Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/3.6
3.6 De relatie tussen de civiele procedure tot aansprakelijkheid en het tuchtrecht
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS299337:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mooibroek (2015 a), p.16.
Uhlenbroek & Mooibroek (2013), p. 218.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, (Vied’Or) r.o. 5.4.3.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, (Vied’Or) r.o. 5.4.3, met verwijzing naar HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537 en HR 12 juli 2002, NJ 2003, 151.
Hendriksen & Rammeloo (2008), p. 952 e.v.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, (Vied’Or) r.o. 5.4.3.
Mooibroek (2015 b), p. 812 e.v.
Uhlenbroek & Mooibroek (2013), p. 218.
Mooibroek (2015 b), p. 812 e.v., met verwijzing naar onder andere: Accountantskamer 27 januari 2014, ECLI:NL:TACAKN:2014:12, r.o. 4.5.
Accountantskamer 13 oktober 2014, ECLI:NL:TACAKN:2014:80, Dieleman & Garvelink (2014), p. 142 e.v.
Van Hulten & Van Campen (2016 b), p. 27.
HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537 en Hendriksen & Rammeloo (2008), p. 952 e.v.
Hendriksen & Rammeloo (2008), p. 952 e.v.
Artikel 22 Wtra, gewijzigd naar aanleiding van het Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties.
Van Hulten & Van Campen (2016 b), p. 27
Campen (2012), p. 124-125.
Campen (2012), p. 124-125.
CBB 7 maart 2013, JOR 2013/196, Landis.
CBB 29 januari 1998, LJN ZG0148 en CBB 3 december 1998, LJN ZG1037.
O.a. HR 15 november 1996, NJ 1997/151 en HR 12 juli 2002, nr. C00/274, NJ 2003, 151. Aldus ook Hendriksen & Rammeloo (2008), p. 952 e.v.
HR 15 november 1996, NJ 1997/151.
HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537. Dit volgt tevens uit HR 15 november 1996, NJ 1997/151.
HR 12 juli 2002, nr. C00/274, NJ 2003, 151.
Hendriksen & Rammeloo (2008), p. 952.
Tjittes (1995), p. 107.
Roes (2008), p. 922.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 mei 2004, JOR 2004/206, r.o. 10.7.
Van Dam (2007) en HR 13 oktober 2006, LJN AW2080, JOR 2006, 296, JRV 2006, 752, NJ 2008, 528, r.o. 5.4.3.
Mooibroek (2015 a), p. 17.
Uhlenbroek & Mooibroek (2013), p. 218.
Campen (2008), p. 20.
Mooibroek (2015 a), p. 17/18.
Rb. Arnhem 4 april 2007, JA 200108, r.o. 3.12.
Rb. Rotterdam 28 maart 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW4612, r.o. 4.5. Zie ook: Giard (2014), p. 18 (zorgplichten art. 7:453 BW en art. 47 Wet BIG zijn ‘in essentie hetzelfde’).
Vergelijk: Wijne (2013), p. 68.
HR 13 oktober 2006, LJN AW2080, JOR 2006, 296, JRV 2006, 752, NJ 2008, 528, r.o. 5.4.3.
Dit volgt tevens uit: HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452, HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479 (Novitaris) en HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003/151(Telfout).
Op de rechter rust in een civielrechtelijke procedure in alle gevallen een bijzondere motiveringsplicht indien hij afwijkt van een tuchtrechtelijk oordeel. De Hoge Raad heeft dit voor het eerst in algemene zin aangenomen in: HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452. Aldus Barbiers & Hijink (2018), paragraaf 3.1.
HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452, HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479 en HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003/151 (In het Vie d’Or arrest wordt verwezen naar dit arrest).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9927, r.o. 3.6 betreffende de aansprakelijkheid van een accountant. Met verwijzing naar HR 12 juli 2002, LJN AE1532 (Telfout) betreffende de aansprakelijkheid van een arts, waarin wordt gesproken over ‘Daarbij valt in het bijzonder te denken aan een motivering met behulp van verklaringen van een of meer, zo nodig door de rechter te benoemen, deskundigen’.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9927.
HR 5 december 2003, NJ 2004, 74 (Nieuwe Vredenburg/NHL).
Mooibroek (2015 a).
Uhlenbroek & Mooibroek (2013), p. 219.
Uhlenbroek & Mooibroek (2013), p. 220.
