In de tenlastelegging (arrest hof, p. 2) is (abusievelijk) zowel bij feit 1 als feit 2 een gewicht van “1188 kilogram” opgenomen. In bewijsmiddel 2, de bewijsoverwegingen en de strafmotivering wordt wel gesproken over “1136,6 kilogram”.
HR, 21-11-2023, nr. 21/03513
ECLI:NL:HR:2023:1580
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2023
- Zaaknummer
21/03513
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1580, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:862
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:2742
ECLI:NL:PHR:2023:862, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1580
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑11‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑10‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0208
NTS 2023/78
Uitspraak 21‑11‑2023
Inhoudsindicatie
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. medeplegen opzettelijk aanwezig hebben cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen voorbereidings- of bevorderingshandelingen t.a.v. partij cocaïne uit Colombia, die in haven van Antwerpen grotendeels in beslag is genomen (art. 10a jo. 10.4 en 10.5 Opiumwet). OM-cassatie. Kan sprake zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ a.b.i. art. 10a Opiumwet, als aan verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na inbeslagneming van partij verdovende middelen waarop handelingen gericht zijn? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2001:AB0494 en HR:2011:BP3862 m.b.t. zelfstandig karakter van art. 10a Opiumwet. Hof heeft t.a.v. zowel onder 1 als onder 2 tlgd. feit geoordeeld dat verdachte moet worden vrijgesproken v.zv. het de inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram cocaïne betreft. Hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat handelingen die worden verricht nadat verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot invoer of verder vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Dat oordeel is t.a.v. de onder 2 tlgd. voorbereidings- of bevorderingshandelingen onjuist. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. voorbereidings- of bevorderingshandelingen en strafoplegging. Samenhang met 21/03514.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03513
Datum 21 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2021, nummer 20-000314-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Beide schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, R.J. Baumgardt, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Waar het in deze zaak om gaat
De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie onder 4 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:
“Op 9 november 2018 is in de haven van Antwerpen een container op een schip dat afkomstig was uit Colombia, gecontroleerd en is een partij verdovende middelen (cocaïne) van 1136,6 kilogram aangetroffen. Na afstemming tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten is de partij in beslag genomen en is vervolgens een representatief monster van 110 gram teruggeplaatst, waarna de container weer is vrijgegeven. Op 13 november is de betreffende container opgehaald en getransporteerd naar een loods te Nieuwkoop die in eigendom is van de verdachte. De verdachte is (samen met medeverdachten) aangehouden bij het lossen van de lading. Aan hem is onder andere ten laste gelegd het – kort gezegd – medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 1136,6 kilogram cocaïne, alsmede het medeplegen van het verrichten van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten aanzien van de partij cocaïne van 1136,6 kilogram.”
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel klaagt ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit over het oordeel van het hof dat geen sprake kan zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, als de aan de verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van de partij verdovende middelen waarop die handelingen gericht zijn.
3.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 13 november 2018 te Nieuwkoop , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 1188 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 13 november 2018 te Nieuwkoop , in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid van ongeveer 1188 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):
- een of meer ontmoeting(en) gehad, met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer (telefoon)gesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik), met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer loods(en) gehuurd en/of ter beschikking gesteld en/of geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- zich begeven in de omgeving van de zeecontainer, teneinde de omgeving van die container te (laten) controleren op de aanwezigheid van opsporingsdiensten en/of criminele concurrenten en/of
- zich met een voertuig, al dan niet geschikt voor het verdere vervoer van die cocaïne, naar het bedrijventerrein aan de Energieweg in Nieuwkoop begeven, waar die zeecontainer zou aankomen, ten einde die container op de aanwezigheid van die cocaïne te (laten) controleren en/of die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en/of
- die zeecontainer geopend en/of laten openen en/of (laten) betreden en/of doorzocht en/of laten doorzoeken.”
3.2.2
Daarvan is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 13 november 2018 te Nieuwkoop , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in de periode van 8 november 2018 tot en met 13 november 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):
- ontmoetingen gehad met betrekking tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- (telefoon)gesprekken gevoerd en/of berichten gestuurd, met betrekking tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een loods ter beschikking gesteld ten behoeve van het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- zich met een voertuig naar het bedrijventerrein aan de Energieweg in Nieuwkoop begeven, waar een zeecontainer zou aankomen, ten einde cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en/of
- die zeecontainer laten openen en/of(laten) betreden.”
3.2.3
Het hof heeft in zijn arrest onder meer het volgende overwogen:
“Vrijspraak van (verlengde) invoer van harddrugs
Volgens vaste jurisprudentie kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, hebben de aan de verdachte [verdachte] verweten handelingen plaats gevonden na de inbeslagname van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de verdachte zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken voor zover het de door de Belgische politie op 9 november 2018 inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram cocaïne betreft. (...)
Wel acht het hof bewezen dat de verdachte [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne en aan het voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet met betrekking tot een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”
3.3
De tenlastelegging is ten aanzien van feit 2 toegesneden op artikel 10a lid 1 Opiumwet in verbinding met artikel 10 leden 4 en 5 Opiumwet. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 leden 4 en 5 Opiumwet is in artikel 10a lid 1 Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen al bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in artikel 10 leden 4 en 5) zij dienen. Als de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan. (Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862.)
3.4
Het hof heeft ten aanzien van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde feit geoordeeld dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover het de inbeslaggenomen hoeveelheid van 1136,6 kilogram cocaïne betreft. Het hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Gelet op wat onder 3.3 is vooropgesteld, is dat oordeel ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde voorbereidings- of bevorderingshandelingen onjuist.
3.5
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.
Conclusie 03‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie en cassatie verdachte. Opiumwetdelicten. Partij cocaïne van 1136,6 kilogram is in beslag genomen, waarna een representatief monster van 110 gram is teruggeplaatst. Middel OM, inhoudende dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de partiële vrijspraak t.a.v. voorbereidings- en bevorderingshandelingen die zien op reeds in beslag genomen cocaïne, slaagt. Namens de verdachte voorgestelde middelen omtrent samenloop en redelijke termijn slagen eveneens. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/03514.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03513
Zitting 3 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 9 augustus 2021 wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 21/03514. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld door A.J.M. Clarijs, advocaat-generaal bij het ressortsparket. Namens het Openbaar Ministerie heeft W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend. Namens de verdachte is eveneens tijdig beroep in cassatie ingesteld. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
4. Op 9 november 2018 is in de haven van Antwerpen een container op een schip dat afkomstig was uit Colombia, gecontroleerd en is een partij verdovende middelen (cocaïne) van 1136,6 kilogram aangetroffen. Na afstemming tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten is de partij in beslag genomen en is vervolgens een representatief monster van 110 gram teruggeplaatst, waarna de container weer is vrijgegeven. Op 13 november is de betreffende container opgehaald en getransporteerd naar een loods te Nieuwkoop die in eigendom is van de verdachte. De verdachte is (samen met medeverdachten) aangehouden bij het lossen van de lading. Aan hem is onder andere ten laste gelegd het – kort gezegd – medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 1136,6 kilogram cocaïne, alsmede het medeplegen van het verrichten van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten aanzien van de partij cocaïne van 1136,6 kilogram.1.
Het middel van het Openbaar Ministerie
5. De steller van het middel komt met een rechtsklacht op tegen de partiële vrijspraak van de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen die zien op de reeds in beslag genomen verdovende middelen (feit 2). Het hof heeft de verdachte (partieel) vrijgesproken van iets anders dan hetgeen hem ten laste was gelegd, namelijk door met toepassing van een onjuiste maatstaf de bewezenverklaring te beperken tot “een hoeveelheid” (terwijl 1136,6 kg was ten laste gelegd), aldus de steller van het middel.
6. Blijkens de toelichting is het hof – volgens de steller van het middel: ten onrechte – afgeweken van rechtspraak over de reikwijdte van het zelfstandige voorbereidings- en/of bevorderingsdelict. Anders dan bij het (voltooide) delict van het aanwezig hebben van verdovende middelen (artikel 2, onder C, in samenhang met artikel 10, lid 3, Opiumwet)2.geldt voor het delict dat is omschreven in artikel 10a van de Opiumwet, niet dat een zogenoemde ‘verhinderende omstandigheid’ (zoals inbeslagneming) in de weg staat aan een veroordeling voor het misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen. Volgens de steller van het middel ontneemt het feit dat het overgrote deel van de partij cocaïne in beslag is genomen niet het zelfstandige karakter van de voorbereidings- en bevorderingshandelingen, ook niet als die handelingen eerst hebben plaatsgehad na het moment van de inbeslagneming.
De tenlastelegging, de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof
7. In hoger beroep is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
“1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 13 november 2018 te Nieuwkoop, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel I lid 4 van de Opiumwet) en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 1188 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 13 november 2018 te Nieuwkoop, in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid van ongeveer 1188 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/ofte bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):
- een of meer ontmoeting(en) gehad, met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer (telefoon)gesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik), met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer loods(en) gehuurd en/of ter beschikking gesteld en/of geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- zich begeven in de omgeving van de zeecontainer, teneinde de omgeving van die container te (laten) controleren op de aanwezigheid van opsporingsdiensten en/of criminele concurrenten en/of
- zich met een voertuig, al dan niet geschikt voor het verdere vervoer van die cocaïne, naar het bedrijventerrein aan de Energieweg in Nieuwkoop begeven, waar die zeecontainer zou aankomen, ten einde die container op de aanwezigheid van die cocaïne te (laten) controleren en/of die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en/of
- die zeecontainer geopend en/of laten openen en/of(laten) betreden en/of doorzocht en/of laten doorzoeken.”
8. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. hij op 13 november 2018 te Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij in de periode van 8 november 2018 tot en met 13 november 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):
- ontmoetingen gehad met betrekking tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- (telefoon)gesprekken gevoerd en/of berichten gestuurd, met betrekking tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een loods ter beschikking gesteld ten behoeve van het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- zich met een voertuig naar het bedrijventerrein aan de Energieweg in Nieuwkoop begeven, waar een zeecontainer zou aankomen, ten einde cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en/of
- die zeecontainer laten openen en/of(laten) betreden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd danhierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.”
9. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering, voor zover relevant voor de bespreking van het middel en met weglating van voetnoten, het volgende overwogen:
“Vrijspraak van (verlengde) invoer van harddrugs
Volgens vaste jurisprudentie kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, hebben de aan de verdachte [verdachte] verweten handelingen plaats gevonden na de inbeslagname van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de verdachte zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken voor zover het de door de Belgische politie op 9 november 2018 inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram cocaïne betreft. Daarnaast acht het hof niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van de door de Belgische autoriteiten in de container teruggeplaatste hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De bewijsmiddelen schieten tekort om een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht te kunnen aannemen van [verdachte] terzake die invoer. Ook wat betreft die invoer zal de verdachte worden vrijgesproken.
Wel acht het hof bewezen dat de verdachte [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne en aan het voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet met betrekking tot een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs
Voor de vraag of de verdachte [verdachte] opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet, is niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. De verdovende middelen zullen zich wel in de machtssfeer van de verdachte moeten bevinden. Daarvoor is noodzakelijk dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
De verdachte [verdachte] heeft volgens zijn verklaring bij de politie, ondanks zijn twijfels aan de bedrijfsactiviteiten van [betrokkene 1], van deze persoon de opdracht aangenomen om een container met “cassaves” op te slaan, terwijl hij in zijn loods niet de beschikking had over een koelcel. De stelling van [verdachte] dat de cassaves gelet op de tijd van het jaar (november 2018) niet per se in een koelcel opgeslagen moesten worden, rijmt niet met het feit dat aan hem door [betrokkene 1] was verteld dat de cassaves maximaal twee dagen later door een koeltrailer opgehaald zouden worden.
Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de loods van de verdachte te Nieuwkoop een essentiële locatie was in het vervoerstraject van de verdovende middelen. De medeverdachte [betrokkene 2] heeft immers zijn chauffeur de opdracht gegeven om de container, in afwijking van het oorspronkelijke afleveradres ervan in Bleiswijk, te vervoeren naar deze locatie. Opvallend is dat [verdachte] , toen de vrachtwagenchauffeur [betrokkene 3] met de container bij de loods aankwam, hem aanvankelijk heeft weggestuurd met de mededeling dat hij nog maar een rondje moest rijden omdat hij, [verdachte] , nog geen bericht had gehad. Gelet op de tap van het telefoongesprek dat tussen de chauffeur en [betrokkene 2] omstreeks 16.10 uur over de uitlatingen van [verdachte] is gevoerd, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij [betrokkene 3] wegstuurde omdat de heftruck nog moest worden opgeladen. De suggestie van de raadsvrouw dat iemand een container met een grote hoeveelheid drugs niet zou wegsturen gelet op het risico van verlies van de partij overtuigt het hof niet. Juist het lang in iemands bedrijf aanwezig hebben van verdovende middelen brengt een risico met zich. De verdachte zal er daarom juist belang bij hebben gehad die tijd zo kort mogelijk te houden. De verdachte wilde kennelijk eerst een bericht ontvangen voordat de container in de loods zou worden geplaatst. Uit de verklaring van [betrokkene 3] leidt het hof af dat in aanwezigheid van de verdachte de container met behulp van een slijptol is geopend en dus het douanezegel op die wijze is verwijderd. Het geluid van de slijptol kan de verdachte niet zijn ontgaan.
Voorts betrekt het hof, evenals de rechtbank, de bevindingen van de politie ten aanzien van de in de loods opgenomen camerabeelden bij zijn oordeel. Daarop is te zien dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5], terwijl men nog bezig is de container uit te laden, ineens uit de container springen. [betrokkene 4] is dan bezig met zijn mobiele telefoon en is vervolgens aan het bellen. Daarna sluiten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] de deuren van de container, zegt [betrokkene 4] iets tegen [verdachte] en gebaren beiden dat de vrachtwagen moet wegrijden. Dan loopt [verdachte] in de richting van de chauffeur, kennelijk om hem te laten weten dat hij met de vrachtwagencombinatie moet vertrekken. Uit de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] blijkt op geen enkele wijze dat de lading van de container rot zou zijn, zoals de verdachte beweert. [betrokkene 4] heeft juist verklaard (zie dossierpagina 293) dat hij in de loods heeft gezegd dat de container niet voor hem en [betrokkene 5] was. Het is dan ook opvallend dat bij het sluiten van de deuren van de container de pompwagen van [verdachte] zich nog in de container bevond en dat twee pallets met avocado’s nog in de loods van [verdachte] stonden.
Verder neemt het hof bij zijn oordeel in aanmerking dat de verdachte op 4 en 5 september 2019 sms-berichten heeft verstuurd naar [betrokkene 1] met de strekking dat hij nog 260k (het hof begrijpt: € 260.000,--) van hem tegoed heeft. Hierover heeft de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [betrokkene 1] op deze wijze heeft benaderd over de door hem becijferde schade die hij en zijn onderneming als gevolg van de politie-inval zouden hebben geleden. Evenals de rechtbank acht het hof deze lezing van de verdachte over de inhoud van de sms-berichten van de verdachte aan [betrokkene 1] onaannemelijk, mede gezien het feit dat in het sms-bericht van 4 september 2019 om 11.59 uur wordt vermeld dat het gaat om een gebeurtenis in november 2018 waarbij de verdachte [verdachte] en de zoon van [betrokkene 1] betrokken waren. Daarnaast is de door de verdachte gestelde schade op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte] moet hebben geweten dat in zijn loods een container gelost zou worden die een hoeveelheid verdovende middelen bevatte en dat hij minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans van de aanwezigheid van die verdovende middelen in zijn loods heeft aanvaard. Gelet daarop komt het hof tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van de door de Nederlandse politie in de container aangetroffen hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
Voorbereiden/bevorderen van Opiumwet delict
Gelet op de hiervoor vermelde wetenschap omtrent de cocaïne in de container, acht het hof tevens bewezen dat de verdachte (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) opzettelijk handelingen heeft verricht ter voorbereiding en bevordering van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet: Immers heeft de verdachte zijn loods ter beschikking gesteld als plaats waar de cocaïne uit de container kon worden gehaald, heeft hij met een heftruck ruimte gemaakt in de container zodat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] bij de cocaïne konden komen en heeft hij daarover ontmoetingen gehad met [betrokkene 1] en [betrokkene 4]. Gelet op de reeds beschreven feiten en omstandigheden waaronder een en ander is geschied heeft de verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereidde en bevorderde. En gezien de aard en omvang van alle door de verdachte en zijn medeverdachte(n) gemaakte voorbereidingen en verrichte inspanningen gaat het hof er daarbij van uit dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte zich niet beperkte tot de in de container aanwezige hoeveelheid van 110 gram cocaïne, maar zag op een substantieel grotere hoeveelheid.
Medeplegen
Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) die is gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. De verdachte dient daarvoor een materiële of intellectuele bijdrage te leveren die van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict. Het is niet nodig dat komt vast te staan dat een verdachte weet heeft van de (exacte) gedragingen die later of eerder in het traject door zijn medeverdachten worden verricht.
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen. De medeverdachte [betrokkene 2] heeft zijn chauffeur [betrokkene 3] de container met verdovende middelen met een voertuig laten vervoeren naar de loods van de verdachte [verdachte] in Nieuwkoop. In die loods waren naast [verdachte] de medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] aanwezig om de container in ontvangst te nemen en de illegale inhoud ervan buiten het zicht van de douane veilig te stellen. In de loods van [verdachte] is immers de verzegeling van de container in strijd met de daaromtrent geldende regelgeving verbroken en de container geopend met behulp van een slijptol. De medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben bij Bo-Rent een voertuig gehuurd voor het verdere vervoer. Uit hun abrupte vertrek met achterlating van spullen in de loods en in de container, toen bleek dat er geen sporttassen met cocaïne in de container zaten, leidt het hof af dat ook zij wisten van de aanwezigheid van een hoeveelheid cocaïne daarin. Bij dit oordeel betrekt het hof tevens de omstandigheid dat zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 5] op het moment van hun aanhouding in het bezit waren van een PGP-telefoon, waarvan algemeen bekend is dat dergelijke telefoons in het criminele milieu worden gebruikt voor het versturen van versleutelde berichten.
De rol van [verdachte] heeft er in elk geval uit bestaan dat hij voorbesprekingen heeft gehad met [betrokkene 1] over de container, dat hij een voorbespreking heeft gehad met [betrokkene 4] over de aankomstdatum en het uithalen van de container, dat hij zijn loods ter beschikking heeft gesteld voor het in ontvangst nemen en uitladen van de cocaïne, dat hij de chauffeur instructies heeft gegeven om op een geschikter moment terug te komen, dat hij een pompwagen ter beschikking heeft gesteld voor het uithalen van de cocaïne en dat hij zelf een vorkheftruck heeft bestuurd en enkele pallets uit de container heeft gelost ten behoeve van het uithalen door [betrokkene 4] en Mohammed [betrokkene 5].
