In het verweerschrift hebben de raadslieden van de verdachte het standpunt ingenomen dat uit de door mr. Korver ingediende cassatieschriftuur niet kan worden opgemaakt dat mr. Korver door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het indienen van de cassatieschriftuur. Mr. Korver is bij brief van 5 maart 2019 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Bij brief d.d. 8 maart 2019 heeft mr. Korver verklaard door zijn cliënten bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van de op 11 januari 2019 bij de Hoge Raad ingediende schriftuur namens de benadeelde partijen [benadeelde 4] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , zodat het verzuim tijdig is hersteld.
HR, 28-05-2019, nr. 17/06043
ECLI:NL:HR:2019:829
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-05-2019
- Zaaknummer
17/06043
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:829, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑05‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2017:10871, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:307
Ontnemingsprocedure: ECLI:NL:RBNHO:2022:4980
ECLI:NL:PHR:2019:307, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑04‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:829
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑01‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑01‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑10‑2016
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0249
NJ 2019/359 met annotatie van W.H. Vellinga
Jurisprudentie Erfrecht 2019/168
NbSr 2019/186
JERF Actueel 2019/168
PS-Updates.nl 2019-0588
Uitspraak 28‑05‑2019
Inhoudsindicatie
Dood door schuld in de zin van roekeloosheid (meermalen gepleegd) door op Vinkeveense Plassen - in het donker, met forse overschrijding van maximumsnelheid en onder invloed - met zijn speedboot sloep met 4 opvarenden te overvaren ten gevolge waarvan 2 van hen zijn overleden, art. 307.2 Sr. 1. Schuld in de zin van roekeloosheid? 2. Schriftuur b.p.’s. B.p.’s ontvankelijk in hun vorderingen wat betreft post gederfd levensonderhoud? 3. Schriftuur b.p.’s. Legeskosten en notariskosten toewijsbaar als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108.2 BW? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960 m.b.t. art. 175.2.a WVW 1994 t.a.v. roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm, waarvan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is en motiveringsplicht van rechter. V.zv. middel klaagt dat ’s Hofs motivering t.a.v. zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid tekortschiet, nu door Hof vastgestelde omstandigheden niet toereikend zijn voor oordeel dat verdachte ‘roekeloos’ in de zin van art. 307 Sr heeft gevaren, faalt het. Daarbij neemt HR in aanmerking dat uit door Hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat Hof i.h.b. acht heeft geslagen op samenstel van gedragingen van verdachte. Dat samenstel bestaat hieruit dat verdachte als bestuurder van grote en zware speedboot die geen verlichting voerde, in het donker terwijl verdachte ermee rekening had behoren te houden dat het die avond op het water drukker zou zijn dan anders a.g.v. o.m. aantal evenementen, in plané en met mede daardoor beperkt gezichtsveld heeft gevaren in richting van doorgang tussen enkele recreatie-eilandjes, met snelheid van tenminste 39 kilometer per uur - en daarmee met aanzienlijke overschrijding van ter plaatse geldende maximumsnelheid van 6 kilometer per uur -, dit terwijl verdachte ongeveer 3 keer toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken en hij weinig ervaring had met varen in het donker. Daarbij is verdachte, met die hoge snelheid in die juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang, over (verlichting voerende) sloep van slachtoffers heengevaren. Aldus heeft Hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier uitzonderlijk geval in hiervoor bedoelde zin voordoet. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793, v.zv. inhoudende art. 361.3 Sv strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van vordering b.p. verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van vordering onderscheidelijk tot verweer tegen vordering kunnen aanvoeren en daarvan bewijs te leveren. Opvatting dat ECLI:NL:HR:2006:AV2654 zijn betekenis heeft verloren doordat criterium van art. 361.3 Sv is gewijzigd t.o.v. het t.t.v. wijzen van dat arrest geldende criterium, is onjuist, mede gelet op nog steeds bestaande, hiervoor omschreven verplichting voor strafrechter. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat legeskosten en notariskosten strekten ter afwikkeling van nalatenschap van overledene. Hof heeft daarop zijn oordeel gebaseerd dat die kosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108.2 BW toewijsbaar zijn. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat legeskosten en notariskosten niet in rechtstreeks verband staan met begraven van overledene. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/06043
Datum 28 mei 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 december 2017, nummer 21/002094-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft R. Korver, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 5] heeft E. Huls, advocaat te Leiden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte hebben verweerschriften ingediend.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het vijfde namens de verdachte voorgestelde middel
2.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.
2.2.1
Overeenkomstig het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is, voor zover in cassatie van belang, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos
als bestuurder van een motorboot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op pagina 880-881 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [benadeelde 4] :
Op 2 augustus 2014 omstreeks 22.30 uur waren wij met z’n vieren aan het varen op de Vinkeveense Plassen. Die vieren waren ikzelf, [benadeelde 6] uit Amersfoort, [slachtoffer 1] uit Leusden en [slachtoffer 2] uit Leusden. Wij voeren op een sloep. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten achter het stuur, volgens mij stuurde [slachtoffer 1] . [benadeelde 6] zat vlakbij de punt. Ik zat halverwege. Onze boot was verlicht. Het was een felle witte lamp. Wij voeren gewoon rustig over het water. Op een gegeven moment hoorde ik [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] roepen. Volgens mij was dat [slachtoffer 2] . Hij riep: ‘kijk uit!’ Ik keek achterom en zag een boot op ons afkomen. De boot kwam voor mijn gevoel heel hard aanvaren. De boot kwam op de voorzijde af. Ik dook weg en merkte op een of andere manier dat de boot recht over onze boot heen kwam. Daarna zag ik dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet veel leven vertoonden. Van de boot die ons aangevaren heeft kan ik niets vertellen. Volgens mij was het een grote speedboot. Ik heb geen licht op die boot gezien.
(...)
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op pagina 913 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [benadeelde 6] :
Vanmiddag zijn wij, [benadeelde 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en ik vanuit Amersfoort naar de Vinkeveense Plassen gereden. Omstreeks 22.15 uur gingen wij nog een stukje varen. Ter hoogte van eiland 8 ging het mis. Ik zat samen met [benadeelde 4] voor in de boot. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zaten achterin bij het stuur. Op een gegeven moment riep volgens mij [slachtoffer 2] : ‘kijk uit!’ Ik keek naar voren en zag dat er een boot met hoge snelheid recht op ons af voer. De boot voerde geen verlichting. De boot voer recht over ons heen. Na de aanvaring was het een ravage. Ik zag [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] liggen. Ik heb toen direct om hulp geschreeuwd.
(...)
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 1101 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 2 augustus 2014 omstreeks 23.00 uur kreeg ik via de meldkamer de melding dat er zojuist een aanvaring had plaatsgevonden op de Vinkeveense Plassen, gemeente De Ronde Venen, waar twee dodelijke slachtoffers bij waren gevallen. Tevens hoorde ik dat één van de betrokken vaartuigen de plaats van de aanvaring had verlaten. Signalement vaartuig: ongeveer 7 à 8 meter lang. Het vaartuig zou een luxe vaartuig zijn, vermoedelijk voorzien van gelakt mahoniehout. Het vaartuig zou aan de voorzijde schade moeten hebben. Op 3 augustus 2014 omstreeks 5.10 uur bevond ik mij aan de achterzijde van de [a-straat 1] gemeente Ronde Venen. Bij één van de woonarken zag ik een vaartuig liggen welke voldeed aan bovenstaand signalement. Ik zag dat dit vaartuig aan de voorzijde verse schade had en voorzien was van registratienummer [001] .
(...)
10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal reconstructie vaarongeval (als bijlage op de pagina’s 1415, 1428-1434 en 1439-1442 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
p. 1415
Vaartuig 1
Soort: Open speedboot met een voorverblijf
Materiaal romp: Hout
Lengte: 8,15 m.
Breedte: 2,72 m.
Voortstuwing: Twee verbrandingsmotoren die elk een z.g. ‘heckdrive’ aandrijven. Beide heckdrives zijn voorzien van twee contra roterende propellers (‘duoprops’).
Vaartuig 2
Soort: Open motorsloep
Materiaal romp: Kunststof
Lengte: 6,15 m.
Breedte: 2,28 m.
Voortstuwing: Eén verbrandingsmotor die een scheepsschroef aandrijft.
p. 1428-1434
De schades zijn door mij, [verbalisant 1] , geïnterpreteerd. Beide vaartuigen hadden tegengestelde koersen tijdens de afwikkeling van het ongeval. Vermoedelijk is de voorsteven van vaartuig 1 in aanraking gekomen met de scheepshuid van vaartuig 2 ter hoogte van schade 12. De doorlopende beschadiging in de zitbank van vaartuig 2 is veroorzaakt door een scherp voorwerp met een naar beneden gerichte kracht. De enige scherpe delen van het onderwaterschip van vaartuig 1 zijn de staartstukken van de heckdrives. Omdat de bakboord heckdrive buiten de romp van vaartuig 2 is gebleven, is de doorlopende beschadiging kennelijk veroorzaakt door de stuurboord heckdrive. De voorsteven van vaartuig 1 is bij de botsing kennelijk de romp van vaartuig 2 binnengetreden ter hoogte van schade 12. De voorsteven is vervolgens in contact geweest met de binnenkuip van vaartuig 2 en heeft de binnenkuip verlaten ongeveer ter hoogte van de scheef staande bolder.
Op 16 oktober 2014 werden vaarproeven uitgevoerd. Deze vaarproeven hadden tot doel om de snelheid van vaartuig 1 vast te stellen op het moment van de botsing alsmede het zicht dat de schipper had op het wateroppervlak vóór vaartuig 1. Vaartuig 1 was beschikbaar voor het uitvoeren van vaarproeven. Vaartuig 2 was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Het onderzoeksteam heeft een vervangende boot gehuurd waarmee de vaarproeven konden worden uitgevoerd. Met vaartuig 1 werden 25 vaarproeven gehouden. Met vaartuig 2 werden zes vaarproeven gehouden.
p. 1439-1442
Bij beide vaartuigen is de hoogte van het punt van eerste impact afhankelijk van de snelheid. Op het moment van eerste aanraking waren beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar. Daarom is er een verband tussen de snelheid van beide vaartuigen. Omdat de snelheid van vaartuig 2 ten tijde van het ongeval niet bekend is, kan de snelheid van vaartuig 1 niet expliciet worden vastgesteld. Uit de meetgegevens van de vaarproeven zijn bepaalde snelheden van vaartuig 1 wel uit te sluiten. Bij het bepalen van de mogelijke gevaren snelheid van vaartuig 1, direct voor het ongeval, is rekening gehouden met:
- de aard van de geconstateerde schades aan beide vaartuigen;
- de afwikkeling van de aanvaring;
- de vaareigenschappen als gevolg van verschillende trimstanden van vaartuig 1.
Als bekend is wat de snelheid van vaartuig 2 was, kan de snelheid van vaartuig 1 worden afgeleid uit de volgende tabel:
Vaartuig 2 Vaartuig 1
Run nr. Snelheid Run nr. Snelheid
km/u km/u
1 6 22, 23, 24, 25 61-68
2 9 22, 23, 24, 25 61-68
3 11 22, 23, 24 61-67
4 13 20, 21, 22, 23, 24 50-66
5 15 16, 17, 21 39-59
6 16 16, 17 39-50
Als niet bekend is wat de snelheid was van vaartuig 2 direct voorafgaande aan het ongeval, kan de snelheid van vaartuig 1 hebben gelegen tussen 39 en 68 km/u.
Met medewerking van verdachte stelden wij de plaats vast van het oogpunt van de verdachte nadat hij op verschillende manieren plaats had genomen als bestuurder van vaartuig 1:
- zittend op de zitting van de bestuurdersstoel
- zittend op de opgeklapte zitting van de bestuurdersstoel
- staand, op de vloer van de kuip, achter het roer.
Conclusie:
Als de bestuurder zit op de zitting van de bestuurdersstoel dan heeft hij in het geheel geen zicht op het wateroppervlak vóór het vaartuig (oneindig dode hoek). Als de bestuurder zit op de opgeklapte zitting dan is de grootste afstand voor het vaartuig dat hij niet kan overzien: minimaal ongeveer 14 meter en maximaal ongeveer 51 meter. Als de bestuurder staat dan is de grootste afstand voor het vaartuig dat hij niet kan overzien: minimaal ongeveer 10 meter en maximaal ongeveer 23 meter.
(...)
14. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief van P. Limburg van 15 november 2017 aan R. Korver, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Ik ben ambtenaar crisisbeheersing en openbare orde afdeling concernstaf & concerncontroller, Gemeente De Ronde Venen. Op zaterdag 2 augustus 2014 werd het evenement Rondje Eilanden georganiseerd. Bijna 700 deelnemers hebben zwemmend en lopend een parcours afgelegd dat startte op eiland 1 en via de eilanden 2 tot en met 12 terug naar eiland 1 liep. De sporters zwommen tussen de eilanden en liepen vervolgens over het eiland naar de volgende oversteekplaats. De organisatie zorgde dat de zwemmers werden beveiligd tijdens het overzwemmen. Dit werden gedaan door vrijwilligers die met boten de vaarwegen vrijhielden. Na afloop van dit evenement werd op eiland 1 een grote barbecue georganiseerd. Dit duurde tot 21.00 uur waarna de deelnemers en vrijwilligers deze locatie verlieten. Dit waren veel boten die terug zijn gegaan naar hun jachthavens of hun woningen. Op zaterdag 2 augustus 2014 werd in Amsterdam de Gay Parade gehouden. Veel mensen uit Vinkeveen gaan met hun boot vanaf de plas naar Amsterdam. Dan gebruikt men de route via de Proostdijersluis naar Ouderkerk aan de Amstel en zo richting de binnenstad. Vanwege het gegeven dat dit evenement aan het begin van de avond is afgelopen, is besloten om die avond alle bruggen in de vaarroute tot 22.00 uur te laten bedienen en dit gold ook voor de Proostdijersluis. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt om terug te kunnen keren naar de Vinkeveense Plassen. In de loop van de avond zorgt dit voor extra vaarbewegingen op de plas. Normaal gesproken stopt de sluisbediening namelijk om 20.00 uur in de zomerperiode. Ik ben onder andere verantwoordelijk voor de vergunningverlening van evenementen. In dit kader voer ik controles uit op de naleving van vergunningsvoorschriften en bezoek ik evenementen. Op zaterdag 2 augustus 2014 heb ik gevaren op de Vinkeveense Plassen. Ik heb de hele dag en avond, met kleine pauzes, varend doorgebracht. Ik heb gezien dat het druk was zowel met varende boten maar ook dat langs de oevers van de recreatie-eilanden veel boten waren afgemeerd. Er waren veel meer dan gemiddeld mensen op en rond de plassen aanwezig. Dat had te maken met het mooie weer maar ook met evenement Rondje Eilanden en de vakantieperiode. Ik heb veel mensen gesproken die zich beklaagden over het feit dat zij niet overal konden afmeren vanwege de vele toeristen van elders. Er komen ieder weekend mensen naar de eilanden die uit de omgeving komen of hun boten in de jachthavens hebben liggen. Zij maken dan gebruik van bepaalde favoriete plekken. Door drukte ontstaat dan de situatie dat zij niet op ‘hun’ plaats op een bepaald eiland kunnen gaan liggen. Ik heb gezien dat met name op eiland 8 sprake was van veel mensen en dat langs alle oevers boten lagen en er nog weinig open ruimtes waren. Ik heb tussen 21.00 een 22.15 uur nog een ronde gevaren en gezien dat er veel boten waren met namen van hun gemeenten die niet uit de directe omgeving kwamen. Het was een zeer mooie zomeravond. Het was windstil en een fijne temperatuur. Het was een heldere avond. Gemiddeld zijn er maar 4 of 5 van dit soort avonden in een seizoen.
15. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op de pagina 1141-1142 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Het planeren, ook wel glijden of scheren genoemd met een vaartuig, is als een vaartuig niet door maar over het water vaart. Een vaartuig planeert en komt dan gedeeltelijk uit het water, wanneer het dankzij een bereikte relatieve grote snelheid niet alleen door de hydrostatische kracht van het water wordt gedragen, maar ook door de dynamische krachten van het snel langs de romp stromende water. Het gewicht van het verplaatste water is dan kleiner dan het gewicht van het vaartuig. Het is ons, verbalisanten, door ervaring bekend, dat een snelle motorboot, ongeacht grootte/gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 kilometer per uur. Bij het in plané komen van een vaartuig, tot het in plané varen, komt het voorschip ervan omhoog, waardoor het uitzicht tijdelijk wordt beperkt. Op het gedeelte van de Vinkeveense Plassen waar de aanvaring plaatsvond wordt veelvuldig gerecreëerd. Langs de eilanden liggen diverse jachten van recreanten afgemeerd. Gezien het tijdstip van de aanvaring is te verwachten dat er vaartuigen rondvaren al of niet verlicht. Volgens artikel 2 van het Besluit Motorschepen Vinkeveense Plassen 2000 is het verboden om alhier met een motorschip met een grotere snelheid dan 6 kilometer per uur te varen van zonsondergang, maar altijd na 22.00 uur, tot zonsopgang.
16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op de pagina 576-577 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 3 augustus 2014 omstreeks 08.54 uur heeft de hoofdagent van politie Midden-Nederland de verdachte [verdachte] bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 27 lid 2 onder a van de Scheepvaartverkeerswet. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Aan de verdachte is aanstonds medegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 60 mg/l bedroeg.
17. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘herberekening ademalcoholgehalte’ (als bijlage op pagina 583-584 van het proces-verbaal genummerd 2014212616), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Uit de ontvangen informatie blijkt het volgende:
- het vastgestelde ademalcoholgehalte is 60 microgram/liter.
- de datum en het tijdstip van het voorval is 2 augustus 22.40 uur.
- de datum en het tijdstip van de ademanalyse is 3 augustus 8.59 uur.
- het tijdsverloop tussen het voorval en de ademanalyse betreft 10,3 uren.
Vraagstelling: wat is het bloed alcoholgehalte indien gecorrigeerd wordt voor het tijdsverloop tussen tijdstip van voorval en het tijdstip van ademanalyse?
Toelichting:
Door het lichaam wordt de opgenomen alcohol omgezet en daarnaast voor een gering deel uitgescheiden. Deze omzetting en uitscheiding vindt plaats met een snelheid, die individueel verschillend is en in verreweg de meeste gevallen gelegen is tussen de grenzen 0,10 en 0,25 mg alcohol per ml bloed per uur. Tussen het bloed- en het ademalcoholgehalte bestaat een numeriek verband; de zogenaamde omrekeningsfactor.
Resultaten en conclusie:
Uitgaande van het vastgestelde ademalcoholgehalte van 60 microgram/liter wordt het bijbehorende bloedalcoholgehalte berekend op (60x2300)/1.000.000 = 0,14 milligram/milliliter bloed. Op grond van de bovengenoemde gegevens en rekening houdende met vertraagde afbraak in lage concentraties wordt de afname van het bloedalcoholgehalte in de vermelde tijdsduur (10,3 uren) geschat op ongeveer 1,3 tot 2,5 milligram per milliliter. Hieruit volgt dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van het voorval dan ongeveer gelegen zal hebben tussen 1,4 en 2,6 milligram per milliliter.
(...)
19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (als bijlage op de pagina 621-627 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
I = Interviewer
G = Gehoorde
I: Eh Dance Valley.
G: Ja.
I: Heb je daar alcohol genuttigd?
G: Ja.
I: Teruggereden naar de boot zeg maar.
G: Ja.
I: En dan aan boord gegaan.
G: Ja.
I: Waar was dat precies?
G: Naast de ark. Waar de boot lag.
I: En hoe ver is het varen naar [A] ?
G: Kwartiertje denk ik.
I: En hoe laat zijn jullie daar aangekomen?
G: Dat schat ik dus, half negen, negen uur. Zoiets.
I: Bij [A] .
G: Ja.
I: Gezeten, gegeten, gedronken.
G: Ja.
I: Wie zaten in de boot en waar zaten ze.
G: [betrokkene 7] en [betrokkene 8] . Die zaten op de achterbank in de boot. En ik zat op het stoeltje ervoor.
I: Oké, dus toen jullie weggingen zat jij achter het roer.
G: Ja.
I: En toen ben je weggevaren. Hoe was het weer?
G: Goed donker.
I: Hoe heb je je positie bepaald?
G: Ja, je ziet eilanden opdoemen.
I: Zijn er überhaupt verlichte tonnen op dat water?
G: Nee.
I: Oké, dus dan is in het donker best wel lastig, denk ik?
G: Is het ook.
I: Hoe hoog was de snelheid?
G: Toen we eruit zijn gevaren gewoon stationair op het eerste stuk. En op een gegeven moment ja, ging de discussie van, kan hij ook wat harder? En dat heb ik inderdaad eh, heb ik mij even over laten halen.
I: Wat weet jij je te herinneren van het ongeval?
G: Op een gegeven moment heb ik een klap gehoord. Ik heb inderdaad eventjes het gas teruggenomen.
I: Waar is het gebeurd?
G: Eh ja, dat heb ik gehoord tussen eiland 8 en eh...
I: Oh dat weetje niet precies?
G: Nee precies niet.
I: Dat besef heb je niet waar dat gebeurd is?
G: Nee in het donker niet.
I: Je bent ergens overheen gevaren. En je bent gewoon doorgevaren. Of ben je nog gestopt? Heb je nog gedraaid?
G: Nee, ik ben niet gedraaid.
I: Je bent niet gestopt? Je hebt geen rondje gemaakt?
G: Nee.
(...)
21. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 maart 2016 van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Op 2 augustus 2014 zijn wij rond 22.30 uur teruggevaren vanaf restaurant [A] naar mijn woonark op de Vinkeveense Plassen. Op de terugweg hoorden we tussen eiland 7 en 8 een knal of een klap. Ik heb het gas meteen teruggenomen. [betrokkene 7] was gevallen. Ik heb de boot stilgelegd en wij hebben haar overeind geholpen. Vervolgens heb ik mijn boot in de versnelling gezet en zijn we weggevaren. Ik wist dat je daar maximaal 6 km/u mocht varen. Terug vanaf [A] heb ik niet gedronken. U vraagt mij of ik in plané richting de doorgang van de eilanden voer. Ja. 6 km/u is heel erg langzaam. We hebben ietsjes gas bijgegeven. Dat is gebeurd en dat kan ik niet terugdraaien. U vraagt mij naar de klap. Ik heb die gehoord en gevoeld. We kwamen achter eiland 7 te liggen. Ik begrijp uit het dossier dat de aanvaring tussen eiland 7 en 8 gebeurd is. Ik voer daar vaker. Ik voer niet vaak ’s nachts. U vraagt mij of ik wist dat sprake was van een grote dode hoek. Ja. U vraagt mij of mijn boot in aanvaring is gekomen met de sloep. Ja. Mijn boot weegt meer dan 3000 kilogram. U vraagt mij of ik ook tussen de eilanden harder heb gevaren dan was toegestaan. Ja, we zullen dezelfde snelheid hebben gehad. Zowel heen als terug gingen we harder. U vraagt mij hoe lang ik heb stilgelegen na de klap. Ik denk een halve minuut tot een minuut.
22. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof d.d. 27 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik wist dat er sprake was van een grote dode hoek. U vraagt mij of ik niet extra voorzichtig had moeten zijn, omdat ik heb verklaard dat ik niet vaak ’s nachts voer. Ja, dat zou je moeten zijn maar dat is die avond niet gebeurd.
(...)
24. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (als bijlage op de pagina 816-820 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 7] :
V: Hoe hard werd er gevaren?
A: We hebben een bocht gemaakt, dat ging niet hard. Toen we op de plas waren ging het harder.
V: Wat gebeurde er met de boot?
A: De punt ging iets omhoog, ik merkte dat het harder ging.
O: Je stond vlak voor de aanvaring en liep terug naar de bank, toen kwam de knal.
V: Als je het moet omschrijven, hoe ging dat met de klap?
A: Het was een hele grote punt, ik werd echt een soort van gelanceerd. De boot kwam uit het water en klapte weer op het water, daarom ben ik zo keihard gevallen.
V: Hoe was het zicht op de plas?
A: Op de heenweg zag je nog wel wat, maar op de terugweg was het heel erg donker.
V: Wanneer vind jij iemand dronken?
A: We hebben allemaal wel gedronken en op Dance Valley hebben we veel gedronken. Hij was niet zo dronken dat hij omviel, maar hij had wel veel gedronken. In de boot hadden we wijn, daar hebben we wel van gedronken, maar die is niet helemaal opgegaan. Maar hij had niet mogen varen.
V: [betrokkene 8] werd door anderen bij [A] omschreven als dronken?
A: Ja dat klopt, [betrokkene 8] was dronken. We waren allemaal dronken.
V: In hoeverre hebben [betrokkene 8] en [verdachte] nog met elkaar gepraat op de verdere terugweg?
A: [verdachte] heeft gezegd, ik zie allemaal boten bijeenkomen. [betrokkene 8] zat toen al achter me. [verdachte] heeft het wel gezien. Ik weet het zeker. Hij zei: ‘ik zie allemaal boten naar elkaar toe varen.’
V: Wat gebeurde er toen?
A: Toen zijn we naar huis gevaren. Ik weet dat [verdachte] meerdere keren achterom heeft gekeken.
(...)
28. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op de pagina 989 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 3] :
Ik was aan het varen op de Vinkeveense Plassen ter hoogte van eiland 8. Ik zag op het water een sloep varen welke verlichting voerde. Ik zag dat er een boot zonder verlichting met een enorme snelheid aan kwam varen. Ik hoorde hierna een enorme klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. Hierbij kwam de boot zonder verlichting volledig uit het water, klapte over de sloep en kwam daarna weer in het water terecht. Ik zag dat de boot zonder verlichting vervolgens stil kwam te liggen. Ik heb nog geroepen naar de mensen op de boot zonder verlichting en ik ben richting de boot zonder verlichting gevaren, maar deze kreeg zijn motor weer aan de praat en voer met hoge snelheid weg.
29. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 28 september 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 3] :
De persoon die getroffen werd had verlichting aan. Uit het bootje dat geraakt was hoorde ik iemand om hulp roepen. U vraagt mij of ik verlichting heb gezien toen de speedboot stil lag. Nee, hij had niets aan, geen bakboord, geen stuurboord, niets. De persoon die geraakt was had een wit rond achterlicht.
30. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op de pagina 1048-1050 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :
Op die bewuste zaterdagavond, ik hoor u nu zeggen dat het 2 augustus 2014 was, bevond ik mij met mijn gezin op een motorkruiser op de Vinkeveense Plassen. Wij lagen afgemeerd aan eiland 8 aan de noordzijde. Tussen 22.30 uur en 22.45 uur hoorde ik een zwaar, brommend geluid van een boot. Op een gegeven moment zag ik de boot om de punt van het eiland komen. Ik zag dat de boot voor eiland 8 voer. Hij voer in de richting van de doorgang van eiland 7 en 8. Op het moment dat ik de boot zag naderen zag ik dat de boot in plané voer. Plané betekent voor mij dat de boot door de snelheid uit het water komt. Ik zag dat de boot schuin uit het water kwam. Ik heb zelf een rubberboot en die gaat ongeveer 47 kilometer per uur. De snelheid van deze boot lag beduidend hoger. Toen de boot naderde zag ik dat het een speedboot was. Ik zag dat deze speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag ik dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer. Ik zag dat dit sloepje licht voerde. Ik zag dat de speedboot met hoge snelheid op dit sloepje invoer. Ik hoorde een doffe klap, toename van motorgeluid alsof de schroeven van de motoren uit het water kwamen en daarna werd het doodstil. Ik hoorde mensen gillen. Ik hoorde: ‘help ons toch, help ons toch, kom alstublieft terug’. Terwijl ik tussen eiland 7 en 8 doorvoer zag ik daar de speedboot liggen. Op de plaats waar de speedboot vermoedelijk stil lag, kon ik vanuit mijn rubberbootje de sloep zien. Toen ik eenmaal de sloep aan de kant had en in de richting keek van de speedboot, zag ik dat deze er niet meer lag. Ook was hij niet teruggekeerd naar de sloep om hulp te verlenen.
31. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :
Ik zag dat het half 11 geweest was. Ik hoorde dat geluid van zware motoren, iets wat aan kwam. Inderdaad kwam er een speedboot aan met hoge snelheid. We zeiden nog: wat onverantwoordelijk zo hard zonder verlichting.
32. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 7] :
U vraagt mij wat ik ’s avonds heb waargenomen. Ik hoorde een enorme zware, doffe klap. Wij zijn naar de punt van het eiland gelopen, het was een enorm geschreeuw daarna, het ging door merg en been: ‘help ons, help ons.’
33. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 5] :
Ik heb een zwart varend voertuig over het water zien schieten, wat heel snel ging.
Hij kwam voor ons vanaf de linkerkant en rechts zagen wij ook een bootje varen en dat ging zo ongelooflijk snel, het was een keiharde klap, ronkende motoren waarna daar de volledige paniek was uitgebroken. U, mr. Nooitgedagt, zegt mij dat ik heb verklaard dat een van de twee boten geen verlichting voerde. Ja, dat is de zwarte schim over het water. De andere boot had verlichting.
34. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 4] :
Het was avond. Op een gegeven moment zag ik een speedboot aan komen varen en toen zei ik nog: wat vaart hij hard en geen verlichting. Er was ook een sloep en op een gegeven moment hoorde ik geschreeuw van ‘he keek uit’ en toen boem een grote klap. Er was een hoop geschreeuw. De boot ging best wel hard, harder dan normaal is. Naar mijn mening was het rond de 50 kilometer per uur. U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik zag wel dat hij een lampje had.
35. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2] :
Ik was op de avond van het ongeluk op eiland 8. ‘s Avonds hoorden we een boot aankomen zonder licht en hard varend. Hij kwam hard langs het eiland, de golven sloegen over het eiland heen. Ik zei tegen mijn vader: dat gaat straks fout. In een keer hoorden we een hele harde klap. We hoorden ineens geschreeuw om hulp. Er schoten bootjes op het water om te hulp te schieten. Toen we de sloep zagen was die total loss. De speedboot hebben we toen niet meer gezien. De speedboot is zeker in plané gegaan. De boot ligt dan op het water en dan heb je een hoge snelheid. Als hij in plané gaat hoor je de golven tegen de onderkant van de boot gaan. Als hij op een bepaalde snelheid komt, komt de boot op het water te liggen en dan hoor je het water tegen de onderkant aan klappen en dat hoorden wij op dat moment ook. Hij kwam met een noodgang voorbij, we hoorden de motor brullen, het water tegen de onderkant slaan en het water sloeg de kant op. Toen we bij het ongeval aankwamen was de boot nergens meer te bekennen. Op de sloep brandde verlichting.”
2.2.3
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
“Oordeel hof
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 2 augustus 2014 is om 22.43 uur een melding binnengekomen bij de politie van een aanvaring tussen twee boten op de Vinkeveense Plassen. Ter plaatse werd een beschadigde sloep aangetroffen met daarin twee overleden personen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Door de twee andere opvarenden van de sloep, [benadeelde 6] en [benadeelde 4] , is aangifte gedaan van poging tot doodslag. De speedboot die bij de aanvaring betrokken is geweest werd de volgende dag aangetroffen, aangemeerd bij een woonark aan de [a-straat 2] te Vinkeveen. De boot had verse schade aan de voorzijde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2014 bestuurder is geweest van de speedboot. Hij heeft hiermee over de Vinkeveense Plassen gevaren. Op een gegeven moment hoorde hij een klap. Hij heeft het gas even teruggenomen, de boot heeft even stil gelegen en vervolgens zijn ze doorgevaren. Hij heeft een klap gevoeld onder zijn boot.
(...)
Ten aanzien van feit 1 en 2 subsidiair
Niet alleen bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, maar ook bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, komt het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en van de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Het hof is van oordeel dat op grond van de volgende factoren het handelen van verdachte en het hem te maken verwijt als roekeloos moeten worden aangemerkt.
Snelheid speedboot
Verdachte heeft verklaard dat hij harder heeft gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u en dat hij ook tussen de eilanden harder heeft gevaren dan is toegestaan. Door verbalisant [verbalisant 1] is een onderzoek ingesteld naar onder meer de vaarsnelheid van de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring. Om de snelheid vast te kunnen stellen zijn vaarproeven uitgevoerd. De sloep van de slachtoffers was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Met een vervangende boot zijn 6 vaarproeven gehouden. Met de speedboot van verdachte zijn 25 vaarproeven gehouden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de snelheid van beide vaartuigen, aangezien op het moment van eerste aanraking beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar waren. Als niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring, kan de snelheid van de speedboot gelegen hebben tussen de 39 en 68 km/h (tabel p. 1439 dossier). Aangezien niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring gaat het hof ervan uit dat verdachte minimaal 39 km/h moet hebben gevaren op het moment van de aanvaring. Aangezien een snelle motorboot, ongeacht grootte of gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/h (p. 1141 dossier) heeft verdachte dus in plané gevaren op het moment van aanvaring. Dat verdachte zeer hard en in plané heeft gevaren wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Dat er ook anderen zijn die over de stand van de boot anders hebben verklaard, doet daaraan niet af.
De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek van [verbalisant 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt aangezien bij de vaststelling van de snelheid niet is uitgegaan van de snelheid van de sloep. Volgens de raadsman komt uit het dossier naar voren dat de sloep een aanzienlijke snelheid heeft gehad, namelijk 15 km/u.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat uit het onderzoek van [verbalisant 1] volgt dat de exacte snelheid van de speedboot niet kan worden vastgesteld aangezien de snelheid van de sloep niet bekend is, maar dat in elk geval kan worden vastgesteld dat de snelheid van de speedboot tussen de 39 km/u en de 68 km/u heeft gelegen waarbij in het voordeel van verdachte wordt uitgegaan van de hoogste snelheid van de sloep (16 km/u), hetgeen neerkomt op een minimale snelheid van de speedboot van 39 km/u, ruim zes keer de maximum toegestane snelheid ter plaatse.
Verlichting speedboot en sloep
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een sloep welke verlichting voerde op het water zag varen en dat er een boot zonder verlichting met enorme snelheid aan kwam varen. Hij hoorde een klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit rond achterlicht. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij een zwart varend vaartuig over het water heen zag schieten. Rechts zag hij ook een bootje varen. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag hij dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer en dat dit sloepje licht voerde. Toen de speedboot aan kwam met hoge snelheid zeiden ze volgens de getuige: ‘wat onverantwoord zo hard zonder verlichting’.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring geen verlichting voerde en dat de sloep van de slachtoffers wel verlichting voerde. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de verlichting als een ‘standaardhandeling’ tevoren zou hebben aangezet noch acht het hof aannemelijk dat de groene en blauwe navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat zijn boot wel verlichting voerde.
Alcoholgebruik
Verdachte heeft verklaard dat hij ’s middags twee glazen champagne heeft gedronken en ’s avonds bij restaurant [A] nog twee biertjes. Na de aanvaring heeft hij geen alcohol meer gedronken, aldus verdachte. Het hof overweegt dat het exacte alcoholgehalte bij verdachte ten tijde van de aanvaring niet meer kan worden vastgesteld. Met de rechtbank gaat het hof er echter vanuit dat verdachte veel meer heeft gedronken dan de hoeveelheid die hij zelf stelt te hebben gedronken, op grond van het volgende. Op 3 augustus 2014 om 08.54 uur is bij verdachte een ademanalyse afgenomen. Het resultaat hiervan bedroeg 60 mg/l. Het NFI heeft een herberekening gedaan van het ademalcoholgehalte. Het NFI heeft het volgende gerelateerd over de eliminatiesnelheid: ‘Door het lichaam wordt de opgenomen alcohol omgezet en daarnaast voor een gering deel uitgescheiden. Deze omzetting en uitscheiding vindt plaats met een snelheid, die individueel verschillend is en in verreweg de meeste gevallen gelegen is tussen de grenzen 0,10 en 0,25 mg alcohol per ml bloed per uur (...) Tussen het bloed- en het ademalcoholgehalte bestaat een numeriek verband; de zogenaamde omrekeningsfactor.’
Het NFI berekent het bloedalcoholgehalte, uitgaande van een ademalcoholgehalte van 60 mg/l, op 0,14 mg/ml bloed. Rekening houdend met vertraagde afbraak in lage concentraties wordt de afname van het bloedalcoholgehalte in de tijd tussen de aanvaring en de ademanalyse (10,3 uur) geschat op ongeveer 1,3 tot 2,5 milligram per milliliter. Hieruit volgt volgens het NFI dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van de aanvaring ongeveer zal hebben gelegen tussen de 1,4 en 2,6 mg/ml.
Het hof gaat op grond van het bovenstaande, in het voordeel van verdachte, uit van een bloedalcoholgehalte van 1,4 mg/ml ten tijde van de aanvaring. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte na de aanvaring geen alcohol meer heeft gedronken, zoals hij zelf heeft verklaard.
De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de uitslag van het bloedonderzoek onbesproken heeft gelaten, terwijl daaruit naar voren is gekomen dat er geen alcohol is aangetroffen in het bloed van verdachte. Het hof overweegt hierover dat de ademanalyse, waaruit een resultaat van 60 mg/l naar voren is gekomen, heeft plaatsgevonden om 08.54 uur en dat het bloedonderzoek pas is uitgevoerd om 12.37 uur, derhalve ruim 3,5 uur na de ademanalyse, toen de restalcohol uit het bloed van verdachte was verdwenen. Dat verdachte wel had gedronken wordt onder meer bevestigd door de verklaring van [betrokkene 7] , een van de opvarenden van de speedboot, die verklaarde dat ze allemaal dronken, dan wel aangeschoten waren, dat ze op Dance Valley veel hadden gedronken en dat verdachte niet had mogen varen.
Roekeloosheid
Dat verdachte ter plekke minimaal 39 kilometer per uur heeft gevaren levert - zowel in aard, ernst als de overige omstandigheden - in verband met de grootte van de daardoor veroorzaakte gevaren een bijzonder ernstige gedraging op. Het gaat daarbij immers om ruim zes keer de maximum snelheid van 6 kilometer per uur. Die maximumsnelheid ter plekke - zowel overdag als bij nacht - was er natuurlijk niet voor niets. De hoogte van de maximumsnelheid - zo begrijpt het hof - houdt verband met de gevaren van zowel het varen bij nacht als van de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden met hun begroeiing en bebouwing. De door verdachte gevaren bijzonder hoge snelheid maakt het zeer veel moeilijker voor verdachte als bestuurder om andere vaartuigen in de nabijheid tijdig te zien en zo nodig uit te wijken en voor bestuurders van andere vaartuigen om tijdig en adequaat te reageren, in het bijzonder als het donker is, zoals het op het tijdstip van de aanvaring was. Die hoge snelheid is niet - voor zover dat al mogelijk is - gecompenseerd door een bijzondere hoge mate van oplettendheid. Integendeel. Verdachte heeft immers de sloep niet gezien, zoals hij heeft verklaard. Dat heeft er echter niet aan gelegen dat de sloep niet verlicht was, want dat was de sloep wel. Het hof leidt daaruit af dat verdachte in hoge mate onoplettend, althans in hoge mate onachtzaam is geweest, terwijl zijn gezichtsveld aanzienlijk groter was dan wanneer hij op het punt stond in plané te gaan varen. Omgekeerd beroofde de grote snelheid van de speedboot de opvarenden van de sloep van elke mogelijkheid om tijdig te reageren, uit te wijken of zo nodig voorrang te verlenen. Dit effect werd nog versterkt doordat de speedboot geen verlichting voerde. Het was de combinatie van de hoge snelheid van de door verdachte bestuurde speedboot en de onoplettendheid, althans onachtzaamheid van verdachte die ertoe heeft geleid dat de speedboot in de juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang tussen de eilanden over de sloep heen is gevaren.