Hendriksen & Rammeloo (2008).
Barbiers & Hijink (2018), paragraaf 3.9.
Aan de aansprakelijkheidstelling van een accountant(sorganisatie) gaat vaak een tuchtzaak vooraf die tegen de accountant in persoon wordt ingesteld. De tuchtzaak wordt vaak als een ‘opstapje’ gezien naar de aansprakelijkheidstelling. Men veronderstelt dat men na gegrondverklaring van de klacht bij de civielrechtelijke procedure 1-0 voorstaat. Deze veronderstelling is echter niet geheel juist, zoals blijkt uit het hiernavolgende.
Verschillen tuchtzaak en civielrechtelijke procedure
Tussen een tuchtzaak en een civielrechtelijke procedure jegens een accountant (sorganisatie) bestaan de volgende verschillen:
Het tuchtrecht heeft tot doel om een goede wijze van beroepsuitoefening door de accountant te bevorderen/waarborgen en is dus in het algemeen belang. De civielrechtelijke procedure heeft tot doel de individuele belangen van de procederende partijen te behartigen.1 Het algemeen belang speelt bij een civielrechtelijke procedure geen rol.
Er gaat echter wel een zeker algemeen belang uit van een aansprakelijkheidsprocedure, wanneer men afschrikking als een van de doelen van het aansprakelijkheidsrecht beschouwt.2
Bij een tuchtzaak wordt aan de hand van andere maatstaven getoetst dan bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid.3 In een tuchtzaak wordt beoordeeld of een accountant in overeenstemming heeft gehandeld met de voor de hem geldende normen en gedragsregels.4 Bij een civielrechtelijke procedure wordt daarentegen ‘getoetst aan het hele ‘scala’ van vereisten voor civiele aansprakelijkheid’,5 waarbij gedacht dient te worden aan de vier deelvragen uit paragraaf 3.5.
Bij de tuchtzaak draait het om de accountant in persoon. Er is slechts sprake van tuchtrechtelijke aansprakelijkheid voor werkzaamheden van anderen indien de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van de accountant zijn verricht.6 Indien een tuchtzaak wordt gewonnen en vervolgens een civielrechtelijke procedure wordt aangespannen, zal in de praktijk niet de accountant in persoon maar de accountantsorganisatie waar de betreffende accountant werkzaam of aan verbonden is, de gedaagde zijn (zie paragraaf 5.2).
Bij een tuchtzaak zijn de in een civielrechtelijke procedure geldende bewijsregels niet van toepassing.7 Dat betekent dat de tuchtrechter grote vrijheid heeft in het waarderen van bewijs. De tuchtrechter vervult hierbij een niet-lijdelijke rol. Hij dient het algemeen belang van een goede beroepsuitoefening te beschermen.8 Zodoende kunnen klagers bij de formulering van de klacht worden geholpen door de tuchtrechter. Verder kan de tuchtrechter onzorgvuldigheden vaststellen buiten de grenzen van de klacht. De civiele rechter mag daarentegen niet ambtshalve aanvullen.9 Tot slot hoeven de klagers het door hen gestelde in beginsel niet, zoals in een civiele procedure, te bewijzen. Zij moeten het gestelde slechts aannemelijk maken.10
De accountantskamer kan hiervan afwijken. Zij heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt bij de Econcern zaak. Dieleman en Garvelink merken hierover op dat hen niet bijstaat dat een dergelijke verzwaarde bewijslast ooit eerder zo expliciet is overwogen.11
De kosten van een tuchtzaak komen niet voor een veroordeling tot vergoeding in aanmerking bij de betreffende tuchtzaak (tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden).12 Een tuchtzaak kan overigens niet worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid. De kosten van een tuchtzaak worden bij een civielrechtelijke procedure dan ook niet als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder b BW beschouwd.13
De tuchtzaak is informeel en zeer laagdrempelig (zie paragraaf 2.4.4 voor een uitwerking hiervan), zulks in tegenstelling tot de vergaand gereguleerde civielrechtelijke procedure, waarbij eiser ook belangheb bende dient te zijn.14
Bij een tuchtzaak zijn ‘vakbroeders’ betrokken. Dit brengt deskundigheid ten aanzien van de materie met zich. Bij de Accountantskamer dienen de ‘gewone’ rechters echter wel in de meerderheid te zijn (zie paragraaf 2.4.4.). Dit om te voorkomen dat ‘vakbroeders’ te streng of juist te mild oordelen.
