Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.9.3
5.9.3 Intermezzo: zaak Lambach/Heertje (1990)
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949648:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Derks 1990 en Cohen 1990.
Heertje e.a. 1991.
Zie Heertje e.a. 1991, p. 25-30 voor de uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam van 8 mei 1989.
Heertje e.a. 199, p. 19.
Heertje e.a. 1991, p. 31.
Zie Heertje e.a. 1991, p. 37-39 voor de uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam van 26 juni 1989.
Rechtbank Amsterdam 8 maart 1990, rolnr. KG 90/394 Be (Zie Jurisprudentie onderwijswetten, afl. 1990/2, p. 33-34)
Heertje e.a. 1991, p. 11.
Derks 1990, p. 375.
Cohen 1990, p. 50.
Artikel 7.61, tweede lid, van de Whw (Stb. 1997, 117).
Een zaak over de beoordeling van een tentamen waarbij het Cbe en een rechter betrokken waren kreeg begin jaren ‘90 veel aandacht. De zaak Lambach/Heertje betrof een student die een voldoende eiste voor een tentamen economie, hij kreeg tot tweemaal toe gelijk van het Cbe en vervolgens ook van de rechter.1 Deze zaak werpt licht op de rollen van het Cbe en de rechter begin jaren ‘90. Heertje, de examinator in kwestie, heeft in een boekje het gehele procesdossier gepubliceerd.2 Anders dan gebruikelijk zijn dan ook de uitspraken van het Cbe en de bijbehorende correspondentie beschikbaar. Hoewel het betoog van Heertje e.a. niet onpartijdig is aangezien zij partij waren in het betreffende geschil, werpen de in het boekje opgenomen stukken licht op de zaak.
Student Lambach stelde in 1989 beroep in bij het Cbe tegen de beoordeling van een tentamen economie waarvoor hij 48 punten had behaald.3 Lambach en Heertje hadden eerder overleg gehad over deze beoordeling, maar dit resulteerde niet tot aanpassing van het cijfer.4 Zoals hiervoor beschreven bleek uit de memorie van toelichting bij de Wwo dat de wetgever niet beoogd heeft dat het Cbe een tentamen inhoudelijk zou beoordelen. Dit deed het Cbe in casu echter wel. Het Cbe legde de beantwoording van Lambach naast het antwoordmodel en concludeerde dat Heertje voor bepaalde antwoorden ten onrechte geen punten had toegekend. Het Cbe verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de vaststelling van het cijfer voor het tentamen economie en droeg Heertje op binnen twee weken het cijfer opnieuw vast te stellen met inachtneming van de uitspraak van het Cbe.
De vakgroep Economie bericht vervolgens aan de student dat het tentamen opnieuw is beoordeeld en dat aan hem nu 50 punten zijn toegekend.5 Dit was evenwel nog steeds een onvoldoende. De student wendde zich daarom opnieuw tot het Cbe.6 Het Cbe oordeelde dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan de eerste uitspraak van het Cbe. Het tentamen moest dan ook opnieuw beoordeeld worden met inachtneming van deze uitspraak. Daar voegt het Cbe nu aan toe dat de herbeoordeling in redelijkheid tot geen andere waardering dan 55 punten kan leiden, de student moet dus een voldoende krijgen. Heertje weigert evenwel de beoordeling aan te passen.
Uiteindelijk stelt de student beroep in bij de rechtbank.7 De rechter beveelt Heertje op straffe van dwangsom het cijfer zes toe te kennen. Uit de Wwo leidde hij af dat de examinator een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak van het Cbe. De rechter toetst het besluit verder niet. In de literatuur is kritiek gekomen op deze uitspraak. In de eerste plaats van Heertje zelf. Hij verzet zich tegen het moeten aanpassen van een beoordeling vastgesteld door deskundigen op basis van een uitspraak van het Cbe waarin enkel leken zitting hebben.8 Derks stelt dat het Cbe in haar tweede uitspraak haar toetsingskader te buiten is gegaan.9 Het Cbe kan immers enkel besluiten vernietigen en mag haar eigen oordeel niet in de plaats hiervan stellen. Dit heeft het Cbe wel gedaan door Heertje op te dragen welke beoordeling hij moest toekennen. Cohen stelt dat het Cbe in de tweede zaak geen andere keuze had dan voor te schrijven wat het cijfer moest worden, nu Heertje na de uitspraak in de eerste zaak reeds had geweigerd het cijfer aan te passen.10
Meer dan dertig jaar later bezien is het toetsingskader van het Cbe duidelijk en is helder dat het Cbe destijds zijn boekje te buiten is gegaan. Het Cbe behoort immers enkel te toetsen aan het recht, dit omvat zowel het geschreven recht als de ongeschreven rechtsbeginselen. Het is dan ook niet aan het Cbe om zich met de inhoud van de beoordeling te bemoeien. Sinds 1997 is het toetsingskader van het Cbe ook duidelijker vastgelegd in de wet, zodat een herhaling van de zaak Lambach/Heertje voorkomen kan worden.11