Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/9.2:9.2 Probleemstelling
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/9.2
9.2 Probleemstelling
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713118:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift onderzoekt wat de betekenis is van de hoedanigheid van de ondernemer-laedens voor het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. Het aansprakelijkheidsrecht wordt traditiegetrouw beschouwd als een rechtsgebied dat gericht is op de individuele mens. De focus op het individu is ten eerste terug te zien in de traditionele grondslag van het onrechtmatigedaadsrecht: het schuldbeginsel. Het schuldbeginsel gaat uit van persoonlijke verwijtbaarheid: degene die anders heeft gehandeld dan hij behoorde te doen, terwijl die handeling vermijdbaar was, behoort de gevolgen te dragen. Ten tweede komt de focus op het individu tot uiting in vier vereisten voor aansprakelijkheid: daad, daderschap, onrechtmatigheid en toerekenbaarheid. Deze begrippen zijn sterk verweven met de fysieke persoon van de aangesproken partij. De traditionele focus op het individu vormt geen groot obstakel indien de ondernemer een natuurlijk persoon is (zoals een eenmanszaak). Er ontstaat echter een spanningsveld indien de onderneming is ondergebracht in een rechtspersoon. Een rechtspersoon kan niet zelf fysiek handelen en kennis hebben. In de literatuur is betoogd dat een toepassing van het onrechtmatigedaadsrecht op de ondernemer-rechtspersoon vraagt om een speciale interpretatie van de kernbegrippen uit het onrechtmatigedaadsrecht. Deze ‘speciale interpretatie’ zou gerechtvaardigd zijn door het risicobeginsel. In de literatuur is de aansprakelijkheid van ondernemers daarom omschreven als ‘risicoaansprakelijkheid’.
De centrale vraag in dit proefschrift is of de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers naar Nederlands recht een (quasi-)risicoaansprakelijkheid is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is het eerst noodzakelijk om helder te krijgen wat ik versta onder (quasi-)risicoaansprakelijkheid. In hoofdstuk 2 onderscheid ik vier vormen van risicoaansprakelijkheid: aansprakelijkheid zonder daad, aansprakelijkheid zonder dader, aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid en aansprakelijkheid zonder toerekenbaarheid. Onder quasi-risicoaansprakelijkheid wordt een aansprakelijkheid verstaan waarin deze elementen wel vereist zijn, maar waarin zij gerelativeerd worden.
De vervolgvraag is welke betekenis de hoedanigheid van ondernemer heeft voor de beoordeling en invulling van bovengenoemde vier elementen: ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’. Deze vraag valt uiteen in drie deelvragen. De eerste deelvraag houdt in: in hoeverre biedt het juridisch kader de rechter de mogelijkheid om de hoedanigheid van ondernemer mee te wegen in zijn beoordeling en invulling van de vereisten ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’? De tweede vraag is: indien de hoedanigheid van ondernemer wordt meegewogen, wat is dan het juridisch effect op het aansprakelijkheidsoordeel? De derde deelvraag bouwt voort op de tweede deelvraag: indien een bepaald juridisch effect wordt gevonden, wat is dan de rechtvaardiging voor dit effect? Onder ‘ondernemer’ wordt de bedrijfsmatige rechtspersoon verstaan. Het doel van dit onderzoek is theorievorming over de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers. Om dit doel te bereiken, zijn drie onderzoeksmethoden aangewend: de juridisch-dogmatische methode, de rechtsvergelijkende methode en een kwalitatieve inhoudsanalyse.