Een vordering uit een tuchtzaak verjaart tien jaar na het handelen of nalaten.15 Een civielrechtelijke vordering tot vergoeding van schade verjaart vijf jaar na bekendwording met de schade en in ieder geval twintig jaar na de schadetoebrengende gebeurtenis.16
Indien sprake is van een tuchtklacht tegen de achtergrond van een civiel geschil of een civiele procedure, zal de Accountantskamer zich overigens terughoudend opstellen.17 Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden zal de tuchtklacht alsdan gegrond worden verklaard.18 Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld aan de orde indien de accountant bewust onwaarheden naar voren brengt, dit is immers in strijd met de beginselen van de VGBA.19 Achtergrond van de terughoudendheid is dat de Accountantskamer probeert te voorkomen dat civielrechtelijke geschillen onnodig aan haar worden voorgelegd. Verder wil de Accountantskamer niet op de stoel van de burgerlijke rechter gaan zitten, zij kan slechts een oordeel geven over de tuchtrechtelijke toelaatbaarheid van het handelen van de accountant.20
Met betrekking tot de verhouding tussen een jaarrekeningprocedure en een tuchtzaak wijs ik op de Landis uitspraak.21 Hieruit volgt dat een jaarrekeningprocedure niet in de weg staat aan een tuchtzaak.22
‘Uit de omstandigheid dat een rechtsgang over de jaarrekening bij de ondernemingskamer bestaat, volgt niet dat de tuchtrechtelijke toetsing van het handelen van de accountant in het kader van het afgeven van een verklaring bij de jaarrekening bij voorbaat terughoudend is’.
Maatstaf tuchtzaak en civielrechtelijke procedure
Volgens de Hoge Raad moet er een duidelijk onderscheid worden aangebracht tussen een tuchtzaak en een civielrechtelijke procedure.23 De Hoge Raad24 heeft dit in 1996 als volgt verwoord: ‘Vooropgesteld moet worden dat een ontkennend antwoord van de tuchtrechter op de vraag of overeenkomstig een voor het beroep geldende norm is gehandeld, de burgerlijke rechter niet dwingt tot het oordeel dat sprake is van wanprestatie of van een onrechtmatige daad’. Oftewel: bij beantwoording van de vraag of een accountant ter zake van de uitoefening van zijn taak aansprakelijk is, kan aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels is gehandeld, ‘niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm’.25 De civiele rechter kan wel betekenis toekennen aan het oordeel van de tuchtrechter over het gewraakte handelen, maar dient dit te beoordelen in het licht van de civielrechtelijke procedure.26 Hierbij speelt wel een rol dat hoe meer de tuchtrechtelijke norm overeenkomt met de civielrechtelijke norm, des te meer invloed het oordeel van de tuchtrechter zal hebben op dat van de civiele rechter.27
De tuchtrechtelijke norm voor de accountant betreft de vraag of de accountant heeft gehandeld conform de voor hem geldende normen en gedragsregels. Daarbij dient vooral gedacht te worden aan de NV COS en aan de vijf fundamentele beginselen van de VGBA, te weten: professionaliteit, integriteit, objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid. Het gaat bij de tuchtrechtelijke norm vooral om ‘persoonlijke laakbaarheid28’ van de accountant, het betreft aldus een ‘moreel waardeoordeel29’.
De civielrechtelijke norm in geval van aansprakelijkheid van de accountant betreft de vraag of de accountant heeft gehandeld zoals in vergelijkbare omstandigheden ‘van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht’.
Mijns inziens is er sprake van belangrijke overeenkomsten tussen deze twee normen en zal de invloed van een oordeel van de tuchtrechter in beginsel groot zijn bij een civielrechtelijke procedure. Dit is in lijn met de overweging van het hof in de Vie d’Or zaak ‘dat de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenstemmen met de zorgvuldigheidsnormen die de accountants in acht moesten nemen.30’ Hierbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat de Hoge Raad in cassatie heeft overwogen dat een veroordeling door de tuchtrechter niet zonder meer een schending oplevert van de civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm, omdat de tuchtrechter deels andere maatstaven aanlegt.31 Ik zal hier in het hiernavolgende onder ‘Invloed tuchtzaak op civielrechtelijke procedure’ bij stilstaan.
