Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/5.4:5.4 Wat de rechtsgevolgen zijn van een toepassing van de rechtsgronden
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/5.4
5.4 Wat de rechtsgevolgen zijn van een toepassing van de rechtsgronden
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254141:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
592. Voor de rechtsgevolgen van een beperkt recht moet een onderscheid worden gemaakt tussen de partijen die betrokken zijn bij het beperkte recht en derden die betrokken zijn bij het beperkte recht. De wijziging van een beperkt recht – of de wijziging nou tot stand komt door de rechter, door partijen of van rechtswege – leidt in beginsel tot een voortzetting van het beperkte recht in gewijzigde vorm. Dat geldt als een wijziging leidt tot een inperking van het beperkte recht, maar ook als een wijziging leidt tot een uitbreiding van het beperkte recht. De grens bestaat naar geldend recht daar waar volgens de verkeersopvatting niet meer van hetzelfde recht gesproken kan worden.
593. De vraag naar de rechtsgevolgen van de wijziging van een beperkt recht is echter vooral van belang voor derden wiens positie mogelijk door de wijziging wordt beïnvloed. Derden die potentieel geraakt worden door een wijziging, worden doorgaans via het wettelijk systeem beschermd. Als een wijziging plaatsvindt via een rechterlijke wijzigingsbevoegdheid in Boek 5 BW, moet de derde in het geding worden geroepen en vindt ten aanzien van de derde een toetsing aan de vereisten plaats.1 Als een wijziging plaatsvindt via een rechterlijke wijzigingsbevoegdheid in Boek 6 BW geldt die eis niet, maar dan werkt een nadelige wijziging ook niet jegens de derde. Deze eis geldt ook niet bij de vernietiging van een onredelijk bezwarende algemene voorwaarden. Dat is niet bezwaarlijk, omdat de vernietiging alleen tot een inperking van de inhoud van een beperkt recht kan leiden. Een wijziging door partijen werkt niet jegens een derde met een beperkt recht als de wijziging nadelig is en de derde geen toestemming heeft gegeven.2 Hetzelfde geldt bij een rangwijziging. Een derde met een beperkt recht op het recht dat van rang wijzigt, is aan de rangwijziging niet gebonden als hij daarvoor geen toestemming heeft verleend.
594. Als een derde weet wat hem potentieel boven het hoofd hangt, is het niet ongerechtvaardigd als een wijziging tegen hem kan worden ingeroepen. De houder van een hypotheekrecht op een erfpachtrecht kan zich bijvoorbeeld niet verzetten tegen een canonindexering als die uit de vestigingsakte van het erfpachtrecht blijkt. Een enkele keer geldt dit uitgangspunt niet. In het kader van art. 5:98 BW of verjaring kan bijvoorbeeld geen beroep worden gedaan op derdenbescherming van art. 3:24 BW als de derde van de juridische situatie niet op de hoogte was. In het eerste geval is in abstracto gekozen voor bescherming van de erfpachter of opstaller. Gelet op de ratio van deze rechtsgrond, is de uitzondering gerechtvaardigd. In het tweede geval is een rechtsopvolger in theorie beschermd door de strenge bezitseisen. Die eisen blijken echter niet in alle gevallen van verjaring genoeg bescherming te bieden, zodat soms een correctie nodig is.
595. Bescherming hoeft niet verder te gaan dan nodig. In het kader van een rangwijziging is het bijvoorbeeld niet nodig de eis te stellen dat alle tussengerechtigden met de rangwijziging moeten instemmen, voordat de rangwijziging (in goederenrechtelijke zin) effectief is. Als een eersterangs en derderangs beperkt gerechtigde van rang wisselen, komt de rangwijziging in goederenrechtelijke zin tot stand zonder toestemming van de tweederangs beperkt gerechtigde. Er ontstaat echter een relatieve rangorde. Dat kan tot ingewikkelde vragen leiden over de verdeling van een netto-executieopbrengst, maar die uitkomst is wel het meest gerechtvaardigd. Voor bescherming van de tweederangs beperkt gerechtigde is het niet nodig hem een soort vetorecht te geven en dit is dus ook niet wenselijk. Op dezelfde manier werkt de wijziging van de inhoud van een beperkt recht jegens derden. De wijziging kan rechtsgeldig tot stand komen zonder dat een derde daarbij wordt betrokken. Het is niet zo dat de wijziging dan geen werking heeft. Het gevolg is echter dat een derde niet aan een wijziging is gebonden als de wijziging voor hem nadelig is. Er ontstaan ook hier relatieve werkingen. Dat volgt uit de werking van art. 3:81 lid 3 BW en de prioriteitsregel.