NJB 2019/1326
Dood door schuld in de zin van roekeloosheid met speedboot op Vinkeveense Plassen, art. 175 lid 2 aanhef en onder a WVW 1994: voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid als ‘de zwaarste vorm van het culpoze delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daartoe zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. I.c. voldoet de motivering door het hof dat sprake is van roekeloosheid aan de gestelde motiveringseisen. Vordering benadeelde partij: gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de vordering wat betreft de post ‘gederfd levensonderhoud’ op de grond dat dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, art. 361 lid 3 Sv: de binnen het strafproces aan de benadeelde partij geboden eenvoudige schadevergoedingsprocedure biedt deze en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer gezien de beperkte ruimte voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter afdoende ondervangen door art. 361 lid 3 Sv. Deze bepaling moet mede gezien art. 6 lid 1 EVRM aldus worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Een en ander geldt ook onder de huidige tekst van art. 361 lid 3 Sv.Vordering benadeelde partij: gelden gevorderde legeskosten en notariskosten als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108 lid 2 BW? Dat is niet het geval, mede in aanmerking genomen dat deze kosten strekten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene
HR 28-05-2019, ECLI:NL:HR:2019:829
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 mei 2019
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma en V. van den Brink
- Zaaknummer
17/06043
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2019:829, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑05‑2019
ECLI:NL:PHR:2019:307, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑04‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑01‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑01‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑10‑2016
- Wetingang
Essentie
Dood door schuld in de zin van roekeloosheid met speedboot op Vinkeveense Plassen, art. 175 lid 2 aanhef en onder a WVW 1994: voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid als ‘de zwaarste vorm van het culpoze delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal slechts in uitzonderlijke gevallen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.