Mooibroek32 signaleert in dit verband dat advocatuurlijke en medische tuchtcolleges hun toetsing bij de beoordeling van de core-dienstverlening steeds vaker met zoveel woorden aan die van de civiele rechter gelijkstellen. Er is alsdan sprake van een niet-marginale toetsing van de core- dienstverlening, hetgeen ook wel ‘technisch georiënteerd tuchtrecht’ wordt genoemd. Hierbij is de ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam’-maatstaf het uitgangspunt.
Ten aanzien van de tuchtrechtelijke en civielrechtelijke norm is tot slot nog van belang dat dit open normen zijn. Tuchtrechters vallen in de praktijk voor de invulling van de tuchtrechtelijke norm vaak terug op civielrechtelijke normen. Hierdoor kan de grens tussen de verschillende normen niet altijd scherp getrokken worden.33
Invloed tuchtzaak op civielrechtelijke procedure
Ook al leidt een door een accountant verloren tuchtzaak niet per definitie tot een voor de klager succesvolle civielrechtelijke procedure, eiser zit, aldus Van Campen,34 doorgaans wel op voorhand in een riante positie ‘wanneer hij kan verwijzen naar een gegrond verklaarde klacht die ziet op hetzelfde feitencomplex als zijn schadevordering’.
Indien de tuchtrechter de door de beroepsbeoefenaar geleverde core-dienstverlening in volle omvang heeft getoetst, dient volgens Mooibroek35 het uitgangspunt te zijn dat de zorgvuldigheidsnorm waaraan de tuchtrechter heeft getoetst ‘niet in relevante mate afwijkt’ van de civielrechtelijke beroepsaansprakelijkheidsnorm.36 Er is alsdan sprake van ‘wezenlijk dezelfde norm’.37 Een dergelijke vereenzelviging van normen is niet onwenselijk gelet op de rechtszekerheid (heldere en logische uitleg van de inhoud van normen).38
De Hoge Raad heeft hieromtrent in het Vie d’Or arrest39 het volgende voorbehoud gemaakt: ‘Het tuchtrecht heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. In een tuchtprocedure staat, aan de hand van andere maatstaven dan die worden gehanteerd bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid en zonder de in een civiele procedure geldende bewijsregels, ter beoordeling of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming heeft gehandeld met de voor de desbetreffende beroepsgroep geldende normen en gedragsregels. Deze kenmerken brengen mee dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm’.40 Hierbij speelt een rol dat de civiele rechter een motiveringsplicht heeft indien hij bij de beoordeling van het beroepsmatig handelen tot een oordeel komt dat afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter met betrekking tot datzelfde handelen.41 De civiele rechter dient het oordeel alsdan zodanig te motiveren dat het oordeel van de civiele rechter ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is.42 Een dergelijke motiveringsplicht komt de rechtseenheid en rechtszekerheid ten goede. Onder zodanige motivering wordt in beginsel verstaan: een verwijzing naar verklaringen van, zo nodig door de rechter te benoemen, deskundigen.43
Hof Arnhem overweegt in dit verband: ‘Uit de hiervoor aangehaalde arresten van de Hoge Raad volgt dat de civiele rechter in zijn oordeel over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de accountant enerzijds niet gebonden is aan het oordeel van de tuchtrechter, maar er anderzijds ook niet zomaar aan voorbij kan gaan, zeker niet wanneer de tuchtrechter de klacht ongegrond heeft verklaard’.44 Men zou hierin kunnen lezen dat het voor een civiele rechter moeilijker is een tuchtrechtelijke uitspraak te passeren waarbij de klacht ongegrond is bevonden. Het is de vraag of het hof dit inderdaad zo bedoeld heeft.
Indien de rechter de zienswijze van een door hem benoemde deskundige niet volgt, dient hij dit oordeel te motiveren. Hij dient daarbij voldoende inzicht te geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, teneinde deze gedachtegang voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.45 Deze motiveringsplicht lijkt sterk op de motiveringsplicht indien wordt afgeweken van een tuchtrechtelijk oordeel. Dit hangt mijns inziens samen met de stelling van Mooibroek46 dat het tuchtrechtelijk oordeel de facto als een soort deskundigenbericht fungeert.