Het bijzonder ernstige verwijt dat verdachte op grond van het voorgaande reeds wordt gemaakt wordt nog vergroot door de omstandigheid dat verdachte onder invloed van een hoeveelheid alcohol verkeerde die ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid oplevert. Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de beschrijving van [betrokkene 7] dat ook verdachte aangeschoten dan wel dronken was.
Daar komt verder nog bij dat verdachte op die avond ermee rekening had behoren te houden:
- dat het op het water drukker zou zijn dan op andere momenten als gevolg van een aantal evenementen, de zomervakantie en het mooie weer,
- dat zijn speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is en een groot vermogen heeft terwijl er aanzienlijk lichtere en minder snelle vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn,
- dat er verkeer van de kant kon komen waar de sloep vandaan kwam en - bij afwezigheid van een verplichting daartoe - zonder dat dit stuurboord zou houden,
- dat hij niet meer dan weinig ervaring had met het varen in het donker.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn.
Op grond van al het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid (...).”
2.3
De tenlastelegging onder 1 subsidiair is toegesneden op art. 307 Sr. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘roekeloos’ moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 307, tweede lid, Sr.
2.4
Zoals de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960 heeft overwogen met betrekking tot art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994, geldt voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat daarvan sprake is, waarbij het aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als ‘de zwaarste vorm van het culpoze delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ - in de betekenis van ‘onberaden’ - wordt verstaan.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
2.5
Het Hof heeft zijn oordeel dat in dit geval sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als hiervoor bedoeld.
2.6
Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte ‘roekeloos’ in de zin van art. 307 Sr heeft gevaren, faalt het. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de door het Hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof in het bijzonder acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van de verdachte. Dat samenstel bestaat, kort gezegd, hieruit dat de verdachte als bestuurder van een grote en zware speedboot die geen verlichting voerde, in het donker terwijl de verdachte ermee rekening had behoren te houden dat het die avond op het water drukker zou zijn dan anders als gevolg van onder meer een aantal evenementen, in plané en met een mede daardoor beperkt gezichtsveld heeft gevaren in de richting van een doorgang tussen enkele recreatie-eilandjes, met een snelheid van tenminste 39 kilometer per uur - en daarmee met aanzienlijke overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 6 kilometer per uur -, dit terwijl de verdachte ongeveer drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken en hij weinig ervaring had met varen in het donker. Daarbij is de verdachte, met die hoge snelheid in die juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang, over de (verlichting voerende) sloep van de slachtoffers heengevaren.
Aldus heeft het Hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval in de hiervoor onder 2.4 bedoelde zin voordoet.
2.7
Het middel faalt.
3. Beoordeling van het eerste namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] voorgestelde middel
3.1
Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, en mede op die grond heeft geoordeeld dat de benadeelde partijen gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen wat betreft de post ‘gederfd levensonderhoud’, zodat zij hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
3.2
In het heden uitgesproken arrest in de zaak 17/02033, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in - kort gezegd - een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. (Vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654).”
3.3
De opvatting van het middel dat het zojuist genoemde arrest uit 2006 zijn betekenis heeft verloren doordat het criterium van art. 361, derde lid, Sv is gewijzigd ten opzichte van het ten tijde van het wijzen van dat arrest geldende criterium, is onjuist, mede gelet op de nog steeds bestaande, hiervoor omschreven verplichting voor de strafrechter. In zoverre faalt het middel.
4. Beoordeling van het derde namens de benadeelde partij [benadeelde 5] voorgestelde middel
4.1
Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gevorderde legeskosten en notariskosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin vanart. 6:108, tweede lid, BW toewijsbaar zijn.
4.2.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partij aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de als bijlage II aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“1. De verdediging heeft op voorhand een schriftelijk standpunt ingenomen over de vordering van cliënte (pagina 9 en 10 van de conclusie van de verdediging), waarvan cliënte kennis heeft genomen. Namens cliënte wordt in het hiernavolgende gereageerd op de conclusie van de verdediging. Alvorens dit te doen, wordt nadrukkelijk naar voren gebracht dat cliënte het eerder namens haar ingediende standpunt handhaaft. Ook hetgeen namens haar reeds bij de Rechtbank is aangevoerd, wordt gehandhaafd. Nu een aantal zaken niet is betwist door de verdediging zal louter op die schadeposten worden gereageerd die de verdediging ter discussie heeft gesteld.
Kosten van lijkbezorging
(...) Verwezen wordt naar het eerder namens cliënte ingediende schriftelijke standpunt en met name naar de daarin gewezen jurisprudentie. (...)”
4.2.2
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het hiervoor bedoelde schriftelijke standpunt van de benadeelde partij. Dit houdt omtrent de door de benadeelde partij gevorderde kosten van lijkbezorging in:
“De rechtbank heeft een bedrag toegewezen van € 4.391,--, te weten griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument. De overige kosten kunnen volgens de rechtbank niet onder de noemer “lijkbezorging” worden gekwalificeerd en het restant wordt dan ook afgewezen.
Cliënte kan zich niet vinden in die motivering en meent dat de overige resterende posten wél als kosten van lijkbezorging kunnen worden gekwalificeerd. Wat houden die resterende posten in?
- Legeskosten gemeente Zaltbommel ad € 12,00
- Legeskosten gemeente Leusden ad € 12,50
- Nota notaris […] ivm afwikkelingskosten over 2014 ad € 4.671,21
- (...)
- Notaris […] kosten 2015 tot 1/11/2015 incl. BTW ad € 3.297.08
- Idem restant 2015 en 2016 tot algehele afwikkeling begroot op ad € 3.751,-- (...).
Resteert een bedrag van € 16.102,71. Cliënte verzoekt dit bedrag alsnog toe te wijzen.
Cliënte was op het moment dat haar vader plotseling overleed 18 jaar oud. Zoals uit haar spreekrecht in eerste aanleg blijkt, wist zij niet wat er allemaal op haar afkwam. Zij had als erfgenaam in die tijd deskundige bijstand nodig om het overlijden van haar vader te kunnen afwikkelen. Dit betreft niet slechts het verzorgen van de begrafenis en het regelen van een grafmonument. De legeskosten zijn kosten voor registratie van het overlijden van de vader van cliënte alsmede het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. De notaris heeft vervolgens werkzaamheden moeten verrichten om de nalatenschap af te kunnen wikkelen. Met name de hoge kosten die hiermee gepaard gingen, moesten op een of andere wijze met de erfenis worden verrekend, zo ook de kosten voor de begrafenis en het grafmonument. Die kosten komen wel degelijk voor toewijzing in aanmerking zoals blijkt uit de jurisprudentie.”
4.2.3
Het bestreden arrest houdt omtrent de door de benadeelde partij gevorderde kosten van lijkbezorging in:
“Ten aanzien van de schadepost die is opgevoerd als ‘kosten van lijkbezorging’ ad € 19.399,79 is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat één maal griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. In totaal kan dus € 4.391,- worden toegewezen. Voor het overige betreffen de opgevoerde kostenposten naar het oordeel van het hof kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en komen zij derhalve niet op grond van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Het meer gevorderde zal daarom worden afgewezen.”
4.3
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 51f, eerste en tweede lid (oud), Sv
“1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.”
- art. 6:108, tweede lid, BW:
“Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.”
4.4
Het Hof heeft vastgesteld dat de in het middel genoemde legeskosten en notariskosten strekten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene. Het Hof heeft daarop zijn oordeel gebaseerd dat die kosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW toewijsbaar zijn. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de legeskosten en de notariskosten niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene.
4.5
Het middel faalt.
5. Beoordeling van de middelen voor het overige
De namens de verdachte voorgestelde middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. De namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen kunnen evenmin voor het overige tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2019.
Conclusie 02‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Conclusie AG over aanvaring op Vinkeveense plassen als gevolg waarvan twee van de vier opvarenden van een sloep om het leven zijn gekomen. De verdachte is met een forse overschrijding van de maximumsnelheid met zijn onverlichte speedboot in aanvaring gekomen met een sloep, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Middelen namens verdachte over onder meer dood door schuld, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid (art. 307 Sr). De AG adviseert de namens de verdachte en de benadeelde partijen voorgestelde middelen van cassatie te verwerpen.
Nr. 17/06043 Zitting: 2 april 2019 | Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 11 december 2017 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van het hem onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en wegens 1. subsidiair “aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, meermalen gepleegd”, 2. subsidiair “het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat” en 3. “als schipper de op hem rustende verplichting tot hulpverlening van artikel 785 van het Wetboek van Koophandel opzettelijk niet nakomen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van schepen voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist voor de duur van vijf jaar. Verder heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen goederen en vorderingen van acht benadeelde partijen en acht schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de verdachte, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt enmr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft mr. R. Korver, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend houdende vijf middelen van cassatie, te weten vier middelen namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en één middel namens de benadeelde partij [benadeelde 4] . De raadslieden van de verdachte hebben een verweerschrift ingediend.1.
4. Namens de benadeelde partij [benadeelde 5] heeft mr. E. Huls, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. De raadslieden van de verdachte hebben een verweerschrift ingediend.
De middelen van de verdachte
5. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.
6. De tijdig ingediende appelschriftuur houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De verdediging wenst als getuigen te horen:
a) [betrokkene 1] ;
De verdediging wenst [betrokkene 1] te bevragen over de door hem gehouden duikacties, de locaties daarvan, de aangetroffen goederen en de registraties van die duikacties.”
7. Op de regiezitting van 14 april 2017 heeft de raadsman het verzoek nader toegelicht. Het proces-verbaal van die zitting houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:
(…) Anders dan de advocaat-generaal vind ik het van belang dat niet alleen [betrokkene 1] wordt gehoord, maar ook de overige getuigen. Ik heb dat nogmaals toegelicht in mijn brief van 10 april jl. Uit een aantal video’s op YouTube blijkt dat er een duik heeft plaatsgevonden op 26 september 2014 waarbij de lamp zou zijn gevonden. Uit een andere video blijkt echter dat de lamp al eerder was gevonden. Het is onduidelijk waarom het zo werd gebracht en waarom [betrokkene 1] er zo op gebrand is dat de boot goed was verlicht. Er moet duidelijkheid komen over wanneer en waar de lamp is gevonden en in welke toestand. Dit is ook van belang voor de eventueel door het hof te benoemen deskundige. Op het moment dat de lamp werd gevonden lag deze al nagenoeg twee maanden in het water. Ik handhaaf dus mijn verzoek om alle duikers te horen. Ik wil graag horen wie van de heren de lamp heeft gevonden, op welke dag en tijdens welke duik. Het Algemeen Dagblad zei voor de camera triomfantelijk: we hebben de lamp gevonden. Dit is vervolgens niet op de video getoond en dat is vreemd. (…)
(…) De lamp die gevonden is, is nagenoeg intact behalve een knik. (…) Technisch gezien wijst het erop dat de lamp er mogelijk niet in heeft gezeten. De vraag is dus of de lamp er wel of niet in heeft gezeten en of cliënt de sloep wel of niet heeft kunnen zien. De verdediging probeert erachter te komen van wie de sloep is. We hebben sterk het gevoel dat de boot van [betrokkene 1] zelf is en dat de boot is mee verhuurd met het lampje en gebruikt werd door de gasten. [betrokkene 1] heeft er dan direct belang bij om te verklaren dat de boot een lamp had die functioneerde. We weten inmiddels dat de boot in Friesland is gemaakt en verhuurd is geweest en dat deze is verkocht. We hebben stickerafdrukken gevonden. We hebben de werf gevonden maar nog niet benaderd. [betrokkene 1] kan er wellicht antwoord op geven. Je kunt niet in een boot varen zonder te weten van wie die is. Als we weten wie de eigenaar is kan die misschien iets zinnigs zeggen over het al dan niet aanwezig zijn van de lamp. [betrokkene 1] zegt dat de lamp goed functioneerde en dat het een standaardlamp was. Uit de verklaring van de medeopvarenden kunnen we concluderen dat de lamp die aan boord aanwezig was, naar alle waarschijnlijkheid een zelfgemaakte lamp was. [betrokkene 1] kan op al die vragen antwoord geven.”
8. In zijn tussenarrest van 26 april 2017 heeft het hof het verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Bij appelschriftuur van 25 april 2016 heeft mr. B. Th. Nooitgedagt verzocht om de volgende getuigen te horen:
1. [betrokkene 1]
(…).
De huidige raadsman van verdachte, mr. W.H. Boomstra, heeft bij brief van 25 augustus 2016 het verzoek om bovengenoemde getuigen te horen gehandhaafd en nader toegelicht. Daarnaast heeft de raadsman bij brief van 10 april 2017 verzocht om onderzoek te doen naar breukwijze van de mast.
(…)
Oordeel hof
1. Onderzoek mastvoet
Het hof begrijpt dat het verzoek is gedaan in verband met het kunnen beantwoorden van de op zich relevante vraag of de sloep op het moment van of vlak voor het ongeval verlicht was. Het hof ziet echter niet dat het gevraagde onderzoek een bijdrage kan leveren aan het beantwoorden van die vraag. Indien namelijk uit de onderzoeksresultaten volgt dat de lamp die bij de zoekactie is aangetroffen, de lamp is van de sloep, zal daarmee nog niet bekend zijn - gelet op het voorwerp en de aard van het onderzoek - of de lamp ten tijde van het ongeval wel of niet brandde. Ook indien uit de onderzoeksresultaten zou blijken dat de lamp niet van de sloep afkomstig is, zijn die onderzoeksresultaten niet van belang. Uit het feit dat de gevonden lamp niet van de sloep afkomstig is, kan namelijk niet worden afgeleid dat op de sloep geen lamp aanwezig was. Het zou immers kunnen dat er wel een lamp op de sloep was, maar deze niet is gevonden. Naar het oordeel van het hof is de noodzaak van nader onderzoek niet gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2. Verzoek horen getuigen.
Om diezelfde redenen wijst het hof het verzoek om getuigen te horen af. De getuigen kunnen volgens de motivering van de verzoeken verklaren of er een lamp is gevonden, en zo ja waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was. De punten waarover de getuigen kunnen verklaren, zijn dus niet van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.”
9. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover hiervan belang, het volgende in:
“Mocht uw hof tot een bewezenverklaring komen dat doet de verdediging het voorwaardelijk verzoek om de getuigen te horen, als verzocht, te weten [betrokkene 1] , de duikers en de [beroep getuige] , allen vermeld bij appélschriftuur.”
10. Het hof heeft in het bestreden arrest het verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Door de verdediging is verzocht om, indien het hof niet tot vrijspraak komt, alsnog de verzoeken toe te wijzen gedaan bij appelschriftuur, namelijk horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ,
Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek als volgt. Bij tussenarrest van 26 april 2017 heeft het hof de verzoeken van de verdediging afgewezen en overwogen:
‘De getuigen kunnen volgens de motivering van de verzoeken verklaren of er een lamp is gevonden, en zo ja waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was. De punten waarover de getuigen kunnen verklaren, zijn dus niet van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.’
De verzoeken zijn thans herhaald. Nu de verdediging niets nieuws naar voren heeft gebracht wat tot een ander oordeel zou moeten leiden, wijst het hof de verzoeken af op dezelfde gronden als genoemd in het tussenarrest van 26 april 2017.”
11. Aan het middel, dat zich blijkens de toelichting richt tegen de beslissing van het hof van 26 april 2017, is ten grondslag gelegd dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is, omdat het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] niet kan verklaren over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was onjuist en onbegrijpelijk is. Volgens de stellers van het middel heeft de verdediging uitdrukkelijk aangegeven dat [betrokkene 1] ook ondervraagd zou worden naar de vraag wie de eigenaar is van de sloep en (ik citeer de toelichting op het middel) “derhalve naar de vraag of deze een lamp heeft gemonteerd en zo ja: wat voor soort lamp“.
12. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441) volgt dat de maatstaf van het verdedigingsbelang de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van ieder van de opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.2.Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.3.
13. In de onderhavige zaak heeft de verdediging ter onderbouwing van het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen aangevoerd dat hem vragen zouden moeten worden gesteld over de door hem gehouden duikacties alsmede dat hem zou moeten worden gevraagd wie de eigenaar was van de sloep. Dat de verdediging zou hebben aangegeven dat [betrokkene 1] ook zou moeten worden gevraagd of de eigenaar van de sloep een lamp heeft gemonteerd en, zo ja, wat voor soort lamp blijkt niet uit de appelschriftuur noch uit de toelichting van het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2017.
14. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] direct noch indirect kan verklaren over de vraag of de sloep ten tijde van het ongeval verlicht was en dat de punten waarover hij kan verklaren niet van belang zijn voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Dat oordeel acht ik, mede in aanmerking genomen hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
15. Het middel faalt.
16. Het tweede middel richt zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek om [betrokkene 6] als getuige te horen.
17. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en als bijlage VI aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling op zijn pleitnota voert de raadsman aan, zakelijk weergegeven:
(…) [betrokkene 6] stelt dat het om kwart voor 11 ’s avonds nog heel druk was op het water. Om kwart voor 11 ’s avonds zijn de Vinkeveense Plassen echter nagenoeg leeg. De eilanden zijn vol, maar de plas is nagenoeg leeg. (…) In aanvulling op mijn pleitnota verzoek ik om [betrokkene 6] te horen.”
18. De aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt met betrekking tot dit verzoek het volgende in:
“De raadsman heeft ter terechtzitting van 27 november 2017 in aanvulling op zijn pleitnota verzocht om [betrokkene 6] als getuige te horen. In het arrest d.d. 11 december 2017 is abusievelijk verzuimd om op te nemen de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de raadsman. Het hof wijst het verzoek af nu hiervan niet de noodzaak is gebleken.”
19. Het middel valt uiteen in drie klachten. Allereerst klaagt het dat in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 noch in het bestreden arrest een beslissing is gegeven op het verzoek van de raadsman om [betrokkene 6] als getuige te horen, zodat het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig zijn. Daaraan doet volgens de stellers van het middel niet af dat het hof de afwijzende beslissing als een nadere overweging heeft opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen.
20. In dat kader moet worden voorop gesteld dat in het verkorte arrest de beslissingen moeten zijn opgenomen ten aanzien van op de terechtzitting door of namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven, voor zover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist.4.De voorgeschreven nietigheid is door de Hoge Raad echter in zoverre gerelativeerd dat de enkele omstandigheid dat de beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, niet tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. Bij vernietiging op deze enkele grond heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang. Hij kan immers de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing in volle omvang aan de Hoge Raad voorleggen. Laat hij na inhoudelijke klachten te formuleren tegen deze beslissing, dan zal in voorkomende gevallen de klacht met art. 81, eerste lid, RO of art. 80a RO worden afgedaan, aldus de Hoge Raad.5.
21. Het middel klaagt aldus op zich terecht dat het hof zijn beslissing op het verzoek om de getuige [betrokkene 6] te horen ten onrechte niet heeft opgenomen in het bestreden arrest. Nu het hof zijn beslissing echter heeft opgenomen in de aanvulling en de verdachte de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing in volle omvang aan de Hoge Raad kan voorleggen, van welke gelegenheid blijkens de tweede en de derde klacht ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt, heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang bij vernietiging van het bestreden arrest op deze enkele grond. De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.
22. Verder klaagt het middel dat het hof bij de beoordeling van het verzoek ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium, aangezien gelet op het zeer late stadium waarin de brief van [betrokkene 6] , die dateert van 15 november 2017, aan het dossier is toegevoegd aanleiding bestond om in plaats van het noodzakelijkheidcriterium het criterium van het verdedigingsbelang toe te passen, althans heeft het hof ten onrechte niet doen blijken deze omstandigheid bij de beoordeling te hebben betrokken.
23. Het bij pleidooi gedane verzoek om [betrokkene 6] als getuige te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van een in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is het noodzakelijkheidscriterium.
24. Onder omstandigheden kan de eis van een eerlijke procesvoering echter meebrengen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 inzake het oproepen en horen van getuigen houdt daarover het volgende in:
“2.59. Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gedaan. In HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 is geoordeeld dat naar de bewoordingen van de wettelijke maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, het noodzakelijkheidscriterium de rechter, in ieder geval in abstracto, een ruimere marge biedt om een verzoek niet te honoreren dan het criterium van het verdedigingsbelang. In dat arrest is dit onderscheid echter gerelativeerd in die zin dat ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist – meebrengt dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium. Dat kan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.
2.60.
In lijn met de relativering van dit onderscheid moet worden aangenomen dat onder omstandigheden van de verdachte ook niet kan worden gevergd dat hij voorafgaand aan de eerste terechtzitting in hoger beroep op de voet van art. 263-264 Sv getuigen aan de advocaat-generaal opgeeft, bijvoorbeeld indien in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling daarop niet tijdig voor de verdachte beschikbaar is.”6.
25. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, is het niet zo dat de eis van een eerlijke procesvoering met zich kan brengen dat de rechter het criterium van het verdedigingsbelang moet hanteren in plaats van het in de wet voorgeschreven noodzakelijkheidscriterium: het noodzakelijkheidscriterium blijft de door de rechter te hanteren maatstaf, maar daaraan dient een toepassing te worden gegeven die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang.7.Het hof heeft aldus bij de afwijzing van het verzoek terecht het noodzakelijkheidscriterium gehanteerd.
26. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat het hof aan het noodzakelijkheidscriterium ten onrechte niet een toepassing heeft gegeven die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang, stel ik voorop dat het afhangt van de omstandigheden van het geval of een dergelijke invulling van het noodzakelijkheidscriterium aangewezen is. Daarbij is onder meer van belang of de verdediging het hof heeft gewezen op dergelijke omstandigheden.8.
27. In de onderhavige zaak heeft de verdediging niet alleen niet gewezen op dergelijke omstandigheden, maar ontbreekt elke motivering van het verzoek om [betrokkene 6] als getuige te horen. In dat licht bezien meen ik dat het kennelijke oordeel van het hof dat geen sprake was van omstandigheden die noopten tot een toepassing van het noodzakelijkheidscriterium die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel mij evenmin onbegrijpelijk voorkomt. De tweede klacht faalt.
28. Ten slotte klaagt het middel dat het hof aan de afwijzing van het verzoek enkel ten grondslag heeft gelegd dat de noodzaak niet is gebleken zonder de feitelijke gronden waarop de afwijzing berust in de beslissing op te nemen, zodat het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig zijn.
29. In zijn overzichtsarrest met betrekking tot de motivering van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen van 4 juli 20179.heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“3.6. Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van de Hoge Raad voor het Nederlandse strafproces te gelden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motiveringsplicht draagt voorts eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de hiervoor bedoelde zin kan betrekken bij de beoordeling van het verzoek. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. (…)
(…)
3.7.2.
Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het in beginsel geen verschil of zo een verzoek een getuige 'à charge' dan wel 'à décharge' betreft. Wel zal in de regel gelden dat een in het vooronderzoek afgelegde verklaring van een getuige door de officier van justitie reeds bij de processtukken zal zijn gevoegd, zodat daaruit in het licht van art. 149a, tweede lid, Sv kan worden afgeleid dat, naar het oordeel van de officier van justitie, de inhoud van die door de getuige afgelegde verklaring redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Dat betekent echter niet zonder meer dat ook het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Derhalve kan voor de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd en — met het oog op de procedure in hoger beroep — evenmin met de enkele stelling dat die verklaring door de rechter in eerste aanleg voor het bewijs is gebezigd, maar dient te worden gemotiveerd waarin, gegeven de voeging van de reeds afgelegde verklaring bij de processtukken, de relevantie van het horen van de getuige is gelegen.
3.7.3.
Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.
3.8.1.
Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval — en met inachtneming van het toepasselijke criterium — moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.”
30. Omtrent deze motiveringsverplichting zijn volgens de Hoge Raad geen algemene regels te geven. De mate waarin een afwijzing van een verzoek tot horen van getuigen dient te worden gemotiveerd, wordt mede bepaald door de aard van het onderwerpen waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.10.
31. In de onderhavige zaak ontbeert het eerst bij pleidooi gedane verzoek, zoals hiervoor reeds opgemerkt, elke motivering. De enkele opmerking dat, in tegenstelling tot hetgeen [betrokkene 6] stelt, de Vinkeveense plassen om kwart voor elf ’s avonds nagenoeg leeg zouden zijn, kan in het licht van de eisen die in het overzichtsarrest aan de motivering van een getuigenverzoek worden gesteld immers niet voor een motivering van het verzoek doorgaan. Gelet hierop komt het oordeel van het hof dat de noodzaak van het horen van [betrokkene 6] als getuige niet is gebleken mij niet onbegrijpelijk voor en meen ik dat de afwijzing van het verzoek ook toereikend is gemotiveerd. De derde klacht is tevergeefs voorgesteld.
32. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
33. Het derde, vierde en vijfde middel komen op tegen de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de verwerping van door de verdediging gevoerde (bewijs)verweren. Ik geef daarom hierna eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.
34. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1 subsidiair:
hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente [gemeente] , door roekeloos als bestuurder van een motorboot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1]
en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden;
2 subsidiair:
hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente [gemeente] ,
als bestuurder van een motorboot, daarmede hoogst, onachtzaam en/of (hoogst) onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers, voer hij, verdachte,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [benadeelde 6] en [benadeelde 4] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] is ontstaan;
3 primair:
hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente [gemeente] , als schipper van een motorboot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier opvarenden was gekomen, met die motorboot doorgevaren en heeft hij niet zo spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de hulp te verlenen aan de die sloep en de personen aan boord van die sloep, waartoe hij bij machte was”.
35. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Het verkorte arrest bevat daarnaast – voor zover voor de bespreking van de middelen van belang – de volgende overweging met betrekking tot het bewijs:
“Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 2 augustus 2014 is om 22.43 uur een melding binnengekomen bij de politie van een aanvaring tussen twee boten op de Vinkeveense Plassen. Ter plaatse werd een beschadigde sloep aangetroffen met daarin twee overleden personen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Door de twee andere opvarenden van de sloep, [benadeelde 6] en [benadeelde 4] , is aangifte gedaan van poging tot doodslag. De speedboot die bij de aanvaring betrokken is geweest werd de volgende dag aangetroffen, aangemeerd bij een woonark aan de [a-straat] te Vinkeveen. De boot had verse schade aan de voorzijde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2014 bestuurder is geweest van de speedboot. Hij heeft hiermee over de Vinkeveense Plassen gevaren. Op een gegeven moment hoorde hij een klap. Hij heeft het gas even teruggenomen, de boot heeft even stil gelegen en vervolgens zijn ze doorgevaren. Hij heeft een klap gevoeld onder zijn boot.
(…)
Ten aanzien van feit 1 en 2 subsidiair
Niet alleen bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, lid 2, Wegenverkeerswet 1994, maar ook bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, komt het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en van de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Het hof is van oordeel dat op grond van de volgende factoren het handelen van verdachte en het hem te maken verwijt als roekeloos moeten worden aangemerkt.
Snelheid speedboot
Verdachte heeft verklaard dat hij harder heeft gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u en dat hij ook tussen de eilanden harder heeft gevaren dan is toegestaan. Door verbalisant [verbalisant] is een onderzoek ingesteld naar onder meer de vaarsnelheid van de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring. Om de snelheid vast te kunnen stellen zijn vaarproeven uitgevoerd. De sloep van de slachtoffers was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Met een vervangende boot zijn 6 vaarproeven gehouden. Met de speedboot van verdachte zijn 25 vaarproeven gehouden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de snelheid van beide vaartuigen, aangezien op het moment van eerste aanraking beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar waren. Als niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring, kan de snelheid van de speedboot gelegen hebben tussen de 39 en 68 km/h (tabel p. 1439 dossier). Aangezien niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring gaat het hof ervan uit dat verdachte minimaal 39 km/h moet hebben gevaren op het moment van de aanvaring. Aangezien een snelle motorboot, ongeacht grootte of gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/h (p. 1141 dossier) heeft verdachte dus in plané gevaren op het moment van aanvaring. Dat verdachte zeer hard en in plané heeft gevaren wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Dat er ook anderen zijn die over de stand van de boot anders hebben verklaard, doet daaraan niet af.
De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek van [verbalisant] niet voor het bewijs kan worden gebruikt aangezien bij de vaststelling van de snelheid niet is uitgegaan van de snelheid van de sloep. Volgens de raadsman komt uit het dossier naar voren dat de sloep een aanzienlijke snelheid heeft gehad, namelijk 15 km/u.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat uit het onderzoek van [verbalisant] volgt dat de exacte snelheid van de speedboot niet kan worden vastgesteld aangezien de snelheid van de sloep niet bekend is, maar dat in elk geval kan worden vastgesteld dat de snelheid van de speedboot tussen de 39 km/u en de 68 km/u heeft gelegen waarbij in het voordeel van verdachte wordt uitgegaan van de hoogste snelheid van de sloep (16 km/u), hetgeen neerkomt op een minimale snelheid van de speedboot van 39 km/u, ruim zes keer de maximum toegestane snelheid ter plaatse.
Verlichting speedboot en sloep
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een sloep welke verlichting voerde op het water zag varen en dat er een boot zonder verlichting met enorme snelheid aan kwam varen. Hij hoorde een klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit rond achterlicht. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij een zwart varend vaartuig over het water heen zag schieten. Rechts zag hij ook een bootje varen. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag hij dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer en dat dit sloepje licht voerde. Toen de speedboot aan kwam met hoge snelheid zeiden ze volgens de getuige: ‘wat onverantwoord zo hard zonder verlichting’.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring geen verlichting voerde en dat de sloep van de slachtoffers wel verlichting voerde. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de verlichting als een ‘standaardhandeling’ tevoren zou hebben aangezet noch acht het hof aannemelijk dat de groene en blauwe navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat zijn boot wel verlichting voerde.
Alcoholgebruik
Verdachte heeft verklaard dat hij ’s middags twee glazen champagne heeft gedronken en ’s avonds bij restaurant [A] nog twee biertjes. Na de aanvaring heeft hij geen alcohol meer gedronken, aldus verdachte. Het hof overweegt dat het exacte alcoholgehalte bij verdachte ten tijde van de aanvaring niet meer kan worden vastgesteld. Met de rechtbank gaat het hof er echter vanuit dat verdachte veel meer heeft gedronken dan de hoeveelheid die hij zelf stelt te hebben gedronken, op grond van het volgende. Op 3 augustus 2014 om 08.54 uur is bij verdachte een ademanalyse afgenomen. Het resultaat hiervan bedroeg 60 mg/l. Het NFI heeft een herberekening gedaan van het ademalcoholgehalte. (…)
Het NFI berekent het bloedalcoholgehalte, uitgaande van een ademalcoholgehalte van 60 mg/l, op 0,14 mg/ml bloed. Rekening houdend met vertraagde afbraak in lage concentraties wordt de afname van het bloedalcoholgehalte in de tijd tussen de aanvaring en de ademanalyse (10,3 uur) geschat op ongeveer 1,3 tot 2,5 milligram per milliliter. Hieruit volgt volgens het NFI dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van de aanvaring ongeveer zal hebben gelegen tussen de 1,4 en 2,6 mg/ml.
Het hof gaat op grond van het bovenstaande, in het voordeel van verdachte, uit van een bloedalcoholgehalte van 1,4 mg/ml ten tijde van de aanvaring. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte na de aanvaring geen alcohol meer heeft gedronken, zoals hij zelf heeft verklaard.11.
De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de uitslag van het bloedonderzoek onbesproken heeft gelaten, terwijl daaruit naar voren is gekomen dat er geen alcohol is aangetroffen in het bloed van verdachte. Het hof overweegt hierover dat de ademanalyse, waaruit een resultaat van 60 mg/1 naar voren is gekomen, heeft plaatsgevonden om 08.54 uur en dat het bloedonderzoek pas is uitgevoerd om 12.37 uur, derhalve ruim 3,5 uur na de ademanalyse, toen de restalcohol uit het bloed van verdachte was verdwenen. Dat verdachte wel had gedronken wordt onder meer bevestigd door de verklaring van [betrokkene 7] , een van de opvarenden van de speedboot, die verklaarde dat ze allemaal dronken, dan wel aangeschoten waren, dat ze op Dance Valley veel hadden gedronken en dat verdachte niet had mogen varen.
Roekeloosheid
Dat verdachte ter plekke minimaal 39 kilometer per uur heeft gevaren levert - zowel in aard, ernst als de overige omstandigheden - in verband met de grootte van de daardoor veroorzaakte gevaren een bijzonder ernstige gedraging op. Het gaat daarbij immers om ruim zes keer de maximum snelheid van 6 kilometer per uur. Die maximumsnelheid ter plekke - zowel overdag als bij nacht - was er natuurlijk niet voor niets. De hoogte van de maximumsnelheid - zo begrijpt het hof - houdt verband met de gevaren van zowel het varen bij nacht als van de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden met hun begroeiing en bebouwing. De door verdachte gevaren bijzonder hoge snelheid maakt het zeer veel moeilijker voor verdachte als bestuurder om andere vaartuigen in de nabijheid tijdig te zien en zo nodig uit te wijken en voor bestuurders van andere vaartuigen om tijdig en adequaat te reageren, in het bijzonder als het donker is, zoals het op het tijdstip van de aanvaring was. Die hoge snelheid is niet - voor zover dat al mogelijk is - gecompenseerd door een bijzondere hoge mate van oplettendheid. Integendeel. Verdachte heeft immers de sloep niet gezien, zoals hij heeft verklaard. Dat heeft er echter niet aan gelegen dat de sloep niet verlicht was, want dat was de sloep wel. Het hof leidt daaruit af dat verdachte in hoge mate onoplettend, althans in hoge mate onachtzaam is geweest, terwijl zijn gezichtsveld aanzienlijk groter was dan wanneer hij op het punt stond in plané te gaan varen. Omgekeerd beroofde de grote snelheid van de speedboot de opvarenden van de sloep van elke mogelijkheid, om tijdig te reageren, uit te wijken of zo nodig voorrang te verlenen. Dit effect werd nog versterkt doordat de speedboot geen verlichting voerde. Het was de combinatie van de hoge snelheid van de door verdachte bestuurde speedboot en de onoplettendheid, althans onachtzaamheid van verdachte die ertoe heeft geleid dat de speedboot in de juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang tussen de eilanden over de sloep heen is gevaren.
Het bijzonder ernstige verwijt dat verdachte op grond van het voorgaande reeds wordt gemaakt wordt nog vergroot door de omstandigheid dat verdachte onder invloed van een hoeveelheid alcohol verkeerde die ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid oplevert. Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de beschrijving van [betrokkene 7] dat ook verdachte aangeschoten dan wel dronken was.
Daar komt verder nog bij dat verdachte op die avond ermee rekening had behoren te houden:
- dat het op het water drukker zou zijn dan op andere momenten als gevolg van een aantal evenementen, de zomervakantie en het mooie weer,
- dat zijn speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is en een groot vermogen heeft terwijl er aanzienlijk lichtere en minder snelle vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn,
- dat er verkeer van de kant kon komen waar de sloep vandaan kwam en – bij afwezigheid van een verplichting daartoe – zonder dat dit stuurboord zou houden,
- dat hij niet meer dan weinig ervaring had met het varen in het donker.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn.
Op grond van al het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het aan zijn schuld te wijten is dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] ontstaat. Het hof merkt hierbij op dat in de tenlastelegging van feit 2 kennelijk niet wordt gerept van ‘roekeloosheid’ omdat in de delictsomschrijving van artikel 169 Wetboek van Strafrecht waarop de tenlastelegging van feit 2 is gebaseerd geen strafverzwaringsgrond van die strekking is geformuleerd.
Feit 3 primair
Door [verbalisant] is onderzoek gedaan naar de wijze waarop de afwikkeling van het ongeval heeft plaatsgevonden. Hieruit komt naar voren dat de voorsteven van de speedboot in aanraking is gekomen met de scheepshuid ter hoogte van de stuurboord voorzijde van de sloep. De doorlopende beschadiging in de zitbank van de sloep is kennelijk veroorzaakt door de stuurboord heckdrive van de speedboot. De voorsteven van de speedboot is bij de botsing kennelijk de romp van de sloep binnengetreden ter hoogte van de stuurboord voorzijde. De voorsteven is vervolgens in contact geweest met de binnenkuip van de sloep en heeft vervolgens de binnenkuip verlaten. De sloep is dermate beschadigd dat deze niet meer bruikbaar is.
Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij omstreeks 22.45 uur een enorme klap hoorde en een paar seconden later ‘help’ geluiden. Hij hoorde zowel mannen- als vrouwenstemmen ‘help’ roepen. [getuige 6] is met zijn zoon in hun boot gestapt en richting de plek gevaren waar het hulpgeroep vandaan kwam. Tussen eiland 7 en 8 zag hij een boot liggen die geen verlichting voerde. Er stonden drie personen op de boot, één persoon (een man) bij het stuur en twee personen achterin. De mensen op de boot hebben niks gezegd, ze keken wat in de rondte en het leek volgens de getuige alsof ze verdwaasd of verdoofd waren. De getuige is doorgevaren richting het geschreeuw. Het geschreeuw was zowel vanaf de plek van het eiland waar de getuige zich bevond, maar ook vanaf de plek waar hij de boot passeerde, goed hoorbaar.
Het hof gaat ervan uit dat de boot die de getuige zag liggen, gezien de plek van de aanvaring en de beschrijving van de personen in de boot, de boot is van verdachte. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat ze even stil hebben gelegen voordat ze zijn doorgevaren.
Uit de door ooggetuigen beschreven manier waarop de speedboot van verdachte over de sloep is heengevaren, de verklaringen van de getuigen over de harde klap en vervolgens het gegil en geschreeuw, het onderzoek naar de afwikkeling van het ongeval en de ontstane schade aan de sloep leidt het hof af dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij geen boei of beschoeiing, zoals hij heeft verklaard, maar een vaartuig met opvarenden had geraakt. Uit de verklaring van onder meer getuige [getuige 6] leidt het hof af dat er veel gegil en geschreeuw was op het moment dat de boot van verdachte even stil lag/stationair draaide en dat dit kennelijk duidelijk te horen was vanaf de plek waar de boot van verdachte stil lag. Dat veel getuigen vanaf de eilanden het gegil en geschreeuw hebben gehoord maar verdachte niet, acht het hof dan ook niet aannemelijk. [betrokkene 7] heeft verklaard dat verdachte zei dat hij allemaal boten naar elkaar toe zag varen en dat hij meermalen achterom heeft gekeken. Dat verdachte niet heeft gemerkt dat hij een aanvaring heeft veroorzaakt waarbij gevaar voor de opvarenden is veroorzaakt, acht het hof op grond van het voorgaande niet aannemelijk. Door vervolgens door te varen is verdachte naar het oordeel van het hof opzettelijk zijn hulpverleningsverplichting niet nagekomen.”
36. Het derde middel valt uiteen in drie klachten.
37. De eerste klacht houdt in dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet in plané heeft gevaren en dus maximaal ongeveer 17 km/u heeft gevaren, aangezien het hof niet heeft gerespondeerd op de door de raadsman van de verdachte gemaakte berekening van de snelheid aan de hand van de afstand tussen het restaurant en de plaats van het ongeval en de tijd die is verstreken tussen het verlaten van het restaurant door de verdachte en het ongeval.
38. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Daarbij heeft de raadsman onder de punten 68 tot en met 93 een uitgebreide beschouwing gewijd aan de snelheid van de door verdachte bestuurde boot en het al dan niet planeren, met als conclusie dat verdachte wel iets te hard kan hebben gevaren, maar niet zodanig hard dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van roekeloosheid, deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Onderdeel van de beschouwing is onder meer het volgende:
“92. Voorts nog een feitelijk gegeven. Vaststaat dat [verdachte] restaurant [A] heeft verlaten om 22.30 uur. De afstand van [A] naar de plaats van het ongeval bedraagt 1800 meter. [verdachte] is rechtstreeks gevaren, en heeft geen omweg genomen. Dit blijkens de opvarenden van de boot van [verdachte] . Volgens de getuigen heeft het ongeval om 22.45 uur plaatsgevonden. Bij een snelheid van 9 km/u zou [verdachte] over de afstand 10 minuten hebben gedaan. Als [verdachte] er 15 minuten over zou hebben gedaan zou de snelheid 7,2 km/u zijn geweest. Dit feitelijk gegeven laat zich niet rijmen met de stelling dat [verdachte] hard heeft gevaren, of zoals de Rechtbank Midden-Nederland vermoed, heel veel harder dan 20 km/u.”