De hiervoor genoemde feitelijke handelingen tonen een gezamenlijke uitvoering aan die vooraf (grotendeels) moet zijn afgestemd. Die handelingen hebben geleid tot een gezamenlijke uitvoering van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en het gezamenlijk voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet. Een nauw en bewust samenwerkingsverband tussen de gedragingen van verdachte en de medeverdachte(n) is naar het oordeel van het hof daarmee gegeven. Daarom kunnen de gedragingen van de verdachte worden gekwalificeerd als medeplegen.
Eindconclusie
Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne en het samen met een of meer anderen onder 2 tenlastegelegde voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet met betrekking tot een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
De door de verdediging aangevoerde argumenten die zouden moeten leiden tot de betoogde algehele vrijspraak, zijn weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen en worden verworpen.”
Het beoordelingskader
10. Het eerste lid van artikel 10a Opiumwet luidt als volgt:
“1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
11. Blijkens de parlementaire geschiedenis is deze bepaling in 1985 toegevoegd aan de Opiumwet, zodat bepaalde handelingen in de voorfase van (c.q. die een bevordering beogen van) de handel in verdovende middelen met onaanvaardbaar risico niet langer straffeloos zouden blijven. Naast het articuleren van de strafwaardigheid van dergelijk gevaarzettend handelen werd tevens de mogelijkheid gerealiseerd om in een eerder stadium dan wanneer het delict reeds is voltooid of een poging daartoe wordt gedaan, strafrechtelijk in te grijpen,3.alsmede om strafrechtelijk op te treden tegen hen die anders ‘achter de schermen’ zouden blijven.4.
12. Het eerste lid van artikel 10a Opiumwet betreft daarmee een zelfstandige strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven, bedoeld in artikel 10 leden 4 en 5 Opiumwet, waarbij geen rekening wordt gehouden ‘met de uitslag der handelingen’.5.Blijkens de parlementaire geschiedenis moet volgens de minister onder ‘voorbereidingshandelingen’ worden verstaan “elke gedraging die wordt bedoeld te dienen ter voorbereiding van een strafbaar feit zonder dat die gedraging reeds een begin van uitvoering van het feit oplevert (anders zou er, althans bij misdrijven, sprake zijn van strafbare poging)”.6.Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet eenduidig wat onder ‘bevorderingshandelingen’ moet worden verstaan.7.
13. Volgens vaste jurisprudentie is voor verwezenlijking van hetgeen in artikel 10a Opiumwet strafbaar is gesteld niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze dienen. Indien de voorbereidingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderde omstandigheid zich heeft voorgedaan.8.
14. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 maart 2011, ten aanzien van voorbereidings- en bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet, het volgende overwogen:
“Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan (vgl. HR 13 maart 2001, LJN AB0494, NJ 2001/338).”9.
15. Reeds in het bedoelde arrest van 13 maart 2001 heeft de Hoge Raad overwogen wat (onder andere) als een ‘verhinderende omstandigheid’ kan worden verstaan:
“(…) Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan, zoals hier de inbeslagneming van de door het Hof bedoelde heroïne.”10.
De beoordeling van het middel
16. Het hof heeft zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde feit overwogen dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover het de in beslag genomen hoeveelheid van 1136,6 kilogram cocaïne betreft. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat uit vaste jurisprudentie zou blijken dat handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer geacht worden te kunnen strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van verdovende middelen.11.Omdat het hof heeft vastgesteld dat de onder 2 ten laste gelegde voorbereidings- c.q. bevorderingshandelingen door de verdachte zijn verricht ná de inbeslagneming van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne, heeft het hof de bewezenverklaring beperkt tot “een hoeveelheid”, klaarblijkelijk niet zijnde de 1136,6 kilogram.
17. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder ‘Het beoordelingskader’ heb besproken, noopt de door het hof aangehaalde jurisprudentie niet tot de wijziging c.q. de beperking die is aangebracht in de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Door uit te gaan van een onjuiste uitleg van de reikwijdte van de strafbaarstelling van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het hof heeft geoordeeld dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte zich niet beperkte tot de in de container aanwezige hoeveelheid van 110 gram cocaïne, maar zag op een substantieel grotere hoeveelheid, doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat het hof in de onderhavige zaak, anders dan in het (ook door het hof) aangehaalde arrest van 13 maart 2001, nu niet heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van voorbereidingshandelingen vanwege de omstandigheid dat met dergelijke handelingen een begin is gemaakt na het moment van inbeslagneming.
18. Het middel van het Openbaar Ministerie slaagt.
Het eerste middel van de verdachte
19. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde feiten meerdaadse samenloop opleveren getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet zonder meer begrijpelijk is.
20. In de toelichting op het middel betogen de stellers dat het hier gaat om “van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen die zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.” Volgens de stellers van het middel heeft het hof bij de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten ten onrechte geen eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 Sr of voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 Sr aangenomen.
Het beoordelingskader
21. De Hoge Raad heeft in 2017 in een reeks arresten12.algemene opmerkingen gemaakt over eendaadse samenloop, voortgezette handeling en meerdaadse samenloop. In zijn arrest van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, NJ 2019/114 m.nt. Mevis, is over (de verhouding tussen) de verschillende figuren (met weglating van de voetnoten) het volgende overwogen:
“2 Aan de beoordeling van het tweede middel voorafgaande beschouwing
2.1.
Het middel stelt vragen aan de orde over in het bijzonder de eendaadse samenloop in de zin van art. 55, eerste lid, Sr:
"Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.",
en de voortgezette handeling als bedoeld in art. 56, eerste lid, Sr:
"Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld."
De eendaadse samenloop en de voortgezette handeling krijgen reliëf tegen de achtergrond van de regeling van de meerdaadse samenloop in - vooral - art. 57 Sr:
"1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum."
Deze bepalingen vormen tezamen het leerstuk van de samenloop waarbij het gaat om het voorkomen van - kort gezegd - onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten.
2.2.
Art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr komen in recente rechtspraak van de Hoge Raad zelden aan de orde. Daarbij speelt een belangrijke rol dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat - kort gezegd - de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan.
2.3.
Het thema kan echter in feitelijke aanleg wel van belang zijn. Ook in het verband van de bestuurlijke boete kan de eendaadse samenloop een rol spelen. Bovendien speelt het onderwerp in de wetgeving soms een rol bij de vormgeving van delictsomschrijvingen, zoals hierna in 2.6 wordt geïllustreerd. Daarom is het van belang de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling te belichten in hun huidige betekenis met de daarbij voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van die leerstukken. Daartoe strekken de volgende opmerkingen. De zeer beperkte toetsing in cassatie zal door dit arrest niet veranderen.
2.4.
Op voorhand verdient opmerking dat samenloopvragen mede worden bepaald door de in het concrete geval toepasselijke strafbepaling(en). Indien bijvoorbeeld een strafbepaling betrekking heeft op een meervoud van voorwerpen of gedragingen, heeft als uitgangspunt te gelden dat in geval van bewezenverklaring van het - gelijktijdig en op dezelfde plaats - handelen in strijd met die bepaling geen samenloopvraagstuk rijst omdat dan sprake is van een uit de delictsomschrijving voortvloeiende enkelvoudige kwalificatie. Daar staat tegenover dat in het bijzonder bij gevolgdelicten het uitgangspunt is dat elk gevolg - ook indien de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien - een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling geen sprake is, zoals bij een verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 met meerdere slachtoffers.
Daarnaast kan ook de wijze van tenlasteleggen van belang zijn voor de samenloop. Wanneer meerdere feiten niet cumulatief, maar enkelvoudig zijn tenlastegelegd als één samenhangend feitencomplex, bijvoorbeeld mishandeling door het toedienen van meerdere slagen aan hetzelfde slachtoffer of diefstal met braak door het stelen van meerdere voorwerpen bij een inbraak, rijst in beginsel geen vraag van samenloop omdat enkelvoudige kwalificatie al uit de tenlastelegging voortvloeit. Anderzijds behoeft een cumulatieve tenlastelegging de rechter niet af te houden van toepassing van de regels over eendaadse samenloop en voortgezette handeling.
2.5.
De hierboven onder 2.1 weergegeven samenloopbepalingen zijn sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 in essentie niet gewijzigd. De indertijd gegeven toelichting bij de bepalingen is summier, maar geeft voor de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer kan worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert.
2.6.
In recente wetten speelt de samenloopregeling soms een rol bij de vormgeving van de wettelijke regeling, in het bijzonder naar aanleiding van discussies over mogelijk dubbele bestraffing voor in wezen hetzelfde strafrechtelijk relevante verwijt, in welk verband dan wordt aangevoerd dat de samenloopregeling daartegen een adequate bescherming biedt en ook moet bieden. Een viertal voorbeelden kan die beoogde rol verduidelijken.
(i) De onlangs ingevoerde strafbaarstelling van "eenvoudig witwassen" richt zich specifiek op de situatie van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Denkbaar is dat de tenlastelegging cumulatief zowel eenvoudig witwassen als het grondmisdrijf omvat. In verband hiermee is in de memorie van toelichting onder het kopje "geen automatische dubbele bestraffing" het volgende opgemerkt:
"Benadrukt dient te worden dat het bestaansrecht van de voorgestelde nieuwe strafbaarstellingen vooral ligt in het voorkomen van straffeloosheid op het moment dat veroordeling voor het grondmisdrijf niet mogelijk is of niet is aangewezen. Dit neemt niet weg dat de vervolging ter zake van de nieuwe misdrijven mogelijk blijft tezamen met vervolging ter zake van het grondmisdrijf. Het feit dat bij een dergelijke gezamenlijke tenlastelegging het strafrechtelijk verwijt ter zake van het witwasmisdrijf sterk in het verlengde ligt van het oorspronkelijke grondmisdrijf kan de rechter ertoe brengen in dat geval aan te nemen dat sprake is van een voortgezette handeling (artikel 56 Sr). (...) Mocht de rechter evenwel bij gezamenlijke tenlastelegging aannemen dat sprake is van meerdaadse samenloop, dan ligt het in de rede - wederom tegen de achtergrond van de nauwe verbondenheid tussen beide feiten - dat bij het bepalen van de straf de bewezenverklaring van de witwashandeling niet van invloed zal zijn op de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf. In lijn met deze uitgangspunten zal ook het strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerie worden vormgegeven en openbaar gemaakt."
