De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.1.2.2:3.1.2.2 Het enquêterecht van 1928
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.1.2.2
3.1.2.2 Het enquêterecht van 1928
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381834:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De enquêteregeling die uiteindelijk is opgenomen in art. 53-54c WvK hield het volgende in.1 Tot het indienen van een enquêteverzoek waren bevoegd een of meer aandeelhouders die ten minste een vijfde gedeelte van het geplaatste kapitaal hielden of een zoveel geringer bedrag als bij de akte van oprichting is bepaald (art. 53 WvK). De enquête kon worden ingesteld bij een NV met aandelen aan toonder. Bij een vennootschap die enkel aandelen op naam hield, was het instellen van een enquête alleen mogelijk indien de statuten dat toelieten. Daarnaast bestond de mogelijkheid dat de akte van oprichting of een overeenkomst aan anderen dan de aandeelhouders de enquêtebevoegdheid toekent (art. 54 WvK). Een enquêteverzoek diende te worden gericht aan de rechtbank in het rechtsgebied waar de vennootschap was gevestigd. Het verzoek werd afgewezen indien de verzoekers zich tevoren niet eerst tot de bestuurders, de commissarissen en tot de aandeelhoudersvergadering hadden gericht met het verzoek tot het instellen van een eigen onderzoek door de vennootschap. Het verzoek kon worden toegewezen wanneer er gegronde redenen waren om aan een juist beleid en goede gang van zaken te twijfelen en er financiële zekerheid werd gesteld door de verzoekers. Tegen de beschikking van de rechtbank stond hoger beroep open bij het gerechtshof. Tegen de beschikking van het gerechtshof stond geen verdere voorziening open, behoudens cassatie in belang der wet bij de Hoge Raad. De door de rechtbank benoemde onderzoekers hadden het recht tot inzage van boeken en bescheiden van de vennootschap. Het verslag van het onderzoek werd ter inzage gelegd voor de aandeelhouders, bestuurders en commissarissen ter griffie van de rechtbank. De kosten van het onderzoek moest worden voldaan door de verzoekers, die al financiële zekerheid hadden gegeven. Vervolgens kon de rechtbank na kennisneming van het verslag bepalen of die kosten werden vergoed door de vennootschap, door haar bestuurders of commissarissen persoonlijk of door andere personen in haar dienst. Daarmee eindigde de procedure. De rechtbank kon geen voorzieningen treffen. Indien als uitkomst van het onderzoek wanbeleid werd vastgesteld, diende de vennootschap zelf te bepalen of, en welke maatregelen er moesten worden genomen.2 Naar zijn aard was het onderzoek gericht op het verkrijgen van informatie en openheid van zaken. Tevens zou het rechtsmiddel krachtig preventief werken ten behoeve van de aandeelhouders.