39. Het hof heeft in zijn hiervoor onder 35 weergegeven overweging met betrekking tot het bewijs uitgebreid uiteengezet waarom het, in afwijking van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, van oordeel is dat de verdachte heeft gevaren met een minimale snelheid van 39 km/u. Daarmee heeft het hof voldaan aan de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Hieraan doet niet af dat het hof niet afzonderlijk is ingegaan op de door de raadsman berekende snelheid. Deze motiveringsplicht gaat immers niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.12.De eerste klacht faalt.
40. De tweede klacht houdt in dat de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de boot van de verdachte verlichting voerde onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk acht dat de groene en blauwe navigatieverlichting13.waarover door sommige personen is gesproken betekent dat de boot van de verdachte wel verlichting voerde onbegrijpelijk is, aangezien de verdediging heeft gewezen op meerdere verklaringen van getuigen die rode en/of groene verlichting hebben waargenomen, terwijl de sloep enkel verlicht kon worden door een wit insteeklicht en de boot van de verdachte was voorzien van rode en groene navigatieverlichting.
41. In dat kader stel ik vast dat het hof verklaringen van verschillende getuigen tot het bewijs heeft gebezigd die er op neerkomen dat de door verdachte bestuurde speedboot geen verlichting voerde. Dat zijn de verklaringen van de in de overweging met betrekking tot het bewijs genoemde getuigen [getuige 3] (bewijsmiddelen 28 en 29), [getuige 1] (bewijsmiddelen 30 en 31), [getuige 5] (bewijsmiddel 33) en [getuige 4] (bewijsmiddel 34).14.Gelet daarop komt het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk acht dat de groene en blauwe navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat de boot van de verdachte wel verlichting voerde mij niet onbegrijpelijk voor. Het oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. De verwerping van het verweer dat de boot van de verdachte verlichting voerde is daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De tweede klacht faalt.
42. De derde klacht houdt in dat het hof de verklaring van getuige [getuige 4] heeft gedenatureerd.
43. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015 houdt als verklaring van [getuige 4] , voor zover hier van belang, het volgende in:
“U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik heb toen niet gezien hoeveel mensen erop zaten, later wist ik dat wel. Ik zag wel dat hij een lampje had, een groen lampje als ik het mij goed herinner.”
44. De hiervoor reeds weergegeven overweging van het hof met betrekking tot het bewijs houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had.”
45. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“34. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 4] :
(…) U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik zag wel dat hij een lampje had.”
46. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof door de verklaring van de getuige [getuige 4] aldus weer te geven in de overweging met betrekking tot het bewijs en de aanvulling het hof aan deze verklaring een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan de getuige daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven.
47. Vooropgesteld moet worden dat het aan de feitenrechter is voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten.15.Wat in de uitspraak wordt weergegeven, mag niet in strijd zijn met de bewoordingen van de originele verklaring.16.De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen.17.De rechter mag aan het gebruikte onderdeel van een verklaring dus niet een andere betekenis geven dan de betekenis die dat onderdeel in het verband van de gehele verklaring had. Dat zou neerkomen op een ontoelaatbare denaturering van de verklaring.18.
48. Het hof heeft door het weglaten van de zinsnede " een groen lampje als ik het mij goed herinner" geen wezenlijk andere betekenis gegeven aan de tot het bewijs gebezigde onderdeel van de verklaring van [getuige 4] dat hij zag dat de sloep een lampje had. Van denaturering is daarmee geen sprake. De derde klacht faalt.
49. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
50. Het vierde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het door de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het door verbalisant [verbalisant] uitgevoerde onderzoek naar de snelheid van de door verdachte bestuurde boot onvolledig is geweest nu deze in zijn berekeningen ten onrechte niet het verschil in gewicht van de boten en de materiaalsterktes niet heeft meegenomen en evenmin rekening heeft gehouden met de snelheid van de sloep.
51. Blijkens de toelichting op het middel wordt daarbij gedoeld op de volgende passages uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte schriftelijke laatste woord van de verdachte:
"Ook onderzoeker [verbalisant] laat een hoop steken vallen in het onderzoek. Hij mag, zoals de slager die zijn eigen vlees keurt, zelf zijn vragen bepalen over wat hij wil onderzoeken. Hij vergeet daarbij helemaal de sloep ook in zijn onderzoek mee te nemen en heeft alleen vragen over hoe snel mijn boot heeft gevaren en hoe de afwikkeling van de schade heeft plaats kunnen vinden. Hij laat in een aantal schetsen zien hoe hij denkt dat mijn boot de sloep heeft geraakt maar vergeet daarbij dat mijn boot, die ruim 3000 Kg. weegt niet 1 meter horizontaal boven het water kan zweven. Hij vergeet het verschil in de gewicht van beide boten in zijn onderzoek mee te nemen en ook de materiaal sterktes van beide vaartuigen laat hij buiten beschouwing. (De sloep weegt slechts 1.000 Kg terwijl mijn boot ruim 3.000 Kg weegt en de sloep is gemaakt van maar 14 mm. dik polyester terwijl mijn boot gemaakt is van ruim 40 mm. mahoniehout met aan de binnenzijde nog eens een polyester laag van 20 mm.) Dat de boot dus bijna geen schade heeft en de sloep veel is door deze verschillen niet verwonderlijk.
(…)
Ook is er in zijn onderzoek geheel geen rekening gehouden met het feit dat mijn boot onder een bepaalde hoek de sloep heeft moeten raken om tot het actuele impactpunt te kunnen komen. Dit punt van impact zit namelijk iets boven de waterlijn aan de onderkant van mijn boeg. Dit punt kan alleen daar ontstaan zijn als de punt van mijn boot, de boeg, omhoog stond. De slachtoffers getuigen zelf ook dat ze de punt van de boot op zich af zagen komen. Ook een aantal getuigen geeft aan dat de boeg van de boot omhoog stond. Dit kan alleen worden veroorzaakt als mijn boot NIET in plane was en dus een snelheid had die onder de 20 km/u lag. (…)
(…)
[verbalisant] heeft met de afwikkeling van de schade ook totaal geen rekening gehouden met het feit dat ook de sloep een snelheid had. Volgens de overlevenden voeren ze met de sloep een snelheid van 15 km/u Deze snelheid dient te worden opgeteld bij mijn snelheid. Samen vormen deze opgetelde snelheden de impactsnelheid. Als [verbalisant] daarmee geen rekening heeft gehouden kan hij onmogelijk beweren dat de snelheid die tot deze afwikkeling van de schade komt uitsluitend kan komen door mijn snelheid en deze daarom hoger zou liggen dan 20 km per uur. Dat hij de testgegevens van de runs tijdens de reconstructie tot 20 k/mu uit het onderzoek weglaat is het achterhouden van bewijs.
Zoals ik tijdens de verhoren heb aangegeven stonden de gashandles van mijn boot op 45 graden. Dit staat gelijk aan een testrun tijdens de reconstructie met een snelheid van 17-18 km/u. Hierbij is de boot dus weer niet in plane zoals zoveel getuigen en ook de opvarenden van de sloep en ikzelf zeggen. Alleen omdat [verbalisant] op persoonlijke titel zonder nader onderzoek meent dat een dusdanige schade bij deze snelheid van de boot niet zou kunnen ontstaan laat hij deze runs buiten beschouwing in het onderzoek. Had hij wel de snelheden van beide voertuigen bij elkaar opgeteld dan had hij waarschijnlijk tot de conclusie gekomen dat een dergelijke schade wel had kunnen ontstaan. Het niet opnemen van de snelheden van beide vaartuigen maakt zijn conclusie onvolledig."
52. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, wil een standpunt de verplichting tot beantwoording scheppen, dit duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren moet worden gebracht.19.Of hetgeen ter terechtzitting over die verklaring is aangevoerd moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is een interpretatievraag die aan het hof is voorbehouden. In dit verband kan in cassatie de uitleg door het hof van hetgeen ter terechtzitting ter verdediging is aangevoerd slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.20.
53. Hetgeen in de cassatieschriftuur is aangeduid als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv heeft het hof kennelijk niet als zodanig opgevat. Dat oordeel geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte zijn opmerkingen met betrekking tot het onderzoek door verbalisant [verbalisant] niet van een ondubbelzinnige conclusie heeft voorzien. Ik sluit bovendien niet uit dat de omstandigheid dat sprake is van een betoog van verdachte zelf (als laatste woord) terwijl hij werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman voor het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk bij het al dan niet aanmerken als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet volledig zonder betekenis is geweest.
54. Het middel faalt.
55. Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat uit hetgeen het hof heeft overwogen niet (zonder meer) kan volgen dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, althans had moeten zijn.
56. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende vooropgesteld worden.Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de schuldvorm "roekeloosheid" dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat daarvan sprake is, waarbij het aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.21.
57. In de onderhavige zaak heeft het hof, zoals hiervoor weergegeven, zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid uitgebreid gemotiveerd. Daaruit blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in het donker met zijn onverlichte, grote en zware speedboot heeft gevaren met een snelheid van minimaal 39 km/u, zijnde ruim zes keer de ter plaatse geldende maximumsnelheid – welke maximumsnelheid verband hield met de gevaren van het varen bij nacht en de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden – en daarbij in de doorgang tussen de eilanden over de verlichte sloep is gevaren, zulks terwijl de verdachte – die weinig ervaring had met varen in het donker – verkeerde onder invloed van ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol.22.Daarbij had de verdachte er rekening mee te houden dat het die avond drukker zou zijn op het water dan anders, dat er ook aanzienlijk lichtere en langzamere vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn en dat er verkeer kon komen van de kant waar de sloep vandaan kwam.
58. In de toelichting op het middel wordt een vergelijking gemaakt met het wegverkeer en gesteld dat in deze zaak geen sprake was van een kat- en muisspel met een ander vaartuig. Het oordeel van het hof dat sprake was van roekeloosheid getuigt “dan ook” van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de toelichting op het middel. In dat kader merk ik op dat de gevallen waarin de Hoge Raad het oordeel dat sprake was van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 in stand liet, zijn te karakteriseren als een kat- en muisspel, een snelheidswedstrijd, een wedstrijdachtige achtervolging, zeer gevaarlijk rijgedrag tijdens het vluchten voor de politie respectievelijk een verkeersruzie.23.Van een dergelijke situatie is in de onderhavige zaak geen sprake, maar als in deze zaak daadwerkelijk een vergelijking wordt gemaakt met het wegverkeer, dan hebben we het hier over het in het donker met een onverlichte auto rijden met een snelheid van ten minste 180 km/u in een 30-kilometerzone. De vraag kan worden gesteld of daarmee in de context van het wegverkeer niet al sprake zou zijn van een gedraging waarmee men zich welbewust buiten de orde van het normale verkeer plaatst ten koste van extreme risico’s voor andere verkeersdeelnemers.24.
59. Wat daar ook van zij, meen ik dat gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel van het hof dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn, en zich in deze zaak aldus een uitzonderlijke geval voordoet waarin sprake is van roekeloosheid, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
60. Bij het voorgaande neem ik mede in aanmerking dat ten aanzien van art. 307 Sr de omstandigheid dat de verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en de omstandigheid dat de verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden niet zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leiden. Van een ‘dubbeltelling’ van bepaalde gedragingen kan daarmee, anders dan ten aanzien van art. 6 WVW 1994 in verbinding met art. 175 WVW, geen sprake zijn.
61. Het middel faalt.
De middelen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en[benadeelde 3]
62. De vier middelen richten zich tegen de beslissingen van het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de post gederfd levensonderhoud.
63. Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] omvatten deze vorderingen onder meer de post gederfd levensonderhoud, te weten respectievelijk € 137.008,06, € 32.826,56 en € 23.430,16. De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen op dit punt integraal toegewezen.
64. In hoger beroep heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Namens de benadeelde partijen heeft mr. Korver de vorderingen nader schriftelijk toegelicht, waarbij hij heeft verzocht de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het gederfd levensonderhoud in stand te laten.25.De schriftelijke conclusie van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De vordering van [benadeelde 1] (de echtgenote van slachtoffer [slachtoffer 2] )
30. Wat betreft het door [benadeelde 1] gevorderde levensonderhoud (ad 2: € 137.008,06) heeft de Rechtbank naar haar eerdere overwegingen ten aanzien van [slachtoffer 1] verwezen en de vordering toegewezen. Ook cliënt verwijst hier naar wat hij op dit punt reeds stelde ten aanzien van de vordering tot gederfd levensonderhoud van [slachtoffer 1] en het feit dat met dit deel van de vordering het strafproces in onwenselijke mate wordt belast (zie punt 24 van deze conclusie). De vordering van [benadeelde 1] is nog omvangrijker (alleen het verslag van [B] beslaat - inclusief bijna dertig bijlagen - al honderden pagina’s), uiterst complex en bovendien multi-interpretabel. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in onderhavig proces geen plaats. De vordering kan ook niet worden toegewezen zonder deze punctuele toets – op die manier is niet uitgesloten dat de verdachte, in dit geval cliënt, onevenredig wordt belast en [benadeelde 1] bovenmatig wordt bevoordeeld. Indien Uw Hof concrete complexiteiten en vragen aangedragen wenst te zien teneinde [benadeelde 1] in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te kunnen verklaren dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, behoudt cliënt zich het recht voor dat alsnog te doen.
(…)
De vordering van [benadeelde 3] (de zoon van slachtoffer [slachtoffer 2] )
(…)
37. (…) Ten aanzien van het materiële deel zijnde gederfd levensonderhoud meent cliënt dat dit onterecht is toegewezen. Cliënt meent dat met dit deel van de vordering vanwege zijn complexe aard het strafproces onevenredig wordt belast. Indien Uw Hof concrete complexiteiten en vragen aangedragen wenst te zien teneinde [benadeelde 3] in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk te kunnen verklaren dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, behoudt cliënt zich het recht voor dat alsnog te doen.
De vordering van [benadeelde 2] (de dochter van slachtoffer [slachtoffer 2] )
(…)
40. (…) Ten aanzien van het materiële deel zijnde gederfd levensonderhoud meent cliënt dat dit onterecht is toegewezen. Cliënt meent dat met dit deel van de vordering vanwege zijn complexe aard het strafproces onevenredig wordt belast. Indien Uw Hof concrete complexiteiten en vragen aangedragen wenst te zien teneinde [benadeelde 2] in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te kunnen verklaren dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, behoudt cliënt zich het recht voor dat alsnog te doen.”
65. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partijen het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij. Deze pleitaantekeningen, houden voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:
“Gederfd levensonderhoud
Minderjarigen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en [benadeelde 1]
23. Cliënten hebben een uitgebreide onderbouwing gegeven van kosten voor gederfd levensonderhoud. Zij hebben daartoe een gespecialiseerd bureau ingeschakeld (rekenkundigbureau [C] , en niet [B] zoals de verdediging stelt). Die onderbouwing is uitgebreid, doch dat is volgens cliënten juist geen reden om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.
24. Er is een deugdelijke uitleg gegeven waarom is gekomen tot het bedrag dat is gevorderd. Reeds bij de Rechtbank is aan de verdediging gelegenheid gegeven om op voorhand vragen te stellen over eventuele onduidelijkheden. Die vragen zijn niet gesteld en de vordering is niet betwist.
25. Nu voert de verdediging plotseling aan dat die vordering uiterst complex zou zijn en bovendien multi-interpretabel. Cliënten betwisten dit en de verdediging maakt dit bovendien ook niet concreet.
26. Daarnaast stelt de verdediging dat er vele vragen zouden zijn over die vorderingen en dat beantwoording daarvan specifieke kennis vraagt. Juist die specifieke kennis is ingeschakeld door het rekenkundig bureau en juist aan die specialisten hadden vragen, ook door de verdediging, kunnen worden gesteld. Bovendien zijn stukken in geding gebracht die relevant zijn voor de beoordeling van het gederfd levensonderhoud.
27. De verdediging is al geruime tijd bekend met deze stukken doch heeft nagelaten een andere rapportage in geding te brengen. Ook wordt niet concreet gesteld welke zaken vragen oproepen en welke punten worden betwist. Cliënten menen dat er dan ook geen sprake is van een concrete betwisting en stellen dat dit verweer verworpen dient te worden.
28. Het aanbod van de verdediging om, voor zover uw Hof dat zou wensen, nog concrete complexiteiten en vragen aan te dragen, dient volgens cliënten te worden afgewezen. Dit zou dan ter zitting voor eerst in hoger beroep worden aangedragen. Dit terwijl bij de Rechtbank de deskundige op zitting aanwezig is geweest om vragen te beantwoorden en juist in hoger beroep een schriftelijke ronde is gehouden teneinde aan partijen gelegenheid te bieden om concrete, gemotiveerde, verweren aan te voeren.
29. Cliënten stellen dat, nu de verdediging van die gelegenheid in de schriftelijke toelichting geen gebruik heeft gemaakt, het in strijd met de beginselen van een goede procesorde is, indien thans alsnog ter zitting dergelijke punten kunnen worden aangedragen. Immers, op voorhand hadden nog vragen aan de deskundige kunnen worden gesteld en beantwoord. Cliënten stellen dan ook dat de vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist.
30. Voorts stellen cliënten dat de vordering voor gederfd levensonderhoud voldoende duidelijk is en deugdelijk onderbouwd is en zij verzoeken uw Hof eerbiedig die gevorderde schade toe te wijzen.”
66. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
“165. Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar
hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.
166. In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk – wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de 'eigen schuld' kan pas worden vastgesteld na een grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook Uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade hoe dan ook moet worden toegewezen.”
67. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:
“Het hof maakt eerst enkele opmerkingen over een aantal schadeposten waarvan vergoeding door diverse benadeelde partijen wordt gevorderd, over ‘eigen schuld’, over wettelijke rente, over proceskosten en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarna zullen de vorderingen per benadeelde partij worden besproken.
(…)
Derving levensonderhoud
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] hebben vergoeding gevorderd van gederfd levensonderhoud zoals bedoeld in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft de vorderingen op dit punt toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman van verdachte heeft de vordering op dit punt betwist, omdat dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in het onderhavig proces geen plaats.
Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige. Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren. In zoverre zou. het hof dan ook verplicht zijn, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AV2654).
Anderzijds is wat het hof betreft op zichzelf voldoende aannemelijk dat bij de desbetreffende benadeelde partijen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud.
Op grond van het bovenstaande zal het hof met gebruikmaking van de hem toekomende schattingsbevoegdheid uit art. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek per benadeelde partij vaststellen voor welk bedrag deze in elk geval schade heeft geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
(…)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 45.499,52 ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.
Materiële schade
(…)
Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van haar overleden echtgenoot [slachtoffer 2] en de benadeelde partij, de verhouding daartussen en de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 30.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
(…)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,- ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.
Materiële schade
Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij [benadeelde 1] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader [slachtoffer 2] en zijn moeder [benadeelde 1] , de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 10.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
(…)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,- ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.
Materiële schade
Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij [benadeelde 1] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader [slachtoffer 2] en zijn moeder [benadeelde 1] , de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 10.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”
68. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partijen gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen wat betreft de post gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof daarbij ten onrechte heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484.
69. Dat arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Het Wetboek van Strafvordering geeft aan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit en, indien deze is overleden, de in art. 51a lid 2 Sv. genoemde personen ter zake van de daar genoemde schade als gevolg van het strafbare feit, het recht om zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces, teneinde de verdachte te doen veroordelen tot vergoeding van deze schade.
De wet heeft deze procedure tussen de benadeelde partij en de verdachte geregeld als een eenvoudige procedure, die in het kader van het strafproces plaatsvindt en waarin ingevolge art. 334 Sv. slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361 lid 3 Sv.).
(…)
Het is juist dat de aldus voorziene procedure aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure. Hierin wordt echter in afdoende mate voorzien door art. 361 lid 3 Sv., welke bepaling in het licht van art. 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voorzover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.”
70. Ten tijde van het wijzen van dit arrest luidde art. 361, derde lid, Sv als volgt:
“Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
71. Sinds 1 januari 2011 luidt art. 361, derde lid, Sv echter als volgt:
“Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
72. Deze wijziging van art. 361, derde lid, Sv komt voort uit een tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces aangenomen amendement. Het amendement bevat de volgende toelichting:
“Dit amendement beoogt te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel als mogelijk – en vaker dan nu het geval is – inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist. Het enkele feit dat een vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er bijvoorbeeld een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord of het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, mag geen reden (meer) zijn de vordering om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe wordt voorgesteld het criterium «eenvoudig van aard» te vervangen door het strengere criterium «onevenredige belasting». Dat de omvang van de schade – ook immateriële – wellicht vaker dan nu het geval is zal worden bepaald door schatting, acht de indiener geen groot bezwaar. De voordelen voor het slachtoffer zijn immers groot. Het voorgestelde criterium is ontleend aan het onderzoeksproject Strafvordering 2001.”26.
73. Het eerste interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001 houdt in dat kader het volgende in:
“Voor wat betreft de ondergeschiktheid is in art. 361 lid 3 Sv als criterium opgenomen dat alleen vorderingen van eenvoudige aard in het strafgeding kunnen worden afgedaan (het zogenaamde ‘clear case-criterium’). In de praktijk leidt dit er toe dat reeds bij geringe (civielrechtelijke) complicaties of dubia de vordering naar de burgerlijke rechter wordt verwezen. Gelet op de doelstellingen van het strafgeding - waarvan schadeherstel een integraal bestanddeel vormt - is deze praktijk disfunctioneel en maatschappelijk niet optimaal verantwoord. De standaardcomplicaties die inherent zijn aan de afwikkeling van veel voorkomende criminaliteit behoren immers hanteerbaar te zijn in een strafrechtelijk systeem dat de pretentie wil waarmaken dat schadeherstel een van haar doelstellingen is. Het is daarom aan te bevelen dat binnen het bestaande criterium van art. 361 lid 3 Sv in de toekomst minder snel gebruik wordt gemaakt van de rechterlijke bevoegdheid om de vordering naar de burgerlijke kamer te verwijzen. Zou deze aanbeveling onvoldoende effect sorteren, dan kan het na verloop van tijd noodzakelijk blijken om andere oplossingen te onderzoeken. Enerzijds kan daarbij worden gedacht aan het formuleren van een scherper criterium bij het beoordelen van de toelaatbaarheid van een vordering tot schadevergoeding in het publiekrechtelijke verband van het strafgeding. Denkbaar is bijvoorbeeld een maatstaf die inhoudt dat vorderingen uitsluitend dan kunnen worden geëcarteerd wanneer de beoordeling daarvan 'een onevenredig zware belasting voor het strafgeding vormt'. Teneinde overmatig gebruik van deze ontsnappingsclausule te ontmoedigen zou daaraan een strafprocesrechtelijke voorziening kunnen worden toegevoegd, die voorschrijft dat te ingewikkelde vorderingen tot schadevergoeding moeten worden aangehouden tot een nadere strafzitting. Op dit moment bestaat evenwel onvoldoende duidelijkheid over deze materie om nu al een definitief voorstel tot wetswijziging te formuleren.”27.
74. Het middel berust op de opvatting dat het hof niet kon en mocht verwijzen naar het genoemde arrest van 15 september 2006, aangezien die uitspraak is gebaseerd op een rechtsregel die inmiddels is komen te vervallen. Daarmee stelt het middel de vraag aan de orde of de wijziging van het criterium van art. 361, derde lid, Sv tot gevolg heeft dat het arrest van 15 september 2006 thans zonder betekenis is.
75. In dat kader stel ik vast dat de tekst van art. 361, derde lid, Sv niet dwingt tot het oordeel dat het arrest van de civiele kamer als gevolg van de wetswijziging geen betekenis meer heeft. Deze bepaling biedt de strafrechter immers ook thans nog ruimte om te bepalen dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
76. De strekking van de wetswijziging, dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist en minder snel gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de vordering naar de burgerlijke rechter te verwijzen, rechtvaardigt mijns inziens evenmin de conclusie dat het arrest niet langer betekenis zou hebben. Het enkele feit dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist, staat immers geenszins in de weg aan een verplichting voor de strafrechter om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering respectievelijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
77. Verder is ook in de literatuur het standpunt ingenomen dat het arrest, hoewel gewezen onder het eenvoud-criterium, eveneens van betekenis is voor het huidige criterium.28.
78. Gelet op het voorgaande meen ik dat de wijziging van art. 361, derde lid, Sv niet betekent dat het hof niet meer kon verwijzen naar het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 15 september 2006. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting vindt aldus geen steun in het recht.
79. Het middel faalt.
80. Het tweede middel klaagt dat het hof de schatting van de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geleden schade wegens gederfd levensonderhoud onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt hoe de door het hof geschatte bedragen tot stand zijn gekomen. Het hof had moeten motiveren hoe het precies tot deze schatting is gekomen, aldus de steller van het middel.
81. Vooropgesteld moet worden dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij op grond van art. 361, vierde lid, Sv met redenen omkleed dient te zijn. Daarbij merk ik op dat de aard van de in art. 6:97 BW aan de rechter gegeven bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten indien zij niet nauwkeurig kan worden vastgesteld met zich brengt dat de motivering van de omvang van het geschatte bedrag niet aan hoge eisen behoeft te voldoen.29.Wel geldt voor een dergelijke schatting het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken.30.
82. Het hof heeft overwogen dat het bij de schatting van de door benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade wegens gederfd levensonderhoud op € 30.000,- heeft gelet op onder meer de inkomens uit arbeid van haar overleden echtgenoot [slachtoffer 2] en de benadeelde partij, de verhouding daartussen en de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezenverklaarde. Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] heeft het hof overwogen dat het bij de schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud op € 10.000 heeft gelet op onder meer de inkomens uit arbeid van hun overleden vader [slachtoffer 2] en hun moeder [benadeelde 1] , de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partijen en hun ouders ten tijde van het bewezenverklaarde.
83. Hiermee heeft het hof naar mijn mening voldoende inzicht gegeven in de aan de schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud ten grondslag liggende gedachtegang. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het hof de vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud voor het overige niet heeft afgewezen, maar de benadeelde partijen niet-ontvankelijk heeft verklaard in dat gedeelte van hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen daarom in zoverre bij de burgerlijke rechter aanhangig maken. De beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen zijn voldoende met redenen omkleed.
84. Het middel faalt.
85. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages alsmede de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld en dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, onbegrijpelijk is althans ontoereikend is gemotiveerd.Het vierde middel klaagt dat het hof zich bij zijn oordeel dat de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages alsmede de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld ten onrechte niet lijdelijk heeft opgesteld en buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
86. Aan het derde middel is allereerst ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof wat betreft de vaststelling van de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages en de keuze van de deskundige onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd, aangezien de verdediging ruimschoots de tijd heeft gehad om daar verweer op te voeren of daar anderszins naar te handelen, maar dat niet heeft gedaan. Daarnaast miskent het hof met zijn oordeel dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren volgens de steller van het middel dat de verdediging voldoende ruimte en gelegenheid heeft gehad om de vragen die er zouden zijn en waarvan de beantwoording volgens de verdediging specifieke kennis vergt voort te leggen aan een specialist, de verdediging in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de vragen voor te leggen aan de ter terechtzitting aanwezige deskundige en de verdediging niet heeft geconcretiseerd welke vragen de vorderingen oproepen alsmede welke punten worden betwist, waardoor geen sprake is van een (voldoende) concrete betwisting.Aan het vierde middel is ten grondslag gelegd dat het hof heeft gehandeld in strijd met de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling en meer in het bijzonder art. 24 Rv, aangezien door de verdediging niet het verweer is gevoerd dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld of dat de geraadpleegde deskundige niet de juiste deskundige zou zijn.
87. Vooropgesteld moet worden gesteld dat ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken van toepassing zijn.31.Tot deze regels behoren onder meer art. 24 Rv, dat inhoudt dat de rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd.
88. Er kunnen zich echter situaties voordoen waar een verdachte zich niet ten volle kan verweren tegen de vordering van de benadeelde partij. Onverkorte toepassing van de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, kan er dan toe leiden dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM in het gedrang komt.32.Daarom verplicht art. 361, derde lid, Sv de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.33.Het gaat hier in de woorden van Vellinga om “een ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter voor een geding dat (ook) voor wat betreft de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij moet voldoen aan de eis van een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM”.34.Waar de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in strijd komt met het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM moeten de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling derhalve wijken.35.
89. Het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen van de schade in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages en de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld alsmede dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, moet mijns inziens worden bezien in het licht van de hiervoor genoemde ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter. Aan dit oordeel verbindt het hof vervolgens immers de consequentie dat het gelet op art. 6, eerste lid, EVRM verplicht zou zijn de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Aldus beschouwd heeft het hof niet gehandeld in strijd met de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, aangezien deze in dit geval moeten wijken voor het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM.
90. Voor het overige kan het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen van de schade in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages en de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld en dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Gelet op de inhoud van de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , hetgeen namens de benadeelde partijen ter onderbouwing van die vorderingen naar voren is gebracht en hetgeen namens de verdachte tegen die vorderingen ten verweer is aangevoerd, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het is voorts toereikend gemotiveerd.
91. Het derde en het vierde middel falen.
Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 4]
92. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering wegens verlies van verdienvermogen omdat de behandeling van dit deel van zijn vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
93. Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] omvat deze vordering onder meer gederfde winst, te weten een bedrag van € 24.058,00 aan gederfde winst over het derde en vierde kwartaal in 2014 en een bedrag van € 32.183,00 aan gederfde winst over het jaar 2015. De rechtbank heeft de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Wat betreft de gederfde winst stelt de rechtbank aan de hand van de onderbouwing vast dat reeds vanaf 2011 een dalende lijn in de omzet is te zien. Voorts is ook al in het eerste kwartaal van 2014, derhalve vóórdat de aanvaring plaatsvond, sprake van een substantiële omzetdaling. De documenten ter onderbouwing van de omzetdaling zijn voorts niet duidelijk te verenigen met de daarachter gevoegde jaarstukken, waarbij een veel omvangrijkere omzet is verantwoord. Aan de hand van de voorhanden zijnde onderbouwing en de toelichting ter zitting is al met al niet vast te stellen of en in hoeverre omzet- en winstderving in directe relatie staan tot het bewezenverklaarde. Het gedeelte van de vordering dat ziet op gederfde winst wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.”
94. In hoger beroep heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Namens de benadeelde partij heeft mr. Korver de vordering nader schriftelijk toegelicht.36.De schriftelijke conclusie van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“ [benadeelde 4] is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover deze ziet op gederfde winst over de jaren 2014 en 2015 (ad 3:€ 56.241,-). Cliënt sluit voor dat deel aan bij het oordeel van de Rechtbank en verwijst daarvoor naar haar overweging. Kort gezegd ontkent cliënt dat de winstderving het gevolg is van hetgeen hem tenlastegelegd is, en dit causaal verband is ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. (…) Overigens, als zelfs een dergelijk uitgebreide berekening het vereiste inzicht niet geeft, en alsnog tegenstrijdigheden bestaan met andere bescheiden, dan kan het niet anders dan dat het nog uitgebreider onderzoek en nadere expertise vereist om daadwerkelijk de oorsprong van de gederfde winst vast te stellen. Daartoe leent het strafproces zich niet en de verdere behandeling van dit deel van de door [benadeelde 4] ingediende vordering zou dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Derhalve dient het oordeel van de Rechtbank op dit punt gehandhaafd te worden. ”
95. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 blijkt dat de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 4] het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
“Gederfde inkomsten/gederfde winst
[benadeelde 4] , [benadeelde 6]
13. Volgens de verdediging is deze kostenpost bij beide cliënten niet afdoende onderbouwd. Cliënten betwisten dat uitdrukkelijk. Ten onrechte stelt de verdediging dat het causaal verband tussen de gederfde winst bij de onderneming van [benadeelde 4] en het feit onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
14. [benadeelde 4] had dit reeds uitvoerig bij de Rechtbank aangevoerd doch heeft één en ander nog nader in de schriftelijke toelichting onderbouwd. Cliënt meent dat nadere expertise, gezien hetgeen hij reeds heeft aangeleverd in combinatie met de toelichting, niet nodig is. Hij verwijst, ter voorkoming van herhaling, naar die passages. Door de verdediging is dit inhoudelijk niet betwist, zodat cliënt uw Hof eerbiedig verzoekt de gevorderde schadepost vanwege gederfde winst toe te wijzen.”
96. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
“165. Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.
166. In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk - wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de ‘eigen schuld’ kan pas worden vastgesteld na grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag aan schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade dan ook moet worden toegewezen.
167. Wat betreft de inkomensderving wordt eveneens geconcludeerd tot niet- ontvankelijkheid. Het civiele recht is daar duidelijk in: artikel 149 Rv: wie stelt moet bewijzen en artikel 6:101 BW ‘eigen schuld’ brengen mee dat er een grondig onderzoek dient plaats te hebben naar de inkomenspositie van voor het ongeval en wat in aanmerking zou komen voor vergoeding. Dat valt buiten het bestek van deze strafzaak omdat die vordering te complex is. De verdediging heeft op een aantal punten al de complexiteit in concreto aangetoond en maakt -indien nodig- van de gelegenheid gebruik om daar nog nader op in te gaan.”
97. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] , voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Met betrekking tot de vordering wegens verlies van verdienvermogen (opgevoerd als de gederfde winst over 2014 en 2015) is het hof - gelet op de voldoende gemotiveerde betwisting door de verdediging - van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”
98. Aan het middel is allereerst ten grondslag gelegd dat de vordering weliswaar inhoudelijk is betwist door de verdediging, maar door de benadeelde partij gemotiveerd is aangevoerd dat de gederfde winst een gevolg is van het tenlastegelegde en verweer is gevoerd tegen hetgeen door de verdediging is aangevoerd. Verder had het hof de schade zoveel als mogelijk moeten begroten of schatten en de vordering in ieder geval deels moeten toewijzen. Door dat na te laten maar ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] wel gebruik te maken van de mogelijkheid om de schade op grond van art. 6:97 BW te schatten is bovendien sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Ten slotte is aangevoerd dat het hof heeft gehandeld in strijd met richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ37., doordat het oordeel van het hof secundair victimiserend is. Onderdeel van de op de overheid rustende plicht om secundaire victimisatie te voorkomen is, aldus de steller van het middel, dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk op de vordering beslist dan wel motiveert waarom een vordering wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ten aanzien van de post verlies van verdienvermogen heeft het hof dat niet gedaan.
99. Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
100. Door te oordelen dat de benadeelde partij [benadeelde 4] ten aanzien van de post verlies van verdienvermogen niet in zijn vordering kan worden ontvangen omdat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.38.
101. Gelet op hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering wat betreft het verlies aan verdienvermogen naar voren is gebracht en hetgeen de verdediging ter betwisting van dat gedeelte van de vordering naar voren heeft gebracht, is het oordeel van het hof dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
102. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex art. 6:97 BW om de schade te schatten. Aan de begroting van de omvang van de schade gaat immers de vraag vooraf of causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade: er is slechts een verplichting tot vergoeding van schade als de schade het gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.39.De verdediging heeft in deze zaak niet de omvang van de gederfde winst betwist, maar het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de gederfde winst. In dat licht bezien komt het mij niet onbegrijpelijk voor dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post verlies van verdienvermogen integraal niet-ontvankelijk heeft verklaard en de schade niet heeft geschat.
103. Verder levert het enkele feit dat het hof ten aanzien van andere benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] wel gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de schade te schatten, geen schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod op willekeur op. Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ging het namelijk niet alleen om een andere vorm van schade, namelijk schade wegens gederfd levensonderhoud, maar volgt uit de hiervoor onder 67 weergegeven overwegingen van het hof tevens dat niet het causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en die schade ter discussie stond maar juist de omvang van de schade.
104. Ten slotte stel ik vast dat het middel wat betreft het beroep op richtlijn 2012/29/EU berust op de stelling dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de vordering ten aanzien van het verlies van verdienvermogen niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof heeft in het bestreden arrest echter overwogen dat de behandeling van dit deel van de vordering gelet op de voldoende gemotiveerde betwisting door de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De stelling dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de vordering op dit punt niet-ontvankelijk wordt verklaard, berust daarmee op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het middel faalt in zoverre reeds daarom.
105. Het middel faalt.
De middelen van de benadeelde partij [benadeelde 5]
106. De vier middelen richten zich tegen de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij. Het bestreden arrest houdt dienaangaande, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:
“Het hof maakt eerst enkele opmerkingen over een aantal schadeposten waarvan vergoeding door diverse benadeelde partijen wordt gevorderd, over ‘eigen schuld’, over wettelijke rente, over proceskosten en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarna zullen de vorderingen per benadeelde partij worden besproken.
(…)
Derving levensonderhoud
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] hebben vergoeding gevorderd van gederfd levensonderhoud zoals bedoeld in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft de vorderingen op dit punt toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman van verdachte heeft de vordering op dit punt betwist, omdat dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in het onderhavig proces geen plaats.
Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige. Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren. In zoverre zou. het hof dan ook verplicht zijn, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AV2654).
Anderzijds is wat het hof betreft op zichzelf voldoende aannemelijk dat bij de desbetreffende benadeelde partijen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud.
Op grond van het bovenstaande zal het hof met gebruikmaking van de hem toekomende schattingsbevoegdheid uit art. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek pér benadeelde partij vaststellen voor welk bedrag deze in elk geval schade heeft geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
(…)
Proceskosten
In de voegingsprocedures waarin verdachte als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.
Een uitzondering zal worden gemaakt voor de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het opstellen van de deskundigenberichten met betrekking tot gederfd levensonderhoud (gevorderd door [benadeelde 1] en de dochter van [slachtoffer 1] ). Het hof merkt deze kosten, anders dan de rechtbank, niet aan als schade bestaande uit buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 tweede lid aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek), maar als proceskosten zoals bedoeld in art. 241 van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij zijn immers gemaakt ter instructie van de (voegings-)zaak. Deze proceskosten zijn naar het oordeel van het hof in dit geding grotendeels nodeloos (want op basis van eenzijdige uitgangspunten en binnen het bestek van een beperkte schadevergoedingsprocedure) gemaakt en blijven daarom binnen het kader van de onderhavige procedure grotendeels voor eigen rekening.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] (dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] )
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 100.127,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 53.720,73 en daarnaast zijn de proceskosten toegewezen. Voor het overige is de vordering afgewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering bijgesteld, in die zin dat de post ‘erfbelasting’ à € 3.265,-wordt ingetrokken.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 20.908,20 ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.
Materiële schade
(…)
Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de bijlagen die zijn gevoegd bij de berekening van deze schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Daaruit blijkt dat haar overleden vader [slachtoffer 1] voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde per maand € 450,- aan kinderalimentatie voor haar betaalde. Het hof acht het voldoende aannemelijk, gelet op hetgeen de wet daarover bepaalt, dat de overledene met betalingen in dezelfde orde van grootte aan zijn (in die periode: studerende) dochter zou zijn doorgegaan tot (in elk geval) haar 21e levensjaar. Daarnaast ontvangt de benadeelde partij € 45,- per maand zakgeld. Dit vervalt vanaf 1 september 2014 volgens het rapport van bureau [C] . Op grond hiervan acht het hof voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een bedrag van € 16.245 (€ 45 + 36 x € 450,-) aan schade wegens gederfd levensonderhoud heeft geleden. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de schadepost die is opgevoerd als ‘kosten van lijkbezorging’ ad € 19.399,79 is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat één maal griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. In totaal kan dus € 4.391,- worden toegewezen. Voor het overige betreffen de opgevoerde kostenposten naar het oordeel van het hof kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en komen zij derhalve niet op grond van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Het meer gevorderde zal daarom worden afgewezen.