(ii) Al eerder was bij de totstandkoming van de witwaswetgeving in 2001 het belang van de samenloopregeling benadrukt in de nota naar aanleiding van het verslag:
"De aan het woord zijnde leden van de VVD-fractie vragen of zij uit de separate strafbaarstelling van het witwassen mogen afleiden dat naast de veroordeling voor bijvoorbeeld diefstal ook een veroordeling kan volgen voor witwassen? Zij noemen het voorbeeld van de fietsendief die wegrijdt op de zojuist door hem gestolen fiets en zich aldus waarschijnlijk schuldig maakt aan het «gebruik maken» - in de zin van het nieuwe artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr - van een voorwerp waarvan hij weet dat het afkomstig is uit enig misdrijf. (...) Dergelijke situaties leiden - mits de verschillende strafbare feiten in een en dezelfde vervolging worden telastegelegd - niet tot een verboden geval van dubbele bestraffing, zoals de aan het woord zijnde leden kennelijk vrezen. De zogenaamde samenloopbepalingen van de artikelen 55 e.v. Sr stellen immers grenzen aan de cumulatie van de op de verschillende feiten gestelde maximumstraffen."
(iii) Bij de invoering van de strafbare voorbereiding in art. 46 Sr in 1994 werd in de memorie van toelichting onder het kopje "de samenloop" het volgende opgemerkt:
"Het voorstel vermindert het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld bij voorbereiding tot de helft. Vergeleken met de strafbare poging, waar een vermindering met een derde is voorzien (...), is de wettelijke strafreductie dus aanzienlijk. De primaire rechtsgrond van deze vermindering is dat de schok voor de rechtsorde die van een voorbereidingshandeling uitgaat vergelijkenderwijs geringer is dan die welke teweeggebracht wordt door het misdrijf zelf of strafbare poging daartoe. De strafvermindering is echter ook noodzakelijk om problemen op het niveau van de eendaadse samenloop te voorkomen. Immers, degeen die een poging begaat of het misdrijf voltooit zal in de meeste gevallen ook voorbereidingsdaden in de zin van het voorgestelde artikel 46 hebben verricht. Zal de dader dan cumulatief strafbaar zijn: strafbaar voor de voorbereiding en al of niet geschorste uitvoering? Het feitelijk geheel valt immers in deze gevallen te rubriceren onder meer dan een delictsomschrijving. Nu evenwel de zwaarte van de wettelijke hoofdstraf voor voorbereiding steeds beduidend zal verschillen van die voor de poging voorzien, leidt toepassing van de in artikel 55, eerste lid, Sr neergelegde regel altijd tot uitsluiting van de aansprakelijkheid voor strafbare voorbereiding."
(iv) Aangenomen moet worden dat naar de kern genomen hetzelfde geldt voor de voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet. In de memorie van toelichting is omtrent de verhouding van art. 10a Opiumwet tot de corresponderende voltooide delicten of de pogingen daartoe opgemerkt:
"In de voorgestelde strafbepaling is de strafbaarheid echter ook aanwezig als het misdrijf, omschreven in artikel 10, derde lid of vierde lid, van de Opiumwet of de strafbare poging daartoe wel is gevolgd. Weliswaar zal, indien het misdrijf is voltooid, of althans het pogingsstadium werd bereikt, aan een vervolging ter zake van voorbereidings- of bevorderingshandelingen niet altijd in die mate behoefte bestaan als in het geval dat die laatst bedoelde handelingen niet het beoogde resultaat hebben gehad, maar, mede in verband met eventuele bewijsmoeilijkheden, is het wenselijk dat een mogelijke strafvervolging ter zake van de gepleegde voorbereidings- of bevorderingshandelingen niet bij voorbaat is uitgesloten. Wel zal dan uiteraard rekening moeten worden gehouden met het bepaalde in de artikelen 55 e.v. en 68 W.v.Sr."
Ook al verschillen de hierboven weergegeven passages bij de onderscheidene wetsontwerpen op onderdelen van elkaar, onmiskenbaar is dat de samenloopbepalingen een wezenlijke functie vervullen bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten. Daarbij wordt onder meer de gedachte tot uitdrukking gebracht dat feiten zo sterk met elkaar in verband kunnen staan dat het ene feit als het ware in het andere opgaat (eendaadse samenloop) dan wel dat de feitelijke en chronologische samenhang zo sterk is dat de voortgezette handeling een functie vervult. Het effect van beide regelingen is identiek doordat in beide regelingen slechts één strafbepaling wordt toegepast - en wel die met het zwaarste strafmaximum.
2.7.
In de rechtspraak van de Hoge Raad over eendaadse samenloop is gaandeweg sterk het accent komen te liggen op de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen. Indien die strekking uiteenloopt, is geen sprake van "één feit" in de zin van art. 55, eerste lid, Sr. Deze sterk juridisch getinte toetsing met een nadruk op de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, leidt tot een beperkt bereik van de regeling van de eendaadse samenloop.
Uit die rechtspraak moet echter niet worden afgeleid dat eenzelfde strekking een noodzakelijke voorwaarde is voor het aannemen van eendaadse samenloop, zoals blijkt uit de recente jurisprudentie over het witwassen en de heling van dezelfde voorwerpen. Dat de strafbaarstelling van witwassen in sterkere mate dan bij heling het geval is, strekt ter bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer, staat aan het aannemen van eendaadse samenloop niet in de weg indien het gaat om - naar de kern genomen - hetzelfde feitencomplex.
Evenmin is uitgesloten dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van art. 56, eerste lid, Sr van heling en witwassen indien aan de gedragingen van de verdachte met betrekking tot hetzelfde voorwerp één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak over de voortgezette handeling waarin - in overeenstemming met de wetsgeschiedenis - centraal staan de met elkaar samenhangende eisen dat de verschillende strafbare feiten gelijksoortig zijn, en dat zij, chronologisch gezien, een nauw verband hebben, met één ongeoorloofd wilsbesluit als grondslag.
2.8.
Uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen blijkt dat ook de wetgever zich ervan bewust is dat recente wetgeving aanleiding geeft tot zorg over dubbele bestraffing en dat tegen die zorg wordt ingebracht dat de samenloopregeling waarborgen en oplossingen biedt. Dat betekent dat de samenloopregeling - en dan meer in het bijzonder de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling - daarvoor ook daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden.
Daarom moet worden benadrukt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling.
In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking.
Vervolgens komt het voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.
2.9.
De hierboven aangeduide ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling vindt mede steun in het vooral met art. 55, eerste lid, Sr verwante art. 68 Sr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit" - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
Het hiervoor onder 2.8 weergegeven toetsingskader voor "één feit" als bedoeld in art. 55, eerste lid, Sr kan echter niet worden gelijkgeschakeld met het toetsingskader voor "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. Bij art. 68 Sr staat de vervolgbaarheid voorop, in die zin dat de verdachte niet opnieuw in rechte mag worden betrokken na een eerdere onherroepelijke rechterlijke einduitspraak over hetzelfde feit, en dat de tenlastelegging niet op de voet van art. 313 Sv aldus kan worden gewijzigd dat de verdachte alsnog wordt vervolgd voor een ander feit dan hem is tenlastegelegd. Bovendien wordt het ne bis in idem-beginsel dat aan art. 68 Sr ten grondslag ligt - anders dan de samenloop - mede bepaald door Europese regelgeving en rechtspraak.
2.10.
Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld dat het in beginsel aan de feitenrechter is om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. Bij een voortgezette handeling ligt dat echter niet in de rede.”
De bespreking van het eerste middel van de verdachte
22. Het hof heeft (in het kader van de strafmotivering – waarover ik in het navolgende nog kom te spreken) het volgende overwogen:
“De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig
hebben van een hoeveelheid cocaïne en zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding en bevordering van het plegen van Opiumwet-delicten. Het betreffen op zichzelf staande handelingen die op verschillende tijdstippen zijn verricht, zodat sprake is van meerdaadse samenloop.”13.
23. Zoals gezegd bestrijdt het middel het oordeel dat de bewezen verklaarde delicten zich tot elkaar verhouden als ‘meerdaadse samenloop’. Ter toetsing van dat oordeel op zijn begrijpelijkheid neem ik de volgende omstandigheden in aanmerking.
24. Dat betreft allereerst de tijdstippen waarop de bewezen verklaarde delicten zijn gepleegd. Het onder 1 bewezen verklaarde feit, het voltooide delict van – kort gezegd – het aanwezig hebben van cocaïne, is gepleegd op 13 november 2018. Het onder 2 bewezen verklaarde feit, de voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen, zijn gepleegd in de periode 8 november tot en met 13 november 2018. De bewezen verklaarde perioden vertonen overlap c.q. volgen elkaar dus op.
