Ook vanuit dit oogpunt kan men dus niet zeggen dat het SPV uitsluitend fungeert als een “stroman” ten behoeve van Nederlandse partijen.
Wellicht moet de grens van het toelaatbare daar worden getrokken waar het “offshore” SPV moet worden aangemerkt als – of, indien het geen kapitaalvennootschap betreft, kan worden gelijkgesteld met – een “formeel buitenlandse vennootschap” in de zin van art. 1 van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen,5 dat wil zeggen daar waar het SPV zijn werkzaamheid geheel of nagenoeg geheel in Nederland verricht en bovendien geen werkelijke band heeft met de staat van het recht waarnaar het is opgericht.6 Indatgeval zou kunnenworden aangenomendatwat betreftde cessie niet is voldaan aan het internationaliteitsvereiste, zodat een rechtskeuze geen conflictenrechtelijke, maar slechts materieelrechtelijke gevolgen heeft.
Het gaat om cumulatieve criteria waaraan voldaan moet zijn. Het feit dat het SPV zijn werkzaamheid wellicht geheel of nagenoeg geheel in Nederland verricht, betekent nog niet dat het SPV zonder meer als een ‘pseudo-buitenlandse’ vennootschap moet worden aangemerkt. Daarvoor is tevens vereist dat het SPV geen werkelijke band heeft met de staat van oprichting. Volgens de toelichting mag niet te snel worden aangenomen dat aan de eis van een “werkelijke band” is voldaan.7 Zo zou het enkele feit dat de meerderheid van de bestuurders van de vennootschap in het land van oprichting gevestigd zijn, niet voldoende zijn om een “werkelijke band” tot stand te brengen.8
Van een “werkelijke band” zou wel sprake zijn, indien (i) de directie wordt gevoerd vanuit een hoofdkantoor in het land van de statutaire zetel, (ii) de aandeelhouders daar worden bijeengeroepen en vergaderen, (iii) de raad van commissarissen daar bijeenkomt, (iv) de jaarstukken daar worden neergelegd, gepubliceerd en gecontroleerd door in dat land gevestigde accountants, (v) de financiering van de onderneming geschiedt vanuit dat land met behulp van aldaar gevestigde kredietinstellingen en (vi) de statuten bepalen dat een meerderheid van de directie en/of de raad van commissarissen de nationaliteit van dat land moet bezitten of ingezetenen van dat land moeten zijn.9 Volgens de minister zou er dan ook geen sprake zijn van een formeel buitenlandse vennootschap, indien de vennootschap zijn activiteiten geheel in Nederland verricht, terwijl de directie in het buitenland functioneert, zodat de Nederlandse activiteiten vanuit de buitenlandse zetel worden geleid.10
Indien de directie over het SPV wordt gevoerd door een in het land van oprichting gevestigd trustkantoor en de vennootschappelijke gang van zaken rondomhet SPV prudent is vormgegeven, zal het SPV niet als een pseudo-buitenlandse vennootschap kunnen worden aangemerkt.