NJB 2023/2832:Voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in art. 10 leden 4 en 5 Opiumwet: dit is in art. 10a lid 1 Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen al bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (a.b.i. art. 10 leden 4 en 5 Opiumwet) zij dienen. Als de voorbereidingsof bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan. In casu is het hof aldus ten onrechte tot vrijspraak gekomen i.v.m. een inbeslaggenomen hoeveelheid van 1136,6 kilogram cocaïne op de grond dat handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Gelet op het voorgaande is dat oordeel onjuist.