25. In de tweede plaats hebben de onder 2 bewezen verklaarde voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen geleid (of kunnen leiden) tot het onder 1 bewezen verklaarde ‘aanwezig hebben’ van een partij cocaïne. De delicten staan dus met elkaar in nauw verband omdat zij betrekking hebben op (een deel van) dezelfde partij cocaïne. Daaraan doet niet af dat het onder 2 bewezen verklaarde voorbereiden of bevorderen – volgens de bewezenverklaring – niet uitdrukkelijk strekte tot het aanwezig hebben ervan, maar tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van die cocaïne. In ‘afleveren’ en ‘vervoeren’ ligt ‘aanwezig hebben’ immers besloten. In de derde plaats hebben de strafbaarstellingen van de bewezen verklaarde feiten ontegenzeggelijk een vergelijkbare strekking.14.
26. Bij die stand van zaken en in het licht van HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, heeft het hof m.i. verzuimd inzichtelijk te maken waarom de bewezen verklaarde feiten “op zichzelf staande handelingen” betreffen c.q. waarom de onder 2 bewezen verklaarde voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen niet zien op het aanwezig hebben van de onder 1 bewezen verklaarde hoeveelheid cocaïne. Eveneens ontbreekt een nadere motivering omtrent de aan- of afwezigheid van één wilsbesluit dat ten grondslag ligt aan de verschillende feiten dan wel omtrent een niet overeenkomend feitencomplex.
27. Het oordeel van het hof dat het onder 1 en 2 bewezen verklaarde de samenloop van meer daden betreft, acht ik dan ook – zonder nadere motivering – niet begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld.
28. Dit roept de vraag op of de gegrondheid van deze klacht tot cassatie moet leiden. De Hoge Raad heeft immers in HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, uitdrukkelijk overwogen dat op de betreffende materie betrekking hebben klachten “doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat - kort gezegd - de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan”.
29. Niettemin ben ik van opvatting dat niet kan worden gezegd dat de verdachte onvoldoende te respecteren belang bij cassatie heeft. Daarvoor acht ik doorslaggevend dat de overweging onderdeel is van de strafmotivering. Het hof heeft uitdrukkelijk het oordeel omtrent de meerdaadse samenloop (mede) betrokken bij de oplegging van de straf, waardoor dat oordeel van invloed is of kan zijn geweest op het bepalen van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
30. Het middel slaagt.
Het tweede middel van de verdachte
31. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
32. Namens de verdachte is op 23 augustus 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 juli 2022 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen, derhalve tien maanden en vijftien dagen na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden met vier maanden en vijftien dagen is overschreden. Indien de Hoge Raad zou besluiten het bestreden arrest te casseren op de gronden die als overige middelen zijn voorgesteld, zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen over deze schending van de redelijke (inzend)termijn in de cassatiefase moeten oordelen en kan het tweede middel onbesproken blijven.
Slotsom
33. Zowel het namens het OM voorgestelde middel als de namens de verdachte voorgestelde middelen slagen.
34. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, is overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen zal (ook) over de schending van de redelijke (behandel)termijn in de cassatiefase moeten oordelen.
35. Ik heb ambtshalve geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑10‑2023
Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:152, NJ 2022/83 m. red. aant., waarbij het ging om het binnen het grondgebied van Nederland brengen c.q. vervoeren van cocaïne: “2.3 Het hof heeft vastgesteld dat op 1 september 2017 vier containers met bananen zijn binnengekomen in de haven van Antwerpen, dat deze containers door de Belgische douane zijn gecontroleerd waarbij is gebleken dat in één van de containers een hoeveelheid cocaïne met een totaalgewicht van 3.800,4 kilogram zat, dat de Belgische autoriteiten deze cocaïne uit die container hebben gehaald en een hoeveelheid van 500 gram cocaïne hebben teruggeplaatst, dat de container vervolgens is vrijgegeven, waarna de verdachte deze container uit de haven van Antwerpen heeft opgehaald en naar een loods in Breda heeft gereden, en dat nadien bij nader onderzoek is gebleken dat in de container ook nog een blok met ongeveer één kilogram cocaïne aanwezig was.2.4.1 Aan de verdachte is niet tenlastegelegd - kort gezegd - (het medeplegen van) het voorbereiden van of een poging tot het binnenbrengen en vervoeren van een grotere partij verdovende middelen dan uiteindelijk is binnengebracht en vervoerd.2.4.2 Uit de bewijsvoering en de strafmotivering volgt dat het hof onder “een zeer grote hoeveelheid”, zoals opgenomen in de bewezenverklaring, heeft verstaan een hoeveelheid van ongeveer 3.800 kilogram cocaïne, en dat het door het hof bewezenverklaarde tezamen en in vereniging met anderen binnen het grondgebied van Nederland brengen en het vervoeren betrekking heeft op het transport van de container vanuit de haven van Antwerpen naar de loods in Breda. Gelet daarop heeft het hof de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat de container die door de verdachte is vervoerd en Nederland is binnengebracht, niet ongeveer 3.800 kilogram maar ongeveer 1,5 kilogram cocaïne bevatte.”
Een en ander dient te worden bezien in het licht van de omstandigheid dat voorbereiding van een misdrijf ten tijde van de totstandkoming van artikel 10a Opiumwet nog niet strafbaar was gesteld (in thans art. 46 Sr) en dat ‘poging’, vanwege het vereiste ‘begin van uitvoering’, een (vanwege het legaliteitsbeginsel) beperkte uitleg kent.
Zie nader: Kamerstukken II 1982/83, 17975, nr. 3, p. 3-4 en 6.
Vgl. de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot G. Knigge, 23 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX6767, randnummer 4.10.
Zie o.a. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, NJ 2001/338; HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862. Kesteloo spreekt in dit kader van een “erg ruim bereik”, A.N. Kesteloo, Strafbaarheid in de voorfase, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 88. Volgens Borgers en Van Poecke ligt “de kern van het verwijt” bij voorbereidingshandelingen als omschreven in de artikelen 10a en 11a Opiumwet in “de verkeerde intentie”: “Niet zozeer het feit dat de betrokkene zich ervan bewust is (of moet zijn) dat voorwerpen voor een bepaald doel zullen worden gebruikt, maar veeleer de wil (of aanvaarding van de aanmerkelijke kans) dat dit geschiedt, rechtvaardigt bestraffing”, M.J. Borgers & E.M. van Poecke, ‘Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt’, AA 2012, afl. 3, p. 171-181, i.h.b. p. 179.
HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862, rov. 2.3. (Onderstreping mijnerzijds.)
HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, NJ 2001/338 (onderstreping mijnerzijds). Een en ander bracht de Hoge Raad ertoe te oordelen dat het hof blijk had gegeven van een te beperkte en dus onjuiste rechtsopvatting van art. 10a, lid 1, Opiumwet, en dat het hof aldus de grondslag van de tenlastelegging had verlaten. Zie rov. 4.7.
Ik herhaal de precieze bewoordingen van de overweging van het hof: “Volgens vaste jurisprudentie kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, hebben de aan de verdachte [verdachte] verweten handelingen plaats gevonden na de inbeslagname van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de verdachte zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken voor zover het de door de Belgische politie op 9 november 2018 inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram cocaïne betreft.” (Onderstreping mijnerzijds.)
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115, NJ 2019/111-115 m.nt. Mevis.
Onderstrepingen mijnerzijds.
De lat van een ‘vergelijkbare’ of ‘soortgelijke’ strekking ligt lager dan die van een ‘zelfde’ of ‘gelijke’ strekking. Zie (de noot van Mevis onder) HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, NJ 2019/114. Omdat een ‘gelijke’ strekking niet noodzakelijk is voor het aannemen van eendaadse samenloop of voortgezette handeling, komen deze figuren (eerder) in beeld. Vgl. F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. VU Amsterdam), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 59-60.
Beroepschrift 02‑11‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 21/03513
Betekening aanzegging: 8 september 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
Gedetineerd te [verblijfplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20210351
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 9 augustus 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel 1
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 56 en 57 Sr, 2, 10 en 10a Opiumwet alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van het) voorbereiden van de invoer van een hoeveelheid cocaïne en aan het (medeplegen van het) aanwezig hebben van die cocaïne. Het oordeel van het hof dat de voorbereiding en bevordering van het plegen van Opiumwet-delicten en (i.c.) het aanwezig hebben van (een deel) van die ingevoerde cocaïne op zichzelf staande handelingen betreffen die op verschillende tijdstippen zijn verricht en daarom meerdaadse samenloop opleveren en geen voortgezette handeling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet zonder meer begrijpelijk, nu er i.c. sprake is van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Toelichting
1.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
- ‘1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 13 november 2018 te Nieuwkoop, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel I lid 4 van de Opiumwet) en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 1.188 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
- 2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 13 november 201 8 te Nieuwkoop, in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid van ongeveer 1 188 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- —
een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- —
zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- —
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):
- —
een of meer ontmoeting(en) gehad, met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
een of meer (telefoon)gesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik), met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
een of meer loods(en) gehuurd en/of ter beschikking gesteld en/of geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
zich begeven in de omgeving van de zeecontainer, teneinde de omgeving van die container te (laten) controleren op de aanwezigheid van opsporingsdiensten en/of criminele concurrenten en/of — zich met een voertuig, al dan niet geschikt voor het verdere vervoer van die cocaïne, naar het bedrijventerrein aan de [a-straat] in Nieuwkoop begeven, waar die zeecontainer zou aankomen, ten einde die container op de aanwezigheid van die cocaïne te (laten) controleren en/of die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en/of
- —
die zeecontainer geopend en/of laten openen en/of(laten) betreden en/of doorzocht en/of laten doorzoeken.’
1.2
In eerste aanleg is het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen verklaard. In het vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat die feiten in eendaadse samenloop zijn begaan.