Ten aanzien van de schadepost ‘aanvullende kosten’ geldt naar het oordeel van het hof hetzelfde: het zijn kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene of daaraan gerelateerde kosten en voor toewijzing ervan bestaat geen grondslag in de wet. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
(…)
Overige proceskosten
Ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de berekening door bureau [C] van het gederfde levensonderhoud verwijst het hof naar het hetgeen daarover hiervoor in algemene zin is overwogen. Aangezien het hof voor haar schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud in beperkte mate gebruik heeft gemaakt van het desbetreffende rapport, acht het hof een proceskostenvergoeding van € 500,- (deskundigenkosten) redelijk. Het ter zake van dit rapport door de benadeelde partij (als schade) meer gevorderde zal worden afgewezen.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 20.908,20 (twintigduizend negenhonderdacht euro en twintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 42.369,71 (tweeënveertigduizend driehonderdnegenenzestig euro en eenenzeventig cent) bestaande uit € 24.869,71 (vierentwintigduizend achthonderdnegenenzestig euro en eenenzeventig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 500,00 (vijfhonderd euro).”
107. Het eerste middel komt met twee klachten op tegen de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij wat betreft de post gederfd levensonderhoud.
108. Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende vordering van de benadeelde partij omvat deze vordering onder meer de post gederfd levensonderhoud ten bedrage van € 49.329,73. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij op dit punt integraal toegewezen.
109. In hoger beroep heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Namens de benadeelde partij heeft mr. Huls de vordering nader schriftelijk toegelicht, waarbij zij heeft verzocht de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gederfd levensonderhoud in stand te laten.40.De schriftelijke conclusie van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De Rechtbank heeft voorts bepaald dat de aanspraak op gederfd levensonderhoud (ad 1: €49.329,73) voor vergoeding in aanmerking dient te komen conform onder meer artikel 6:108 BW. Cliënt meent echter dat de behandeling van deze ingediende vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit geldt des te meer nu dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. De vordering is onderbouwd met een berekening waarbij standaardbedragen van het NIBUD zijn betrokken, maar dat kan enkel een indicatie geven van de te verwachten kosten.
Een korte blik op de vordering van [benadeelde 5] is voldoende om vast te kunnen stellen dat de berekeningen en onderbouwingen vol tegenstrijdigheden en onduidelijkheden staan. Waar eerst wordt gerekend met kosten voor een universitaire opleiding, blijkt [benadeelde 5] later een hbo-opleiding te hebben gekozen (vergelijk Productie 1, bijlage 3.1 van de aanvankelijke vordering met Productie 2). Bovendien wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat slachtoffer [slachtoffer 1] zich had voorgenomen de studiekosten voor [benadeelde 5] met [benadeelde 5] te delen. Dat wordt enkel gesteld. Daarmee is dat niet uitgesloten, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat dat ook daadwerkelijk zijn voornemen was en dat hij daartoe voldoende draagkrachtig was. Bovendien wordt in Productie 1, bijlage 6.2 genoemd dat er een verrekening heeft plaatsgehad vanwege verzekeringsuitkeringen. Deze uitkeringen komen echter nergens in de onderbouwing van [benadeelde 5] terug, terwijl deze van cruciaal belang zijn voor de uiteindelijke vaststelling van de door haar geleden schade althans haar vergoedingsaanspraak. De berekening van gederfd levensonderhoud dient op zeer zorgvuldige wijze te worden vastgesteld en is geen kwestie van ‘nattevingerwerk’. De nauwkeurige vaststelling daarvan voert voor dit strafproces te ver. Cliënt verzoekt Uw Hof daarom dit deel van de vordering van [benadeelde 5] af te wijzen dan wel haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren.
25. Mocht Uw Hof van oordeel zijn dat [benadeelde 5] ten minste aanspraak kan maken op gedeeltelijke toewijzing, verzoekt cliënt de toewijzing te beperken tot de maandelijkse kinderalimentatie ad € 450,- waarvan het aannemelijk is dat slachtoffer [slachtoffer 1] deze tot het 21e levensjaar van [benadeelde 5] (ofwel tot 22 november 2016) aan haar zou voldoen.”
110. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partij het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota vordering [benadeelde 5] . Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:
“3. Namens cliënte is een grondige onderbouwing gegeven van kosten voor gederfd levensonderhoud. Een gespecialiseerd bureau is ingeschakeld (rekenkundigbureau [C] ) dat een zeer gerenommeerde naam heeft en een enorme staat van dienst. Nu cliënte kinderalimentatie ontving van haar vader, is die onderbouwing - vergeleken bij andere overlijdensschadezaken - qua omvang beperkt gebleven. Immers, met het gegeven van kinderalimentatie valt een relatief eenvoudige berekening te maken.
4. Het rapport vormt dan een deugdelijke uitleg van het bedrag dat is gevorderd. Tijdens de procedure in eerste aanleg is het rapport ruimschoots voor de zitting aan de verdediging verstrekt. Ter zitting is de rekenkundige zelfs aanwezig geweest. Desalniettemin wenste de verdediging nimmer gebruik te maken van de geboden mogelijkheid om (kritische) vragen te stellen aan de deskundige. Pas bij pleidooi werden enkele niet nader gespecificeerde vragen gesteld, maar de vordering werd daarmee niet, althans onvoldoende, betwist. Sindsdien en sinds de pro forma zitting bij uw Hof heeft de verdediging nooit contact opgenomen om de vragen die leven ten aanzien van de berekening te stellen. Ook is een second opinion, of enige andere vorm van tegenbewijs, uitgebleven.
5. Nu voert de verdediging plotseling aan dat 'de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist.' De vragen worden vervolgens niet gespecificeerd en ook wordt niet duidelijk gemaakt welke kennis dan is vereist en waarom niet gebruik is gemaakt van de gelegenheid om die vragen dan aan de deskundige te stellen.
6. Vervolgens wordt de vordering betwist op grond van het feit dat het NIBUD is gebruikt als bron om de berekening uit te voeren. Volgens de verdediging kan dit 'enkel een indicatie geven van de te verwachten kosten'. Dat klopt, dat is namelijk meestal zo in overlijdensschadezaken. Immers, als iemand is overleden dan kan niet meer exact worden vastgesteld hoe het leven eruit had gezien als hij nog had geleefd. De situatie wordt zo goed als mogelijk nagebootst door rekenkundigen. Om eindeloze procedures en onderhandelingen te voorkomen, wordt in het civiele recht dan ook zoveel mogelijk aangesloten bij gestandaardiseerde rekenmethoden, omdat anders nooit schade kan worden vastgesteld. Het feit dat de verdediging onbekend is met het gegeven dat bij dit soort schades aan wordt gesloten bij de NIBUD norm, zegt meer iets over de verdediging dan over de kwaliteit van het rapport.
7. De verdediging schrijft vervolgens dat 'een korte blik' voldoende is om vast te stellen dat het rapport bestaat uit veel tegenstrijdigheden en onduidelijkheden. Daartoe voert de verdediging iets aan over de studie van cliënte. Als bijlagen bij deze pleitaantekeningen worden de bewijzen van de HBO en universitaire opleiding van cliënte overgelegd.
8. Voorts wordt gesteld dat cliënte de bewijslast draagt van de stelling dat haar vader had bijgedragen in de studiekosten en over voldoende draagkracht beschikte. Volgens de verdediging is dat onvoldoende aannemelijk gemaakt door cliënte. De verdediging gaat daarbij volledig aan het feit voorbij dat de vader van cliënte al jaren aan zijn ouderlijke zorgverplichting voldoet door kinderalimentatie te betalen en daarnaast zelfs nog zakgeld. Waarom hij “plotseling" daarmee zou ophouden, wordt door de verdediging niet gemotiveerd. Indien een dergelijk verweer wordt gevoerd, is het aan de verdediging om die feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen teneinde het verweer te kunnen honoreren. Verzocht wordt dit als onvoldoende onderbouwd terzijde te schuiven.
9. Overigens is de stelling an sich civielrechtelijk onjuist. Het causale verband staat in deze zaak vast. Dit houdt in dat in beginsel de aansprakelijkheid voor alle veroorzaakte schade is gegeven. Zie ook HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, m.nt. JBMV (Baby Kelly): als eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van csqn-verband tussen het gepleegde en de schade dan kan de aangesproken partij aansprakelijkheid niet afweren door te poneren dat de schade bij een verondersteld ander verloop der gebeurtenissen (vader wil niet bijdragen in de studiekosten) ook zou zijn geleden.
10. Tot slot heeft de verdediging nog aangevoerd dat sprake is geweest van verzekeringsuitkeringen. Echter, die verzekeringsuitkeringen zijn niet relevant in het kader van de berekening van gederfd levensonderhoud. Immers, verzekeringsuitkeringen dienen niet als vervanging van gederfd levensonderhoud. Waarom niet? Omdat bij een overlijden verder in de toekomst cliënte meer vermogen had geërfd dan thans het geval is. (…)
11. Voor het overige heeft de verdediging geen nadere vragen of stellingen geponeerd. Indien dit ter zitting in hoger beroep nog wordt gedaan, is dit voor het eerst, terwijl juist door de schriftelijke ronde de gelegenheid is geboden aan partijen om concreet verweren aan te voeren.
12. Cliënte stelt dat, nu de verdediging van die gelegenheid in de schriftelijke toelichting geen gebruik heeft gemaakt, het in strijd met de beginselen van een goede procesorde is, indien thans alsnog ter zitting dergelijke punten kunnen worden aangedragen. Immers, op voorhand hadden nog vragen aan de deskundige kunnen worden gesteld en beantwoord. Cliënte stelt dan ook dat de vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist.
13. De vordering voor gederfd levensonderhoud is voldoende duidelijk en deugdelijk onderbouwd is en cliënte verzoekt uw Hof eerbiedig die gevorderde schade toe te wijzen.”
111. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
“165. Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar
hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.
166. In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk – wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de 'eigen schuld' kan pas worden vastgesteld na een grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook Uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade hoe dan ook moet worden toegewezen.”
112. Vervolgens heeft het hof beslist op de vordering als hiervoor weergegeven.
113. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat bij gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij sprake zou zijn van een schending van art. 6 EVRM wegens het ontbreken van een gedegen partijdebat, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de steller van het middel heeft de wetgever bij de invoering van de vordering van de benadeelde partij bewust geaccepteerd dat het partijdebat niet gelijkwaardig zal zijn aan het partijdebat dat in een civiele procedure plaatsvindt, zodat het hof eisen aan de procedure stelt die de wetgever niet heeft willen stellen.
114. In dat kader stel ik voorop dat de in het Wetboek van Strafvordering voorziene procedure met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij aan de benadeelde partij en de verdachte inderdaad niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure. Daarin wordt echter in afdoende mate voorzien door art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.41.Het gaat hier in de woorden van Vellinga om “een ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter voor een geding dat (ook) voor wat betreft de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij moet voldoen aan de eis van een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM”.42.
115. Het oordeel van het hof dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, moet mijns inziens worden bezien in het licht van deze ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter. Aan dit oordeel verbindt het hof vervolgens immers de consequentie dat het gelet op art. 6, eerste lid, EVRM verplicht zou zijn de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Aldus beschouwd geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
116. Voor het overige kan het oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Gelet op de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij, hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering naar voren is gebracht en hetgeen namens de verdachte tegen die vordering ten verweer is aangevoerd, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het is voorts toereikend gemotiveerd.
117. De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.
118. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat dat de schade wegens gederfd levensonderhoud na het 21e levensjaar van de benadeelde partij onvoldoende aannemelijk is, onjuist en is en onvoldoende is gemotiveerd.
119. In dat kader stel ik vast dat het hof heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de overledene in ieder geval tot het 21e levensjaar van de benadeelde partij met de betaling van € 450 per maand aan kinderalimentatie zou zijn doorgegaan alsmede dat de benadeelde partij een bedrag van € 45 aan zakgeld zou hebben ontvangen. Aldus acht het hof voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een bedrag van € 16.245 aan schade wegens gederfd levensonderhoud heeft geleden. Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof heeft aldus geenszins een oordeel gegeven over de aannemelijkheid van de gevorderde schade wegens gederfd levensonderhoud na het 21e levensjaar van de benadeelde partij. De tweede klacht berust daarmee op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en ontbeert daarmee feitelijke grondslag.
120. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
121. Het tweede middel klaagt, zo begrijp ik uit de toelichting, dat het hof de door de benadeelde partij gemaakte kosten ten onrechte heeft begroot op € 500, aangezien de door de benadeelde partij ten behoeve van de berekening van het gederfde levensonderhoud door bureau [C] gemaakte kosten ad € 686,25 redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn en het hof deze kosten daarom integraal had moeten toewijzen.
122. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
(i) art. 361 Sv:
"(...)
2. De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
(…)
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.
(…)
4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.
(...)
6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, (...) gemaakt."
(ii) art. 592a Sv:
"Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, (...) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken."
(iii) art. 6:96 BW:
"1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.
2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;
b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
3. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.
(...)"
(iv) art. 237 Rv:
"1. De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
(...)
3. Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.
4. De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.
(...)"
(v) art. 238 Rv:
"1. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij.
2. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist."
(vi) art. 239 Rv:
"In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht."
(vii) art. 241 Rv:
"Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing.
(...)"
123. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op de voet van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW als vermogensschade in aanmerking komen voor vergoeding door de aansprakelijke partij, behoudens voor zover de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.43.Wanneer wordt geprocedeerd en de vergoeding van de kosten geacht wordt besloten te liggen in de proceskostenveroordeling op grond van de art. 237 tot en met 240 Rv, dan zijn deze kosten gelet op art. 6:96, derde lid, BW en art. 241 Rv namelijk niet langer op de voet van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW aan te merken als vermogensschade. De kosten verschieten in dat geval zogezegd van kleur.44.Tot de kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, behoren onder meer de kosten van deskundigenberichten.45.
124. Het hof heeft de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het opstellen van de berekening van het gederfd levensonderhoud in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk niet aangemerkt als buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW maar als proceskosten als bedoeld in art. 241 Rv. Dat brengt met zich dat de kosten van het deskundigenrapport geen vermogensschade zijn en dus evenmin rechtstreekse schade zijn die is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, maar zijn te rekenen tot de proceskosten waarover de rechter op de voet van art. 592a Sv een beslissing dient te geven.46.Dat heeft het hof ook gedaan.
125. De kosten als bedoeld in art. 592a Sv worden op dezelfde wijze begroot als in civiele procedures.47.In dat kader is van belang dat, waar de vergoeding van de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op de voet van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW ertoe strekt dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd48., art. 237 tot en met 240 Rv derogeren aan het uitgangspunt dat de benadeelde recht heeft op vergoeding van zijn gehele schade.49.Daarbij kan de rechter op grond van art. 237 Rv nodeloos gemaakte proceskosten voor rekening van de partij laten die deze kosten heeft gemaakt.
126. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het hof de kosten integraal had moeten toewijzen reeds omdat het redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW betreffen, vindt het gelet op het voorgaande geen steun in het recht.
127. Verder merk ik op dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag van de kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. Ook daarop stuit het middel af.50.
128. Het middel faalt.
129. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de legeskosten en de notariskosten over het jaar 2014 geen kosten van lijkbezorging zijn blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Het vierde middel klaagt dat het hof bij de beslissing omtrent de notariskosten niet is ingegaan op het meer subsidiair en meest subsidiair gevorderde, zodat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd.
Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
130. In hoger beroep heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De conclusie van mr. Huls, advocaat van de benadeelde partij, houdt met betrekking tot de gevorderde kosten van lijkbezorging het volgende in (met weglating van voetnoten):
“De rechtbank heeft een bedrag toegewezen van € 4.391,--, te weten griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument. De overige kosten kunnen volgens de rechtbank niet onder de noemer “lijkbezorging” worden gekwalificeerd en het restant wordt dan ook afgewezen.
Cliënte kan zich niet vinden in die motivering en meent dat de overige resterende posten wél als kosten van lijkbezorging kunnen worden gekwalificeerd. Wat houden die resterende posten in?
- Legeskosten gemeente Zaltbommel ad € 12,00
- Legeskosten gemeente Leusden ad € 12,50
- Nota notaris [...] ivm afwikkelingskosten over 2014 ad € 4.671,21
- (…)
- Notaris [...] kosten 2015 tot 1/11/2015 incl. BTW ad € 3.297.08
- Idem restant 2015 en 2016 tot algehele afwikkeling begroot op ad € 3.751,-- (…).
(…) Resteert een bedrag van € 16.102,71. Cliënte verzoekt dit bedrag alsnog toe te wijzen.
Cliënte was op het moment dat haar vader plotseling overleed 15 jaar oud. Zoals uit haar spreekrecht in eerste aanleg blijkt, wist zij niet wat er allemaal op haar afkwam. Zij had als erfgenaam in die tijd deskundige bijstand nodig om het overlijden van haar vader te kunnen afwikkelen. Dit betreft niet slechts het verzorgen van de begrafenis en het regelen van een grafmonument. De Iegeskosten zijn kosten voor registratie van het overlijden van de vader van cliënte alsmede het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. De notaris heeft vervolgens werkzaamheden moeten verrichten om de nalatenschap af te kunnen wikkelen. Met name de hoge kosten die hiermee gepaard gingen, moesten op een of andere wijze met de erfenis worden verrekend, zo ook de kosten voor de begrafenis en het grafmonument. Die kosten komen wel degelijk voor toewijzing in aanmerking zoals blijkt uit de jurisprudentie.
Subsidiair wordt verzocht naast de griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument, óók de legeskosten en de rekening van de notaris over 2014, te weten € 4.671,21, toe te wijzen. Derhalve een totaalbedrag van € 9,086.71.
Mocht uw Gerechtshof oordelen dat de notariskosten geen kosten van de lijkbezorging betreffen dan wordt meer subsidiair aangevoerd dat de notaris, als deskundige, een belangrijke rol heeft gespeeld hij de vaststelling van de schade nu hij tijdens de afwikkeling van de nalatenschap telkens op te betalen vorderingen stuitte en deze vorderingen voldeed vanuit de erfenis. Cliënte kon zelf redelijkerwijs niet voor die afwikkeling van de nalatenschap zorgdragen. Dit maakt dat op grond van artikel 6:96, tweede lid, de nota’s van de notaris voor toewijzing vatbaar zijn als zijnde proceskosten. Verzocht wordt dan ook om de kosten van de notaris, gelijkluidend de kosten voor rekenkundige [C] , als buitengerechtelijke incassokosten te beschouwen. Oftewel toewijzing van een bedrag van € 4.415,50 aan kosten lijkbezorging en een bedrag van € 11.719,29 aan buitengerechtelijke incassokosten. te weten notariskosten.
Meest subsidiair wordt verzocht naast de griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument, ook de legeskosten en een bedrag van € 230,-- aan notariskosten toe te wijzen in het kader van kosten lijkbezorging, nu voornoemd bedrag gemiddeld aan een beneficiaire aanvaarding wordt besteed en in de jurisprudentie dergelijke bedragen worden toegewezen. Derhalve een totaalbedrag van € 4.645.50.”
131. Art. 6:108, tweede lid, BW bepaalt dat indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt de aansprakelijke verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.
132. De wet omschrijft niet wat onder de kosten van lijkbezorging moet worden begrepen. Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met het begrip “kosten van lijkbezorging” aansluiting heeft willen zoeken bij de Wet op de lijkbezorging. Waar aanvankelijk namelijk het woord “begrafeniskosten” werd gebezigd, werd dit later vervangen door “kosten van lijkbezorging” in verband met de terminologie van de Wet op de lijkbezorging.51.
133. Onder verwijzing naar onder meer de Wet op de lijkbezorging, omschrijft Van Eijk het begrip “lijkbezorging” in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW als een verzamelterm voor alle handelingen met betrekking tot het geven van een eindbestemming aan de overledene. Daartoe behoren zowel de handelingen die zijn gericht op het tenietgaan van het stoffelijk overschot als de handelingen met betrekking tot de spirituele eindbestemming van de overledene, aldus Van Eijk.52.
134. Bezien tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof dat de legeskosten, die zijn gemaakt in verband met de registratie van het overlijden en het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap, en de notariskosten, die zijn gemaakt in verband met het afwikkelen van de nalatenschap, geen kosten van lijkbezorging zijn in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
135. Het derde middel faalt.
136. Het vierde middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof heeft nagelaten te motiveren waarom de notariskosten niet als proceskosten kunnen worden toegewezen.
137. Het middel ziet er in zoverre aan voorbij dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag van de kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. Daarop stuit de eerste deelklacht af.53.
138. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de notariskosten niet op grond van art. 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen onbegrijpelijk is gemotiveerd, aangezien het hof niet heeft gerespondeerd op de ter onderbouwing van het meest subsidiaire verzoek genoemde jurisprudentie.
139. In dat kader stel ik voorop dat art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet van toepassing is ten aanzien van de motivering van de beslissing op een vordering van de benadeelde partij.54.Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op hetgeen in de conclusie van de advocaat van de benadeelde partij naar voren is gebracht, stelt het middel aldus een eis die het recht niet kent.
140. Wel dient de beslissing op de vordering van de benadeelde partij op grond van art. 361, vierde lid, Sv met redenen omkleed te zijn. In dat kader stel ik vast dat het hof heeft overwogen dat de griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten van lijkbezorging als bedoeld in at. 6:108, tweede lid, BW en dat de overige kostenposten kosten ter afwikkeling van de nalatenschap zijn en niet op grond van art. 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen. Aldus heeft het hof zijn beslissing ten aanzien van de notariskosten voldoende met redenen omkleed.
141. Het vierde middel faalt in al zijn onderdelen.
Proceskosten
142. De namens de verdachte ingediende verweerschriften houden in dat de verdachte, gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partijen in hun cassatieberoep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, althans dat het cassatieberoep moet worden afgewezen, verzoekt de benadeelde partijen te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten conform het liquidatietarief.55.
143. In een cassatieprocedure als de onderhavige is echter niet voorzien in een veroordeling van de benadeelde partij in de kosten die de verdachte in die aanleg heeft gemaakt.56.Art. 592a Sv biedt daarvoor immers geen grondslag, aangezien de Hoge Raad geen beslissing neemt als in art. 333 of 335 Sv genoemd.
Slotsom
144. De middelen van de verdachte falen. Het eerste tot en met het vierde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
145. De middelen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
146. Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 4] faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
147. De middelen van de benadeelde partij [benadeelde 5] falen. Het eerste, tweede en vierde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
148. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
149. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑04‑2019
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.5-2.6.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 3.7.3.
Vgl. HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3254, rov. 3.3.
HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013/143, m.nt. Reijntjes.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers.
Vgl. C.P.J. Scheele, Handboek Strafzaken, 26.6.3.4 (online, bijgewerkt tot 1 maart 2018).
Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2017:1364, onder 3.2) voor HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3188 (81 RO).
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans.
HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2246, rov. 2.3.2.
Opmerking AG: In de aanvulling bewijsmiddelen overweegt het hof dat deze zin moet worden gelezen als: “Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte na de aanvaring geen alcohol meer heeft gedronken, zoals hij deels zelf heeft verklaard en het hof deels afleidt uit de verklaring van verdachte over hetgeen hij heeft gedaan na het afmeren van zijn boot bij zijn woonark.”
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4.
De stellers van het middel menen dat het hier groene en rode navigatieverlichting bedoeld zal zijn.
Overigens wijs ik er op dat ook de getuige [getuige 6] (bewijsmiddel 26) spreekt van een boot die geen verlichting voerde. De verklaring van deze getuige heb ik hier zekerheidshalve niet vermeld, aangezien hij de boot pas na de aanvaring zag.
Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. Schalken, rov. 3.8, HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5, en HR 23 oktober 1990, NJ 1991/328, rov. 5.3.
Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7487, rov. 5.5.
Vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7592, rov. 3.5.
Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377, rov. 3.3, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9172, rov. 4.2, HR 4 januari 2000, NJ 2000/225, rov. 3.5, HR 8 oktober 1991, NJ 1992/155, rov. 6.1, en G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 806-807.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.1. Zie ook G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 899-900.
Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 194-196.
Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414, NJ 2017/426, m.nt. N. Rozemond, rov. 3.3, HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015/404, m.nt. Keijzer, rov. 2.5, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3057, NJ 2015/15, m.nt. Keijzer, rov. 3.3, en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25, m.nt. Keijzer, rov. 4.3-4.5.
Daarmee staat in deze zaak, anders dan in HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, het (vaar)gedrag van de verdachte centraal en niet zozeer de keuze van de verdachte om zich onder invloed van alcohol in het verkeer te begeven.
Respectievelijk HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959, NJ 2014/27, m.nt. Keijzer, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554, NJ 2014/30, m.nt. Keijzer, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3620, HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656, en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414, NJ 2017/426, m.nt. N. Rozemond.
Vgl. de noot van Rozemond (onder 2) onder HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470, NJ 2014/220. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 277-279.
Zie p. 2 van de schriftelijke conclusie van mr. Korver.
A.L.J. van Strien, ‘De positie van slachtoffers in het strafproces’, in: M.S. Groenhuijsen & G. Knigge (red.), Het onderzoek ter zitting. Eerste interrimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 269-270.
Vgl. J.C.A.M. Claassens, ‘Het wetsvoorstel 30 143: versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces’, VR 2008, p. 213, J.C.A.M. Claassens, ‘Het slachtoffer in het strafproces’, Strafblad 2012, p. 247, W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 4.5, en de noot van Keulen (onder 6) onder HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520.
HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717, NJ 2006/378, m.nt. Van Mendel, rov. 4.8.
HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4362, NJ 2003/171, m.n.t. Scheltema, rov. 7.3, en HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215, NJ 2007/407.
HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, rov. 2.3. Zie ook J. Candido, ‘Civiel bewijsrecht toepasselijk op vordering benadeelde partij?’, NJB 2012, afl. 14, p. 938-940.
Vgl. de conclusie van P-G Silvis, ECLI:NL:PHR:2018:600, onder 8. Zie ook J. Candido, ‘Civiel bewijsrecht toepasselijk op vordering benadeelde partij?’, NJB 2012, afl. 14, p. 940, en E.C.M. Wolfert, ‘De civiele vordering in de strafrechtelijke procedure, in: F.E.J. Beekhoven van den Boezem, G. Bergervoet & F. Verstijlen (red.), Groninger zekerheid (Reehuis-bundel), Deventer: Kluwer 2014, p. 507-510.
HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484, rov. 3.3.2.
W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 4.5.
Vgl. J. Candido (red.), Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, Den Haag: LOVS 2017, p. 94.
Zie p. 6-8 van de schriftelijke conclusie van mr. Korver.
PbEU 2012, L 315. Zie verder over de Richtlijn slachtofferzorg B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 240 e.v.
HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, rov. 4.3.
Vgl. C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 45, en J. Candido (red.), Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, Den Haag: LOVS 2017, p. 123.
Zie p. 1 van de schriftelijke conclusie van mr. Huls.
HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484.
W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 4.5.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84, m.nt. Lindenbergh, rov. 3.4.1.
Vgl. A.S. Rueb e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 295, de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:289, onder 3.4) voor HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406, m.nt. Lindenbergh, en de noot van Brunner onder HR 3 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5568, NJ 1988/275.
A.S. Rueb e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 295.
Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.2-3.4.4, en HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801.
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.5, en HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819, NJ 2002/123, m.nt. Cleiren.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84, m.nt. Lindenbergh, rov. 3.4.1.
A.C. van Schaick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht.Procesrecht. 2. Eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 210-211.
Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663, NJ 2015/365, m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, en HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571, rov. 3.3-3.4.
C.J. van Zeben & J.W. du Pon (red.), Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 395 en 399.
B. van Eijk, 'Vergoeding van de kosten van lijkbezorging', TVP 2001, afl. 4, p.102-104.
Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663, NJ 2015/365, m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, en HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571, rov. 3.3-3.4.
HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762.
Enige aanwijzing hoe de proceskosten berekend zouden moeten worden, zoals het toepasselijke liquidatietarief, bevatten de verweerschriften niet.
Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2140, NJ 2001/394.
Beroepschrift 13‑01‑2019
Aan de Strafkamer van de Hoge Raad der Nederlanden
ZELFSTANDTGE CASSATIESCHRIFTUUR BENADEELDE PARTIJ
Conform Artikel 4.6.1. Procesreglement Hoge Raad en artikel 437, lid, 3, Sv.
Griffienummer S 17/06043 (Houtgraaf)
Geeft eerbiedig te kennen:
[benadeelde], geboren op [geboortedatum] 1995, benadeelde partij, te dezer zake domicilie kiezende te 1075 HH Amsterdam aan de De Lairessestraat 121, ten kantore van mr E. Huls, advocaat, die verklaart door de benadeelde partij bepaaldelijk te zijn gemachtigd tot indiening en ondertekening van deze cassatieschriftuur.
Inleiding
1.
In de onderhavige cassatieprocedure is namens verdachte als verzoeker tot cassatie een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Op grond van artikel 437, lid 3, Sv is de benadeelde partij daardoor bevoegd een schriftuur in te dienen, houdende haar middelen over een rechtspunt dat haar vordering betreft.
2.
De benadeelde partij wenst van die bevoegdheid gebruik te maken en de navolgende middelen van cassatie voor te dragen:
Middel I
Vergoeding derving levensonderhoud ex artikel 6:108 BW
3.
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Het Gerechtshof (hierna het hof) heeft namelijk bij de beslissing om de vordering benadeelde partij niet geheel toe te wijzen op onterechte gronden overwogen dat bij gehele toewijzing ten aanzien van verdachte sprake zou zijn van schending van artikel 6 EVRM nu een gedegen partij debat ontbreekt. Middels dat standpunt geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, de wetgever heeft bij de invoering van de vordering benadeelde partij bewust geaccepteerd dat het partijdebat niet gelijkwaardig zal zijn aan het partijdebat zoals dat in een civiele procedure plaatsvindt. Het hof stelt derhalve eisen aan de procedure vordering benadeelde partij welke de wetgever welbewust niet heeft willen stellen. De wetgever heeft recentelijk als enige grond voor niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij het criterium de ‘onevenredige belasting van het strafgeding’ in de wet opgenomen. Voorts is de beslissing van het hof dat de berekening overlijdensschade beperkt bruikbaar is onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft met deze beslissing de algemene regels van het civiele procesrecht miskend hetgeen tot gevolg heeft dat bij het schatten van de schade van verkeerde uitgangspunten gebruik is gemaakt.
4.
Ten aanzien van dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij heeft het hof het volgende overwogen.
‘De advocaat-generaal heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman van verdachte heeft de vordering op dit punt betwist, omdat dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. Het vraagt de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in het onderhavige proces geen plaats.
Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige. Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren. In zoverre zou het hof dan ook verplicht zijn, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AV2654).
Anderzijds is wat het hof betreft op zichzelf voldoende aannemelijk dat bij de desbetreffende benadeelde partijen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud.
Op grond van het bovenstaande zal het hof met gebruikmaking van de hem toekomende schattingsbevoegdheid uit art. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek per benadeelde partij vaststellen voor welk bedrag deze in elk geval schade heeft geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
(…)
Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de bijlagen die zijn gevoegd bij de berekening van deze schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Daaruit blijkt dat haar overleden vader [[slachtoffer 1]] voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde per maand € 450,- aan kinderalimentatie voor haar betaalde. Het hof acht het voldoende aannemelijk, gelet op hetgeen de wet daarover bepaalt, dat de overledene met betalingen in dezelfde orde van grootte aan zijn (in die periode: studerende) dochter zou zijn doorgegaan tot (in elk geval) haar 21e levensjaar. Daarnaast ontvangt de benadeelde partij € 45,- per maand zakgeld. Dit vervalt vanaf 1 september 2014 volgens het rapport van bureau [C]. Op grond hiervan acht het hof voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een bedrag van € 16.245 (€ 45 + 36 × € 450,-) aan schade wegens gederfd levensonderhoud heeft geleden. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’
5.
Kort gezegd overweegt het hof dat de benadeelde gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard om de volgende twee redenen: i. de verdachte heeft onvoldoende de mogelijkheid om verweer te voeren hetgeen in strijd is met het recht op een eerlijk proces en ii. de schade na het 21e levensjaar van de benadeelde is onvoldoende aannemelijk. In het hiernavolgende zullen deze twee redenen worden behandeld. Voorafgaand hieraan wordt opgemerkt dat de benadeelde vanzelfsprekend wel waardeert dat het hof ondanks de geuite bezwaren toch over is gegaan tot het gebruik maken van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW.
Klacht 1: Schending van het recht op een eerlijk proces
6.
Ten aanzien van de eerste reden dient de berekening overlijdensschade van de benadeelde [benadeelde] te worden onderscheiden van de berekeningen die zijn gemaakt ten aanzien van de andere benadeelden. Die zijn immers meer complex, hetgeen blijkt uit het aantal pagina's, een hogere rekening van de deskundige en vele andere variabelen die in die berekeningen zijn opgenomen. De overledene, [slachtoffer 1], voldeed maandelijks kinderalimentatie en zakgeld. De financiële ondersteuning van de benadeelde door de overledene staat hiermee vast. De rekenkundige [C] is bij de berekening uitgegaan van gemiddelden, zoals blijkt uit het rapport op pagina 2. Daarbij is ook met de aanvullende studiebeurs rekening gehouden. Ook zijn cijfers van het NIBUD gebruikt als bron om de berekening uit te voeren. Om eindeloze procedures en onderhandelingen te voorkomen, wordt in het civiele recht zoveel mogelijk aangesloten bij gestandaardiseerde rekenmethoden, omdat anders nooit (overlijdens)schade kan worden vastgesteld. Het feit dat in de rapportage is uitgegaan van de standaard geeft juist te kennen dat geen sprake is van een eenzijdig rapport maar dat rekening is gehouden met het feit dat de schade in het strafproces wordt gevorderd. Een uitgebreid partijdebat is in die zin niet noodzakelijk omdat niet uit wordt gegaan van een voor de ene partij meer gunstige methode.
7.
Het oordeel van het hof gaat daarbij uit van het feit dat de verdediging terecht heeft gesteld dat het niet zeker is dat de overledene het bieden van financiële steun aan zijn studerende dochter zou continueren louter omdat hij daartoe wettelijk niet langer verplicht zou zijn. Het hof acht ook om die reden een nader partijdebat bij de burgerlijk rechter noodzakelijk. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de namens de benadeelde overgelegde schadeberekening van ‘vele uitgangspunten’ uitgaat en eenzijdig is opgesteld. Het hof laat na nader te overwegen van welke vele uitgangspunten de berekening dan uit is gegaan en in hoeverre het eenzijdig laten opstellen van de rapportage tot een subjectieve, voor de benadeelde gunstige, uitkomst heeft geleid. Herhaald wordt dat de berekening van de benadeelde [benadeelde] op dit punt onterecht wordt vergeleken met de berekeningen van de andere benadeelden.
8.
De rekenkundige is juist bij het berekenen van de schade uitgegaan van de feiten zoals die bestonden voorafgaand aan het gepleegde misdrijf. Die feiten worden niet betwist. Hoe het leven verder was verlopen indien het misdrijf niet had plaatsgevonden, wordt ingekleurd door die feiten. Overlijdensschade is per definitie schade die zich moeilijk concreet laat vaststellen. De rekenmethode die hiervoor is ontwikkeld en volgens welke methode de onderhavige berekening is opgemaakt, wordt later door hetzelfde hof in een andere zaak als een objectieve methode erkend.1. Hoe het hof tot in deze zaak tot een ander oordeel is gekomen, is derhalve onbegrijpelijk.
9.
Voornoemde overwegingen van het hof aangaande de gemaakte berekening staan vervolgens haaks op de beslissing om wél gebruik te maken van die berekening in het kader van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW. Het hof wijst immers deels de kosten voor de berekening toe en bevestigt gebruik te hebben gemaakt van de berekening. Derhalve is ook om die reden het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd.
10.
De motivering van het hof dat een dermate inhoudelijk juridisch en feitelijk debat over de beoordeling en omvang van de schade dient plaats te vinden, is ook om andere redenen begrijpelijk. Ten aanzien van de beoordeling van de schade heeft verzoeker pas in hoger beroep allerlei vermoedens geuit over hoe de overledene in de toekomst de benadeelde financieel had ondersteund, maar die stellingen worden op geen enkele wijze onderbouwd en rechtvaardigen niet dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Het rapport geeft een deugdelijke uitleg van het bedrag dat is gevorderd. Tijdens de procedure in eerste aanleg is het rapport ruimschoots voor de zitting aan de verdediging verstrekt. Ter zitting bij de rechtbank is de rekenkundige zelfs aanwezig geweest. Desalniettemin wenste de verdediging nimmer gebruik te maken van de geboden mogelijkheid om (kritische) vragen te stellen aan de deskundige. Pas bij pleidooi in eerste aanleg werden enkele niet nader gespecificeerde vragen gesteld, maar de vordering werd daarmee niet, althans onvoldoende, betwist. Sindsdien en sinds de pro forma zitting bij het hof heeft de verdediging nooit contact opgenomen om de vragen die leven ten aanzien van de berekening te stellen. Ook is een second opinion, of enige andere vorm van tegenbewijs, al die tijd uitgebleven. De verdediging heeft pas tijdens de schriftelijke ronde in hoger beroep aangegeven dat ‘de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist.’ Echter, welke vragen leven bij de verdediging worden vervolgens niet gespecificeerd en ook wordt niet duidelijk gemaakt welke kennis dan is vereist en waarom niet gebruik is gemaakt van de gelegenheid om die vragen aan de deskundige te stellen.
11.
De beoordeling van het hof dat sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces is onder deze omstandigheden dan ook onbegrijpelijk. Nog daargelaten het feit dat verzoeker alle aansprakelijkheid ontkent en vrijspraak betoogt. Gelet op die proceshouding van verzoeker, hetgeen al bekend was voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank, ligt het niet in de rede — ook niet in het civiele recht — dat gezamenlijk een deskundige wordt benaderd om volgens gezamenlijke uitgangspunten een schadeberekening te laten opstellen. Dikwijls wordt in het civiele recht in dit soort situaties een letselschaderapportage opgemaakt door een van partijen. Pas sinds de invoering van de deelgeschilprocedure, waarbij ook het vaststellen van de aansprakelijkheid aan de orde kan worden gebracht, wordt vaker gezocht naar overeenstemming of gevraagd om een beslissing over de aansprakelijkheid om vervolgens gezamenlijke uitgangspunten vast te stellen voor het berekenen van de schade. In een strafproces als onderhavige ligt dit niet voor de hand.
12.
Indien de redenering van het hof zou worden gevolgd dan houdt dit in dat in toekomstige strafzaken waarbij sprake is van overlijdensschade altijd in onderling overleg met de verdediging een berekening van de schade wordt opgemaakt. Gelet op de proceshouding van menig verdachte is dit een onwenselijk als ook onuitvoerbaar procedurevereiste en in strijd met bestaande jurisprudentie (vgl. HR 11 juni 2003, NJ 2005 [naam 1]/London), want in beginsel is degene die aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van een door hem veroorzaakte — in dit geval — aanvaring binnen de grenzen van artikel 6:98 BW aansprakelijk voor alle schade die de benadeelde als gevolg van die gebeurtenis heeft geleden. De (redelijke) kosten ter vaststelling van schade komen voor vergoeding in aanmerking. Ook wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. Uit de overwegingen van uw Raad kan derhalve worden geconcludeerd dat het een benadeelde vrijstaat om de schade op te laten maken (mits sprake is van een sine-qua-non-verband en de kosten redelijk zijn) en uit voornoemde uitspraak volgt niet dat dit in onderling overleg tussen partijen moet gebeuren. In de praktijk zal een benadeelde vrijwel direct de schade willen laten opmaken, omdat degene die aansprakelijk is bij tijdsverloop na de schadeveroorzakende gebeurtenis het causale verband tussen de schade en de gebeurtenis in twijfel zal trekken. Indien de schade niet direct is opgemaakt, zal de slagingskans van dit verweer worden vergroot. Het oordeel van het hof dat de schade niet toewijsbaar is omdat de schade moet worden opgemaakt in onderling overleg met verzoeker kan om die reden niet in stand blijven. Bovendien zou het erop kunnen neerkomen dat in het strafproces bij een ontkennende of zwijgende verdachte nimmer overlijdensschade kan worden opgemaakt waardoor onderbouwing van die schade onmogelijk wordt gemaakt. Dit is in strijd met de gedachtegang van de wetgever zoals blijkt uit de wetswijzigingen tijdens de afgelopen jaren, waarbij juist is getracht de positie van de benadeelde te verstevigen. Het uitgangspunt is volgens de wetgever nu juist dat de benadeelde binnen het strafproces ook dit soort vorderingen kan indienen teneinde de schade te kunnen verhalen en niet een afzonderlijke procedure bij de burgerlijke rechter hoeft te entameren (met alle kosten van dien). In de wetsgeschiedenis is op geen enkele wijze steun te vinden voor het standpunt van het hof.
