Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/13.1
13.1 Vruchtgebruik en stockdividenden/bonusaandelen
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS365769:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de artikelen 2:86-86c BW en 2:196-196c BW.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/413 onder verwijzing naar Kamerstukken II 1973/74, 12897, 3, p. 4 en Kamerstukken II 1973/74, 12897, 6, p. 1 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/40.
Het zijn geen vermogensrechten in de zin van artikel 3:1 jo. artikel 3:6 BW.
Zie bijvoorbeeld Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/40, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/422 en Mellema-Kranenburg, GS Vermogensrecht, artikel 3:216 BW, aant. 2 (online, bijgewerkt 21 december 2016). Zie ook Frielink 1992. Anders: Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:88 BW, aant. 6.2 (online, bijgewerkt 20 juli 2017).
Een claim geeft aandeelhouders het recht om bij een uitgifte van aandelen bij voorrang nieuwe aandelen te verkrijgen tegen de uitgiftekoers, zie Slagter/Assink 2013, § 30 en ook Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/39.
HR 23 mei 1958, NJ 1958/458 (Pierlot/Kreemer).
Uit artikel 2:88/197 lid 5 BW volgt nog wel dat de aandeelhouder de waarde van het bonusaandeel of stockdividend aan de vruchtgebruiker moet vergoeden. Bij de BV is deze bepaling van dwingend recht. De statuten van een NV kunnen anders bepalen.
Zie ook Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/40 : ‘Hoe echter te oordelen over bonusaandelen, claims en soortgelijke uitkeringen? Een dergelijke uitkering stamt niet rechtstreeks uit de winst en tast de waarde van het aandeel aan. Over het algemeen zal men dit soort uitkeringen mogen aanmerken als ‘voordelen die geen vruchten zijn’ in de zin van art. 3: 213 lid 2 BW. Is bij de vestiging niets hierover bepaald – vgl. art. 3: 216 BW – dan komen deze voordelen toe aan de aandeel-houder, met dien verstande dat zij ook – van rechtswege zou ik menen, zonder nadere ‘vestiging’ – aan het recht van vruchtgebruik onderworpen zijn.’ Ik veronderstel dat zij daarbij de zaaksvervangingsregeling van artikel 2:213 lid 2 BW op het oog hebben.
De vraag is of een zodanige bepaling het begrip vruchten uitbreidt, of een voorwaardelijke vestiging van het recht van vruchtgebruik behelst. Het laatste lijkt mij in veel gevallen meer voor de hand te liggen, nu de ruimte om te bepalen wat als vruchten dient te worden beschouwd niet onbeperkt is.
Ik begrijp dat hier geduid wordt op de hoofdgerechtigde. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem- Leeuwarden 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9851. Zie ook Mellema-Kranenburg, GS Vermogensrecht, artikel 3:212, aant. 7 (online, bijgewerkt 21 december 2016).
Zie bijvoorbeeld ook Mellema-Kranenburg, GS Vermogensrecht, artikel 3:216 BW, aant. 2 (online, bijgewerkt 21 december 2016). Zie voor enige nuanceringen: Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/185.
Aldus HR 7 december 1994 , NJ 1995/301 (Staatsecretaris/Erven X), zie ook Van der Heijden/ Van der Grinten/Dortmond 2013/185.
Vruchtgebruik op aandelen aan toonder wordt gevestigd dan wel overgedragen door levering van de aandeelbewijzen aan de vruchtgebruiker.1 Als de aandelen zijn ondergebracht in het effectengirosysteem kan de vestiging van het vruchtgebruik alleen geschieden door vestiging van het vruchtgebruik op een aandeel in het verzameldepot. Dit vindt plaats door overeenkomst tussen vruchtgebruiker en hoofdgerechtigde en bijschrijving ten name van de vruchtgebruiker in de administratie van de intermediair (23 Wge). Vestiging en levering van vruchtgebruik op aandelen op naam geschiedt op overeenkomstige wijze als levering van aandelen op naam.2 Daarvoor is voor de BV en de niet-beursgenoteerde NV een notariële akte vereist (2:86/197 BW). De bevoegdheid tot het vestigen van een recht van vruchtgebruik op aandelen kan bij de statuten niet worden beperkt of uitgesloten (2:88/197 BW). Reden hiervoor is dat de vestiging van vruchtgebruik veelal geschiedt ter uitvoering van een legaat ter voorziening in het onderhoud van de langstlevende echtgenoot. De wetgever heeft niet gewild dat deze mogelijkheid door statutaire bepalingen zou worden beperkt of onmogelijk gemaakt.3
Wat is de positie van beperkt gerechtigden op aandelen, zoals vruchtgebruikers en pandhouders, in het geval reserves worden omgezet in nieuw uit te geven aandelen? De reserves van de vennootschap zelf kunnen naar hun aard niet onderworpen zijn aan een beperkt recht. Zij maken onderdeel uit van het vermogen van de vennootschap en de vennootschap kan over die reserves als zodanig niet beschikken.4 Een rechtspersoon kan ten aanzien van haar activa beschikkingshandelingen verrichten, maar niet ten aanzien van haar passiva.
Bonusaandelen, dus aandelen die ten laste van een reserve van de vennootschap worden uitgegeven, zijn geen vruchten.5 Ook een claim6 is geen vrucht, aldus de Hoge Raad.7 Ook de uitkering verkregen bij gehele of gedeeltelijke terugbetaling op het aandeel is geen vrucht. De vruchtgebruiker van aandelen mag dus niet over bonusaandelen beschikken als zijnde vruchten voorvloeiende uit zijn vruchtgebruikrecht op de aandelen. Het bonusaandeel komt de aandeelhouder ten goede8 en het valt slechts onder het vruchtgebruik als dat daarop wordt gevestigd.9 Het is echter mogelijk dat bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald dat ook bonusaandelen onder een vruchtgebruik vallen (3:216 BW).10 Dit is niet ongebruikelijk bij testamentair vruchtgebruik. Als bij de vestiging van het vruchtgebruik een ‘interingsbevoegdheid’ aan de vruchtgebruiker is toegekend in de zin van artikel 3:212 lid 2 BW kan de vruchtgebruiker beschikken over de aandelen waarop het vruchtgebruik rust. Overigens kan de kantonrechter de vruchtgebruiker machtigen tot vervreemding of bezwaring wanneer het belang van de vruchtgebruiker daardoor wordt gediend en het belang van de ander11 daardoor niet wordt geschaad, aldus artikel 3:212 lid 3 BW.
Dividend dient wel als vrucht te worden gezien. Zowel dividend in contanten als stockdividend komt de vruchtgebruiker toe.12 Andere uitkeringen en toegekende voordelen behoren toe aan het aan de hoofdgerechtigde (de ‘bloot eigenaar’) toekomende kapitaalrecht van het aandeel. Deze voordelen zijn naar ik meen in het algemeen aan te merken als ‘voordelen die een goed tijdens het vruchtgebruik oplevert en die geen vruchten zijn’ (3:213 lid 2 BW) en komen daarmee toe aan de aandeelhouder, maar vallen onder het vruchtgebruik. De scheidslijn tussen vrucht en uitkering ten laste van het kapitaalrecht is niet altijd helder. Het criterium of iets als een vrucht kan worden gezien, is de vraag of een onttrekking een gedeeltelijke realisering van het vermogen inhoudt.13 Is dat het geval, dan is er geen sprake van een vrucht. Zo maakt het dus uit of een aandeel ten laste van de reserve niet verdeelde winsten wordt uitgegeven, in welk geval het een vrucht is, of ten laste van de reserve gereserveerde winst, in welk geval het geen vrucht zou zijn.