1.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘1.
hij op 13 november 2018 te Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
- 2.
hij in de periode van 8 november 2018 tot en met 13 november 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):
- —
ontmoetingen gehad met betrekking tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
(telefoon)gesprekken gevoerd en/of berichten gestuurd, met betrekking tot het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
een loods ter beschikking gesteld ten behoeve van het opzettelijk afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- —
zich met een voertuig naar het bedrijventerrein aan de [a-straat] in Nieuwkoop begeven, waar een zeecontainer zou aankomen, ten einde cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen, en/of
- —
die zeecontainer laten openen en/of (laten) betreden.’
1.4
Ten behoeve van de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 heeft het hof dezelfde bewijsmiddelen gebruikt.
1.5
Het hof heeft in het arrest onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Op grond van de bovenvermelde bewijsmiddelen, zoals die ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen, stelt het hof het navolgende vast.
De verdachte, [verdachte], beschikt over een loods die is gelegen aan de [a-straat 01] / [b-straat 01] in Nieuwkoop. In het jaar 2017 heeft de verdachte [medeverdachte 10] ontmoet, de vader van [medeverdachte 8]. [verdachte] is na die ontmoeting twee keer op het bedrijf van [medeverdachte 10] geweest en is daar volgens zijn verklaring bij de politie d.d. 14 november 2018 ‘allerlei louche figuren’ tegengekomen, zodat hij ‘toen twijfelde’ aan de aard van dat bedrijf. In de week vóór 14 november 2018 is [medeverdachte 10] naar het bedrijf van [verdachte] gekomen. [medeverdachte 10] zou volgens [verdachte] toen hebben gevraagd of hij een container cassaves op wilde slaan. Deze cassaves zouden maximaal twee dagen later door een koeltrailer worden opgehaald. [verdachte] is hiermee akkoord gegaan. Op 9 november 2018 is [medeverdachte 8] in de loods van [verdachte] geweest. [medeverdachte 8] vertelde aan [verdachte] dat de container op 13 november 2018 zou arriveren.
Uit de observatie door de politie blijkt dat de chauffeur [medeverdachte 3] op 13 november 2018 om 16.04 uur arriveert bij de loods van [verdachte] met een vrachtwagencombinatie met daarop de container met nummer [containernummer]. Die container was volgens de Bill of Lading geladen met avocado's en afkomstig uit Colombia. Op 9 november 2018 is door de Belgische autoriteiten 1.136,6 kilogram cocaïne aangetroffen en in beslaggenomen. Na afstemming tussen de Nederlandse en Belgische opsporingsautoriteiten is in de container een representatief monster van 110 gram cocaïne teruggeplaatst en is de container vervolgens vrijgegeven voor verder transport.
Op 13 november 2018 stuurt [verdachte] [medeverdachte 3] omstreeks 16.04 uur weg en zegt dat hij later terug moet komen. In een telefoongesprek om 16.08 uur zegt [medeverdachte 3] tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] dat hem door ‘de vent met de baard’ — de verdachte [verdachte] — is verteld dat hij nog maar een rondje moest rijden omdat hij nog geen bericht had gehad. Omstreeks 16.12 uur rijdt de vrachtwagencombinatie met container weer weg. Later die dag om 17.53 uur arriveert [medeverdachte 3] met diezelfde vrachtwagencombinatie opnieuw bij de loods van [verdachte] te Nieuwkoop. Om 18.11 uur staat een Mercedes Citan met opschrift Bo-Rent bij de container. [medeverdachte 8] stapt dit en schudt dç hand van [medeverdachte 3]. Om 18.17 uur wordt de combinatie door [medeverdachte 3] achteruit de loods van [verdachte] binnengereden.
Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [verdachte] om 18.24'uur een vorkheftruck bedient en uit de betreffende container twee pallets (met avocado's) haalt die hij plaatst in de loods. [verdachte] draagt daarbij handschoenen. [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] tillen daarna een pompwagen vanuit de loods in de container en zij betreden daarna zelf ook de container. Ook zij dragen handschoenen. Om 18.25 uur worden vanuit de container avocado's de loods ingegooid en om 1 8.26 uur springen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] uit de container. Op dat moment lopen zij heen en weer, zijn ze bezig met hun mobiele telefoon en sluiten vervolgens de deuren van de container. [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] droegen tijdens hun handelingen bij de container op enig moment geen ofslechts een handschoen(en), maar bij het sluiten van de deuren hebben zij weer handschoenen aan beide handen. De pompwagen van [verdachte] is op het moment dat de deuren worden gesloten nog in de container en de twee pallets met avocado's staan nog in de loods. [medeverdachte 8] en [verdachte] kijken elkaar vervolgens aan, zeggen kennelijk iets, tegen elkaar, waarna zij met de hand/vinger bewegingen maken, lijkende alsof bedoeld wordt dat de vrachtwagencombinatie met container de loods dient te verlaten. Om 18.27 uur loopt [verdachte] langs de container, in de richting van de voorzijde van de vrachtwagen, maar komt vervolgens terug gelopen en loopt dan de andere kant op. 17 seconden later komt een arrestatieteam van de politie binnen. [verdachte], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] worden aangehouden. Later die avond is de medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden.
In de container met nummer [containernummer], die zich bevond in de loods van de verdachte te Nieuwkoop, is door de Nederlandse politie 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne aangetroffen.
Vrijspraak van (verlengde) invoer van harddrugs
Volgens vaste jurisprudentie kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, hebben de aan de verdachte [verdachte] verweten handelingen plaats gevonden na de inbeslagname van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de verdachte zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken voor zover het de door de Belgische politie op 9 november 2018 inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram cocaïne betreft. Daarnaast acht het hof niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van de door de Belgische autoriteiten in de container teruggeplaatste hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De bewijsmiddelen schieten tekort om een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht te kunnen aannemen van [verdachte] terzake die invoer. Ook wat betreft die invoer zal de verdachte worden vrijgesproken.
Wel acht het hof bewezen dat de verdachte [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne en aan het voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet met betrekking tot een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs
Voor de vraag of de verdachte [verdachte] opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet, is niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. De verdovende middelen zullen zich wel in de machtssfeer van de verdachte moeten bevinden. Daarvoor is noodzakelijk dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
De verdachte [verdachte] heeft volgens zijn verklaring bij de politie, ondanks zijn twijfels aan de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte 10], van deze persoon de opdracht aangenomen om een container met ‘cassaves’ op te slaan, terwijl hij in zijn loods niet de beschikking had over een koelcel. De stelling van [verdachte] dat de cassaves gelet op de tijd van het jaar (november 2018) niet per se in een koelcel opgeslagen moesten worden, rijmt niet met het feit dat aan hem door [medeverdachte 10] was verteld dat de cassaves maximaal twee dagen later door een koeltrailer opgehaald zouden worden. Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de loods van de verdachte te Nieuwkoop een essentiële locatie was in het vervoerstraject van de verdovende middelen. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft immers zijn chauffeur de opdracht gegeven om de container, in afwijking van het oorspronkelijke afleveradres ervan in Bleiswijk, te vervoeren naar deze locatie. Opvallend is dat [verdachte], toen de vrachtwagenchauffeur [medeverdachte 3] met de container bij de loods aankwam, hem aanvankelijk heeft weggestuurd met de mededeling dat hij nog maar een rondje moest rijden omdat hij, [verdachte], nog geen bericht had gehad. Gelet op de tap van het telefoongesprek dat tussen de chauffeur en [medeverdachte 1] omstreeks 16.10 uur over de uitlatingen van [verdachte] is gevoerd, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij [medeverdachte 3] wegstuurde omdat de heftruck nog moest worden opgeladen. De suggestie van de raadsvrouw dat iemand een container met een grote hoeveelheid drugs niet zou wegsturen gelet op het risico van verlies van de partij overtuigt het hof niet. Juist het lang in iemands bedrijf aanwezig hebben van verdovende middelen brengt een risico met zich. De verdachte zal er daarom juist belang bij hebben gehad die tijd zo kort mogelijk te houden. De verdachte wilde kennelijk eerst een bericht ontvangen voordat de container in de loods zou worden geplaatst. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] leidt het hof af dat in aanwezigheid van de verdachte de container met behulp van een slijptol is geopend en dus het douanezegel op die wijze is verwijderd. Het geluid van de slijptol kan de verdachte niet zijn ontgaan.