Klacht 2: Schade na 21e levensjaar benadeelde
13.
De tweede reden dat louter voldoende aannemelijk is dat de overledene tot het 21e levensjaar van de benadeelde zou hebben bijgedragen in de kosten van haar levensonderhoud, is onbegrijpelijk gemotiveerd. Vanaf dat het kind 21 jaar wordt, kan een kind op grond van de wet tegenover zijn ouders alleen nog aanspraak maken op een bijdrage in het geval het kind ‘behoeftig’ is, met andere woorden wanneer het kind niet in staat is om zelf geld te verdienen. Het enkele feit dat een kind nadat hij/zij 21 jaar oud is geworden studeert, maakt het kind niet behoeftig. (vgl. HR 9 september 1983, NJ 1984/535).
14.
Echter, onder omstandigheden kan een student van 21 jaar en ouder op grond van een zogenoemde natuurlijke verbintenis jegens zijn ouders aanspraak maken op een bijdrage in zijn studiekosten. Zo heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat een natuurlijke verbintenis kan bestaan voor ouders om een kind van 21 jaar oud financieel te ondersteunen bij het dragen van de kosten van een reeds aangevangen studie (Gerechtshof Amsterdam, 6 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU4638). Ook in het verleden heeft het Gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 18 januari 1996, NJ 1997/726, vergelijkbaar geoordeeld. In onderhavige zaak wist de overledene dat de benadeelde ging studeren. Immers vlak voor zijn dood was de benadeelde reeds ingeschreven voor de opleiding die na die fatale zomer zou aanvangen. De stukken van de opleiding zijn overgelegd. De overledene was hiermee akkoord en na die avond in Vinkeveen zouden de benadeelde en haar vader de financiën bespreken, echter dit gesprek heeft door toedoen van verzoeker nimmer kunnen plaatsvinden.
15.
Van een natuurlijke verbintenis is sprake als de ouder een dringende morele verplichting zou hebben, waarvan de naleving niet kan worden afgedwongen, maar die naar maatschappelijke opvattingen wel als voldoening van een die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Dit is bijvoorbeeld het geval als behoeftige nauwe bloedverwanten financieel worden gesteund zoals in het arrest De Visser/Harms (HR 30 november 1945, NJ 1946/62).
16.
In de huidige maatschappij dienen ouders, die daartoe financieel in staat zijn, hun kinderen ouder dan 21 jaar, de gelegenheid te geven hun studie binnen een redelijke termijn af te ronden. Dit blijkt reeds uit de regeling omtrent de studiefinanciering. DUO kijkt bij de aanvraag van studiefinanciering en een Tegemoetkoming scholieren naar het inkomen van de ouders.
17.
Recente maatschappelijke opvattingen in ogenschouw genomen, mede het feit dat de overledene nimmer heeft geweigerd de benadeelde financieel te ondersteunen, is het oordeel van het hof dat voldoende aannemelijk is ‘dat de overledene met betalingen in dezelfde orde van grootte aan zijn (in die periode: studerende) dochter zou zijn doorgegaan tot (in elk geval) haar 21e levensjaar’ en het dus kennelijk onvoldoende aannemelijk is dat de overledene daarna deze financiële steun zou hebben gecontinueerd, onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
18.
Niet valt aan te nemen dat de overledene gestopt zou zijn met het financieel ondersteunen van de benadeelde. Dit past eveneens niet bij de leer van de ruime toerekening in civiele letselschade zaken. Overlijdensschade is per definitie een vorm van schade waarbij wordt gekeken naar de situatie zoals die bestond vóór het schadeveroorzakende feit en hoe de situatie eruit zou zien indien het schadeveroorzakende feit wordt weggedacht. Hoe het hof tot de conclusie is gekomen dat de derving van het levensonderhoud louter tot het 21e levensjaar van de benadeelde kan worden geschat, is onbegrijpelijk. Het causale verband staat in deze zaak vast. Dit houdt in dat in beginsel de aansprakelijkheid voor alle veroorzaakte schade is gegeven. Verwezen wordt op dit punt naar het arrest van uw Raad van 18 maart 2005, NJ 2006, 606, m.nt. JBMV (Baby Kelly): als eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van sine-qua-non-verband tussen het gepleegde en de schade dan kan de aangesproken partij aansprakelijkheid niet afweren door te poneren dat de schade bij een verondersteld ander verloop der gebeurtenissen (vader wil niet bijdragen in de studiekosten) ook zou zijn geleden. Tevens wordt naar andere jurisprudentie van uw Raad verwezen te weten HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC265, NJ 1998/624, waarin uw Raad overweegt dat het risico bij in dit geval verzoeker ligt, als volgt geformuleerd ‘Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.’
19.
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Gerechtshof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin begrijpelijk gemotiveerd. Het oordeel kan derhalve niet in stand blijven
Middel II
Kosten berekening overlijdensschade
20.
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Het hof heeft namelijk bij de beslissing om de vordering benadeelde partij deels af te wijzen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is de beslissing van het hof dat de berekening overlijdensschade beperkt bruikbaar is onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
21.
Het hof heeft ten aanzien van deze schadepost overwogen
‘Ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de berekening door bureau [C] van het gederfde levensonderhoud verwijst het hof naar het hetgeen daarover hiervoor in algemene zin is overwogen. Aangezien het hof voor haar schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud in beperkte mate gebruik heeft gemaakt van het desbetreffende rapport, acht het hof een proceskostenvergoeding van € 500,- (deskundigenkosten) redelijk. Het ter zake van dit rapport door de benadeelde partij (als schade) meer gevorderde zal worden afgewezen.’
22.
Dit oordeel is in strijd met de uitspraak van uw Raad d.d. 11 juni 2003, NJ 2005 [naam 1]/London, want hierin bepaalt uw Raad
‘3.5.3
Omdat degene die aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van een door hem veroorzaakte aanrijding (…) in beginsel binnen de grenzen van art. 6:98 BW aansprakelijk is voor alle schade die de benadeelde als gevolg van die gebeurtenis heeft geleden, kunnen de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. Wel moeten die kosten als gevolg van de aanrijding zijn gemaakt (sine-qua-non-verband) en dienen zij tevens in een zodanig verband met de aanrijding te staan dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend.
3.5.4
(…) Voor de vraag of kosten van deskundige bijstand als een gevolg van de aanrijding voor vergoeding in aanmerking komen, geldt het vorenoverwogene eveneens, met dien verstande dat wat betreft de vraag of deze schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, dat deze aan de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden toegerekend, dient te worden beoordeeld of het redelijk was in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de aanrijding deskundige bijstand in te roepen en of de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.’
23.
De totale schade die is begroot door de rekenkundige bedraagt ruim € 81.000,--. De factuur bedroeg € 686,25 inclusief BTW. Het hof acht € 500,-- redelijk en dit wordt toegewezen en het resterende bedrag, te weten € 186,25 waarvan in feite € 119,10 kosten BTW, wordt afgewezen. Het hof overweegt daarbij dat het de berekening in beperkte mate heeft gebruikt. Gelet op voornoemde uitspraak van uw Raad getuigt deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting. Het wel of niet gebruiken van een berekening, bepaalt niet of de kosten redelijk zijn. Reeds om die reden kan het oordeel van het hof niet in stand blijven.
24.
Ten aanzien van de verwijzing naar hetgeen ‘in algemene zin is overwogen’, wordt op dit punt verwezen naar punt 6 tot en met 12 van deze schriftuur teneinde herhaling te voorkomen. Hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat een bedrag van € 186,25 (waarvan in feite € 119,10 kosten BTW) in verhouding tot een totale schade van ruim € 81.000,-- voor het berekenen van overlijdensschade door een rekenkundige kennelijk zo onredelijk is dat dit moet worden afgewezen, wordt onvoldoende gemotiveerd.
25.
Het hof heeft de benadeelde weliswaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering derving levensonderhoud, het staat de benadeelde alsnog vrij het resterende deel van die vordering aan de burgerlijk rechter voor te leggen. De benadeelde zal dan ter onderbouwing van de schade de berekening overleggen. Echter het afgewezen bedrag van € 186,25 kan de benadeelde niet meet aan de burgerlijk rechter voorleggen. Het hof geeft geen nadere motivering hiervoor gegeven en het oordeel is in die zin dan ook onbegrijpelijk. Daarbij lijkt het oordeel ook civielrechtelijk onjuist, nu de schadepost (het laten berekenen van de schade) an sich niet ongegrond en juist noodzakelijk is.
26.
Overigens, wordt in dit kader opgemerkt dat de berekening wel degelijk noodzakelijk was om te laten maken in verband met de uiteenzetting hiervoor aangaande de financiële ondersteuning van de benadeelde gedurende haar studiejaren. Gelet op de inhoud van het rapport wordt duidelijk dat een rekenkundige noodzakelijk is om die schade te begroten in verband met het uitrekenen van de behoeftigheid na het 21e levensjaar.
27.
Voorts wordt gewezen op het feit dat [C] is benaderd, een zeer gerenommeerd kantoor. De berekening is opgemaakt door [C], senior rekenkundige letselschade tevens gecertificeerd arbeidsdeskundige en LRGD geregistreerd gerechtelijk deskundige. De conclusie van het hof dat de berekening eenzijdig is opgesteld, wordt niet van een nadere onderbouwing voorzien. Het hof laat na te motiveren waaruit blijkt dat de gemaakte berekening op enigerlei wijze partijdig, vooringenomen of anderszins nadelig voor de verdediging is opgemaakt. Dat de berekening eenzijdig is opgemaakt, maakt de berekening niet onbruikbaar. Dit blijkt ook uit het feit dat het hof de berekening zelf heeft gebruikt bij de beslissing aangaande de vordering en derhalve de schadepost gedeeltelijk toewijst, te weten voor een bedrag van € 500,--.
28.
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin begrijpelijk gemotiveerd. Het oordeel kan derhalve niet in stand blijven.
Middel III
Kosten lijkbezorging
29.
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Het hof heeft namelijk bij de beslissing om de vordering benadeelde partij deels af te wijzen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is de beslissing van het hof dat legeskosten en notariskosten niet tot de kosten lijkbezorging behoren, onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
30.
Het Het hof heeft geoordeeld dat het bedrag aan kosten lijkbezorging gedeeltelijk kan worden toegewezen tot € 4.391,--. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Het hof overweegt als volgt
‘Ten aanzien van de schadepost die is opgevoerd als ‘kosten van lijkbezorging’ ad € 19.399,79 is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat één maal griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafiuionument kunnen worden gekwalificeerd als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. In totaal kan dus € 4.391,- worden toegewezen. Voor het overige betreffen de opgevoerde kostenposten naar het oordeel van het hof kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en komen zij derhalve niet op grond van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Het meer gevorderde zal daarom worden afgewezen.’
31.
Het hof heeft meerdere onderdelen van dit gedeelte van de vordering afgewezen. In dit derde middel wordt het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk geacht ten aanzien van:
- a.
Legeskosten gemeente Zaltbommel ad € 12,00
- b.
Legeskosten gemeente Leusden ad € 12,50
- c.
Nota notaris [de notaris] ivm afwikkelingskosten over 2014 ad € 4.671,2
32.
De benadeelde was op het moment dat haar vader plotseling overleed 18 jaar oud. Zij had als erfgenaam in die tijd deskundige bijstand nodig om het overlijden van haar vader te kunnen afwikkelen. Dit betreft niet slechts het verzorgen van de begrafenis en het regelen van een grafmonument. De legeskosten zijn kosten voor registratie van het overlijden van haar vader alsmede het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. De notaris heeft de afwikkeling van de begrafenis moeten regelen in 2014 en vervolgens werkzaamheden moeten verrichten om de nalatenschap af te kunnen wikkelen.
33.
Dat deze kosten voor toewijzing in aanmerking komen, kan gelet op de volgende jurisprudentie worden vastgesteld:
- a.
Rechtbank Roermond, 6 juni 2008 (ECLI:NL:RBROE:2008:BD3293 ‘en notariskosten in verband met het opmaken van een verklaring van erfrecht.’
- b.
Gerechtshof Arnhem, 19 juli 2002 (ECLI:NL:GHARN:2002:AE5553 ‘het verweer dat de vordering te ingewikkeld is, wordt gepasseerd, omdat de vordering betrekking heeft op —in hoger beroep— deugdelijk gespecificeerde en gedocumenteerde kosten van ambulancevervoer en lijkbezorging, alsmede van notariskosten.’
- c.
Gerechtshof Den Haag, 6 april 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:920‘Post 3 betreffen de notariskosten van € 238,00, deze post komt voor vergoeding in aanmerking en zal volledig worden toegewezen.’
- d.
Rechtbank Rotterdam, 23 november 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:8983.
- e.
Rechtbank Noord-Holland 25 juli 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:7224)
- f.
Rechtbank Rotterdam 26 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:2066)
- g.
Rechtbank Den Haag 10 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7950)
- h.
Rechtbank Overijssel 26 februari 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:670).
34.
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin begrijpelijk gemotiveerd. Het oordeel kan derhalve niet in stand blijven.
Middel IV
35.
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Het hof is namelijk bij de beslissing omtrent de notariskosten niet ingegaan op het subsidiair en meer subsidiair gevorderde. Alleen al daarom is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. Verzoeker heeft het subsidiair en meer subsidiaire niet betwist, zodat de vordering op dit punt voor toewijzing gereed lag mede gelet op de vaste jurisprudentie van uw Raad2. en de in punt 33 genoemde jurisprudentie. Ook om die reden is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
36.
Het hof heeft geoordeeld dat het bedrag aan kosten lijkbezorging gedeeltelijk kan worden toegewezen tot € 4.391--. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Het hof overweegt als volgt
‘Ten aanzien van de schadepost die is opgevoerd als ‘kosten van lijkbezorging’ ad € 19.399,79 is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat één maal griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. In totaal kan dus € 4.391,- worden toegewezen. Voor het overige betreffen de opgevoerde kostenposten naar het oordeel van het hof kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en komen zij derhalve niet op grond van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Het meer gevorderde zal daarom worden afgewezen.’
37.
Namens de benadeelde was het volgende naar voren gebracht:
‘Mocht uw Gerechtshof oordelen dat de notariskosten geen kosten van de lijkbezorging betreffen dan wordt meer subsidiair aangevoerd dat de notaris, als deskundige, een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de schade nu hij tijdens de afwikkeling van de nalatenschap telkens op te betalen vorderingen stuitte en deze vorderingen voldeed vanuit de erfenis. Cliënte kon zelf redelijkerwijs niet voor die afwikkeling van de nalatenschap zorgdragen. Dit maakt dat op grond van artikel 6:96 BW, tweede lid, de nota's van de notaris voor toewijzing vatbaar zijn als zijnde proceskosten. Verzocht wordt dan ook om de kosten van de notaris, gelijkluidend de kosten voor rekenkundige [C], als buitengerechtelijke incassokosten te beschouwen. Oftewel toewijzing van een bedrag van € 4.415,50 aan kosten lijkbezorging en een bedrag van € 11.719,29 aan buitengerechtelijke incassokosten, te weten notariskosten.
Meest subsidiair wordt verzocht naast de griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument, óók de legeskosten en een bedrag van € 230,-- aan notariskosten toe te wijzen in het kader van kosten lijkbezorging, nu voornoemd bedrag gemiddeld aan een beneficiaire aanvaarding wordt besteed en in de jurisprudentie dergelijke bedragen worden toegewezen. Derhalve een totaalbedrag van € 4.645,50.’
38.
Gelet op dit standpunt en het uitblijven van een reactie hierop geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, het hof heeft geoordeeld dat de notariskosten geen kosten lijkbezorging in de zin van 6:108 BW zijn, doch laat na te motiveren waarom de notariskosten niet als zijnde proceskosten kunnen worden toegewezen nu de werkzaamheden van de notaris van groot belang waren bij het begroten van de schade van de benadeelde. Evenmin is het oordeel begrijpelijk gemotiveerd, aangezien ten aanzien van het meest subsidiaire de jurisprudentie genoemd onder punt 33 was opgenomen en het hof heeft nagelaten hierop te responderen. Het oordeel kan derhalve niet in stand blijven.
Deze cassatieschriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. E. Huls, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan De Lairessestraat 121 (1075 HH), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door voornoemde benadeelden.
Amsterdam, 13 januari 2019
mr. E. Huls
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑01‑2019
Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, 21 juni 2018, ECLI:NL:2018:5512
Tot een gelijkluidend oordeel komt de A-G mr. Harteveld in punt 21.12 van de conclusie in de Passage zaak (ECLI:NL:PHR:2018:1390). Onder verwijzing naar de navolgende jurisprudentie: conclusie Jörg voorafgaand aan HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:Ad4421, conclusie Vegter voorafgaand ECLI:NL:PHR:2012:BV2855 aan HR 20 maart 2012.
Beroepschrift 11‑01‑2019
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
11 januari 2019
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN
CASSATIE VAN BENADEELDE PARTIJEN
de heer [benadeelde 4],
mevrouw [benadeelde 1] pro se, en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:
- —
de heer [benadeelde 2],
en
- —
de heer [benadeelde 3].
Benadeelde partijen in het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 11 december 2017 met parketnummer 21/002094-16
advocaat: mr. Richard Korver
tegen:
de heer [verdachte]
advocaat: mr. W.H. Boomstra
Middelen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
geeft eerbiedig te kennen Mevrouw [benadeelde 1] pro se, (hierna ook te noemen: ‘[benadeelde 1]’ of ‘benadeelde partij’), en de minderjarigen de heer [benadeelde 2] (hierna ook te noemen: ‘[benadeelde 2]’ of ‘benadeelde partij’) en de heer [benadeelde 3] (hier ook te noemen: ‘[benadeelde 3]’ of ‘benadeelde partij’), welke wettelijk worden vertegenwoordigd door mevrouw [benadeelde 1], allen wonende te [woonplaats] en allen te dezer zake aldaar domicilie gekozen hebbende aan de Herengracht 462 (1017 CA), ten kantore van Richard Korver advocaten, van welke kantoor mr. Richard Korver in deze zaak als procesadvocaat optreedt;
1.
De benadeelde partijen voeren de navolgende middelen aan in cassatie ten aanzien van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem:
Middel I
2.
Het recht — in het bijzonder de artikelen 51a Sv, 51f Sv, 6:108 lid 1 BWen 6:97 BW alsmede de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, welke richtlijn bij wet van 8 maart 20171., houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315) is geïmplementeerd — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, doordat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat [benadeelde 1] pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de onder haar gezag staande minderjarigen, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering tot gederfd levensonderhoud en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen, waarbij er naar inzicht van de benadeelde partijen voornoemd ten onrechte wordt verwezen naar een arrest van uw Raad van 15 september 20062., zodat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting middel I
3.
[benadeelde 1] heeft een bedrag van EUR 190.045,77 gevorderd. Dit bestaat uit een bedrag van EUR 172.545,77 aan materiële schade en EUR 17.500,00 aan immateriële schade. Het grootste gedeelde van de materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. Dit betrof een schadepost vanwege gederfd levensonderhoud.
4.
[benadeelde 2] heeft een bedrag van EUR 50.326.56 gevorderd. Dit bestaat uit een bedrag van EUR 32.826,56 aan materiële schade en EUR 17.500,00 aan immateriële schade. Het Hof heeft een bedrag van EUR 10.000,00 vanwege geleden materiële schade toegewezen. Het grootste gedeelde van de materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. Dit betrof een schadepost vanwege gederfd levensonderhoud.
5.
[benadeelde 3] [slachtoffer 2] heeft een bedrag van EUR 40.930,16 gevorderd. Dit bestaat uit een bedrag van EUR 23.430,16 aan materiële schade en EUR 17.500,00 aan immateriële schade. Het Hof heeft een bedrag van EUR 10.000,00 vanwege geleden materiële schade toegewezen. Het grootste gedeelde van de materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. Dit betrof een schadepost vanwege gederfd levensonderhoud.
6.
Het Hof ten aanzien van alle benadeelde partijen waar onderhavig middel betrekking op heeft overwogen:
‘Derving levensonderhoud
De benadeelde partijen [benadeelde 1], [ benadeelde 2], [ benadeelde 3] en de dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] hebben vergoeding gevorderd van gederfd levensonderhoud zoals bedoeld in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft de vorderingen op dit punt toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman van verdachte heeft de vordering op dit punt betwist, omdat dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in het onderhavig proces geen plaats. Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige. Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren. In zoverre zou het hof dan ook verplicht zijn, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AV2654)3..
Anderzijds is wat het hof betreft op zichzelf voldoende aannemelijk dat bij de desbetreffende benadeelde partijen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud.
Op grond van het bovenstaande zal het hof met gebruikmaking van de hem toekomende schattingsbevoegdheid uit art. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek per benadeelde partij vaststellen voor welk bedrag deze in elk geval schade heeft geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.’
7.
Ten aanzien van [benadeelde 1] heeft het Hof omtrent het gederfde levensonderhoud het volgende overwogen:
‘Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6: 108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van haar overleden echtgenoot [slachtoffer 2] en de benadeelde partij, de verhouding daartussen en de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezenverklaarde acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van 30.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’
8.
Ten aanzien van [benadeelde 2] heeft het Hof omtrent het gederfde levensonderhoud het volgende overwogen:
‘Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij [benadeelde 1] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader [slachtoffer 2] en zijn moeder [benadeelde 1]. de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 10.000,- aan schade wegens gederfd levensonderliotid lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’
9.
Ten aanzien van [benadeelde 3] heeft het Hof omtrent het gederfde levensonderhoud het volgende overwogen:
‘Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij [benadeelde 1] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader [slachtoffer 2] en zijn moeder [benadeelde 1], de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 10.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’
10.
Volgens de benadeelde partijen is deze beslissing onvoldoende gemotiveerd en in het licht van de huidige stand van de wet en rechtspraak onbegrijpelijk, doordat er door het Hof onder meer wordt verwezen naar een uitspraak van uw Raad van 15 september 20064.. In dat arrest is door uw Raad onder meer het volgende overwogen:
‘Het is juist dat de aldus voorziene procedure aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure. Hierin wordt echter in afdoende mate voorzien door art. 361 lid 3 Sv., welke bepaling in het licht van art. 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voorzover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.’
11.
De benadeelde partijen stellen zich op het standpunt dat het Hof, met verwijzing naar dit arrest, de gelaagde structuur van dit arrest miskent. Immers het Hof miskent dat voornoemde overweging van uw Raad is gebaseerd op het oudeartikel 361 lid 3 Sv. Voornoemde wetsbepaling luidde tot aan 1 januari 2011 als volgt:
‘Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is5. dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.’
12.
In de Memorie van Toelichting6. behorende bij invoering van voornoemd artikel is daarover het volgende overwogen:
‘Op grond van deze bepaling kan de rechter complexe civiele vorderingen geheel of ten dele uit het strafproces weren. Hierbij moet worden gedacht aan vorderingen die worden betwist en alleen door een grondig onderzoek met behulp van getuigen en deskundigen kunnen worden beoordeeld. De strafrechter kan zich op grond van deze bepaling beperken tot beslissingen over vorderingen waarover volstrekte duidelijkheid bestaat of waarover de gewenste duidelijkheid op eenvoudige wijze kan worden verkregen. Op deze wijze wordt het accessoire karakter van de vordering gewaarborgd en wordt voorkomen dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een te belangrijke plaats in het strafproces inneemt.’
13.
Sinds 1 januari 2011 is het criterium voor de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij uit artikel 361 lid 3 Sv echter gewijzigd. Kort gezegd is het criterium ‘niet eenvoudig van aard’ vervangen door het criterium van de ‘onevenredige belasting van het strafgeding’. Het huidige artikel 361 lid 3 Sv luidt thans als volgt:
‘Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert7., kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.’
14.
Deze wijziging volgt op een amendement8. van Tweede Kamer leden Wolfsen en Teeven. In de toelichting op het amendement is het volgende te lezen:
‘Dit amendement beoogt te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel als mogelijk — en vaker dan nu het geval is — inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist. Het enkele feit dat een vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er bijvoorbeeld een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord of het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, mag geen reden (meer) zijn de vordering om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.’
15.
De benadeelde partijen stellen zich op het standpunt dat het Hof zijn oordeel derhalve niet had kunnen én mogen baseren op het arrest van uw Raad van 15 september 2006, nu die uitspraak is gebaseerd op oud recht dat inmiddels is komen te vervallen. Volgens de benadeelde partijen heeft het Hof derhalve een onjuiste toepassing gegeven aan het recht. Alleen al om die reden kan naar inzicht van de benadeelde partijen de beslissing van het Hof geen standhouden.
Middel II
16.
Het recht — in het bijzonder artikel 361 lid 4 Sv en artikel 6 EVRM alsmede de beginselen van een goede procesorde — zijn geschonden en/ of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, doordat het Gerechtshof haar beslissing aangaande de vorderingen van [benadeelde 1] pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de onder haar gezag staande minderjarigen, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] tot gederfd levensonderhoud te schatten, niet afdoende heeft gemotiveerd, zodat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting middel II
17.
[benadeelde 1] pro se heeft een bedrag van EUR 137.008,06 aan gederfd levensonderhoud gevorderd. Het Hof heeft een bedrag van EUR 30.000,00 toegewezen. Namens [benadeelde 2] is een bedrag van EUR 32.826,56 aan gederfd levensonderhoud gevorderd. Het Hof heeft een bedrag van EUR 10.000,00 toegewezen. Namens [benadeelde 3] is een bedrag van EUR 23.430,16 aan gederfd levensonderhoud gevorderd. Het Hof heeft een bedrag van 10.000,00 toegewezen.
18.
Op grond van artikel 51f Sv kan iemand die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zijn schade, middels een vordering benadeelde partij, op eenvoudige wijze binnen het strafproces verhalen.
19.
Op grond van artikel 6 EVRM alsmede artikel 361 lid 4 Sv dient de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen te zijn omkleed. De achterliggende gedachte hiervan is volgens een arrest van uw Raad9. dat een vonnis c.q. arrest zodanig behoort te zijn gemotiveerd dat het voldoende inzicht geeft in de gedachtegang van de rechter om de beslissing voor de procespartijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Dit geldt derhalve ook voor de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.10. Daarnaast is het zo dat goed gemotiveerde beslissingen bijdragen aan de acceptatie van de beslissing en daarmee aan de acceptatie van de rechtsstaat. Dat juist voor slachtoffers van zulke ernstige delicten als het onderhavige een motivering van belang is behoeft verder geen nader vertoog, maar wordt wel nadrukkelijk aangevoerd in cassatie.
20.
Uit het arrest volgt dat de beslissingen van het Hof om aan [benadeelde 1] pro se, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] een bedrag aan schade voor gederfd levensonderhoud toe te kennen gebaseerd zijn op de berekening van de schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Waarbij, aldus het Hof, onder meer gekeken is naar de inkomens uit arbeid van het slachtoffer alsmede de benadeelde partij [benadeelde 1], de verhouding daartussen alsmede naar de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezenverklaarde.11.
21.
Door het Hof wordt naar inzicht van de benadeelde partij echter op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe de door het Hof geschatte bedragen (precies) tot stand zijn gekomen. Naar inzicht van de benadeelde partijen ontbreekt derhalve een gemotiveerd standpunt van het Hof hieromtrent. De benadeelde partijen stellen zich op het standpunt dat het Hof niet enkel de uitkomst in haar beslissing had moeten noemen, doch dat zij ook had moeten motiveren hoe zij precies tot deze uitkomst c.q. schatting is gekomen. Volgens de benadeelde partijen had dat minst genomen van het Hof verwacht mogen worden, doch zij heeft dat nagelaten.
22.
De beslissing van het Hof is dan ook naar inzicht van de benadeelde partijen niet zonder meer begrijpelijk te achten en kan om die reden dan ook geen standhouden.
Middel III
23.
Het recht — in het bijzonder artikel 361 lid 4 Sv en artikel 6 EVRM alsmede de beginselen van een goede procesorde — zijn geschonden en/ of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, doordat het Gerechtshof haar constatering dat het rekenkundig rapport alsmede de keuze voor de deskundige eenzijdig zijn vastgesteld alsook dat de tussen partijen gehouden schriftelijke ronde voor de verdediging niet afdoende was, onvoldoende gemotiveerd, zodat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting middel II
24.
Het Hof heeft overwogen:
‘Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat.’
en
‘Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige.’
en
‘Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren.’
25.
Ten aanzien de rekenkundige rapportage die is opgesteld heeft te gelden dat een LRGD geregistreerde deskundige van het expertisebureau [C] is ingeschakeld om de schade voor mevrouw [benadeelde 1] en haar kinderen te berekenen. De rapportage betreft een berekening én bevat alle onderliggende stukken waarop die berekeningen zijn gebaseerd.
26.
De verdediging is reeds vanaf de procedure bij de Rechtbank in het bezit van deze rapportage en heeft derhalve kennis genomen van alle onderliggende stukken. Indien de verdediging het oneens zou zijn geweest met de berekening dan wel van mening zou zijn geweest dat de berekening gebaseerd had moeten worden op andere stukken dan had de verdediging dat op dat moment kenbaar kunnen én moeten maken. De verdediging heeft dat niet althans onvoldoende gedaan. Hetzelfde heeft te gelden voor de geraadpleegde deskundige. Indien de verdediging het niet eens zou zijn geweest met de deskundige die de rapportage heeft opgesteld, dan had het de verdediging vrijgestaan om een contra-expertise te laten uitvoeren. Hier is door de verdediging echter niet eens om verzocht.
27.
In dat kader verwijzen de benadeelde partijen nog naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 15 juni 201812. waarin het Hof heeft overwogen dat het voor de berekening van overlijdensschade binnen de rechtspraak een algemeen geaccepteerde rekenmethode is om uit te gaan van de richtlijn ‘Rekenmodel overlijdensschade’, dezelfde richtlijn als de richtlijn op basis waarvan de door [benadeelde 1] ingeschakelde deskundige tot haar schadeopstelling is gekomen.
28.
De benadeelde partijen verwijzen ook nog naar een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 31 mei 201813. Ook in die zaak was door de benadeelde partij een vordering in gediend voor gederfd levensonderhoud en ook in die zaak was de vordering onderbouwd door een rekenkundigrapport van expertisebureau [C]. De Rechtbank oordeelde daar:
‘Wat de vergoeding voor gederfd levensonderhoud betreft is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende is onderbouwd en voor vergoeding in aanmerking kan komen. (…)
Het verzoek om gelegenheid te krijgen een eigen onderzoek in te laten stellen naar de gestelde hoogte van het gederfd levensonderhoud zal worden afgewezen.
Het verzoek is tardief gedaan.
De raadsman kent de vordering al geruime tijd en noch hij noch zijn kantoorgenoot heeft op enig eerder moment melding gemaakt van zijn wens om een tegenonderzoek te laten plaatsvinden. Dat de berekening van het expertisebureau [C] BV niet correct zou zijn, is niet aangevoerd. De rechtbank heeft ook ambtshalve geen aanleiding om de expertise van dit bureau in twijfel te trekken en ziet geen noodzaak om een tweede deskundige het gederfd levensonderhoud te laten berekenen.’
Volgens de benadeelde partijen kan dan ook niet gesteld worden dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld. De verdediging heeft immers ruimschoots de tijd gehad om daar verweer op te voeren of daar anderszins naar de handelen, doch heeft dat niet gedaan. Het oordeel van het Hof is op dat punt dan ook onbegrijpelijk te achten dan wel onvoldoende gemotiveerd.
29.
De benadeelde partijen achten de overweging van het Hof, dat zij ondanks de schriftelijke ronde niet verzekerd acht dat de verdachte enkel daardoor in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, eveneens onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
30.
Naar inzicht van de benadeelde partij miskent het Hof met deze overweging dat de verdediging, mede door de schriftelijke ronde alsook door de behandeling in twee feitelijke instanties, juist voldoende ruimte en gelegenheid heeft gehad om de vragen die er zouden zijn en die specifieke kennis die volgens de verdediging voor de beantwoording noodzakelijk zou zijn, hebben kunnen voorleggen aan de ingeschakelde specialist dan wel zelf aan een andere specialist hadden kunnen voorleggen. In lijn daarvan miskent het Hof bovendien dat bij de procedure in eerste aanleg bovendien de deskundige ter zitting aanwezig was, waardoor de bij de verdediging gerezen vragen direct hadden kunnen worden beantwoord. De verdediging heeft ook daar geen gebruik van gemaakt. Voorts wordt door het Hof miskend dat door de verdediging niet wordt geconcretiseerd welke vragen de vordering oproept alsmede welke specifieke punten worden betwist, waardoor er geen sprake is van een (voldoende) concrete betwisting. Het oordeel van het Hof is dan ook onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
31.
De benadeelde partijen stellen dat het oordeel van het Hof in strijd is met de huidige stand van de rechtspraak en is van oordeel dat deze beslissing geen stand kan houden.
Middel IV
32.
Het recht — in het bijzonder artikel 24 Rv — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, doordat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering tot gederfd levensonderhoud en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen, waarbij het Gerechtshof zich ten onrechte niet lijdelijk heeft opgesteld.
Toelichting middel IV
33.
De benadeelden partijen stellen zich op het standpunt dat de vordering benadeelde partij een civiele vordering betreft die wordt behandeld in het strafproces. Ondanks behandeling van de civiele vordering in het strafproces, heeft uw Raad14. geoordeeld dat de bewijs (minimum) regels voor strafzaken niet gelden, maar dat te dien aanzien de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken van toepassing zijn.
34.
Het Gerechtshof heeft ten aanzien van alle benadeelde partijen overwogen:
‘Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige.’
35.
Volgens de benadeelde partijen treedt het Hof met haar constatering buiten de regels van stelplicht en bewijslastverdeling. Immers, door de verdediging is niet het verweer gevoerd dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld. Door de verdediging en eveneens niet het verweer gevoerd dat de geraadpleegde deskundige niet de juiste deskundige zou zijn.
36.
Met deze constatering is het Hof buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd gestreden. Het Hof handelt daarmee in strijd met artikel 24 Rv, welk artikel bepaalt dat de rechter een zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van wat partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd. De rechter mag deze grondslag niet aanvullen met feiten en omstandigheden. Nu het hier gaat om een civiele vordering had het Hof zich in deze lijdelijk moeten opstellen, hetgeen zij — gezien haar constatering — niet heeft gedaan.
37.
Naar inzicht van de benadeelde partijen is de beslissing van het Hof dan ook De beslissing van het Hof is dan ook naar inzicht van de benadeelde partijen niet zonder meer begrijpelijk te achten en kan om die reden dan ook geen standhouden.
Concluderend
38.
Gelet op het voorgaande zijn de benadeelde partijen voornoemd van oordeel dat zij ten onrechte voor het grootste gedeelte niet-ontvankelijk zijn verklaard in de door hun gevorderde post gederfd levensonderhoud. De benadeelde partijen voornoemd verzoeken uw Raad eerbiedig om het bestreden arrest te vernietigen ten aanzien van de beslissing omtrent de schadepost gederfd levensonderhoud en opnieuw rechtdoende alsnog die schadepost geheel toe te wijzen althans een in goede justitie te bepalen bedrag toe te wijzen.
Middelen ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 4]
geeft eerbiedig te kennen de heer [benadeelde 4] (hierna ook te noemen: ‘[benadeelde 4]’), wonende te [woonplaats] te dezer zake aldaar domicilie gekozen hebbende aan de Herengracht 462 (1017 CA), ten kantore van Richard Korver advocaten, van welke kantoor mr. Richard Korver in deze zaak als procesadvocaat optreedt;
39.
De benadeelde partij voert het navolgende middel aan in cassatie ten aanzien van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem:
Middel I
40.
Het recht — in het bijzonder de artikelen 51a Sv, 51f Sv, en 6:97 BW alsmede de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, welke richtlijn bij wet van 8 maart 201715., houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315) is geïmplementeerd — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, doordat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering verlies verdienvermogen omdat dit een onevenredige belasting zou opleveren, terwijl uit wet en jurisprudentie genoegzaam is gebleken dat dergelijke kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen in ieder geval gedeeltelijk doordat die geleden schade zo veel als mogelijk had behoren te worden geschat, zodat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting middel I
41.
[benadeelde 4] heeft een bedrag van EUR 118.633,94 gevorderd. Dit bestaat uit een bedrag van EUR 73.633,94 aan materiële schade en EUR 45.000,00 aan immateriële schade. Het grootste gedeelte van de materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. Dit betrof een schadepost vanwege verlies van verdienvermogen.
42.
Het Hof heeft hieromtrent overwogen:
‘Met betrekking tot de vordering wegens verlies van verdienvermogen (opgevoerd als de gederfde winst over 2014 en 2015) is het hof— gelet op de voldoende gemotiveerde betwisting door de verdediging — van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’
43.
Door de verdediging is hierover in haar conclusie vordering benadeelde partijen het volgende aangevoerd:
‘[benadeelde 4] is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover deze ziet op gederfde winst over de jaren 2014 en 2015 (ad 3: € 56.241,-). Cliënt sluit voor dat deel aan bij het oordeel van de Rechtbank en verwijst daarvoor naar haar overweging. Kort gezegd ontkent cliënt dat de winstderving het gevolg is van hetgeen hem tenlastegelegd is, en dit causaal verband is ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit geldt, naar hetgeen de Rechtbank stelt, daarmee eveneens voor de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de berekening van de gederfde winst (ad 9: € 1.530,65). Overigens, als zelfs een dergelijk uitgebreide berekening het vereiste inzicht niet geeft, en alsnog tegenstrijdigheden bestaan met andere bescheiden, dan kan het niet anders dan dat het nog uitgebreider onderzoek en nadere expertise vereist om daadwerkelijk de oorsprong van de gederfde winst vast te stellen. Daartoe leent het strafproces zich niet en de verdere behandeling van dit deel van de door [benadeelde 4] ingediende vordering zou dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Derhalve dient het oordeel van de Rechtbank op dit punt gehandhaafd te worden.’
44.
Ter zitting is door de verdediging in haar pleitaantekeningen nog het volgende naar voren gebracht:
- ‘165.
Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.
- 166.
In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk — wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de ‘eigen schuld’ kan pas worden vastgesteld na grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag aan schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade dan ook moet worden toegewezen.
- 167.
Wat betreft de inkomensderving wordt eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Het civiele recht is daar duidelijk in: artikel 149 Rv: wie stelt moet bewijzen en artikel 6:101 BW ‘eigen schuld’ brengen mee dat er een grondig onderzoek dient plaats te hebben naar de inkomenspositie van voor het ongeval en wat in aanmerking zou komen voor vergoeding. Dat valt buiten het bestek van deze strafzaak omdat die vordering te complex is. De verdediging heeft op een aantal punten al de complexiteit in concreto aangetoond en maakt —indien nodig— van de gelegenheid gebruik om daar nog nader op in te gaan.’