Praktijk
Uhlenbroek en Mooibroek47 hebben aan de hand van jurisprudentieonderzoek geconstateerd dat ‘civiele rechters slechts incidenteel doorslaggevende betekenis toekennen aan een uitspraak van de tuchtrechter’. De uitspraak van de tuchtrechter is vaak slechts één van de aspecten die worden meegewogen. Deze bevindingen zien op een onderzoek naar advocaten, notarissen, accountants en medici. In slechts 10% van de onderzochte zaken van advocaten, notarissen, accountants en medici tezamen kreeg het oordeel van de tuchtrechter een zeer grote rol toegekend. Indien separaat wordt gekeken naar de accountantstuchtzaken lijkt vaker (in 19% van de zaken) doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan een uitspraak van de tuchtechter. Uhlenbroek en Mooibroek komen in dit verband tot de volgende bevindingen met betrekking tot accountantstuchtzaken:
Aantal zaken met tuchtprocedure vooraf 2002- 2012
Geen afwijking van oordeel tuchtrechter
Een of meer afwijkingen van oordeel tuchtrechter
Beroepsfout door civiele rechter (nog) niet vastgesteld
Zeer grote/ doorslaggevende rol tuchtr. uitspraak
Ondergeschikte rol tuchtr. uitspraak
I
II
III
IV*
Want: tussenvonnis/arrest
Want: schade/causaliteit ontbreekt
21
4
9
3
2
0
0
2
1
*I Ondanks tuchtrechtelijke gegrondverklaring van de klacht is onvoldoende gesteld om onrechtmatig onzorgvuldig handelen aan te nemen, zonder inhoudelijk commentaar van civiele rechter op tuchtuitspraak.
II Ondanks tuchtrechtelijke gegrondverklaring van de klacht is onvoldoende gesteld om onrechtmatig onzorgvuldig handelen aan te nemen, met inhoudelijk commentaar van civiele rechter op tuchtuitspraak.
III Tuchtrechtelijke uitspraak helemaal buiten beschouwing gelaten (tuchtuitspraak niet meegewogen om uiteenlopende redenen).
IV Ondanks tuchtrechtelijke ongegrondverklaring van de klacht is voldoende gesteld om onrechtmatig onzorgvuldig handelen aan te nemen.
Mogelijk wordt bij de accountantsaansprakelijkheidsprocedures vaker doorslaggevende betekenis toegekend aan een uitspraak van de tuchtrechter omdat de civiele rechter de normoverschrijding van een accountant lastig(er) kan beoordelen. Voor het beoordelen van het afgeven van een controleverklaring door een accountant bijvoorbeeld leunt de civiele rechter wellicht sneller op financiële expertise van hetzij de tuchtrechter, hetzij deskundigen. Hierbij zal een rol spelen dat afwijken van een deskundige visie deugdelijk moet worden gemotiveerd, terwijl bij de civiele rechter zelf de deskundigheid ter zake de normoverschrijding van een accountant kan ontbreken.48 In dit verband valt op dat bij medici ook vaker (in 18% van de gevallen) doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan een uitspraak van de tuchtrechter. Bij advocaten en notarissen is dit minder vaak (in 6% van de gevallen respectievelijk 0%).
Barbiers en Hijink merken het volgende op ter zake het ‘leunen’ op de tuchtrechter: ‘Met Hendriksen en Rammeloo49menen wij dat de deskundigheid van een civiele rechter of tuchtrechter niet bepalend moet zijn voor de vraag of de civiele rechter moet aansluiten bij het oordeel van de tuchtrechter. Bij het aanspreken van een beroepsoefenaar uit hoofde van onrechtmatige daad of wanprestatie zal een civiele rechter zelf moeten beoordelen of aan de relevante civielrechtelijke norm is voldaan. Op dat gebied is de civiele rechter deskundig. Dat de materie complex en specialistisch kan zijn, betekent niet dat de civiele rechter reeds om die reden zou moeten aansluiten bij een tuchtrechtelijk oordeel over diezelfde complexe en specialistische materie. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een bepaalde vaststelling om voldoende te stellen, motiveren en zo nodig te bewijzen, zodat de civiele rechter zich voldoende in staat acht om die vaststelling te doen. Een aangevoerd tuchtrechtelijk oordeel kan daarbij worden meegewogen. Als de rechter zich vervolgens nog onvoldoende voorgelicht acht, zou hij bovendien ambtshalve een deskundigenbericht, deskundigenverhoor of getuigenverhoor kunnen gelasten.50