Voorts betrekt het hof, evenals de rechtbank, de bevindingen van de politie ten aanzien van de in de loods opgenomen camerabeelden bij zijn oordeel. Daarop is te zien dat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9], terwijl men nog bezig is de container uit te laden, ineens uit de container springen. [medeverdachte 8] is dan bezig met zijn mobiele telefoon en is vervolgens aan het bellen. Daarna sluiten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] de deuren van de container, zegt [medeverdachte 8] iets tegen [verdachte] en gebaren beiden dat de vrachtwagen moet wegrijden. Dan loopt [verdachte] in de richting van de chauffeur, kennelijk om hem te laten weten dat hij met de vrachtwagencombinatie moet vertrekken. Uit de verklaringen van [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] blijkt op geen enkele wijze dat de lading van de container rot zou zijn, zoals de verdachte beweert. [medeverdachte 8] heeft juist verklaard (zie dossierpagina 293) dat hij in de loods heeft gezegd dat de container niet voor hem en [medeverdachte 9] was. Het is dan ook opvallend dat bij het sluiten van de deuren van de container de pompwagen van [verdachte] zich nog in de container bevond en dat twee pallets met avocado's nog in de loods van [verdachte] stonden. Verder neemt het hof bij zijn oordeel in aanmerking dat de verdachte op 4 en 5 september 2019 sms-berichten heeft verstuurd naar [medeverdachte 10] met de strekking dat hij nog 260k (het hof begrijpt: € 260.000,-) van hem tegoed heeft. Hierover heeft de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [medeverdachte 10] op deze wijze heeft benaderd over de door hem becijferde schade die hij en zijn onderneming als gevolg van de politie-inval zouden hebben geleden. Evenals de rechtbank acht het hof deze lezing van de verdachte over de inhoud van de sms-berichten van de verdachte aan [medeverdachte 10] onaannemelijk, mede gezien het feit dat in het sms-bericht van 4 september 2019 om 1 1.59 uur wordt vermeld dat het gaat om een gebeurtenis in november 2018 waarbij de verdachte [verdachte] en de zoon van [medeverdachte 10] betrokken waren. Daarnaast is de door de verdachte gestelde schade op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte] moet hebben geweten dat in zijn loods een container gelost zou worden die een hoeveelheid verdovende middelen bevatte en dat hij minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans van de aanwezigheid van die verdovende middelen in zijn loods heeft aanvaard. Gelet daarop komt het hof tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van de door de Nederlandse politie in de container aangetroffen hoeveelheid van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
Voorbereiden/bevorderen van Opiumwet delict
Gelet op de hiervoor vermelde wetenschap omtrent de cocaïne in de container, acht het hof tevens bewezen dat de verdachte (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) opzettelijk handelingen heeft verricht ter voorbereiding en bevordering van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet: Immers heeft de verdachte zijn loods ter beschikking gesteld als plaats waar de cocaïne uit de container kon worden gehaald, heeft hij met een heftruck ruimte gemaakt in de container zodat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] bij de cocaïne konden komen en heeft hij daarover ontmoetingen gehad met [medeverdachte 10] en [medeverdachte 8]. Gelet op de reeds beschreven feiten en omstandigheden waaronder een en ander is geschied heeft de verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereidde en bevorderde. En gezien de aard en omvang van alle door de verdachte en zijn medeverdachte(n) gemaakte voorbereidingen en verrichte inspanningen gaat het hof er daarbij van uit dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte zich niet beperkte tot de in de container aanwezige hoeveelheid van 110 gram cocaïne, maar zag op eén substantieel grotere hoeveelheid.
Medeplegen
Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) die is gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. De verdachte dient daarvoor een materiële of intellectuele bijdrage te leveren die van voldoende gewicht is. Bij.de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict. Het is niet nodig dat komt vast te staan dat een verdachte weet heeft van de (exacte) gedragingen die later of eerder in het traject door zijn medeverdachten worden verricht.
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof van gezamenlijk en op. elkaar afgestemd handelen. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zijn chauffeur [medeverdachte 3] de container met verdovende middelen met een voertuig laten vervoeren naar de loods van de verdachte [verdachte] in Nieuwkoop. In die loods waren naast [verdachte] de medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] aanwezig om de container in ontvangst te nemen en de illegale inhoud ervan buiten het zicht van dé douane veilig te stellen. In de loods van [verdachte] is immers de verzegeling van de container in strijd met de daaromtrent geldende regelgeving verbroken en de container geopend met behulp van een slijptol. De medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] hebben bij Bo-Rent een voertuig gehuurd voor het verdere vervoer. Uit hun abrupte vertrek met achterlating van spullen in de loods en in de container, toen bleek dat er . geen sporttassen met cocaïne in de container zaten, leidt het hof af dat ook zij wisten van de aanwezigheid van een hoeveelheid cocaïne daarin. Bij dit oordeel betrekt het hof tevens de omstandigheid dat zowel [medeverdachte 8] als [medeverdachte 9] op het moment van hun aanhouding in het bezit waren van een PGP-telefoon, waarvan algemeen bekend is dat dergelijke telefoons in het criminele milieu worden gebruikt voor het versturen van versleutelde berichten.
De rol van [verdachte] heeft er in elk geval uit bestaan dat hij voorbesprekingen heeft gehad met [medeverdachte 10] over de container, dat hij een voorbespreking heeft gehad met [medeverdachte 8] over de aankomstdatum en het uithalen van de container, dat hij zijn loods ter beschikking heeft gesteld voor het in ontvangst nemen en uitladen van de cocaïne, dat hij de chauffeur instructies heeft gegeven om op een geschikter moment terug te komen, dat hij een pompwagen ter beschikking heeft gesteld voor het uithalen van de cocaïne en dat hij zelf een vorkheftruck heeft bestuurd en enkele pallets uit de container heeft gelost ten behoeve van het uithalen door [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9].
De hiervoor genoemde feitelijke handelingen tonen een gezamenlijke uitvoering aan die vooraf(grotendeels) moet zijn afgestemd. Die handelingen hebben geleid tot een gezamenlijke uitvoering van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en het gezamenlijk voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet. Een nauw en bewust samenwerkingsverband tussen de gedragingen van verdachte en de medeverdachte(n) is naar het oordeel van het hof daarmee gegeven. Daarom kunnen de gedragingen van de verdachte worden gekwalificeerd als medeplegen.
Eindconclusie
Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne en het samen met een of meer anderen onder 2 tenlastegelegde voorbereiden en bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet met betrekking tot een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
De door de verdediging aangevoerde argumenten die zouden moeten leiden tot de betoogde algehele vrijspraak, zijn weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen en worden verworpen.’
1.6
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen.’
1.7
Als toepasselijke wettelijke voorschriften heeft het hof de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht genoemd. Met betrekking tot de straf heeft het hof onder meer overwogen:
‘Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een aanzienlijke duur met zich brengt.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding en bevordering van het plegen van Opiumwet-delicten. Het betreffen op zichzelf staande handelingen die op verschillende tijdstippen zijn verricht, zodat sprake is van meerdaadse samenloop. Dit zijn zeer ernstige feiten.
()
Feitelijk is er sprake van het opzettelijk aanwezig hebben van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Het hof kan en wil echter niet voorbij gaan aan de omstandigheid dat het aanvankelijk ging om de veel grotere hoeveelheid van 1 136,6 kilogram. Alhoewel om juridisch-technische redenen de bewezenverklaring zich beperkt tot de teruggeplaatste hoeveelheid van 1 10 gram, beperkte het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte zich daar niet toe. De verdachte heeft welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de container een veel grotere hoeveelheid cocaïne zou bevatten. Het hof zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden, maar niet in die mate dat wordt aangesloten bij de in België in beslag genomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram.’
1.8
In zijn arresten van 20 juni 2017 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen/geoordeeld dat art. 55, 56 en 57 Sr tezamen het leerstuk van de samenloop waarbij het gaat om het voorkomen van — kort gezegd — onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten.1. De indertijd gegeven toelichting van de wetgever bij de bepalingen is summier, maar geeft voor de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer kan worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het ‘wilsbesluit’) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Van ‘voortgezette handeling’ als bedoeld in art. 56 Sr is dus sprake indien meerdere feiten in zodanig verband met elkaar staan dat buiten het geval van eendaadse samenloop eveneens een eenheid wordt gecreëerd. In jurisprudentie is de eis ontwikkeld dat sprake moet zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit wat in de regel tot gevolg heeft dat een kort tijdsverloop tussen de handelingen ligt en gelijksoortigheid van handelingen. Ook gelijktijdig begane feiten kunnen overigens als voortgezette handeling worden gezien.2. Het invoeren van drugs en (vervolgens) verder vervoeren daarvan kan als een voortgezette handeling worden beschouwd.3. Het invoeren van cocaïne en het plegen van voorbereidingshandelingen voor het vervoeren en invoeren van cocaïne dienen onder omstandigheden, indien sprake is van een zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex, als voortgezette handeling te worden aangemerkt.4. In een zaak waarin het aanwezig hebben van harddrugs en voorbereidingshandelingen bewezen was verklaard en het hof meerdaadse samenloop had aangenomen was dat oordeel volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten naar de kern genomen betrekking hadden op een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex over een gezamenlijkheid van voorwerpen, waarbij de verdachte naar het oordeel van het hof de in zijn woning gevonden harddrugs aanwezig had om deze te verkopen met behulp van de daar eveneens gevonden andere voorwerpen, terwijl die harddrugs in die tas, die plastic doos en die pindakaaspotten waren verpakt.5. In lagere rechtspraak is wel voortgezette handeling aangenomen in situaties waarin het eerste delict (zoals bijvoorbeeld diefstal van cocaïne met geweld) wordt begaan teneinde het tweede (opzettelijk aanwezig hebben van die cocaïne) te kunnen begaan.6.
1.9
De Hoge Raad heeft in de hiervoor genoemde arresten van 20 juni 2017 tevens overwogen dat art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr in zijn recente rechtspraak zelden aan de orde komen en dat daarbij een belangrijke rol speelt dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat — kort gezegd — de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan. In verband met de (beperkte) toetsing in cassatie is volgens de Hoge Raad van belang dat art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr weliswaar het in een concreet geval geldende strafmaximum (mede) bepalen, maar dat binnen de grenzen van dat strafmaximum de strafoplegging door uiteenlopende factoren wordt bepaald, waaronder de concrete ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum — vrij in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Dientengevolge brengt volgens de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat de rechter ten onrechte is uitgegaan van meerdaadse samenloop in plaats van eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling, nog niet met zich dat in die concrete zaak van onevenredige bestraffing sprake is. Een en ander laat overigens onverlet dat de Hoge Raad in cassatie aangevoerde klachten kan bespreken — ook zonder dat zulks leidt tot vernietiging en terugwijzing — met het oog op het aanduiden van de voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van art. 55, eerste lid, en 56 Sr.7.