45.
[benadeelde 4] is van oordeel dat de beslissing van het Hof onbegrijpelijk is. Door de verdediging is de vordering weliswaar inhoudelijk betwist, doch door [benadeelde 4] is gemotiveerd16. aangevoerd dat de gederfde winst een gevolg is van het tenlastegelegde. Bovendien is ter zitting ook nog namens [benadeelde 4] verweer gevoerd tegen hetgeen door de verdediging is aangevoerd. In de pleitaantekeningen is ten aanzien daarvan het volgende te lezen:
- ‘13.
Volgens de verdediging is deze kostenpost17. bij beide cliënten niet afdoende onderbouwd. Cliënten betwisten dat nadrukkelijk. Ten onrechte stelt de verdediging dat het causaal verband tussen de gederfde winst bij de onderneming van [benadeelde 4] en het feit onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
- 14.
[benadeelde 4] had dit reeds uitvoerig bij de Rechtbank aangevoerd doch heeft één en ander nog nader in de schriftelijke toelichting onderbouwd. Cliënt meent dat nadere expertise, gezien hetgeen hij reeds heeft aangeleverd in combinatie met de toelichting, niet nodig is. Hij verwijst ter voorkoming van herhaling, naar die passages. Door de verdediging is dit inhoudelijk niet betwist, zodat cliënt uw Hof eerbiedig verzoekt de gevorderde schadepost vanwege gederfde winst toe te wijzen.’
46.
Gezien voorgaande had het Hof naar inzicht van [benadeelde 4] minst genomen de schade zo veel als mogelijk moeten schatten/begroten en in ieder geval een deel van de vordering moeten toewijzen. Dat is immers in overeenstemming met de wet (artikel 6:97 BW), de bedoeling van de wetgever en de rechtsdoctrine die onder meer uit het boek van mr. Candido e.a. (geschreven op verzoek van de Raad voor de Rechtspraak) blijkt.18.
47.
Artikel 6:97 BW bepaalt immers dat de Rechter bevoegd is de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.19. In de Handleiding voor de Strafrechtspraktijk van Candido20. staat bovendien aangegeven:
‘De rechter kan overigens een aantal dingen doen om toch te komen tot een meer inhoudelijke beoordeling van een vordering van de benadeelde partij, hetgeen duidelijk de wens van de wetgever is. Allereerst kan de rechter vaker gebruik maken van de mogelijkheid de schade te schatten.’
48.
Door [benadeelde 4] werd die aanzet al gegeven. In de conclusie op het vonnis van de Rechtbank van de benadeelde partijen is namelijk door hem nota bene nog verzocht dat voor zover het Hof, met de Rechtbank, van oordeel zou zijn dat begin 2014 een terugvat liet zien en dat hierdoor niet goed is vast te stellen of de laatste twee kwartalen van 2014 wel de winst zou kunnen worden gegenereerd zoals in de voorgaande jaren werd gerealiseerd, om dan in ieder geval de gederfde winst over 2015 toe te wijzen.
49.
Het (al dan niet gedeeltelijk) toewijzen van dergelijke schadeposten is bovendien in lijn met de rechtspraak.21.
50.
Het oordeel van het Hof is bovendien in strijd met onderhavige uitspraak ten aanzien van de andere benadeelde partijen. Het Hof heeft immers ten aanzien van de overige benadeelde partijen, te weten [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], wél gebruik van de mogelijkheid om de schade op grond van artikel 6:97 BW te schatten, zij doet daar nota bene nadrukkelijk een beroep op en komt ten aanzien van alle benadeelde partijen tot het oordeel een bedrag aan schade toe te kennen. Hierdoor is volgens [benadeelde 4] sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel alsmede sprake van een schending van het verbod op willekeur. De beslissing van het Hof is naar inzicht van [benadeelde 4] om die reden onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
51.
[benadeelde 4] acht het oordeel van het Hof in zijn zaak, waarbij geheel ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de door hem gemotiveerde stellingen dat de gederfde winst in causaal verband staat tot het tenlastegelegde, derhalve onbegrijpelijk.
52.
Bovendien acht [benadeelde 4] het oordeel van het Hof secundair victimiserend. De overheid heeft immers als plicht om secundaire victimisatie te voorkomen. Onderdeel daarvan maakt uit dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk op de vordering beslist dan wel gemotiveerd onderbouwt waarom een vordering wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ten aanzien van de vordering verlies verdienvermogen van [benadeelde 4] heeft het Hof dat naar inzicht van [benadeelde 4] niet gedaan en handelt daardoor in strijd met Unierecht, meer specifiek in strijd met de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, welke richtlijn bij wet van 8 maart 201722., houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315) is geïmplementeerd.
53.
Voorts acht [benadeelde 4] het onbegrijpelijk dat het Hof geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de schade op grond van artikel 6:97 BW zoveel als mogelijk te schatten c.q. te begroten, zeker nu dat zo nadrukkelijk de bedoeling van de wetgever is, dit eveneens volgt uit de rechtspraak en dit ook is opgenomen in de handleiding die nota bene op verzoek van de Rechtspraak is opgesteld en gepubliceerd.
54.
[benadeelde 4] stelt dat het oordeel van het Hof in strijd is met de huidige stand van de wet en de rechtspraak en is van oordeel dat deze beslissing geen stand kan houden.
Concluderend
55.
Gelet op het voorgaande is [benadeelde 4] van oordeel dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering verlies verdienvermogen. [benadeelde 4] verzoekt uw Raad eerbiedig om het bestreden arrest te vernietigen ten aanzien van de beslissing omtrent de schadepost gederfde winst en opnieuw rechtdoende alsnog die schadepost geheel toe te wijzen althans een in goede justitie te bepalen bedrag toe te wijzen.
56.
Deze schriftuur word ondertekend en ingediend door mr. Richard Korver, kantoorhoudende te (1017 CA) Amsterdam aan de Herengracht 462, die bij deze verklaart tot ondertekening en indiening van deze schriftuur te zijn gemachtigd door de benadeelde partijen voornoemd.
Amsterdam, 11 januari 2019
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑01‑2019
Staatsblad, jaargang 2017, nr. 90, uitgegeven 16 maart 2017.
Onderstreping raadsman.
Onderstreping en vetdruk raadsman.
Onderstreping en vetdruk raadsman.
Kamerstukken II 2007/08, nr. 16.
Hoge Raad 4 juni 1993, NJ 1993, 659.
J. Candido (red.) e.a., Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, p. 114.
Zie bestreden arrest p. 22–25.
Hoge Raad 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755.
Staatsblad, jaargang 2017, nr. 90, uitgegeven 16 maart 2017.
Zie conclusie op het vonnis van de Rechtbank van 29 maart 2016 zijdens de benadeelde partijen, zie specifiek punt 33 tot en met 52.
Bedoeld wordt de post gederfde inkomsten/ gederfde winst
J. Candido (red.) e.a., Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk,
Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, ro 4.11.3.
J. Candido (red.) e.a., Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, p. 108.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2457; Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4629; Rechtbank Amsterdam 5 juli 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4718; Rechtbank Gelderland 10 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5726; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9739.
Staatsblad, jaargang 2017, nr. 90, uitgegeven 16 maart 2017.
Beroepschrift 16‑10‑2016
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 17/06043
Betekening aanzegging: 16 oktober 2016
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen
dossiernummer: D20170216
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 11 december 2017, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Tevens heeft het hof verdachte, als houder van een vaarbewijs, de bevoegdheid tot het voeren van schepen voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist, ontzegd voor de duur van vijf jaren en heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 EVRM, 287, 288, 410a, 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In hoger beroep heeft de verdediging in haar appelschriftuur verzocht een aantal getuigen te horen, waaronder de getuige [betrokkene 1]. Het verzoek strekte er (onder meer) toe deze getuige te ondervragen in verband met (verkort zakelijk weergegeven) de vraag of —zoals de rechtbank eerder in haar vonnis heeft gesteld— de in de bewezenverklaringen genoemde sloep (waarmee het door verdachte bestuurde vaartuig in botsing is gekomen) verlichting heeft gevoerd, hetgeen door en namens verdachte is betwist. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de verdediging wenst na te gaan waarom [betrokkene 1] erop gebrand is geweest aan te tonen dat de sloep wel verlichting heeft gevoerd; uit technisch onderzoek volgt dat de lamp mogelijk niet aanwezig is geweest; de verdediging het gevoel heeft dat de sloep van [betrokkene 1] is en [betrokkene 1] belang heeft te verdoezelen dat de sloep geen, althans geen functionerende lamp aan boord heeft gehad.
Het verzoek is afgewezen, waarbij het hof heeft geoordeeld dat de gevraagde getuigen, waaronder derhalve [betrokkene 1], volgens de motivering kunnen verklaren of er een lamp is gevonden en zo ja, waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was zodat de punten waarover de getuigen kunnen verklaren niet van belang zijn voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek is daarom afgewezen, waarbij het hof heeft overwogen dat verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.
In het licht van hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd is de afwijzing onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
1.1
In eerste aanleg heeft de rechtbank bewezen verklaard, dat:
‘Feit 1 subsidiair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos, als bestuurder van een motorboot, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde, met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep, waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door de (schroef van de) motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden.
Feit 2 subsidiair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als bestuurder van een motorboot, daarmede hoogst onachtzaam en hoogst onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers voer hij, verdachte, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [benadeelde 6] en [benadeelde 4] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] is ontstaan.
Feit 3 primair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als schipper van een motorboot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier opvarenden was gekomen, met die motorboot doorgevaren en heeft hij niet zo spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de hulp te verlenen aan de die stoep en de personen aan boord van die sloep, waartoe hij bij machte was.’
1.2
In het vonnis heeft de rechtbank onder meer in een nader bewijsoverweging vastgesteld:
‘De (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden
Door een groot aantal, ook hiervoor aangehaalde, getuigen is verklaard dat de bij de aanvaring betrokken sloep verlichting voerde.
Aangever [benadeelde 4] heeft hierover verklaard:
Onze boot was verlicht. Als ik naar achteren keek, had ik daar last van. Het was een felle, witte lamp.48 Achter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] stond op de sloep zo'n paaltje met verlichting erop. Het verbaasde me dat zo'n klein lichtpuntje zoveel licht veroorzaakte. Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat hij er geen last van had. De verlichting kwam boven [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit.49
Aangever [benadeelde 6] heeft hierover verklaard:
We hebben het ook nog over de felle verlichting op de sloep gehad, maar omdat de bestuurder eronder zit heeft die er geen last van, zei [slachtoffer 2] .50 De verlichting stond op de linkerzijde van de sloep aan de achterzijde. Het licht kwam boven het hoofd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit. Ik kon het licht zien. Het stokje stond dus achter de bestuurder.51
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van de opvarenden van de sloep en de reeds aangehaalde getuigenverklaringen hieromtrent volgt dat de sloep ten tijde van de aanvaring verlichting voerde.
Concluderend acht de rechtbank voornoemde feitelijkheden, opgenomen op de tenlastelegging onder feit 1 en feit 2, wettig en overtuigend bewezen, zoals nader uitgewerkt bij de bewezenverklaring onder 5.’
1.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 april 2017 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik heb in eerste aanleg geen eerlijk proces gehad. In mijn ogen zijn de dingen anders gelopen. () Wij zijn lang bezig geweest met een eigen onderzoek, daar willen we nu onderzoekswensen voor indienen. Er is ontlastend bewijsmateriaal spoorloos verdwenen en er is belastend bewijs dat niet op de juiste manier is gevonden.
()
De voorzitter deelt mede dat het heden een regiezitting betreft. Voorafgaand aan de zitting zijn de volgende stukken binnengekomen:
()
- —
Een appelschriftuur van mr. Nooitgedacht van 25 april 2016 waarin wordt verzocht — zonder nadere toelichting- om vijf getuigen te horen, namelijk dhr. [betrokkene 1], de leden van de duikvereniging en de journalist van het Algemeen Dagblad;
- —
Een brief van Mr. Boomstra van 25 augustus 2016 waarin de getuigenverzoeken nader worden toegelicht en waarin tevens een verzoek wordt gedaan om zowel de sloep als de boot van de verdachte te mogen bekijken;
()
- —
Een schriftelijke reactie van de advocaat-generaal van 5 september 2016. De advocaat-generaal geeft aan dat één van de vijf gevraagde getuigen kan worden toegewezen, namelijk dhr. [betrokkene 1] en dat de overige verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd.()
()
De voorzitter vraagt raadsman van verdachte om zijn verzoeken nader toe te lichten.
De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:
()
Anders dan de advocaat-generaal vind ik het van belang dat niet alleen [betrokkene 1] wordt gehoord, maar ook de overige getuigen. () Uit een aantal video's op YouTube blijkt dat er een duik heeft plaatsgevonden op 26 september 2014 waarbij de lamp zou zijn gevonden. Uit een andere video blijkt echter dat de lamp al eerder was gevonden. Het is onduidelijk waarom het zo werd gebracht en waarom [betrokkene 1] er zo op gebrand is dat de boot goed was verlicht. () De uitkomst van het onderzoek naar de lamp moet de vraag gaan beantwoorden of de sloep die avond wel of niet was verlicht. Er zijn voldoende aanknopingspunten in het dossier om te veronderstellen dat de lamp misschien niet heeft gebrand of er niet op zat. Als de lamp er wel op zat, moet technisch onderzoek uitwijzen op welke wijze het mogelijk is geweest dat de lamp naar binnen toe is afgebroken en op welke wijze de schade aan de lamp tot stand is gekomen. () Het materiaal van de lamp en de mastvoet veronderstelt dat als er sprake is van impact, de lamp afgebroken had moeten worden in zijn sokkel. De lamp die gevonden is, is nagenoeg intact behalve een knik. [betrokkene 8] kon de vraag ook niet beantwoorden. Technisch gezien wijst het er op dat de lamp er mogelijk niet in heeft gezeten. De vraag is dus of de lamp er wel of niet in heeft gezeten en of cliënt de sloep wel of niet heeft kunnen zien. De verdediging probeert er achter te komen van wie de sloep is. We hebben sterk het gevoel dat de boot van [betrokkene 1] zelf is en dat de boot is mee verhuurd met het lampje en gebruikt werd door de gasten. [betrokkene 1] heeft er dan direct belang bij te verklaren dat de boot een lamp had die functioneerde. We weten inmiddels dat de boot in Friesland is gemaakt en verhuurd is geweest en dat deze is verkocht. We hebben stickerafdrukken gevonden. We hebben de werf gevonden maar nog niet benaderd. [betrokkene 1] kan er wellicht antwoord op geven. Je kunt niet in een boot varen zonder te weten van wie die is. Als we weten wie de eigenaar is kan die misschien iets zinnigs zeggen over het al dan niet aanwezig zijn van de lamp. [betrokkene 1] zegt dat de lamp goed functioneerde en dat het een standaardlamp was. Uit de verklaring van de medeopvarenden kunnen we concluderen dat de lamp die aan boord aanwezig was, naar alle waarschijnlijkheid een zelfgemaakte lamp was. [betrokkene 1] kan op al die vragen antwoord geven.
()’
1.4
In het (tussen-) arrest van 26 april 2017 heeft het hof ten aanzien van het verzoek overwogen en beslist:
‘Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek om [betrokkene 1] te horen moet worden toegewezen, evenals het verzoek om nader onderzoek naar de breukwijze van de mast. De overige verzoeken dienen te worden afgewezen.
Oordeel hof
1. Onderzoek mastvoet
()
Ook indien uit de onderzoeksresultaten zou blijken dat de lamp niet van de sloep afkomstig is, zijn die onderzoeksresultaten niet van belang. Uit het feit dat de gevonden lamp niet van de sloep afkomstig is, kan namelijk niet worden afgeleid dat op de sloep geen lamp aanwezig was. Het zou immers kunnen dat er wel een lamp op de sloep was, maar deze niet is gevonden. Naar het oordeel van het hof is de noodzaak van nader onderzoek niet gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2. Verzoek horen getuigen.
Om diezelfde reden wijst het hof het verzoek om getuigen te horen af. De getuigen kunnen volgens de motivering van de verzoeken verklaren of er een lamp is gevonden, en zo ja waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was. De punten waarover de getuigen kunnen verklaren, zijn dus niet van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.
()
BESLISSING
Het hof:
()
Wijst af () de verzoeken van de verdediging ().’
1.5
De Hoge Raad heeft op 1 juli 2014 een overzichtsarrest gewezen omtrent het oproepen en horen van getuigen (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496). In dit arrest is de Hoge Raad onder meer ingegaan op de aan te leggen maatstaven. De Hoge Raad stelt dat de verdachte in beginsel de mogelijkheid heeft om alle getuigen te horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Het verdedigingscriterium geldt indien het verzoek tot het horen van getuigen is gedaan vóór de terechtzitting ex artikel 263 Sv of (in het geval van hoger beroep) indien het verzoek tot het horen van getuigen in de appèlschriftuur is opgenomen ex artikel 410 Sv. Een dergelijk verzoek dient door de rechter te worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de verdediging. Van belang daarbij is wel dat de verdediging dient te motiveren waarom het horen van een bepaalde getuige van belang is voor de verdediging. Zo dient het horen van de getuige in het belang te zijn van enige te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv. Het horen van een getuige kan ook van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a Sv. De verdediging zal in een dergelijk geval aan de hand van de factoren vermeld in dat artikel moeten aantonen tot welk rechtsgevolg het verzuim zou moeten leiden. Tevens is het mogelijk om ter zitting te verzoeken om bepaalde getuigen te horen. Een dergelijk verzoek wordt getoetst aan het noodzaakscriterium. Dit criterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Gelet op het voorgaande is aan de rechter de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden.
1.6
In 2017 heeft de Hoge Raad een nieuw overzichtsarrest gewezen omtrent het oproepen en horen van getuigen (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015). De Hoge Raad stelt zichzelf de vraag of de geldende jurisprudentie omtrent het oproepen en horen van getuige in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het naar de mening van de Hoge Raad in beginsel geen verschil of zo een verzoek een getuige à charge of á décharge betreft. Indien de gevraagde getuige geen verklaring in het vooronderzoek heeft afgelegd, zal de motivering van het verzoek betrekking moeten hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van die getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde feit dan wel ter ondersteuning van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. De rechter zal, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop de afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting of in de uitspraak moeten opnemen. Deze rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM. De Hoge Raad stelt voorts dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij alsnog moeten overgaan tot het oproepen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
1.7
De beslissing van het hof is onbegrijpelijk, nu de verdediging uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de getuige ook zou worden ondervraagd naar (onder meer) de vraag wie de eigenaar is van de sloep en derhalve naar de vraag of deze een lamp heeft gemonteerd en zo ja: wat voor soort lamp. Het oordeel van het hof, dat de gevraagde getuige niet (direct of indirect) gevraagd zou dienen te worden naar de vraag of de sloep verlicht was, is dan ook in het licht van hetgeen is aangevoerd onjuist en (dus) onbegrijpelijk. Hetgeen deze getuige op vragen van de verdediging zou kunnen verklaren is (voorts) van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing, te weten de beslissing of de ten laste gelegde feiten bewezen zouden kunnen worden verklaard. Niet alleen de rechtbank, maar ook het hof zelf, heeft in het arrest mede als redengevend voor het bewijs geacht de omstandigheid dat de sloep verlichting zou hebben gevoerd. Zo heeft het hof in het eindarrest overwogen:
‘Verlichting speedboot en sloep
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een sloep welke verlichting voerde op het water zag varen en dat er een boot zonder verlichting met enorme snelheid aan kwam varen. Hij hoorde een klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit rond achterlicht. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij een zwart varend vaartuig over het water heen zag schieten. Rechts zag hij ook een bootje varen. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag hij dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer en dat dit sloepje verlichting voerde.
()
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring geen verlichting voerde en dat de sloep van de slachtoffers wel verlichting voerde.
()
Roekeloosheid
()
Die hoge snelheid is niet — voor zover dat al mogelijk is — gecompenseerd door een bijzondere hoge mate van oplettendheid. Integendeel. Verdachte heeft immers de sloep niet gezien, zoals hij heeft verklaard. Dat heeft er echter niet aan gelegen dat de sloep niet verlicht was, want dat was de sloep wel. Het hof leidt daaruit af dat verdachte in hoge mate onoplettend, althans in hoge mate onachtzaam is geweest ().’
1.8
Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof, dat verdachte door de afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, onjuist en/of onbegrijpelijk. Voorts kan niet worden gesteld dat verdachte onvoldoende in zijn in rechte te respecteren belangen is geschaad, gelet op de omstandigheid dat het hof het voeren van verlichting door de sloep nadien ook als een redengevende omstandigheid heeft opgesomd in het (eind)arrest.
1.9
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat uit het verhandelde ter terechtzitting ook niet kan worden afgeleid dat de verdediging nadien kenbaar heeft gemaakt alsnog af te zien van deze getuige. Integendeel. Zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2017 dat mr. Boomstra, advocaat te Amsterdam, de raadsman die verdachte ter zitting heeft bijgestaan, het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, inhoudende onder meer:
‘Ten aanzien van de sloep met vier opvarenden, en het al dan niet door hen gevoerde licht
De verlichting van de sloep
- 94.
Zowel [benadeelde 4] als [benadeelde 6] hebben verklaard dat de sloep licht heeft gevoerd.
- 95.
Blijkens het dossier is er veel onderzoek gericht geweest naar de vraag of de sloep wel of niet verlichting heeft gevoerd tijdens het ongeval. Onwillekeurig moet ik vaststellen dat feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de sloep geen verlichting heeft gevoerd, door de Rechtbank buiten beschouwing zijn gelaten.
- 96.
Zoals reeds gesteld, was het mannenweekeinde al flink onderweg toen de laatste fatale etappe werd gevaren. [benadeelde 4] heeft uitvoerig verklaard over de verlichting gevoerd door de sloep. Toch heeft niet iedereen licht gezien op de sloep, en mijn cliënt immers ook niet.
Het is ook maar de vraag of besloten is dat op deze laatste etappe nog licht te voeren> immers, zo'n lampje met wit licht kan behoorlijk verblinden.
- 97.
Het onderzoek omtrent de vraag naar het licht wordt omringd met vragen en bijzonderheden, en toevalligheden. Hoewel zelf geen fan van de complottheorie kan ik niet anders vaststellen dan dat erop zulks een wijze is verklaard en onderzoek is verricht (en laten verrichten) dat aan het bestaan van een complot haast niet getwijfeld kan worden. Het openbaar ministerie heeft echter geen vraagtekens gezet en welwillend alles geaccepteerd. De wens en de wil om tot een veroordeling te komen is in deze zaak ongekend.
- 98.
In dat verband is het ook te betreuren dat bepaalde onderzoekswensen naar de betrouwbaarheid van diverse verklaringen, zijn afgewezen.
- 99.
De verlichting van de sloep is na het ongeval niet op de sloep aangetroffen. Ook in de daarop volgende 3 weken is door brandweer en politie tijdens duikacties geen lamp aangetroffen. Tijdens de schouw van de sloep op 7 mei 2015 is notabene door [verdachte] zelf geconstateerd dat de mastvoet, of sokkel waar de lamp in geplaatst moet worden, en waar ook de elektrische aansluiting aan vastzit, aan een draad op de bodem van de boot hing (zie Foto's 25–28 en 29). Voor een goed begrip: niet in de kuip, maar het gedeelte achter de kuipwand. Vervolgens komt er een aanvullend proces-verbaal waarin [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij op de avond van het ongeval de sloep aan de kade met collega's heft omgedraaid, omdat hij geïntrigeerd was door een klein zwart klepje op de sloep. De sloep moest worden gedraaid, omdat [betrokkene 8] de sloep niet in wilde. [betrokkene 8] als expert was geïntrigeerd door een klepje, dat nagenoeg op iedere sloep voorkomt. Elke watersporter weet echter waartoe dit klepje dient en dat dit de aansluiting voor de verlichtingsmast is. [betrokkene 8] verklaart dus dat na het ongeval de mastvoet intact is. Hij ziet de contactpuntjes onderin de mastvoet. De vraag is hoe [betrokkene 8] dit gezien kan hebben als nadien (tijdens de schouw) blijkt dat de mastvoet onderin de sloep hangt. Het lijk erop dat de verklaring van [betrokkene 8] — als deskundige — niet juist is. Dat de verklaring van [betrokkene 8] in strijd is met de waarheid lijkt te worden ondersteund oor notabene zijn eigen bevindingen van het onderzoek tijdens de nacht van het ongeval. Met geen woord verklaart hij over zijn onderzoek naar de verlichting, en met geen woord dat hij daartoe de boot heeft moeten draaien. Overigens is uit geen enkel rapport of het ruimte fotomateriaal gebleken dat de boot is gekeerd voor onderzoek naar het intrigerende klepje. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat [betrokkene 8] nooit heeft vastgesteld dat de mastvoet in orde was, vlak na of voor het ongeval en dat zijn aanvullende proces-verbaal moest verhullen dat hij dit was vergeten te onderzoeken.
()
- 104.
Ten slotte en ten aanzien van het beweerdelijk gevoerde licht op de sloep het volgende, en in optiek van de verdediging stuitende bewijs dat er door de sloep geen licht is gevoerd.
- 105.
Op 11 augustus 2017 heeft de verdediging in Hoogeveen de sloep nog eens minutieus bekeken, onder toezicht van een medewerker van de Domeinen. Tijdens het onderzoek aan en in de boot is iets bijzonders geconstateerd (zie Foto 36 en 37). U ziet onderin de boot een verweerde plek van een lekkage die oud is. De plek is verweerd en zwart geworden. Rechts boven deze zwarte, verweerde plek zit de opening in het dek, waar de mastvoet in had moeten zitten, en waarvan [betrokkene 8] stelt dat hij er tijdens de avond van het ongeval ook nog inzat. Deze verweerde plek wijst onweersprekelijk op de omstandigheid dat door het gat langdurig sprake is geweest van lekkage, en dat een mastvoet (die het gat zou hebben afgedicht) er al heel lang er niet meer in zat. De sloep heeft op de bewuste avond geen licht meer gevoerd. De sloep die uit de nacht opdoemde was onverlicht en mijn cliënt heeft de sloep simpelweg nooit kunnen waarnemen. Dat verklaart ook waarom de opvarenden op de boot van mijn cliënt ook niets hebben gezien.
En van deze getuigen kun je niet zeggen dat ze ten gunste van mijn cliënt hebben willen verklaren.
()
- 170.
Mocht uw hof tot een bewezenverklaring komen dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om de getuige te horen, als verzocht, te weten de heer [betrokkene 1], de duikers en de journalist, allen vermeld bij appélschriftuur.
()’
1.10
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2017 is voorts (onder meer) gerelateerd:
‘De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — als volgt:
()
U vraagt mij waarom ik de sloep niet heb gezien. Ik denk dat de sloep niet verlicht was en ik denk dat ik dat kan aantonen. We zijn teruggevaren, we hebben alle drie gekeken en we hebben geen sloep gezien.
()
Ik ben ervan overtuigd dat de sloep niet verlicht was. Bij de schouw kon ik zien dat de lamp die op de sloep hoort, los onderin de kuip lag en afgebroken was en dus nooit heeft kunnen branden. U vraagt mij of dat niet door de botsing kan zijn gekomen. Nee, in principe niet, omdat [betrokkene 8] heeft gezegd dat hij na het ongeval de boot heeft onderzocht en zag dat de mastvoet en de lamp nog helemaal intact waren. Daar hebben wij onze vraagtekens bij. U houdt mij voor dat getuigen hebben gezegd dat mijn boot niet zou zijn verlicht en de sloep wel. Ik denk dat ze toch mijn verlichting hebben gezien. Heel veel mensen hebben ook groen en rood licht gezien en dat moet mijn verlichting zijn, dat zit alleen op mijn boot.
()
Iemand kan geen groen en rood licht hebben gezien op de sloep. Als ze beweren dat te hebben gezien is dat mijn verlichting.
()
In aanvulling op zijn pleitnota voert de raadsman aan, zakelijk weergegeven:
Als u kijkt naar foto 13 van de fotomap die ik heb bijgevoegd, dat is een foto van de boot van cliënt en wat opvalt is dat achter op de boot een mast met een licht staat. Dat behoort bij de verlichting van de boot en is geplaatst op een stok. Als je de getuigenverklaringen bij elkaar neemt, dan wordt vaker gesproken over een licht op een soort verhoging. De stelling van de verdediging is dat het licht van mijn cliënt is geweest. Ik heb vandaag een soortgelijke lamp bij mij. Ik laat aan u de mastvoet zien en de lamp die erin moet worden gestoken. Vaststaat dat [betrokkene 8] niet gezien kan hebben dat de mastvoet van de sloep intact was, want dit gedeelte was afgebroken en lag onderin de boot.
()’
1.11
In het eindarrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
‘Voorwaardelijke verzoeken
Door de verdediging is verzocht om, indien het hof niet tot vrijspraak komt, alsnog de verzoeken toe te wijzen gedaan bij appelschriftuur, namelijk horen van de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5],
Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek als volgt. Bij tussenarrest van 26 april 2017 heeft het hof de verzoeken van de verdediging afgewezen en overwogen:
‘De getuigen kunnen volgens de motivering van de verzoeken verklaren of er een lamp is gevonden, en zo jaar waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was. De punten waarover de getuigen kunnen verklaren, zijn dus niet van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.’
De verzoeken zijn thans herhaald. Nu de verdediging niets nieuws naar voren heeft gebracht wat tot een ander oordeel zou moeten leiden, wijst het hof de verzoeken af op dezelfde gronden als genoemd in het tussenarrest van 26 april 2017.’
1.12
Uit het verhandelde ter terechtzitting kan derhalve niet volgen dat verdachte geen prijs meer heeft gesteld op het horen van de getuige.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 EVRM alsmede 287, 315, 328, 330, 359, en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Door de raadsman van de benadeelde partijen, is een brief van de heer [betrokkene 6] aan deze raadsman van 15 november 2017 doorgestuurd aan het hof. Vervolgens is deze brief is als processtuk opgenomen. Naar aanleiding van deze brief heeft de verdediging ter zitting het verzoek gedaan om de heer [betrokkene 6] als getuige te horen.
Noch in het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2017, noch in het arrest is door het hof op dit verzoek een beslissing genomen, zodat dit verzuim nietigheid tot gevolg heeft. De omstandigheid dat het hof in de aanvulling inhoudende de gebezigde bewijsmiddelen (ondertekend op 23 mei 2018) in een nadere overweging een afwijzende beslissing heeft genomen, doet aan het voorgaande niet af.
Het hof heeft (immers) bij de beoordeling van het verzoek ten onrechte toepassing gegeven aan het noodzaakscriterium. Het hof heeft in het arrest de brief voor het bewijs gebezigd en ook in het arrest in de bewijsoverwegingen expliciet naar de inhoud van die brief verwezen, waaruit volgt dat de brief voor het hof van (cruciaal, althans aanmerkelijk) belang is geweest bij de beoordeling van het bewijs. Uit de stukken is onvoldoende duidelijk geworden op welk moment de verdediging voor het eerst kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de desbetreffende brief en het feit dat deze brief aan het dossier is toegevoegd. In ieder geval kan dit niet eerder geweest zijn dan 15 november 2017, terwijl niet uitgesloten is dat de verdediging pas eerst ter zitting kennis heeft genomen van dit stuk. Gelet op het zeer late stadium waarin dit stuk is overgelegd en aan het dossier is toegevoegd, bestond (voldoende) aanleiding om in plaats van het noodzaakscriterium het verdedigingsbelang toe te passen, althans heeft het hof ten onrechte iet doen blijken deze omstandigheid bij de beoordeling te betrekken, zodat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt althans onvoldoende met redenen is omkleed.
Voorts heeft het hof het verzoek afgewezen door daartoe slechts te stellen dat de noodzaak niet is gebleken, zonder de feitelijke gronden waarop de afwijzing berust in de beslissing op te nemen. Het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest zijn derhalve nietig, althans is de afwijzing van het verzoek onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
2.1
In 1e aanleg heeft de rechtbank Midden-Nederland bewezen verklaard, dat verdachte:
‘Feit 1 subsidiair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos, als bestuurder van een motorboot, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde, met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep, waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door de (schroef van de) motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden.
Feit 2 subsidiair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als bestuurder van een motorboot, daarmede hoogst onachtzaam en hoogst onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers voer hij, verdachte, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [benadeelde 6] en [benadeelde 4] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] is ontstaan.
Feit 3 primair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als schipper van een motorboot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier opvarenden was gekomen, met die motorboot doorgevaren en heeft hij niet zo spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de hulp te verlenen aan de die sloep en de personen aan boord van die sloep, waartoe hij bij machte was.’
2.2
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. In de appelschriftuur heeft de verdediging verzocht een aantal getuigen te horen. Deze verzoeken zijn afgewezen. Tegen deze afwijzing richt zich middel 1 (zie hierboven).
2.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter deelt mede dat er nog een brief is binnengekomen van mr. Boomstra over het laatste woord van verdachte en dat er correspondentie is geweest naar aanleiding van een doorgestuurde brief van mr. Korver.
()
De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, (). In aanvulling op zijn pleitnota voert de raadsman aan, zakelijk weergegeven:
()
De heer [betrokkene 6] stelt dat het om kwart voor 11 's avonds nog heel druk was op het water. Om kwart voor 11 's avonds zijn de Vinkeveense Plassen echter nagenoeg leeg. De eilanden zijn vol, maar de plas is nagenoeg leeg.
()
In aanvulling op mijn pleitnota verzoek ik om de heer [betrokkene 6] te horen.’
2.4
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2017 is onder meer gerelateerd dat de advocaat-generaal ter zitting het woord heeft gevoerd overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir. In dit stuk is onder meer vermeld:
‘De situatie op de plas:
Ten aanzien van de drukte op de plas op het moment van de overvaring heeft de Rechtbank overwogen dat onvoldoende vast is komen te staan dat er veel verkeer op de plas te verwachten was. De vraag is of dit juist is.
Voorop staat dat het een mooie zaterdagse zomeravond was in het eerste weekend van de bouwvak(antie). Ten aanzien van de drukte op en rond het water moge ik u verwijzen naar de brief van de heer [betrokkene 6] d.d. 15 november 2017, op mijn verzoek aan het dossier toegevoegd. Ik meen dat op basis van de gegevens uit deze brief kan worden geconcludeerd dar er die avond wel degelijk veel verkeer op het water te verwachten was in verband met een tweetal evenementen. Ik wijs u er hierbij op dat de heer [betrokkene 6] als ambtenaar crisisbeheersing en openbare orde werkzaam is bij de gemeente Ronde Venen. ()’
2.5
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘1 subsidiair:
hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos
als bestuurder van een motorboot
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané wam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/u,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden;
2. subsidiair:
hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen,
als bestuurder van een motorboot, daarmee hoogst, onachtzaam en/of (hoogst) onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers, voer hij, verdachte
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6 km/uur,
waardoor verachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [benadeelde 6] en [benadeelde 4] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] is ontstaan
Feit 3 primair:
hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als schipper van een motorboot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier opvarenden was gekomen, met die motorboot doorgevaren en heeft hij niet zo spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de hulp te verlenen aan de die sloep en de personen aan boord van die sloep, waartoe hij bij machte was.’
2.6
In het arrest heeft het hof met betrekking tot het bewezenverklaarde nog overwogen:
‘Ten aanzien van feit 1 en 2 subsidiair
()
Roekeloosheid
()
Daar komt nog bij dat verdachte op die avond ermee rekening had behoren te houden:
- —
dat het op het water drukker zou zijn dan op ander momenten als gevolg van een aantal evenementen, de zomervakantie en het mooie weer,
- —
dat zijn speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is en een groot vermogen heeft terwijl er aanzienlijk lichtere en minder vaartuigen op of mensen in het water konden zijn.
()’
2.7
Het hof heeft onder meer als bewijsmiddel gebezigd (14) een geschrift, te weten een brief van [betrokkene 6] van 15 november 2017 aan R. Korver, inhoudende onder meer:
‘Ik ben ambtenaar crisisbeheersing en openbare orde afdeling concernstaf & concerncontroller, Gemeente De Ronde Venen. Op zaterdag 2 augustus 2014 werd het evenement Rondje Eilanden georganiseerd.
()
Na afloop van dit evenement werd op eiland 1 een grote barbecue georganiseerd. Dit duurde tot 21.00 uur waarna de deelnemers en vrijwilligers deze locatie verlieten. Dit waren veel boten die terug zijn gegaan naar hun jachthavens of hun woningen. Op zaterdag 2 augustus 2014 werd in Amsterdam de Gay Parade gehouden. Veel mensen uit Vinkeveen gaan met hun boot vanaf de plas naar Amsterdam.
()
Vanwege het gegeven dat dit evenement aan het begin van de avond is afgelopen, is besloten om die avond alle bruggen in de vaarroute tot 22.00 uur te laten bedienen en dit gold ook voor de proostdijersluis. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt om terug te kunnen keren naar de Vinkeveense Plassen. In de loop van de avond zorgt dit voor extra vaarbewegingen op de plas. Normaal gesproken stopt de sluisbediening namelijk om 20.00 uur in de zomerperiode. Ik ben onder andere verantwoordelijk voor de vergunningverlening van evenementen. In dit kader voer ik controles uit op de naleving van vergunningsvoorschriften en bezoek ik evenementen. Op zaterdag 2 augustus 2014 heb ik gevaren op de Vinkeveense Plassen.
()
Ik heb gezien dat het druk was zowel met varende boten, maar ook dat langs de oevers van de recreatie-eilanden veel boten waren afgemeerd.
()
Ik heb gezien dat met name op eiland 8 sprake was van veel mensen en dat langs alle oevers boten lagen en er nog weinig open ruimtes waren. Ik heb tussen 21.00 en 22.15 nog een ronde gevaren en gezien dat er veel boten waren met namen van hun gemeenten die niet uit de directe omgeving kwamen. Het was een zeer mooie zomeravond. Het was windstil en een fijne temperatuur. Het was een heldere avond. Gemiddeld zijn er maar 4 of 5 van dit soort avonden in een seizoen.’
2.8
In de aanvulling, inhoudende de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, is voorts het volgende opgenomen:
‘Nadere overwegingen
- —
De raadsman heeft ter terechtzitting van 27 november 2017 in aanvulling op zijn pleitnota verzocht om dhr. [betrokkene 6] als getuige te horen. In het arrest d.d. 11 december 2017 is abusievelijk verzuimd om op te nemen de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de raadsman. Het hof wijst het verzoek af nu hiervan niet de noodzaak is gebleken.
()’
2.9
Door de raadsman van (een gedeelte van) de benadeelde partijen is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep een brief van de heer [betrokkene 6] aan deze raadsman van 15 november 2017 doorgestuurd naar (onder meer?) het hof. De betreffende brief is door de Advocaat-Generaal in het dossier gevoegd. Door de verdediging is ter zitting van 27 november 2017 — kennelijk mede naar aanleiding van deze recente brief en de inhoud daarvan — het verzoek gedaan om de heer [betrokkene 6] als getuige te horen. De verdediging heeft daarbij uitdrukkelijk aangevoerd dat de verdediging de door de getuige getrokken conclusie over (verkort zakelijk weergegeven) de drukte op de Vinkeveense Plassen betwistte. De desbetreffende brief is door het hof als bewijsmiddel gebruikt. In het arrest heeft het hof niet gereageerd op het verzoek om de heer [betrokkene 6] als getuige te horen, maar is slechts ingegaan op de in de pleitnotitie vermelde voorwaardelijke getuigenverzoeken. Vervolgens is in de aanvulling inhoudende de gebezigde bewijsmiddelen, die pas 5 maanden na wijzen van het arrest is opgesteld en ondertekend, overwogen dat het hof abusievelijk is vergeten in het arrest de afwijzende beslissing op het verzoek op te nemen en dat de noodzaak van het verzoek niet is gebleken.
