Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.3.2.a.iv
5.3.2.a.iv Toepassing vreemd vreemdelingenrecht
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465256:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard alleen voor zover die voorschriften zijn toegelaten door de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs.
Met name mag men dit resultaat niet trachten te ontlopen door de inzet van de openbare orde-exceptie, bijvoorbeeld onder het motto: 'onze fundamentele rechtsbeginselen verzetten zich tegen toepassing van het vreemd vreemdelingenrecht door onze rechter, a fortiori wanneer dat ten nadele is van onze eigen onderdanen of werken van eigen bodem?' Die vlieger gaat reeds niet op omdat de onderhavige materiële-reciprociteitstoets uitdrukkelijk is toegelaten door de Berner Conventie, en dus niet strijdig is met fundamentele rechtsbeginselen (bovendien kent de eigen wet zelf ook vaak precies zo'n voorschrift). En het is in strijd met het non-discriminatiebeginsel, zie daarover ook par. 6.3.1.
Overigens is ook onder de vigeur van het formele-territorialiteitsbeginsel denkbaar dat een nationale auteur bij zijn eigen rechter een nadelig vreemdelingenrechtelijk voorschrift krijgt tegengeworpen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de nationale wet de beschermingsduur van vreemde werken inkort en deze auteur zijn werk in een ander land, dat een kortere beschermingsduur kent, heeft laten ontspringen. Maar dan gaat het wel om een vreemdelingenrechtelijk voorschrift van eigen bodem, en niet een om een vreemdelingenrechtelijk voorschrift van een vreemde wet.
Bij dit alles moet wel worden bedacht dat deze voorwaarde van theoretisch belang is omdat de materiële-reciprociteitstoetsen (ook art. 7 lid 8 Berner Conventie) doorgaans 'automatisch' werken, dat wil zeggen: zolang de toepasselijke wet niet anders bepaalt, moeten zij op grond van het desbetreffende verdrag worden toegepast. De rechter past dus niet (alleen) een vreemd vreemdelingenrechtelijk voorschrift toe, maar (ook) een (in beginsel verplicht toe te passen) verdragsrechtelijk vreemdelingenrechtelijk voorschrift. De onderhavige voorwaarde zou wel praktisch belang hebben wanneer een verdrag slechts de mogelijkheid zou bieden een materiëlereciprociteitstoets aan te leggen. Hoe dan ook, het is wel goed om de onderhavige voorwaarde te onderkennen; in de praktijk zal immers al gauw de verleiding bestaan om uitvluchten te bedenken.
687. Vreemdelingenrechtelijke consequentie. Ten slotte, in de vierde plaats, moeten wij ons rekenschap geven van een vreemdelingenrechtelijke consequentie van het buiten toepassing laten van de formele-territorialiteitscomponent van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. De verdragen kennen een aantal vreemdelingenrechtelijke materiële-reciprociteitstoetsen. Een bekend voorbeeld is de inkorting van de beschermingsduur ingevolge artikel 7 lid 8 van de Berner Conventie: de normaal door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen toegekende beschermingsduur wordt ingekort tot de eventuele kortere beschermingsduur in het land van oorsprong van het werk. Dit wordt (dienovereenkomstig) ook bepaald in nationale auteurswetten, zie bijvoorbeeld het vreemdelingenrechtelijk voorschrift in artikel 42 Auteurswet.
688. Formele-territorialiteitsbeginsel. Onder de vigeur van het formele-territorialiteitsbeginsel past de rechter alleen zijn eigen auteursrecht toe, inclusief dit soort vreemdelingenrechtelijke voorschriften. Toepassing van vreemde vreemdelingen-rechtelijke voorschriften is niet aan de orde.
689. Zonder formele territorialiteit. Maar dat ligt anders wanneer de formele-territorialiteitscomponent van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling buiten toepassing blijft. Dan zal de rechter ook vreemd auteursrecht kunnen toepassen, en daaronder zullen dan ook diens vreemdelingenrechtelijke voorschriften begrepen moeten zijn1 — anders zou men tot een ander resultaat komen dan onder de vigeur van het formele-territorialiteitsbeginsel.
690. Voorbeeld Illustreren wij dit met een voorbeeld. Stel dat de Australische rechter moet oordelen over de inbreuk in Nederland op een Australisch werk van een Australische auteur. Deze rechter zal het Nederlandse auteursrecht moeten toepassen, daaronder begrepen het voormelde vreemdelingenrechtelijke voorschrift in artikel 42 Auteurswet. Dat betekent dat de Australische rechter in de onderhavige zaak de beschermingsduur van dit werk moet inkorten omdat de Australische auteurswet een kortere beschermingsduur kent dan de Nederlandse wet.2 De Australische auteur krijgt dus met betrekking tot zijn Australische werk bij de Australische rechter — bij hem 'thuis' dus — een nadelig vreemd vreemdelingenrechtelijk voorschrift tegengeworpen. Dat resultaat, dat wellicht tegen chauvinistische haren in strijkt, is juist: de Nederlandse rechter had precies zo gedaan.3 Het is een consequentie van het buiten toepassing laten van de formeleterritorialiteitscomponent.4
691. Conclusie. Hier kan dus de voorwaarde worden geformuleerd dat de formele-territorialiteitscomponent van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling buiten toepassing kan blijven mits bij de toepassing van het vreemde auteursrecht óók het bijbehorende, door de verdragen toegelaten vreemde vreemdelingenrecht wordt toegepast.5