1.10
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van het) voorbereiden van de invoer van een hoeveelheid cocaïne en aan het (medeplegen van het) aanwezig hebben van een deel van die cocaïne. Het oordeel van het hof dat de voorbereiding en bevordering van het plegen van invoer van cocaïne en (i.c.) het aanwezig hebben van (een deel) van die cocaïne op zichzelf staande handelingen betreffen die op verschillende tijdstippen zijn verricht en daarom meerdaadse samenloop opleveren en klaarblijkelijk geen voorgezette handeling, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet zonder meer begrijpelijk, nu er i.c. sprake is van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen die zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Gelet hierop is het arrest, althans de kwalificatiebeslissing en strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
1.11
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat niet kan worden gesteld dat verdachte in deze concrete zaak niet voldoende in zijn in rechte te respecteren belangen is geschaad. Het hof heeft bij de strafoplegging immers expliciet geoordeeld dat bij de strafoplegging van belang is dat sprake is van meerdaadse samenloop zodat in cassatie niet, althans niet zonder meer kan worden gesteld dat het onjuiste oordeel niet van invloed is of kan zijn geweest op de hoogte van de door het hof bepaalde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit klemt te meer nu in deze zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd die uit vrijheidsbeneming bestaat die ook nog eens niet als een relatieve korte vrijheidsstraf moet worden beschouwd terwijl het (door het hof mede in aanmerking genomen) wettelijk strafmaximum tevens in aanmerkelijke mate bij het slagen van de klacht wijzigt nu ook geen andere feiten bewezen zijn verklaard.8. Overigens volgt ook uit de strafmaatoverwegingen dat het hof het bewezenverklaarde heeft beschouwd als 2 afzonderlijke feiten.
Middel II
Op 23 augustus 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 8 juli 2022 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat het hof de stukken niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van het beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
2.1
Op 23 augustus 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 5 oktober 2021 hebben de raadslieden zich gesteld bij de Hoge Raad. Op 8 juli 2022 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat het hof de stukken niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van het beroep in cassatie, naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.9.
2.2
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
2.3
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.10. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.11. Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. In 2016 en 2017 is beide jaren meer dan 50 keer geklaagd over de schending van de redelijke termijn, terwijl in 2018 hieromtrent meer dan 60 klachten zijn ingediend. In 2019 zijn maar liefst 75 klachten ingediend over de schending van de redelijke termijn. Bij deze aantallen zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport ‘Werkdruk bewezen’ van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk.12. Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012.13. Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen.14. Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat — naar uit objectieve gegevens — blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat èn dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.4
Voorkomen moet worden dat ‘onder de zegel’ van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlegd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden.15. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.5
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn.16.
2.6
Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.17. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat afdoening van de zaak door middel van art. 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is veroordeelde van mening dat de Hoge Raad deze kwestie zal dienen voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hierboven is aangevoerd volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het hof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, art. 13 EVRM immers een ‘effective remedy’ vereist. De vragen zouden kunnen luiden:
- ‘1.
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- 2.
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- 3.
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
- 4.
Maakt het daarbij verschil uit of de verdachte/veroordeelde in de betreffende zaak gedetineerd is?’
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 2 november 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
S. van den Akker
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑11‑2022
NJ 2019/111; NJ 2019/112; NJ 2019/113; NJ 2019/114 en NJ 2019/115, met noten van P.A.M. Mevis.
Noot van Th.W. van Veen onder HR 3 januari 1978, NJ 1978, 247.
HR 15 mei 1979, NJ 1980,90.
HR 20 juni 2017, NJ 2019/114, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:358.
F.C.W de Graaf, De rechtsfiguren eendaadse samenloop en voortgezette handeling nader beschouwd, DD 2016/65, pag. 733–735.
HR 5 juni 2018, NJ 2019/116, ECLI:NL:HR:2018:831.
Zie in dit verband overwegingen 29–32 CAG B.F. Keulen voor HR 5 juni 2018, NJ 2019/116 en 6–7 van de noot van P.A.M. Mevis onder het arrest.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 – 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
NRC 4 februari 2013.
Jaarverslag 2012, p. 23/24.
Noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015/469.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland).
Zie in dit verband de reeds door F.W. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 gemaakte opmerking en —met name— de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).
Beroepschrift 06‑10‑2022
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 9 augustus 2021, waarbij het Hof het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, van 20 januari 2020 in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955
heeft vernietigd en de verdachte — voor zover in cassatie van belang — partieel heeft vrijgesproken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde.1.
Rekwirant kan zich in zoverre met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 10a Opiumwet, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het in de overwegingen van het Hof besloten liggende oordeel dat er geen sprake kan zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ als bedoeld in art. 10a Opiumwet, indien de aan de verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van de partij verdovende middelen waarop die handelingen gericht zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de verdachte derhalve vrijgesproken van iets anders dan hem ten laste was gelegd en heeft daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
Toelichting
1.
In deze strafzaak gaat het om het volgende. Op 9 november 2018 is een schip de haven van Antwerpen binnengevaren dat afkomstig was uit Colombia. Op dit schip bevond zich een container die bij controle een partij van 1.136,6 kg cocaïne bleek te bevatten. Deze partij cocaïne is door de Belgische autoriteiten inbeslaggenomen, met dien verstande dat er een representatief monster van 110 gram cocaïne is teruggeplaatst. Dit is gebeurd na afstemming tussen de Nederlandse en Belgische opsporingsautoriteiten. Vervolgens is de container vrijgegeven voor verder transport. Op 13 november 2018 is de container opgehaald door een chauffeur van het transportbedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] en getransporteerd naar een loods aan de [a-straat 01] in Nieuwkoop. De verdachte is eigenaar van deze loods. Op het moment dat de verdachte samen met twee anderen bezig was de lading van de container te lossen, is de politie binnengevallen en is hij aangehouden. Later diezelfde dag is ook medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden.
2.
Aan de verdachte is onder feit 1 onder meer tenlastegelegd (het medeplegen van) het opzettelijk aanwezig hebben van 1.136,6 kg cocaïne.
Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd (het medeplegen van) het verrichten van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen in de zin van art. 10a Opiumwet ten aanzien van de partij van 1.136,6 kg cocaïne.2.
3.
Bij het thans bestreden arrest van 9 augustus 2021 heeft het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch slechts bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 110 gram cocaïne (feit 1) en het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten aanzien van ‘een hoeveelheid’ cocaïne (feit 2).
Het Hof heeft de partiële vrijspraken als volgt gemotiveerd (p. 34–35):
‘Volgens vaste jurisprudentie kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, hebben de aan de verdachte Hageman verweten handelingen plaats gevonden na de inbeslagname van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de verdachte zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken voor zover het de door de Belgische politie op 9 november 2018 inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram cocaïne betreft.’
4.
Mede gelet op HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:152, NJ 2022/83 kan rekwirant zich verenigen met het feit dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 (het medeplegen van het voltooide delict van het opzettelijk aanwezig hebben) heeft beperkt tot de teruggeplaatste hoeveelheid van 110 gram cocaïne.
5.
Rekwirant kan zich echter niet verenigen met het feit dat het Hof de bewezenverklaring van feit 2 (het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen) heeft beperkt tot ‘een hoeveelheid’ cocaïne. Voor voorbereidings- en bevorderingshandelingen in de zin van art. 10a Opiumwet geldt immers een ander toetsingskader dan voor het voltooide delict van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen.
In HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862 overwoog de Hoge Raad:
‘2.3.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan (vgl. HR 13 maart 2001, LJN AB0494, NJ 2001/338).’
De inbeslagneming van verdovende middelen is een ‘verhinderende omstandigheid’ als bedoeld in deze rechtspraak.3. Het feit dat een partij verdovende middelen in beslag is genomen, ontneemt aan de voorbereidings- en bevorderingshandelingen dus niet hun zelfstandig karakter, ook niet als met die voorbereidings- en bevorderingshandelingen pas een begin is gemaakt na het moment van de inbeslagneming.
6.
Het Hof heeft overwogen dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 2 tenlastegelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen, voor zover het de door de Belgische politie op 9 november 2018 inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kg cocaïne betreft. Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de aan de verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na de inbeslagname van het merendeel van de in Antwerpen in de zeecontainer aangetroffen cocaïne. Gelet op de in punt 5 besproken jurisprudentie van de Hoge Raad getuigt deze redenering van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de verdachte derhalve vrijgesproken van iets anders dan hem ten laste was gelegd en heeft daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
7.
Deze onjuiste partiële vrijspraak heeft gelet op de strafmotivering directe consequenties gehad voor de strafmaat. Het Hof heeft in dat kader immers overwogen (p. 39) dat het in strafverzwarende zin weliswaar rekening zal houden met de omstandigheid dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte was gericht op een veel grotere hoeveelheid cocaïne dan de teruggeplaatste hoeveelheid van 110 gram, maar niet in die mate dat wordt aangesloten bij de in België inbeslaggenomen hoeveelheid van 1.136,6 kg. Dit verklaart volgens het Hof mede waarom het een aanzienlijk lagere straf zal opleggen dan door de advocaat-generaal is geëist. Hoewel deze overwegingen strikt genomen zien op feit 1, kan het logischerwijs niet anders zijn dan dat hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van feit 2.
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 9 augustus 2021 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 6 oktober 2022
mr. W.J.V. Spek
advocaat-generaal bij het ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑10‑2022
Deze strafzaak hangt samen met die tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (S 21/03514), in welke zaak rekwirant heden eveneens een schriftuur indient.
De tenlastelegging vermeldt eigenlijk een hoeveelheid van 1.188 kg cocaïne, zowel bij feit 1 als bij feit 2. Dit betreft vermoedelijk een misslag.
Zie in deze zin: HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, NJ 2001/338 waarnaar de Hoge Raad in evengenoemd citaat verwijst.