2.10
In het proces-verbaal van de terechtzitting, noch in het arrest heeft het hof gerespondeerd op het verzoek. Gelet hierop is het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig (HR 16 oktober 2006, NJ 2007, 570 alsmede HR 14 juni 206, ECLI:NL:HR:2016:1177). De omstandigheid dat het hof in de aanvulling een nadere overweging heeft opgenomen, namelijk een afwijzende beslissing op het verzoek, doet aan het voorgaande niet af (zie in dit verband HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3742). Anders dan in HR 6 november 2012, NJ 2013,143,m.nt. JMR het geval was, heeft verdachte bij zijn klacht voldoende in rechte te respecteren belang nu de beslissing van het hof, zoals opgenomen in de ‘aanvulling’ van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of (ook) onbegrijpelijk is. Daartoe wordt het volgende opgemerkt.
2.11
De Hoge Raad heeft op 1 juli 2014 een overzichtsarrest gewezen omtrent het oproepen en horen van getuigen (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496). In dit arrest is de Hoge Raad onder meer ingegaan op de aan te leggen maatstaven. De Hoge Raad stelt dat de verdachte in beginsel de mogelijkheid heeft om alle getuigen te horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Het verdedigingscriterium geldt indien het verzoek tot het horen van getuigen is gedaan vóór de terechtzitting ex artikel 263 Sv of (in het geval van hoger beroep) indien het verzoek tot het horen van getuigen in de appèlschriftuur is opgenomen ex artikel 410 Sv. Een dergelijk verzoek dient door de rechter te worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de verdediging. Van belang daarbij is wel dat de verdediging dient te motiveren waarom het horen van een bepaalde getuige van belang is voor de verdediging. Zo dient het horen van de getuige in het belang te zijn van enige te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv. Het horen van een getuige kan ook van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a Sv. De verdediging zal in een dergelijk geval aan de hand van de factoren vermeld in dat artikel moeten aantonen tot welk rechtsgevolg het verzuim zou moeten leiden. Tevens is het mogelijk om ter zitting te verzoeken om bepaalde getuigen te horen. Een dergelijk verzoek wordt getoetst aan het noodzaakscriterium. Dit criterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Gelet op het voorgaande is aan de rechter de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden.
2.12
In 2017 heeft de Hoge Raad een nieuw overzichtsarrest gewezen omtrent het oproepen en horen van getuigen (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015). De Hoge Raad stelt zichzelf de vraag of de geldende jurisprudentie omtrent het oproepen en horen van getuige in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het naar de mening van de Hoge Raad in beginsel geen verschil of zo een verzoek een getuige à charge of á décharge betreft. Indien de gevraagde getuige geen verklaring in het vooronderzoek heeft afgelegd, zal de motivering van het verzoek betrekking moeten hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van die getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde feit dan wel ter ondersteuning van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. De rechter zal, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop de afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting of in de uitspraak moeten opnemen. Deze rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM. De Hoge Raad stelt voorts dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij alsnog moeten overgaan tot het oproepen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.13
Voorts is van belang dat naar de mening van de verdachte het hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, nu het desbetreffende stuk dateert van 12 dagen vóór de terechtzitting waarop het verzoek is gedaan, terwijl uit de stukken niet blijkt op welk moment de verdediging voor het eerst kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de brief en de omstandigheid dat deze brief aan het dossier is toegevoegd. In ieder geval staat vast dat dit op zijn vroegst op 15 november 2017 kan zijn geweest. In zijn arrest van 19 juni 2007 heeft de Hoge Raad onder meer aangegeven dat zich gevallen kunnen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen en of deskundigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur (in welke gevallen ten aanzien van niet verschenen getuigen en/of deskundigen van het openbaar ministerie zonder meer het criterium geldt van art. 288, eerste lid onder c, Sv). in dergelijke gevallen brengt — tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist — de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het ‘noodzakelijkheidscriterium’ de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ zou worden bereikt (ro.v 3.4.2 van HR 7 uni 2007, NJ 2007, 626, mnt. MJB). Aanvaard is dus dat er situaties denkbaar die aanleiding geven om het noodzaakscriterium niet al te strikt toe te passen (G.J.M. Corstens, M.J. \Borgersen T. Kooijmans, ‘Het Nederlands Strafprocesrecht’, Deventer: Kluwer 2018, p. 721). Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien tijdens een lopende strafzaak informatie naar voren komt die aanleiding geeft tot het horen van getuigen, terwijl de verdachte in dat geval, zonder dat hem dat kan worden aangerekend, de mogelijkheid heeft gemist om het verzoek bijvoorbeeld reeds bij appèlschriftuur — waarbij het verdedigingsbelang als maatstaf heeft te gelden — te doen (vgl. voorts ook HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014, 441 m.nt. MJB en TK alsmede ro.v. 6,7 CAG Spronken 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1081, zie voorts overigens ook nog ro.v. 3.2.2. van HR 20 april 2010, NJ 2011, 576, mnt. AHK). Gelet op de omstandigheid dat de brief van de heer [betrokkene 6] pas in een zeer laat stadium, zeer kort voor de terechtzitting in hoger beroep, ter kennis van (het hof en) de verdediging is gekomen en aan het dossier is toegevoegd, is dan ook niet het noodzaakscriterium, maar het ruimere verdedigingsbelang van toepassing, althans heeft het hof ten onrechte niet doen blijken deze omstandigheid in zijn beraadslaging te hebben betrokken. Anders dan in HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:332 kennelijk het geval is geweest, kan uit het arrest immers niet volgen dat het hof de afwijzing (mede) heeft gebaseerd op de grond dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Gelet op het voorgaande getuigt de afwijzing van het verzoek van een onjuiste rechtsopvatting en/of is de afwijzing onvoldoende met redenen omkleed.
2.14
Tenslotte is nog van belang dat uit de beslissing van het hof slechts volgt welke maatstaf het hof heeft gehanteerd, maar niet waarom het horen van de getuige niet noodzakelijk is. De feitelijke gronden van de afwijzing blijken niet uit de beslissing. De onbegrijpelijkheid van de afwijzing klemt overigens te meer nu de desbetreffende brief ook als bewijsmiddel is gebezigd en tevens heeft bijgedragen aan het oordeel van het hof dat sprake is van (de strafverzwarende) roekeloosheid.
Middel III
Ten behoeve van de leesbaarheid van de schriftuur zullen (ook) in dit middel meerdere klachten naar voren worden gebracht.
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan — verkort zakelijk weergegeven — roekeloos varen door onder meer geen verlichting te voeren en met een zeer hoge snelheid te varen, waardoor verdachtes motorboot in plané kwam, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat zijn boot in aanvaring is gekomen met een sloep en twee personen om het leven zijn gekomen. Tevens heeft het hof bewezen verklaard dat het aan verdachtes schuld te wijten is dat die sloep onbruikbaar is gemaakt en daardoor tevens levensgevaar voor twee personen is ontstaan, aangezien verdachte onder meer geen licht zou hebben gevoerd en te hard en in plané zou hebben gevaren.
Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte wel te hard heeft gevaren, maar dat hij hooguit met een snelheid van zo'n 17 km/u zou hebben gevaren en niet in plané is geweest, hetgeen blijkt uit meerdere getuigenverklaringen die verklaren over onder meer de schuine stand van de boot en de grote golven die de boot heeft veroorzaakt. Het hof heeft dit verweer verworpen door te overwegen dat uit onderzoek blijkt dat verdachte minimaal 39 km/u zou hebben gevaren en de omstandigheid dat getuigen anders hebben verklaard over de stand van de boot hieraan niets af doet. De verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onbegrijpelijk is/zijn althans onvoldoende met redenen is/zijn omkleed in het licht van hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd.
Daarnaast is namens de verdachte aangevoerd dat (verkort zakelijk weergegeven) vaststaat dat verdachte restaurant [A] verlaten heeft om 22.30 uur; de afstand tussen dat restaurant en de plek van het ongeval 1800 meter bedraagt; het ongeval om 22.45 heeft plaatsgevonden zodat de snelheid van de boot 7,2 km/u is geweest. Ten onrechte heeft het hof niet gerespondeerd op dit door argumenten geschraagde standpunt/verweer.
Voorts is door de verdediging aangevoerd dat meerdere getuigen, waaronder [getuige 4] en [getuige 1], hebben verklaard rood en/of groen licht te hebben waargenomen bij de sloep, terwijl de sloep niet beschikt over dergelijke (navigatie)verlichting, zodat het niet anders kan dan dat het waargenomen rode en groene licht afkomstig is geweest van de boot van verdachte. In het arrest heeft het hof dit verweer verworpen en daarbij onder meer verwezen naar getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 1]. De verwerping van het verweer is in het licht van hetgeen uitdrukkelijk en onderbouwd is aangevoerd, onbegrijpelijk.
Hetgeen het hof voorts nog heeft overwogen, te weten dat (verkort zakelijk weergegeven) het hof het niet aannemelijk acht dat het waargenomen groene en blauwe (bedoeld zal zijn rode) licht waarover door getuigen wordt gesproken betekent dat verdachte verlichting voerde. Dit oordeel/overweging is — mede gelet op de indringendheid van het gevoerde verweer — onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
Tot slot heeft het hof de tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige [getuige 4] gedenatureerd. Getuige [getuige 4] heeft verklaard: ‘ik zag wel dat hij een lampje had, een groen lampje als ik het mij goed kan herinneren’. Door het hof is het gedeelte ‘een groen lampje als ik het mij goed kan herinneren’ geschrapt, en slechts voor het bewijs gebruikt de zin dat de getuige een lamp heeft waargenomen, en deze verklaring aldus gebruikt teneinde de door het hof gedane vaststelling dat de sloep verlichting heeft gevoerd te onderbouwen, waardoor (aldus) de verklaring van de getuige — mede gezien het gevoerde verweer- een wezenlijk andere betekenis heeft gekregen dan de getuige daaraan kennelijk heeft willen geven, zodat de bewezenverklaring ook om die reden onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
3.1
Aan verdachte is onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegd dat:
‘1. primair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd,
immers heeft verdachte opzettelijk, als bestuurder van een (motor)boot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang, was en/of
terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of (twee van de) opvarenden van die sloep, ten gevolge waarvan twee opvarenden van die sloep, te weten voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn overleden;
1. subsidiair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
als bestuurder van een (motor)boot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang was, en/of
terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of (twee van de) opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel heeft/hebben bekomen dat hij/zij aan de gevolgen daarvan is/zijn overleden;
2. primair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen delict om [benadeelde 6] en/of [benadeelde 4] van het leven te beroven,
opzettelijk, als bestuurder van een (motor)boot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang, was en/of
terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder voornoemde [benadeelde 6] en/of [benadeelde 4]) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
als bestuurder van een (motor)boot, daarmede hoogst, althans aanmerkelijk onachtzaam en/of (hoogst) onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is at een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd en/of beschadigd werd, immers, voer hij, verdachte
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang, was en/of
terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [benadeelde 6] en/of [benadeelde 4]) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en/of [benadeelde 4] is ontstaan;
2. meer subsidiair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 in de gemeente Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als schipper van een (motor)boot, daarmede varende op De Vinkeveense Plassen, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen, terwijl uitdrukkelijke voorschriften uit het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan een ander drijvende voorwerpen, aan oever en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers heeft verdachte
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang, was en/of
terwijl hij aan aantal (dicht op elkaar gelegen) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de motorboot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [benadeelde 6] en/of [benadeelde 4]) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en/of [benadeelde 4] is ontstaan;
zijnde de terminologie in deze tenlastelegging gebezigd in de zin van het Binnenvaartpolitiereglement’
3.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 en 15 maart 2016 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart — zakelijk weergegeven — als volgt.
()
Ik denk dat we tussen de 17 km/u en 20 km/u hebben gevaren. Dat denk ik omdat de boot nog niet in plané was. De punt van de boot stond nog omhoog en dan vaar je tegen plané aan. Als je daar overheen gaat en de punt van de boot weer omlaag gaat, dan weet je dat je in plané vaart. De punt van onze boot stond heel erg ver omhoog. Natuurkundig gezien moet je dan rond die snelheid varen. Of je wel of niet in plané vaart kan je heel duidelijk merken. Dat voel je en dat kan je zien aan de stand van de boot.
()
U vraagt mij of ik zonder verlichting heb gevaren. Ik geloof het niet. Er zijn ook veel verklaringen in het dossier waarin wordt gesproken over rood en groen licht. Die navigatieverlichting zit niet op de sloep, alleen op mijn boot. Er zijn ook verklaringen dat het licht is uitgedaan, dan heeft het gebrand tijdens het ongeval. Ik had mijn verlichting aan.
()
Er is groen en rood licht gezien dat niet aanwezig is op de sloep. Dat kan maar één ding betekenen: ze hebben wel gebrand.
()
Beide aangevers zeggen dat ze de punt van mijn boot zagen, dan voer ik niet in plané.
()
U vraagt mij of hierdoor golven over de kant sloegen. Ja. Hoe langzamer je vaart hoe groter de heckgolf. Als je niet in plané vaart, maak je heel veel golven.
()
Een boot in plané ligt vrijwel horizontaal op het water. Een boot die niet in plané vaart staat met zijn neus omhoog.
()’
3.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 is onder meer het volgende opgenomen:
‘U houdt mij voor dat getuigen hebben gezegd dat mijn boot niet zou zijn verlicht en de sloep wel. Ik denk dat ze toch mijn verlichting hebben gezien. Heel veel mensen hebben ook groen en rood licht gezien en dat moet mijn verlichting zijn, dat zit alleen op mijn boot.
()
Iemand kan geen groen en rood licht hebben gezien op de sloep. Als ze beweren dat te hebben gezien is dat mijn verlichting.
()
Als er door getuigen wordt beweerd dat zij groen en rood licht hebben gezien en de enige boot die dat heeft is de mijne, dan heb ik mijn verlichting aan gehad.
()
U houdt mij voor dat de rechtbank een zeer hoge snelheid bewezen heeft verklaard. Iedereen verklaart dat de punt omhoog stond. Er zijn proeven genomen en ik heb vanaf dag één verklaard dat de gashendel op 45 graden stond. Er is gemeten dat de snelheid 17 à 18 km/u is. In de uitgewerkte rapporten zijn er twee kilometers bijgekomen. Als de boot niet in plané is, dan staat de punt omhoog. Als de boot wel in plané is, dan ligt de boot plat. De neus van mijn boot stond heel erg hoog. Dat geef aan dat ik niet in plané was. Ik heb dus ruim onder de 20 km/u gevaren.
()
De afstand van restaurant [A] tot het ongeveer is 1800 meter. Ik heb dan 9 km/u gevaren als je kijkt naar de tijd. Je kunt de snelheid daar allemaal uit afleiden. U houdt mij voor dat mensen op eiland 8 stonden hebben verklaard dat ik harder heb gevaren. Je kunt de snelheid moeilijk bepalen vanaf de kant. Je kunt wetenschappelijk berekenen hoe hard ik heb gevaren. Ik was niet in plané.
()
De raadsman voert het woord tot dupliek, zakelijk weergegeven:
()
Het is voortborduren op aannames en stellingen, maar de advocaat-generaal gaat voorbij aan heldere verklaringen dat de boot rechtop stond en dat is niet de houding van een boot die in plané gaat. Iedereen heeft het over een boot die rechtop staat. De advocaat-generaal zegt dat de snelheid bij plané 23 km/u is. Dat klopt niet. Een boot begint te planeren bij 20 km/u. De boot stond bijna rechtop en dat verhoudt zich niet met plané. Ik verzet mij tegen de beeldvorming van cliënt. Zo'n heckdrive is alleen maar bedoeld om nog sneller te kunnen varen. Dit soort heckdrives heeft vaak de bedoeling om op zee gebruikt te worden, omdat je rekening moet houden met bijvoorbeeld golven. Voor de binnenvaart is heckdrive overbodig. Cliënt zei ook dat hij er eigenlijk niets mee deed. Dat verklaart ook dat de boot zo lang tegen plané heeft aangehangen. De boot is voor open water bestemd, voor op zee. Het is een log schip dat maar weinig capaciteit heeft om hard te varen. Het duurt relatief lang. Snel varende schepen hebben de neiging om bij een beetje gas geven in plané te gaan.
()
Er wordt een opsomming gemaakt van getuigenverklaringen die zeggen dat de sloep wel verlichting voerde. De stelling van de verdediging blijft dat dat niet zo is geweest. Vele getuigen spreken over een groen en rood licht en we kunnen er niet aan voorbij dat dat het licht is geweest van cliënt. Het rondschijnende licht is iets dat cliënt voerde aan de achterkant van de boot.’
3.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 blijkt dat mr. Boomstra, advocaat te Amsterdam, de raadsman die verdachte ter zitting heeft bijgestaan, het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, inhoudende onder meer:
‘Vrijspraak (onvoldoende wettig bewijs)
- 18.
Subsidiair verzoekt cliënt Uw Hof om hem vrij te spreken van Feit 1, vanwege het gebrek aan voldoende overtuigend bewijs. De verdediging neemt Uw Hof mee langs de bewijsmiddelen in het dossier en dan zal blijken dat deze bewijsmiddelen de overtuiging ontberen dat het door het OM gestelde feit dat er sprake is geweest van opzet, al dan niet voorwaardelijk, noch van schuld of roekeloosheid. De enige logische gevolgtrekking zal dan ook vrijspraak kunnen zijn. Dat Noordijk en koetje overleden zijn als gevolg van de aanvaring is dramatisch en evident en dat verband zal door de verdediging dan ook niet worden betwist — datzelfde geldt voor het daaraan ten grondslag liggende bewijs.
()
Ten aanzien van de gevoerde verlichting op de motorboot
- 40.
De Rechtbank heeft ten onrechte wettig en overtuigend bewezen geacht dat de motorboot geen verlichting voerde op het moment van de aanvaring. De Rechtbank baseert deze overtuiging op een viertal verklaringen. Alvorens het feitencomplex met U door te lopen: een cruciaal punt dat geen feit van algemene bekendheid is.
()
Om het verblinden tegen te gaan wordt scheepsverlichting of navigatieverlichting zó uitgevoerd dat deze slechts één kant op straalt. Groen voor stuurboord, rood voor bakboord.
()
- 42.
De verlichting wordt doorgaans laaggeplaatst of in een daarvoor speciaal gemaakte console. Uw Hof heeft de foto's van de boot van mijn cliënt kunnen zien en kunnen vaststellen dat de navigatieverlichting laag, en niet zichtbaar voor de schipper, is geplaatst. Ik verwijs naar Foto's 11 en 12.
- 43.
Zoals gesteld voeren niet alle schepen dezelfde verlichting. De moderne sloep wordt doorgaans voorzien van een insteeklicht. Ook de sloep in kwestie is voorzien van een aansluiting van dit type verlichting. Kenmerkend voor deze verlichting is dat er slechts sprake is van een wit uitstralend licht. Bij gebruik in een open boot zoals in een sloep, verblindt het licht aanzienlijk. Om die reden wordt de lamp achter de schipper geplaatst in een daarvoor bestemde sokkel in het dek. De sokkel of mastvoet is van onderen dicht en van boven af te dichten met een rubber klepje.
()
- 45.
Dan de getuigenverklaringen die de rechtbank Midden-Nederland heeft geselecteerd uit de vele verklaringen.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3]3
- 46.
[getuige 3] heeft verklaard dat [verdachte] geen licht heeft gevoerd.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4]4 (voetnoot 4: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris (p. 2).)
- 47.
De Rechtbank citeert in haar vonnis een gedeelte van een verklaring van [getuige 4], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris. Eén zin heeft de rechtbank echter weggelaten. Ik citeer: ‘Ik zag wel dat hij een lampje had, een groen lampje als ik het mij goed kan herinneren’. Een lampje dat mijn cliënt wel voerde, en de opvarenden van de sloep zeker niet. De Rechtbank gaat mijns inziens te ver in het proces van selectie. Dit is een feit van evident belang want [getuige 4] is niet de enige die groen of rood licht ziet. En dat kan per definitie alleen de boot van cliënt zijn geweest.
()
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]6 (voetnoot 6: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (p. 1049) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris (p. 2).)
- 49.
[getuige 1] heeft verklaard: ‘In mijn beleving heb ik licht gezien. Ik durf niet te zeggen wat voor licht. Ik dacht dat ik groen of rood licht had gezien, maar ik weet het niet meer. Dat licht kwam uit de hoek waar de boten lagen’. Het kan niet anders zijn dan dat hiermee het licht van de boot van [verdachte] werd bdoeld.
- 50.
Ontlastende verklaringen ten aanzien van de verlichting vermeld het vonnis van de Rechtbank niet.
- 51.
De volgende getuigen hebben verklaard omtrent het zien van rood of groen licht:
- 52.
[getuige 8] heeft verklaard: ‘Nee, ik heb een foto in de krant gezien dat hij schuin over de boot is gegaan, maar ik heb van de andere boot alleen een groen licht gezien, aan de kant van het land. Hij was een beetje schuin voor mij en ik zag het groene licht. Ik weet niet waar het licht zich bevond op de sloep.’
- 53.
[getuige 9] heeft verklaard: ‘Aan de sloep is mijn niets opgevallen, hij had netjes verlichting, bakboord en stuurboord, rood en groen. Verder heb ik geen verlichting gezien. Ik weet wel dat de verlichting nog brandde toen het bootje aan de kant lag dus hij had zijn verlichting aan.’
- 54.
Nogmaals, de sloep had geen rode en groene navigatieverlichting, alleen een aansluiting voor een wit rondom schijnend licht. Het kan niet anders dan dat de getuige het licht op de boot van cliënt heeft gezien.
- 55.
[getuige 10] heeft verklaard: — dat de sloep lichtjes had, rood en groen —.
- 56.
[getuige 2] heeft verklaard: — groen en rood licht op de sloep, ik heb sowieso die rode en groene gezien-.
()
Ten aanzien van de snelheid van de motorboot en het al dan niet planeren
Verklaring van cliënt ter terechtzitting van 14 maart 2016
- 68.
Cliënt heeft ter zitting verklaard voorafgaand aan en ten tijde van de aanvaring harder te hebben gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u. Hij zou zich bewust zijn geweest van deze wettelijke snelheidsbeperking. Ook zou hij hebben gezegd tegen plané aan te hebben gevaren, en dat de punt van de boot ver omhoog stond. Hij zou vanaf het moment van vertrek steeds dezelfde snelheid hebben gevaren en geen snelheid hebben geminderd in de buurt van de recreatie-eilanden.
- 69.
Verschillende getuigen hebben ten aanzien van de snelheid verschillend verklaard.
- 70.
De politie heeft in het proces-verbaal van bevindingen planeren omschreven als ‘het (gedeeltelijk) over in plaats van door het water varen’. De Rechtbank heeft opgemerkt dat bij plané het uitzicht wordt beperkt, aangezien het voorschip van de boot daarbij omhoog komt. Planeren begint vanaf een snelheid van circa 20 km/u. En het zich is in plané inderdaad beter dan bij snelheden onder plané.
- 71.
Als we alle getuigenverklaringen (inclusief die van cliënt) naast elkaar leggen, dan schieten we bij het vaststellen van de vermoedelijke snelheid die de boot van mijn cliënt voer op het moment van het ongeval weinig op.
- 72.
De Rechtbank heeft overwogen dat de precieze snelheid van de boot ten tijde van de aanvaring niet vast te stellen is. Wel overwoog de Rechtbank dat op grond van de verklaringen is komen vast te staan dat de boot in plané is geweest. De Rechtbank overweegt voorts het volgende:
‘De Rechtbank gaat ervanuit dat met planeren bedoeld wordt dat een boot een zodanig hoge snelheid vaart dat de voorkant hiervan zo nu en dan loskomt van het water en het vaartuig zodoende minder weerstand ondervindt, (…)’
- 73.
Het volgende moet mij van het hart. Bij het lezen van deze overweging van de Rechtbank bekroop mij niet het gevoel dat zij zich met veel kennis en inzet hebben verdiept in het fenomeen ‘planeren’. Sterker nog, deze overweging van de Rechtbank is volstrekt onjuist en is ontoereikend om tot een evenwichtig oordeel te komen.
- 74.
Voor een goed begrip: wanneer een speedboot sneller vaart dan de rompsnelheid, dan gaat de boot in plané. Iedere boot heeft een zekere rompsnelheid. Als de boot in plané is, gaat hij niet door het water, maar over het water. De boot vaart over zijn eigen boeggolf. Kenmerkend is derhalve dat de boot plat op het water ligt, en niet langer door het water duwt. Planerende boten veroorzaken weinig waterverplaatsing en zullen daarom voor andere schepen geen noemenswaardige zuiging veroorzaken. Tevens is het zicht dan beter.
De stand van de boot verraadt onmiskenbaar of een boot in plané is en wanneer niet. Een boot moet extra vermogen leveren om over de eigen boeggolf te komen. Het moment van plané is afhankelijk van de rompsnelheid. Met alleen vermogen kom je niet in plané. Denk daarbij aan een tanker of cruise schip, voldoende vermogen, maar komt nooit in plané.
Met andere woorden, het ontwerp van de romp en onderwaterschip bepalen de mogelijkheid van in plané gaan.
- 75.
Ik heb mij laten voorlichten door de Nederlandse importeur van Nautique, een gerenommeerd race- en waterskibootbouwer in Amerika. Hij vertelde mij dat een rubberboot bij 6 à 7 km/u in plané kan aan, en een zware boot met heel veel vermogen soms niet eens. Wanneer de trimvlakken van een boot naar beneden staan dan kan in veel gevallen plané niet een worden bereikt. Wel staat de boot dan rechtop in het water met veel lawaai te duwen. Cliënt heeft tijdens de verhoren verklaard dat hij de boot niet heeft getrimd.
- 76.
De rechtbank heeft bewezen geacht dat de boot van mijn cliënt ten tijde van het ongeval in plané was. Ondanks enige kennis op dit gebied derhalve. Ook de toevoeging aan de overweging dat de verdachte [verdachte] vermoedelijk nog veel harder gevaren heeft dan 20 km/u, doet niet blijken van een analytische benadering van de vraag en wijst er mijn inziens op dat het vonnis naar een veroordeling is toegeschreven.
- 77.
Vast staat dat niet vast staat welke snelheid door mijn cliënt is gevaren ten tijde van de aanvaring. De getuigenverklaringen zijn welwillend, maar zeer uiteenlopend.
()
De waarnemingen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] komen overeen met de taalkundige betekenis van het woord plané, aldus de Rechtbank Midden-Nederland.
- 78.
[getuige 2] verklaart bij de rechter-commissaris: ‘U vraagt mij te schatten hoe snel de speedboot vaarde’ (zo staat het in het PV). ‘De golven sloegen rijkelijk over de kant heen.’ En even verder: ‘We hoorden de motoren brullen, het water tegen de onderkant slaan en het water sloeg de kant op.’
- 79.
Zoals Uw Hof zojuist voorgehouden is, is juist de geringe waterverplaatsing kenmerkend voor plané. [getuige 2] omschrijft hier een boot die juist niet in plané is.
()
- 82.
[getuige 1] antwoordt bij de rechter-commissaris op de vraag hoe snel de boot voer: ‘Ik denk 70 à 80 km/u, ik noem het een half glijder. Een grote boot komt niet in plané, de punt stond omhoog’.
We kunnen vaststellen dat ook deze verklaring niets bijdraagt aan de stelling dat [verdachte] heel hard heeft gevaren. [getuige 1] beschrijft een situatie die erop wijst dat de boot juist niet in plané was.
- 83.
Onderzoek heeft uitgewezen dat de boot van [verdachte] tussen de 18 en 20 km/u overgaat in plané. De punt stond omhoog, wat erop wijst dat de ondergrens van 18 km/u nog niet bereikt was. Dat de getuigen onder de indruk waren is begrijpelijk. Het is een machtige boot met een zeer krachtige en imposante uitstraling, voorzien van twee zware motoren. Een bot die mogelijk hard kan varen, maar dat bij lage snelheid worstelend door het water met opgeheven neus heftig overkomt. En het is juist in die stand dat mijn cliënt gevaren moet hebben. Nagenoeg alle getuigen verklaren dat de neus ver omhoog stond.
- 84.
Getuige [benadeelde 4] (die betreurenswaardig uit eigen ondervinding moet verklaren) zegt: ‘Ik zie de enorme grote en hoge voorkant van de boot op ons afkomen.’ En even verder: ‘Mijn familie heeft een Bayliner. Ik weet hoe hard je moet varen, om over een boot heen te gaan. K weet dat de neus van een boot omhoog gaat, voordat hij in plané gaat. Als ik de neus van de boot zag en terugzie voor me, dan moet die andere boot nog steeds bezig zijn geweest met optrekken.’
- 85.
De heer [benadeelde 6] verklaart ook in die lijn: ‘Ik keek naar voren en zag dat een boot met hoge snelheid recht op ons afvoer. Ik keek bijna tegen de onderkant van de boot aan, het grootste gedeelte was uit het water’.
- 86.
Op 2 oktober 2015 verklaarde [getuige 4] ten overstaan van de rechtercommissaris: ‘De boot ging best wel hard, harder dan normaal. Dat zie je en hoor je aan het motorgeluid. Naar mijn mening was het toch wel rond de 50 km/h. U vraagt mij of ik weet wat planeren is. Ja, naar mijn mening ging hij net voordat hij planeerde, hij was nog niet op het water, hij was er bovenuit, de punt stond omhoog. Als hij gaat planeren komt de punt weer naar beneden.’
()
- 88.
Samenvattend heeft de boot van mijn cliënt met d neus opvallend omhooggevaren. Dat is wat de getuigen zeggen. Bij die constatering kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de boot van mijn cliënt tegen plané aanhing. Met andere woorden, [verdachte] kan niet harder hebben gevaren dan 16 tot 17 km/u.
()
- 92.
Voorts nog een feitelijk gegeven. Vaststaat dat [verdachte] restaurant [A] heeft verlaten om 22.30 uur. De afstand tussen [A] naar de plaats van het ongeval bedraagt 1800 meter. [verdachte] is rechtstreeks gevaren, en heeft geen omweg genomen. Dit blijkens de opvarenden van de boot van [verdachte]. Volgens de getuigen heeft het ongeval om 22.45 uur plaatsgevonden. Bij een snelheid van 9 km/u zou [verdachte] over de afstand 10 minuten hebben gedaan. Als [verdachte] er 15 minuten over zou hebben gedaan, zou de snelheid 7,2 km/u zijn geweest. Dit feitelijke gegeven laat zich niet rijmen met de stelling dat [verdachte] hard heeft gevaren, of zoals door de Rechtbank Midden-Nederland vermoed, veel harder dan 20 km/u.
- 93.
Concluderend kan [verdachte] wel iets te hard hebben gevaren (net als de sloep overigens), maar niet zodanig hard dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van roekeloosheid, deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.’
3.5
In het arrest heeft het hof onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaard dat:
‘1. subsidiair:
hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos
als bestuurder van een motorboot
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané wam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/u,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden;
2. subsidiair:
hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen,
als bestuurder van een motorboot, daarmee hoogst, onachtzaam en/of (hoogst) onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers, voer hij, verdachte
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6 km/uur,
waardoor verachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [benadeelde 6] en [benadeelde 4] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] is ontstaan’
3.6
In het arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
‘Ten aanzien van feit 1 en 2 subsidiair
()
Het hof is van oordeel dat op grond van de volgende factoren het handelen van verdachte en het hem te maken verwijt als roekeloos moet worden aangemerkt.
Snelheid speedboot
Verdachte heeft verklaard dat hij harder heeft gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u en dat hij ook tussen de eilanden harder heeft gevaren dan is toegestaan. Door verbalisant [verbalisant] is een onderzoek ingesteld naar onder meer de vaarsnelheid van de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring. Om de snelheid vast te kunnen stellen zijn vaarproeven uitgevoerd. De sloep van de slachtoffers was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Met een vervangende boot zijn 6 vaarproeven gehouden. Met de speedboot van verdachte zijn 25 vaarproeven gehouden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de snelheid van beide vaartuigen, aangezien op het moment van eerste aanraking beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar waren. As niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring, kan de snelheid van de speedboot gelegen hebben tussen de 39 en 68 km/h (). Aangezien niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring gaat het hof ervan uit dat verdachte minimaal 39 km/h moet hebben gevaren op het moment van de aanvaring. Aangezien een snelle motorboot, ongeacht grootte of gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/h () heeft verdachte dus in plané gevaren op het moment van aanvaring. Dat verdachte zeer hard en in plané heeft gevaren wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Dat er ook anderen zijn die over de stand van de boot anders hebben verklaard, doet daaraan niet af.
()
Het hof verwerpt het verweer en overweegt dat uit het onderzoek van [verbalisant] volgt dat de exacte snelheid van de speedboot niet kan worden vastgesteld aangezien de snelheid van de sloep niet berekend is, maar dat in elk geval kan worden vastgesteld dat de snelheid van de speedboot tussen de 39 km/h en de 69 km/h heeft gelegen waarbij in het voordeel van verdachte wordt uitgegaan van de hoogste snelheid van de sloep (16 km/u), hetgeen neerkomt op een minimale snelheid van de speedboot van 39 km/u, ruim zes keer de maximum toegestane snelheid ter plaatse.
Verlichting speedboot en sloep
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een sloep welke verlichting voerde op het water za varen en dat er een boot zonder verlichting met enorme snelheid aan kwam varen. Hij hoorde een klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit rond achterlicht. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had. Getuige [getuige 5] heft verklaard dat hij een zwart varend voertuig over het water heen zag schieten. Rechts zag hij ook een bootje varen. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag hij dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer en dat dit sloepje licht voerde. Toen de speedboot aan kwam met een hoge snelheid zeiden ze volgens de getuige: ‘wat onverantwoord zo hard zonder verlichting’.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring geen verlichting voerde en dat de sloep van de slachtoffers wel verlichting voerde. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de verlichting als een ‘standaardhandeling’ tevoren zou hebben aangezet noch acht het hof aannemelijk dat de groen een blauwe [bedoeld zal zijn rode -PD] navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat zijn boot wel verlichting voerde.
()’
3.7
Het hof heeft onder meer tot het bewijs gebezigd (15) een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende o.m.:
‘Het planeren, ook wel glijden of scheren genoemd met een vaartuig, is als een vaartuig niet door maar over het water vaart. Een vaartuig planeert en komt dan gedeeltelijk uit het water, wanner het dankzij een bereikte relatieve grote snelheid niet alleen door de hydrostatische kracht van het water wordt gedragen, maar ook door de dynamische krachten van het snel langs de romp stromende water. Het gewicht van het verplaatste water is dan kleiner dan het gewicht van het vaartuig. Het is ons, verbalisanten, door ervaring bekend, dat een snelle motorboot, ongeacht grootte/gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 kilometer per uur. Bij het in plané komen van een vaartuig, tot het in plané varen, komt het voorschip ervan omhoog, waardoor het uitzicht tijdelijk wordt beperkt.
()’
3.8
Tevens heeft het hof als bewijsmiddel gebezigd (21) een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 maart 2016, inhoudende (een gedeelte van) de door verdachte afgelegde verklaring:
‘U vraagt mij of ik in plané richting de doorgang van de eilanden voer. Ja.’
3.9
Voorts heeft het hof als bewijsmiddel (24) gebruikt een proces-verbaal verhoor, inhoudende de verklaring van [getuige 11]:
‘V: Wat gebeurde er met de boot?
A: De punt ging iets omhoog, ik merkte dot het harder ging.’
3.10
Ook heeft het hof een proces-verbaal verhoor getuige, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1], als bewijsmiddel (30) tot het bewijs gebezigd, inhoudende:
‘Op het moment dat ik de boot zag naderen zag ik dat de boot in plané voer. Plané betekent voor mij dat de boot door de snelheid uit het water komt. Ik zag dat de boot schuin uit het water kwam.
()
Toen de boot naderde zag ik at het een speedboot was. Ik zag dat deze speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag ik dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer. Ik zag dat dit sloepje licht voerde.’
3.11
Verder heeft het hof als bewijsmiddel (34) een proces-verbaal verhoor getuige bij de rechtercommissaris, inhoudende de verklaring van [getuige 4], gebezigd:
‘U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik zag wel dat hij een lampje had.’
3.12
Daarnaast heeft het hof de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 2] voor het bewijs gebruikt (35), inhoudende:
‘'s Avonds hoorden we een boot aankomen zonder licht en hard varend. Hij kwam langs het eiland, de golven sloegen over het eiland heen.’
3.13
Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte niet in plané heeft gevaren en zodoende maximaal rond de 17 kilometer per uur zou kunnen hebben gevaren. Hiertoe is aangevoerd dat (i) niet vast staat met welke snelheid de sloep en de speedboot hebben gevaren, (ii) planerende boten weinig waterverplaatsing/golven veroorzaken, zodat de (tot het bewijs gebezigde) verklaring van getuige [getuige 2], inhoudende dat de golven over het eiland heen sloegen, juist duidt op een boot die niet in plané vaart, (iii) planerende boten vrijwel horizontaal op het water liggen, zodat de (tot het bewijs gebezigde) verklaring van getuige [getuige 1] inhoudende dat sprake was van een ‘halfglijder’ en de boot schuin uit het water kwam, juist niet past bij een boot die in plané vaart, (iv) nagenoeg alle getuigen hebben verklaard dat de neus van verdachtes boot ver omhoog stond, (v) ooggetuige [benadeelde 4] — die in de sloep zat — heeft verklaard dat hij ‘de enorme grote en hoge voorkant van de boot’ op de sloep zag afkomen en weet dat ‘de neus van een boot omhoog gaat, voordat hij in plané gaat’ en dat de boot van verdachte daarom ‘nog steeds bezig [moet] zijn geweest met optrekken’, (vi) de andere ooggetuige, de heer [benadeelde 6], heeft verklaard dat hij ‘bijna tegen de onderkant van de boot’ aan keek en dat ‘het grootste deel uit het water was’, zodat ook gelet op de verklaringen van beide ooggetuigen niet gesteld kan worden dat de boot in plané voer, terwijl (vii) uit onderzoek is gebleken dat de speedboot van verdachte tussen de 18 en 20 km/uur overgaat in plané, zodat verdachte niet harder kan hebben gevaren dan zo'n 17 km/uur. Dit is voorts onderbouwd door te verwijzen naar het tijdstip van vertrek en het tijdstip van de aanvaring.
3.14
In het arrest ten aanzien van de snelheid van de boot overwogen dat verdachte — zoals hij zelf overigens ook heeft verklaard — harder heeft gevaren dan de toegestane 6 km/u. Vervolgens komt het hof aan de hand van het door [verbalisant] opgestelde rapport tot de conclusie dat verdachte tussen de 39 en 68 km/u moet hebben gevaren, ook al is de snelheid van de sloep onbekend. In het voordeel van verdachte wordt vervolgens uitgegaan van 39 km/u en wordt voorts overwogen dat gelet op de omstandigheid dat de boot van verdachte vanaf ongeveer 20 km/u begint te planeren, verdachte dus in plané heeft gevaren, hetgeen bevestigd zou worden door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De omstandigheid dat andere getuigen anders hebben verklaard over de stand van de boot, doet daar volgens het hof niet aan af. Dit oordeel van het hof is naar de mening van verdachte onjuist en/of onbegrijpelijk. Door de verdediging is immers uitdrukkelijk onderbouwd betoogd dat en waarom uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] juist niét blijkt dat sprake is geweest van planeren. Daarnaast kunnen de verklaringen van bijvoorbeeld de ooggetuigen [benadeelde 4] en [benadeelde 6] — de twee getuigen die nota bene in de desbetreffende sloep zaten — niet zo maar aan de kant worden geschoven met de overweging dat die verklaringen niets afdoen aan het oordeel dat de boot wel in plané heeft gevaren, nu deze getuigen bij uitstek iets kunnen zeggen over de situatie/stand van de speedboot vlak voor het verschrikkelijke ongeval. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de op de speedboot aanwezige getuige [getuige 11] heeft verklaard dat de punt van de boot omhoog ging. Voorts heeft verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld dat hij net niet in plané voer, maar tegen plané aan voer. Het arrest/bewezenverklaringen is/zijn derhalve innerlijk tegenstrijdig en/of de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 is/zijn zodoende zeer onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
3.15
Voorts heeft het hof ten onrechte niet gerespondeerd op het deel van het verweer, waarin aan de hand van de vertrektijd van de speedboot en het tijdstip van de aanvaring, en de afstand tussen het restaurant en de plek van de aanvaring, is aangevoerd dat de snelheid van de boot niet hoger geweest kan zijn dan 7,2 km/u. In de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat verdachte het restaurant om 22.30 heeft verlaten (bewijsmiddelen 21 en 23). Voorts heeft het hof vastgesteld dat de aanvaring rond 22.45 uur heeft plaatsgevonden (bewijsmiddelen 1 en 26). Gelet op de indringendheid van het door argumenten geschraagde verweer/standpunt, heeft het hof ten onrechte niet hierop gereageerd.
3.16
Voorts is het volgende van belang. Verdachte heeft verklaard dat hij wel degelijk verlichting heeft gevoerd. De boot van verdachte beschikte onder meer over navigatieverlichting, namelijk over rood licht aan bakboordzijde en groen licht aan stuurboordzijde. De sloep beschikte niet over dergelijk groen en rood licht, maar kon enkel verlicht worden door middel van een wit rond insteeklicht. Door de verdediging is aangevoerd dat (i) veel getuigen, waaronder [getuige 1], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10], [getuige 2] en [getuige 12], expliciet hebben verklaard groen en/of rood licht te hebben waargenomen, (ii) getuige [getuige 4] verklaard heeft dat hij heeft gezien dat de sloep een lampje had, een groen lampje als hij het zich goed kon herinneren, terwijl dit onmogelijk is en het groene licht dus het groene licht van verdachtes boot moet zijn geweest, (iii) door de rechtbank te ver is gegaan in het proces van selectie, door dit wezenlijke onderdeel te schappen uit de verklaring van getuige [getuige 4].
3.17
In het arrest heeft het hof overwogen dat onder andere getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij de speedboot aan zag komen varen en zei ‘wat gaat hij hard en een verlichting’ en dat hij zag dat de sloep ‘een lampje had.’ Ook wordt verwezen naar getuige [getuige 1] die zou hebben verklaard dat de speedboot geen verlichting voerde, terwijl hij zag dat het sloepje wel licht voerde. Het hof leidt onder meer uit deze verklaringen af dat verdachtes boot dus geen verlichting voerde en de sloep wel. Het hof acht voorts niet aannemelijk dat de groene en blauwe [bedoeld zal zijn rode) navigatieverlichting waarover sommige personen hebben gesproken, betekent dat de boot van verdachte wel verlichting voerde. Ook dit oordeel is naar de mening van verdachte onbegrijpelijk. Immers is door de verdediging op meerdere getuigenverklaringen gewezen waaruit volgt dat getuigen rode en/of groene verlichting hebben waargenomen, terwijl uitgesloten kan worden dat dit rode en/of groene licht afkomstig is geweest van de sloep, nu de sloep niet over dergelijke verlichting beschikte. Opvallend is verder dat de verdediging onder meer heeft gewezen op verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 1], terwijl het hof die onderdelen van hun verklaringen omtrent rode en/of groene lampjes gewoonweg schrapt en diezelfde verklaringen vervolgens ten nadele van verdachte gebruikt. Bij de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 4] neemt deze schrapping dusdanige proporties aan dat feitelijk sprake is van denaturering van die door [getuige 4] afgelegde verklaring. Uit het door de verdediging gevoerde verweer blijkt immers dat deze getuige heeft verklaard: ‘Ik zag wel dat hij een lampje had, een groen lampje als ik het mij goed kan herinneren’. Het hof heeft slechts tot het bewijs gebezigd: ‘Ik zag wel dat hij een lampje had.’ Door de door getuige [getuige 4] afgelegde verklaring weer te geven op de wijze zoals het hof in de nadere bewijsoverweging en de aanvulling heeft vermeld, heeft het hof aan die verklaring een wezenlijk andere betekenis gegeven dan de getuige daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed (vgl. HR 27 november 2012, ECLl:NL:HR:2012:BY2073, NJ 2012/698 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9387).
3.18
Gelet op het voorgaande is/zijn de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring en/of het arrest onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
Middel IV
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdachte uitdrukkelijk en onderbouwd aangevoerd dat het door de politieambtenaar [verbalisant] uitgevoerde onderzoek naar de snelheid van de door verdachte bestuurde boot onvolledig is geweest nu deze ambtenaar in zijn berekeningen ten onrechte niet het verschil in gewicht van de boten en de materiaalsterktes mee ten nemen; bij de berekening voorts geen rekening heeft gehouden met de snelheid van de sloep terwijl de opgetelde snelheden de impactsnelheid vormen.
In het arrest heeft het hof ten behoeve van de bewezenverklaring een door verbalisant [verbalisant] opgesteld rapport betreffende (verkort zakelijk weergegeven) de snelheid van de door verdachte bestuurde boot, zonder te responderen op de door verdachte zelf uitdrukkelijk en onderbouwde standpunten, zodat het arrest en/of bewezenverklaringen onvoldoend met redenen zijn omkleed.
Toelichting
4.1
Zoals hierboven al (meermalen) is gesteld zijn aan verdachte een aantal feiten ten laste gelegd. Bij een aantal feiten is ten laste gelegd dat verdachte ‘met een zeer hoge snelheid’ heeft gevaren. In 1e aanleg heeft de rechtbank dit element bewezen geacht, waarbij de rechtbank mede voor het bewijs een door een verbalisant [verbalisant] opgesteld rapport heeft gebezigd. Deze verbalisant meent dat hij aan de hand van de schade de door de door verdachte bestuurde boot heeft kunnen reconstrueren. Verdachte heeft in 1e aanleg en in hoger beroep ontkend zich aan de feiten schuldig te hebben gemaakt.
4.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2017 is onder meer gerelateerd dat de raadsman het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces verbaal gehechte pleitaantekeningen. Voor zover het het door de verbalisant [verbalisant] opgesteld rapport betreft, vermelden de pleitnotities:
‘Voorts heeft het openbaar ministerie toegestaan dat [verbalisant] zijn eigen onderzoeksvragen heeft mogen opmaken, en toegelaten dat het onderzoek naar de snelheid slechts gebaseerd is op de vermeende snelheid van de boot van mijn cliënt, en daarin niet betrokken de snelheid van de sloep. De sloep heeft namelijk ook bijna 3 keer de toegestane snelheid gevaren maar daar kom ik nog op terug.
- 17.
Het openbaar ministerie dient dientengevolge primair op de voet van artikel 359a Sv niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vervolging van cliënt. Vanwege de genoemde verzuimen kan er niet langer sprake zijn van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, een onwrikbaar recht waaraan geen afbreuk mag worden gedaan. Niet aan de waarborgen van een eerlijk proces voldoen:
()
- ○
het hele onderzoek van [betrokkene 1] voldoet niet aan de waarborgen van het Wetboek van Strafvordering maar zeker na de vaststelling dat de door hem opgedoken en naar zijn zeggen van de sloep afkomstige lamp niet van de sloep afkomstig blijkt te zijn, had zijn onderzoek door het Openbaar Ministerie niet voor het bewijs gebezigd mogen worden;
()
- ○
hetzelfde gelet voor de onderzoeksresultaten van het onderzoek uitgevoerd door [verbalisant], betreffende de snelheid van de boot. [verbalisant] heeft de impactsnelheid berekend aan de hand van de schade, ten onrechte zonder daarbij de snelheid van de sloep in acht te nemen.
()
- 91.
Dan is er nog geprobeerd om de snelheid van de boot van [verdachte] te reconstrueren aan de hand van de geconstateerde schade. We kunnen vaststellen dat de heer [verbalisant] hier niet in is geslaagd. Belangrijke factor daarbij is uiteraard dat bij de vaststelling niet is uitgegaan van de waarschijnlijke snelheid van de sloep. Uw Hof zal het met mij eens zijn dat, als je die factor niet betrekt bij de berekening, je nooit een zinnige vaststelling kan produceren. De impact en de daaruit resulterende schade is afhankelijk van de snelheid van beide objecten, en wel in gelijke mate. Het dossier leert overigens dat de sloep een aan aanzienlijke snelheid heeft gehad terwijl tussen de engste Eilanden 7 en 8 werd ingevaren. 15 km/u leert het dossier (pag 84 getuige [benadeelde 4] 3 augustus 2014). Overigens ook bijna 3 keer de toegestane snelheid aldaar, net zoals [verdachte] wordt verweten.’
4.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2017 is onder meer gerelateerd dat de verdachte het (laatste) woord heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces verbaal gehechte aantekeningen. In deze aantekeningen is onder meer vermeld:
‘Ook onderzoeker [verbalisant] laat een hoop steken vallen in het onderzoek. Hij mag, zoals de slager die zijn eigen vlees keurt, zelf zijn vragen bepalen over wat hij wil onderzoeken. Hij vergeet daarbij helemaal de sloep ook in zijn onderzoek mee te nemen en heeft alleen vragen over hoe snel mijn boot heeft gevaren en hoe de afwikkeling van de schade heeft plaats kunnen vinden. Hij laat in een aantal schetsen zien hoe hij denkt dat mijn boot de sloep heeft geraakt maar vergeet daarbij dat mijn boot, die ruim 3000 Kg. Weegt niet 1 meter horizontaal boven het water kan zweven. Hij vergeet het verschil in de gewicht van beide boten in zijn onderzoek mee te nemen en ook de materiaal sterktes van beide vaartuigen laat hij buiten beschouwing. (De sloep weegt slechts 1.000 Kg terwijl mijn boot ruim 3.000 Kg weegt en de sloep is gemaakt van maar 14 mm. dik polyester terwijl mijn boot gemaakt is van ruim 40 mm. mahoniehout me taan de binnenzijde nog eens een polyester laag van 20 mm.) Dat de boot dus bijna geen schade heeft en de sloep veel is door deze verschillen niet verwonderlijk.
()
Ook is er in zijn onderzoek geheel geen rekening gehouden met het feit dat mijn boot onder een bepaalde hoek de sloep heeft moeten raken om tot het actuele impactpunt te kunnen komen. Dit punt van impact zit namelijk iets boven de waterlijn aan de onderkant van mijn boeg. Dit punt kan alleen daar ontstaan zijn als de punt van mijn boot, de boeg, omhoog stond. De slachtoffers getuigen zelf ook dat ze de punt van de boot op zich af zagen komen. Ook een aantal getuigen geeft aan dat de boeg van de boot omhoog stond. Dit kan alleen worden veroorzaakt als mijn boot NIET in plane was en dus een snelheid had die onder de 20 km/u lag.
()
[verbalisant] heeft met de afwikkeling van de schade ook totaal geen rekening gehouden met het feit dat ook de sloep een snelheid had. Volgens de overlevenden voeren ze met de sloep een snelheid van 15 km/u Deze snelheid dient te worden opgeteld bij mijn snelheid. Samen vormen deze opgetelde snelheden de impactsnelheid. Als [verbalisant] daarmee geen rekening heeft gehouden kan hij onmogelijk beweren dat de snelheid die tot deze afwikkeling van de schade komt uitsluitend kan komen door mijn snelheid en deze daarom hoger zou liggen dan 20 km pre uur. Dat hij de testgegevens van de runs tijdens de reconstructie tot 20 k/u uit het onderzoek weglaat is het achterhouden van bewijs.
Zoals ik tijdens de verhoren heb aangegeven stonden de gashandles van mijn boot op 45 graden. Dit staat gelijk aan een testrun tijdens de reconstructie met een snelheid van 17–18 km/u. Hierbij is de boot dus weer niet in plane zoals zoveel getuigen en ook de opvarenden van de sloep en ikzelf zeggen. Alleen omdat Dhr. [verbalisant] op persoonlijke titel zonder nader onderzoek meent dat een dusdanige schade bij deze snelheid van de boot niet zou kunnen ontstaan laat hij deze runs buiten beschouwing in het onderzoek. Had hij wel de snelheden van beide voertuigen bij elkaar opgeteld dan had hij waarschijnlijk tot de conclusie gekomen dat een dergelijke schade wel hadkunnen ontstaan. Het niet opnemen van de snelheden van beide vaartuigen maakt zijn conclusie onvolledig.
()’
4.4
Ook indien zoals i.c. in het laatste woord uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren worden gebracht, behoort de rechter daarop te responderen. Het laatste woord strekt er immers (mede) toe dat de verdachte ter verdediging alles kan inbrengen wat daarvoor functioneel kan zijn (Wöretshofer, T&C Strafvordering, art. 311, aant. 5).
4.5
In het arrest heeft het hof de ten laste gelegde feiten bewezen geacht. Bij de feiten 1 en 2 is (telkens) bewezen verklaard dat verdachte ‘met een zeer hoge snelheid (waardoor de motorboot in plané kwam) () in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur’ heeft gevaren. Ten behoeve van de bewezenverklaringen heeft het hof als bewijsmiddel (10) gebezigd een proces-verbaal reconstructie vaarongeval, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant]:
‘p. 1415
Soort: | Open speedboot met een voorverblijf |
Materiaal romp: | Hout |
Lengte: | 8,15 m. |
Breedte: | 2,72 m. |
Voortstuwing: | Twee verbrandingsmotoren die elk een z.g. ‘heckdrive’ aandrijven. Beide heckdries zijn voorzien van twee contra roterende propellers (‘duoprops’). |
Soort: | Open motorsloep |
Materiaal romp: | Kunststof. |
Lengte: | 6,15 m. |
Breedte: | 2,28 m. |
Voortstuwing: | Eén verbrandingsmotor die een scheepsschroef aandrijft. |
p. 1428–1434
De schades zijn door mij, [verbalisant], geïnterpreteerd. Beide vaartuigen hadden tegengestelde koersen tijdens de afwikkeling van het ongeval. Vermoedelijk is de voorsteven van vaartuig 1 in aanraking gekomen met de scheepshuid van vaartuig 2 ter hoogte van schade 12. De doorlopende beschadiging in de zitbank van vaartuig 2 is veroorzaakt door een scherp voorwerp met een naar beneden gerichte kracht. De enige scherpe delen van het onderwaterschip van vaartuig 1 zijn de staartstukken van de heckdrives. Omdat de bakboord heckdrive buiten de romp van vaartuig 2 is gebleven, is de doorlopende beschadiging kennelijk veroorzaakt door de stuurboord heckdrive. De voorsteven van vaartuig 1 is bij de botsing kennelijk de romp van vaartuig 2 binnengetreden ter hoogte van schade 12. De voorsteven is vervolgens in contact geweest met de binnenkuip van vaartuig 2 en heeft de binnenkuip verlaten ongeveer ter hoogte van de scheef staande bolder.
Op 16 oktober 2014 werden vaarproeven uitgevoerd. Deze vaarproeven hadden tot doel om d snelheid van vaartuig 1 vast te stellen op het moment van de botsing alsmede het zicht dat de schipper had op het wateroppervlak vóór vaartuig 1.
Vaartuig 1 was beschikbaar voor het voeren van vaarproeven. Vaartuig 2 was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Het onderzoeksteam heeft een vervangende boot gehuurd waarmee de vaarproeven konden worden uitgevoerd. Met vaartuig 1 werden 25 vaarproeven gehouden. Met vaartuig 2 werden zes vaarproeven behouden.
p. 1439–1442
Bij beide vaartuigen is de hoogte van het punt van de eerste impact afhankelijk van de snelheid. Op het moment van eerste aanraking waren beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar. Daarom is er een verband tussen de snelheid van beide vaartuigen. Omdat de snelheid van vaartuig 2 ten tijde van het ongeval niet bekend is, kan de snelheid van vaartuig 1 niet expliciet worden vastgesteld. Uit de meetgegevens van de vaarproeven zijn bepaalde snelheden van vaartuig 1 wel uit te sluiten. Bij het bepalen van d mogelijke gevaren snelheid van vaartuig 1, direct voor het ongeval, is rekening gehouden met:
- —
de aard van de geconstateerde schades aan beide vaartuigen;
- —
de afwikkeling van de aanvaring;
- —
de vaareigenschappen als gevolg van verschillende trimstanden van vaartuig 1.
Als bekend is wat de snelheid van vaartuig 2 was, kan de snelheid van vaartuig 1 worden afgeleid uit de volgende tabel:
Vaartuig 2 | Vaartuig 1 | ||
|---|---|---|---|
Run nr. | Snelheid | Run nr. | Snelheid |
Km/u | km/u | ||
1 | 6 | 22, 23, 24, 25 | 61–68 |
2 | 9 | 22, 23, 24, 25 | 61–68 |
3 | 11 | 22, 23, 24 | 61–67 |
4 | 13 | 20, 21, 22, 23, 24 | 50–66 |
5 | 15 | 16, 17, 21 | 39–56 |
6 | 16 | 16, 17 | 39–50 |
Als niet bekend is wat de snelheid was van vaartuig 2 direct voorafgaande aan het ongeval, kan de snelheid van vaartuig 1 hebben gelegen tussen 39–68 km/u.
Met medewerking van verdachte stelden wij de plaats vast van het oogpunt van de verdachte nadat hij op verschillende manieren had plaatsgenomen als bestuurder van vaartuig 1:
- —
zittend op de zitting van de bestuurdersstoel
- —
zittend op de opgeklapte zitting van de bestuurdersstoel
- —
staan, op de vloer van de kuip, achter het roer.
Conclusie:
Als de bestuurder zit op de zitting van de bestuurdersstoel dan heeft hij in het geheel geen zicht op het wateroppervlak vóór het vaartuig (oneindig dode hoek). Als de bestuurder zit op de opgeklapte zitting dan is de grootste afstand voor het vaartuig dat hij niet kan overzoek: minimaal ongeveer 14 meter en maximaal ongeveer 51 meter. Als de bestuurder staat dan is de grootste afstand voor het vaartuig dat hij niet kan overzien: minimaal ongeveer 10 meter en maximaal ongeveer 23 meter.’
4.6
In het arrest heeft het hof met betrekking tot de feiten 1 en 2 voorts nog vermeld:
‘Snelheid speedboot
Verdachte heeft verklaard dat hij harder heeft gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u en dat hij ook tussen de eilanden harder heeft gevaren dan is toegestaan. Door verbalisant [verbalisant] is een onderzoek ingesteld naar onder meer de vaarsnelheid van de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring. Om de snelheid vast te kunnen stellen zijn vaarproeven uitgevoerd. De sloep van de slachtoffers was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Met een vervangende boot zijn 6 vaarproeven gehouden. Met de speedboot van verdachte zijn 25 vaarproeven gehouden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de snelheid van beide vaartuigen, aangezien op het moment van eerste aanraking beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar waren. Als niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring, kan de snelheid van de speedboot gelegen hebben tussen de 39 en 68 km/h (tabel p. 1439 dossier). Aan gezien niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring gaat het hof ervan uit dat verdachte minimaal 39 km/h moet hebben gevaren op het moment van de aanvaring. Aangezien een snelle motorboot, ongeacht grootte of gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/h (p. 1141 dossier) heeft verdachte dus in plané gevaren op het moment van aanvaring. Dat verdachte zeer hard en in plané heeft gevaren wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie getuigen () en (). Dat er ook anderen zijn die over de stand van de boot anders hebben verklaard, doet daaraan niet af.
De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek van [verbalisant] niet voor het bewijs kan worden gebruikt aangezien bij de vaststelling van de snelheid niet is uitgegaan van de snelheid van de sloep. Volgens de raadsman komt uit het dossier naar voren dat de sloep een aanzienlijke snelheid heeft gehad, namelijk 15 km/u.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat uit het onderzoek van [verbalisant] volgt dat de exacte snelheid van de speedboot niet kan worden vastgesteld aangezien de snelheid van de sloep niet bekend is, maar dat in elk geval kan worden vastgesteld dat de snelheid van de speedboot tussen de 39 km/u en de 68 km/u heeft gelegen waarbij in het voordeel van verdachte wordt uitgegaan van de hoogste snelheid van de sloep (16 km/u), hetgeen neerkomt op een minimale snelheid van de speedboot van 39 km/u, ruim zes keer de maximum toegestane snelheid ter plaatse.’
4.7
Met betrekking tot het 3e ten laste gelegde feit heeft het hof onder meer overwogen:
‘Door [verbalisant] is onderzoek gedaan naar de wijze waarop de afwikkeling van het ongeval heeft plaatsgevonden. Hieruit komt naar voren dat de voorsteven van de speedboot in aanraking is gekomen met de scheepshuid ter hoogte van de stuurboord voorzijde van de sloep. De doorlopende beschadiging in de zitbank van de sloep is kennelijk veroorzaakt door de stuurboord heckdrive van de speedboot. De voorsteven van de speedboot is bij de botsing kennelijk de romp van de sloep binnengetreden ter hoogte van de stuurboord voorzijde. De voorsteven is vervolgens in contact geweest met de binnenkuip van de sloep en heeft vervolgens de binnenkuip verlaten. De sloep is dermate beschadigd dat deze niet meer bruikbaar is.’
4.8
Uit het arrest volgt dat het hof weliswaar is ingegaan op hetgeen door de raadsman heeft aangevoerd, maar niet op hetgeen verdachte zelf heeft aangevoerd, terwijl verdachte zelf als bezwaren tegen de door de verbalisant getrokken conclusies heeft aangevoerd dat deze verbalisant zelf de vragen heeft kunnen verzinnen die door hem moesten worden beantwoord; in zijn onderzoek niet het verschil in gewicht en de materiaal sterktes heeft meegenomen; geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de door verdachte bestuurde boot de sloep onder een bepaalde hoek heeft moeten raken om tot het actuele impactpunt te kunnen komen; ten onrechte de snelheden van beide vaartuigen niet bij elkaar heeft opgeteld in verband met de aard van de schade. Gelet op de indringendheid van deze door argumenten geschraagde uitdrukkelijk naar voren gebrachte standpunten/verweer heeft het hof het arrest, althans de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen omkleed.
Middel V
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen dat verdachte zich ten aanzien van het aan hem onder feit 1 ten laste gelede schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid. Het hof heeft daartoe overwogen dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) ter plekke minimaal 39 kilometer per uur heeft gevaren; de hoge snelheid niet is gecompenseerd door een bijzonder hoge mate van oplettendheid; geen verlichting heeft gevoerd; verdachte onder invloed van alcohol verkeerde; geen rekening heeft gehouden met het feit dat het op het water drukker zou zijn; de speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is terwijl er aanzienlijk lichtere en minder snelle vaartuigen op het water of mensen konden zijn; er verkeer kon komen van de kant waar de sloep vandaan kwam; verdachte niet meer dan weinig ervaring had met het varen in het donker.
Het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
5.1
Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd:
‘1 primair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd,
immers heeft verdachte opzettelijk, als bestuurder van een (motor)boot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang, was en/of
terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder voornoemde Noordijk en/of Koetje) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of (twee van de) opvarenden van die sloep, ten gevolge waarvan twee opvarenden van die sloep, te weten voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn overleden;
1. subsidiair:
hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
als bestuurder van een (motor)boot,
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na zonsondergang was, en/of
terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde
met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of (twee van de) opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel heeft/hebben bekomen dat hij/zij aan de gevolgen daarvan is/zijn overleden;’
5.2
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2017 is door de raadsman onder meer aangevoerd:
‘Subsidiair
Dood door schuld(s) jegens Koetje en Noordijk al dan niet met de strafverzwarende omstandigheid van roekeloosheid
- 120.
Voorts is dood door schuld in de zin van artikel 307 Sr tenlastegelegd, incluis de strafverzwarende omstandigheid van het tweede lid: de roekeloosheid.
- 121.
Met de codificatie van roekeloosheid in de Strafwet heeft de wetgever, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, beoogd om zeer onvoorzichtig gedrag te bestraffen als daarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's worden genomen. In het bijzonder ten aanzien van roekeloosheid in het verkeer (dat analoog doorwerkt in onderhavige situatie) heeft de wetgever gesteld dat daarvoor is vereist ‘bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren.
- 122.
In de rechtspraak is dit leerstuk begrensd. De Hoge Raad heeft ten eerste bepaald dat niet zozeer de ernst van de gevolgen van wederrechtelijk verkeersgedrag bepalen of er sprake is van roekeloosheid. En dat is in zaken als onderhavige waarbij deze ernst groot is, van cruciaal belang. Het is vanuit menselijk perspectief namelijk zeer begrijpelijk, maar desondanks allesbehalve wenselijk, om ons ongenoegen vanwege deze ernstige gevolgen te willen botvieren op een persoon, in dit geval enkel een feitelijk betrokkene.
- 123.
De Hoge Raad heeft ook herhaaldelijk benadrukt dat ‘roekeloosheid’ in de juridische zin een speciale betekenis heeft, die niet hoeft samen te vallen met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloosheid’ wordt verstaan (iets als: ‘onberaden’). Volgens vast rechtspraak van de Hoge Raad moet aan de vaststelling van roekeloosheid dan ook zware eisen worden gesteld en het is aan de rechter om aan de motivering van een bewezenverklaring van roekeloosheid extra aandacht te besteden. En dat ligt ook voor de hand: het is immers onze zwaarste schuldvorm.
Het komt dan ook neer op het volgende. De rechter moet zodanige feiten en omstandigheden vaststellen zodat daaruit is af te leiden dat ‘door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.’ Daarbij moet er ook rekening worden gehouden met de gedachte dat het niet zonder meer voor de hand ligt dat de persoon er daarbij ook welbewust voor kiest om zijn eigen lijf of leven ernstig in gevaar te brengen.
Kortom: slechts in uitzonderlijke gevallen is er sprake van roekeloosheid in de juridische zin van het woord en daarom volgt een dergelijke kwalificatie slechts zelden.
- 124.
Om inzicht te krijgen in hoe uitzonderlijk deze gevallen wel niet moeten zijn, helpt het om een aantal op zichzelf zeer ernstige zaken binnen deze grenzen te plaatsen.
- ○
Een spookrijder rijdt kilometers tegen het verkeer in met hoge snelheid, terwijl hij onder invloed is van alcohol. Schuld in de zin van roekeloosheid achtte het Hof niet bewezen.
- ○
Een bestuurder van een personenauto is (al dan niet bewust) met te hoge snelheid door rood gereden waarbij hij een voetgangersoversteekplaats heeft genaderd, terwijl hij onder invloed was van alcohol. Schuld in de zin van roekeloosheid acht het hof (ook hier) niet bewezen.
- ○
De bestuurder van een personenauto heeft 7 keer meer alcohol gedronken dan toegestaan en rijdt onder die omstandigheden bijna 50 km/u te hard op een autoweg, terwijl hij geen ervaring had met het betreffende type auto. Schuld in de zin van roekeloosheid kan volgens de Hoge Raad niet worden bewezen.
- ○
Een automobilist rijdt na fors alcoholgebruik zonder rijbewijs met valse kentekenplaten 200 km/u over de snelweg en vervolgens de afrit. Schuld in de zin van roekeloosheid kan volgens de Hoge Raad niet worden bewezen.
- ○
De bestuurder van een auto rijdt 's nachts op een smalle, onverlichte weg te hard terwijl hij onder invloed is en reeds door zijn moeder is gewaarschuwd om niet de weg op te gaan. Hij schept een bromfietser. Schuld in de zin van roekeloosheid kan volgens de Hoge Raad niet worden bewezen.
- 125.
En zo zijn er nog talloze voorbeelden te noemen van verkeersongevallen in de zin van artikel 6 WVW waarbij de verkeersregels zelf ernstig zijn geschonden, waarbij het gebruik van alcohol en een te hoge snelheid een rol heeft gespeeld en ook de gevolgen daarvan zeer ernstig te noemen zijn, terwijl niet tot een bewezenverklaring van roekeloosheid kan worden gekomen. En dat is terecht, want anders zou van uitzonderlijke gevallen niet langer kunnen worden gesproken.
- 126.
Wanneer er wel sprake is van deze uitzonderlijke gevallen blijkt al snel als we nog meer inzoomen op de rechtspraak van de Hoge Raad. Namelijk, van roekeloosheid in het verkeer is alleen sprake bij een samenstel van gedragingen die een ‘wedstrijdachtig karakter’ hebben (bijv. straatraces, achtervolgingen e.d.). Ik kan wel stellen dat vaststaat dat in onderhavige zaak daarvan geen sprake is (geweest), dus van die lijn moet altijd worden afgeweken wanneer Uw Hof tot een bewezenverklaring van roekeloosheid wenst te komen.
()
- 130.
Bovendien geldt dat ook in het reguliere verkeer op autowegen zich ‘trage’ voertuigen begeven, in ieder geval ten opzichte van het overige wegverkeer. Daarbij kan Uw Hof denken aan vrachtwagens, bussen of invalidevoertuigen. Naast dat de Rechtbank aan dit feit geen enkele aandacht heeft besteed, kan daarom niet worden aangenomen dat de stelling van de Rechtbank zijn grondslag heeft in de Wet. Bijvoorbeeld ook in een reeds aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad waarbij een automobilist een bromfietser schept, is sprake van beperkte mogelijkheden tot gedragsaanpassing en dat heeft niet in de weg gestaan aan de conclusie dat er geen sprake is van roekeloosheid. De verdediging vraagt zich af hoe de Rechtbank tot deze conclusie heeft kunnen komen; zijn er immers niet aanzienlijk meer situaties denkbaar waarbij het voor de ene bestuurder eenvoudiger is om te anticiperen op het (onvoorzichtige) gedrag van de ander dan voor die ander? Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat een bestuurder een ander bestuurder van achteren nadert. Ook geldt dat de sloep slechts een aantal kilometers per uur minder hard voer ten opzichte van de motorboot, dus ook daarin ligt geen rechtvaardiging.
- 131.
Kort gezegd, voor de vaststelling van de Rechtbank bestaat op dit punt geen enkele aanleiding en deze is daarom ook niet te rechtvaardigen. En bovendien is deze conclusie ook niet gemotiveerd, dus dat alleen rechtvaardigt gezin de verzwaarde motiveringplicht al de conclusie dat op deze overweging van de Rechtbank geen acht kan worden geslagen.
- 132.
Tot slot heeft de Rechtbank nog twee andere feiten meegewogen. Eerst het feit dat de motorboot van cliënt een omvang had en dat cliënt dat wist, zou vragen om extra voorzichtigheid. Ook hiermee schept de Rechtbank een niet-bestaande verzwaarde zorgplicht voor een bepaalde groep personen, namelijk bestuurders van een motorboot ‘met een grote omvang’. Cliënt begrijpt dat voorzichtigheid geboden is, maar hij begrijpt niet waarom dat met een boot van ‘grote omvang’ (wat daar ook onder moge vallen) anders geldt.
- 133.
Ook meent de Rechtbank dat het voor de kwalificatie van roekeloosheid van belang is dat er sprake zou zijn geweest van een ‘forse dode hoek’, ontstaan door de omvang van de boot en het feit dat deze in plané zou hebben gevaren. Cliënt heeft reeds betwist dat hij in plané heeft gevaren en dat kan ook niet met zekerheid worden vastgesteld. Ook heeft de Rechtbank van belang geacht dat cliënt geen vaat heeft geminderd oen hij de eilanden naderde, ondanks het beperkte zicht en de donkerte. De begroeiing op de eilanden beperkt de waarneming van schepen met een donkere rompkleur volgens de Rechtbank nader, zelfs ernstig. De vaststelling van de Rechtbank dat de sloep verlicht zou zijn geweest heeft cliënt reeds uitgebreid betwist, en ook dat gestelde feit kan volgens mijn cliënt niet worden meegenomen in de beoordeling of zijn handelen al dan niet roekeloos is geweest.
Al zou dat alles zo zijn (quod non), dan nog rechtvaardigt dat niet de conclusie dat cliënt daarmee ook schuld heeft aan het drama, laat staan dat hij daarmee roekeloos heeft gehandeld.’
5.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard:
‘1 subsidiair:
hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos
als bestuurder van een motorboot
na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en
terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en
terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde
met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané wam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/u,
waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,
waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden;’
5.4
In het arrest heeft het hof daartoe overwogen:
‘Roekeloosheid
Dat verdachte ter plekke minimaal 39 kilometer per uur heeft gevaren levert — zowel in aard, ernst als de overige omstandigheden — in verband met de grootte van de daardoor veroorzaakte gevaren een bijzonder ernstige gedraging op. Het gaat daarbij immers om ruim zes keer de maximum snelheid van 6 kilometer per uur. Die maximumsnelheid ter plekke — zowel overdag als bij nacht — was er natuurlijk niet voor niets. De hoogte van de maximumsnelheid — zo begrijpt het hof — houdt verband met de gevaren van zowel het varen bij nacht als van de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden met hun begroeiing en bebouwing. De door verdachte gevaren bijzonder hoge snelheid maakt het zeer veel moeilijker voor verdachte als bestuurder om andere vaartuigen in de nabijheid tijdig te zien en zo nodig uit te wijken en voor bestuurders van andere vaartuigen om tijdig en adequaat te reageren, in het bijzonder als het donker is, zoals het op het tijdstip van de aanvaring was. Die hoge snelheid is niet — voor zover dat al mogelijk is — gecompenseerd door een bijzondere hoge mate van oplettendheid. Integendeel. Verdachte heeft immers de sloep niet gezien, zoals hij heeft verklaard. Dat heeft er echter niet aan gelegen dat de sloep niet verlicht was, want dat was de sloep wel. Het hof leidt daaruit af dat verdachte in hoge mate onoplettend, althans in hoge mate onachtzaam is geweest, terwijl zijn gezichtsveld aanzienlijk groter was dan wanneer hij op het punt stond in plané te gaan varen. Omgekeerd beroofde de grote snelheid van de speedboot de opvarenden van de sloep van elke mogelijkheid om tijdig te reageren, uit te wijken of zo nodig voorrang te verlenen. Dit effect werd nog versterkt doordat de speedboot geen verlichting voerde. Het was de combinatie van de hoge snelheid van de door verdachte bestuurde speedboot en de onoplettendheid, althans onachtzaamheid van verdachte die ertoe heeft geleid dat de speedboot in de juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang tussen de eilanden over de sloep heen is gevaren.
Het bijzonder ernstige verwijt dat verdachte op grond van het voorgaande reeds wordt gemaakt wordt nog vergroot door de omstandigheid dat verdachte onder invloed van een hoeveelheid alcohol verkeerde die ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid oplevert Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de beschrijving van [getuige 7] dat ook verdachte aangeschoten dan wel dronken was.
Daar komt verder nog bij dat verdachte op die avond ermee rekening had behoren te houden:
- —
dat het op het water drukker zou zijn dan op andere momenten als gevolg van een aantal evenementen, de zomervakantie en het mooie weer,
- —
dat zijn speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is en een groot vermogen heeft terwijl er aanzienlijk lichtere en minder snelle vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn,
- —
dat er verkeer van de kant kon komen waar de sloep vandaan kwam en — bij afwezigheid van een verplichting daartoe — zonder dat dit stuurboord zou houden,
- —
dat hij niet meer dan weinig ervaring had met het varen in het donker.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn.
Op grond van al het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het aan zijn schuld te wijten is dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] ontstaat.’
5.5
Bij de beantwoording of er sprake is van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als ‘de zwaarste vorm van het culpose delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 22 mei 2012, LJN BU2016, NJ 2012/488; HR 4 december 2012, NJ 2013/16). ‘Roekeloos’ heeft in het strafrecht een eigen, van het gewone spraakgebruik afwijkende, betekenis, gelet op het zeer grote verschil in strafmaat.
5.6
Het geval waarin de verdachte — te midden van medeweggebruikers — als een soort kat en muisspel door het verkeer is gereden, met zeer grote overschrijding van de snelheid door rood is gereden op een kruispunt is één van de (weinige) gevallen die bijvoorbeeld wel ‘roekeloos’ rijden oplevert (HR 15 oktober 2013, NJ 2014/27). De Hoge Raad heeft tevens geoordeeld dat een verdachte die zónder rijbewijs met snelheid van 200 km/h heeft gereden, met hoge snelheid op een afrit is gereden en de auto die voor hem reed via de vluchtstrook rechts heeft ingehaald niet roekeloos heeft gereden (HR 1 april 2014, NJ 2014/269). Met een motor met een snelheid van 90 km/h waar 50 km/h is toegestaan een oversteekplaats voor bromfietsen overgestoken — waar de verdachte een van rechts komende bromfietser heeft aangereden — terwijl het zicht op de oversteekplaats door een auto werd belemmerd, het verkeerslicht op rood stond en verdachte onder invloed was van alcohol, leverde géén roekeloosheid op (HR 28 oktober 2014, NJ 2015/14). Te hard rijden, opgefokt en onder invloed van alcohol is eveneens onvoldoende (HR 22 mei 2012, NJ 2012, 488, zie voorts HR 15 oktober 2013, NJ 2014, 26 en 28,mnt. NK en HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772), evenals het 's nachts op een nat wegdek veel te hard op een trambaan rijden (HR 3 juli 2012, NJ 2012, 489, mnt FWB). Ook het onder invloed van alcohol tegen de rijrichting in rijden levert nog geen ‘roekeloosheid’ op (HR 3 december 2013, NJ 2014, 29). Vrij recent heeft de rechtbank Den Haag in een zaak omtrent een straatrace met een dodelijk slachtoffer nog overwogen dat géén sprake was van roekeloosheid (Rb. Den Haag 17 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5773).
5.7
Uit de jurisprudentie wordt wel afgeleid dat van ‘roekeloos’ rijden alleen sprake is indien sprake is van buitengewoon onvoorzichtig handelen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, waarvan de verdachte zich bewust was/had moeten zijn. Er zal sprake moeten zijn van laakbare onverschilligheid jegens medeweggebruikers waardoor een zeer ernstig gevaar voor die medeweggebruikers is ontstaan (zie bijvoorbeeld de noten van Rozemond en Kleijn onder HRNJ 2014/30; HRNJ 2014,219;HRNJ 2014/220; HRNJ 2014/269). De Hoge Raad legt de lat hoog, slechts in uitzonderingsgevallen waarin hoven ‘roekeloos rijden’ hebben aangenomen, bleef dat oordeel in cassatie in stand.
5.8
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat zijn eerdere overwegingen t.a.v. roekeloosheid in de zin van de WvW ook toepasbaar zijn op roekeloosheid in de zin van art. 307 Sr (HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015, 404,mnt. NK). Hoge Raad overweegt ook hier dat roekeloosheid in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder roekeloos — in betekenis van ‘onberaden’ — wordt verstaan. Om te kunnen oordelen of er sprake is van roekeloosheid zal de rechter feiten en omstandigheden moesten vaststellen waaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen én dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
5.9
Volgens de Hoge Raad levert bijvoorbeeld het ‘het met een doorgeladen pistool plegen van een overval — waarbij in een relatief kleine woning dat geladen pistool op het beoogde slachtoffer wordt gericht, daarbij ook zogenoemde tie-raps worden getoond en het beoogde slachtoffer iemand was van wie niet zonder meer te verwachten viel dat hij zich bij die overval zonder enige daad van verzet zou neerleggen’ weliswaar zeer onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag op, maar levert dit geen roekeloosheid op (HR 8 september 2015, NJ 2015,404,mnt. NK).
5.10
Uit hetgeen het hof heeft overwogen kan niet, althans niet zonder meer volgen dat door de buitengewone onvoorzichtige gedraging van verdachte een ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat verdachte zich daarvan bewust is geweest, althans had moeten zijn. Om een vergelijking te maken met wegverkeer: er is i.c. geen sprake geweest van een ‘kat en muisspel’ met een ander vaartuig. Het oordeel van het hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 15 oktober 2018
Advocaten
mr. R.J. Baumgardt
mr. P. van Dongen