Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/4.2.3:4.2.3 Waardering en aanvullende informatie met betrekking tot dochtermaatschappijen, joint ventures, deelneming, minderheidsbelang en verbonden partijen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/4.2.3
4.2.3 Waardering en aanvullende informatie met betrekking tot dochtermaatschappijen, joint ventures, deelneming, minderheidsbelang en verbonden partijen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602975:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verschillende bepalingen in Titel 9 Boek 2 BW bevatten voorschriften voor de waardering van dochtermaatschappijen, joint ventures, deelnemingen, minderheidsbelang en verbonden partijen, alsmede voor de informatieverschaffing hierover. Aangezien het verschaffen van inzicht in de financiële situatie van het concern voorop staat, hebben de begrippen die in dit verband worden gehanteerd een operationaliseringsfunctie met een obligatoir karakter.
Dochtermaatschappij
Het begrip ‘dochtermaatschappij’ is in paragraaf 4.2.2 toegelicht.
Joint venture
Het begrip ‘joint venture’ is niet wettelijk gedefinieerd. Op basis van RJ 215.103 is hiervan sprake, indien op basis van een overeenkomst tot samenwerking tussen een beperkt aantal deelnemers gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend op activiteiten. Uit RJ 215.202 blijkt dat voor de beoordeling of sprake is van een ‘joint venture’, de relatieve zeggenschap doorslaggevend is, en niet het relatieve eigendomsbelang. In principe duidt dit op het belang van organisatorische verbondenheid.
Indien daadwerkelijk sprake is van de gezamenlijke uitoefening van zeggenschap, zal geen sprake zijn van organisatorische verbondenheid tussen de joint venture en één van haar deelnemers. In RJ 215.203 is daarom verduidelijkt dat een joint venture in beginsel geen ‘groepsmaatschappij’ is. Echter, in de praktijk wordt het begrip ‘joint venture’ ook vaak gebruikt voor samenwerkingsvormen die niet voldoen aan de definitie van RJ 215.103. Indien één van de deelnemers bijvoorbeeld beleidsbeslissingen in de joint venture kan afdwingen, zal er wel sprake zijn van een groepsrelatie, zo blijkt uit RJ 215.204.
Deelneming
Van een ‘deelneming’ in de zin van art. 2:24c lid 1 BW is sprake, indien kapitaal wordt verschaft aan een rechtspersoon, met het oogmerk om met deze rechtspersoon duurzaam verbonden te zijn ten dienste van de eigen werkzaamheid. Dit duidt op de relevantie van economische verbondenheid.
Bij het bezit van een belang van 20% in het kapitaal wordt een ‘deelneming’ vermoed. In RJ 214.202 is echter toegelicht dat het wettelijk vermoeden van ‘deelneming’ bij een kapitaalbelang van 20% weerlegbaar is. Indien aantoonbaar niet wordt voldaan aan de criteria van kapitaalverschaffing voor eigen rekening en duurzame verbondenheid ten dienste van de eigen werkzaamheid, is geen sprake van een ‘deelneming’. Voorts is verduidelijkt dat een kapitaalbelang van minder dan 20% toch een ‘deelneming’ is, indien aan deze criteria wordt voldaan. Zoals in hoofdstuk 3 is opgemerkt, kan hieruit worden afgeleid dat een dergelijk formeel-juridisch criterium om praktische redenen gerechtvaardigd kan zijn. In dit opzicht duidt het 20%-criterium op financiële verbondenheid. Het vermoeden kan echter worden weerlegd, indien geen sprake is van duurzame verbondenheid of dienstbaarheid ten behoove van de eigen werkzaamheden van de aandeelhouder. Dit geeft juist blijk van het belang van economische verbondenheid.
In art. 2:389 BW zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de verwerking in de jaarrekening van deelnemingen in maatschappijen waarin ‘invloed van betekenis wordt uitgeoefend op het zakelijke en financiële beleid’. Dit is de ‘beleidsafhankelijke deelneming’, zo merken Bartman en Dorresteijn (2006) op. Zij beschrijven voorts dat indien een dergelijke deelneming niet tevens tot de groep van de deelnemende rechtspersoon behoort, sprake is van een ‘geassocieerde deelneming’. Op basis van art. 2:389 lid 1 BW bestaat bij het bezit van een 20%-belang een vermoeden dat invloed van betekenis wordt uitgeoefend. Anders dan in art. 2:24c lid 1 BW, is het 20%-criterium in art. 2:389 lid 1 BW voor deelnemingen waarin ‘invloed van betekenis wordt uitgeoefend’, niet gekoppeld aan het geplaatste kapitaal, maar aan het stemrecht. Waarschijnlijk kan dit definitieverschil worden verklaard op basis van de operationaliseringsfunctie: de ‘invloed van betekenis’ komt beter tot uitdrukking in stemrechten dan in een kapitaalbelang.
Minderheidsbelang
In RJ 217.501 is toegelicht dat er twee methoden van consolidatie worden onderscheiden, namelijk de integrale en de proportionele methode. Bij de proportionele methode vindt de consolidatie van de activa en passiva plaats naar evenredigheid van het kapitaalbelang. Bij de integrale methode worden de activa en passiva voor 100% opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van de rechtspersoon. Indien het belang minder is dan 100%, dient het aandeel van derden als ‘minderheidsbelang’ te worden opgenomen in het eigen vermogen van de geconsolideerde balans.
Uit RJ 217.502 blijkt dat bij de verwerking van een ‘minderheidsbelang’ geen rekening dient te worden gehouden met instrumenten die potentiële stemrechten in de deelneming bevatten, maar uitsluitend met de op de balansdatum aanwezige rechten op economische voordelen. Anders dan bij de beoordeling of sprake is van een groepsrelatie, tellen optierechten enzovoort dus niet mee bij de bepaling van het minderheidsbelang.
Verbonden partij
RJ 330 bevat voorschriften voor de toelichting in de jaarrekening op het bestaan van ‘verbonden partijen’, en transacties met deze partijen. Een relatie met een verbonden partij kan namelijk van invloed zijn op het resultaat en de financiële positie van de rechtspersoon, zo is omschreven in RJ 330.108 en 109. Op basis van RJ 330.105 is sprake van ‘verbonden partijen’, indien een partij beleidsbepalende invloed kan uitoefenen in een andere partij, of indien invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op het zakelijke en financiële beleid van die andere partij. Blijkens RJ 330.105 dient ‘beleidsbepalende invloed’ hierbij te worden opgevat conform het gelijknamige begrip in RJ 217.202 met betrekking tot de consolidatie. Zoals in paragraaf 4.2.2 is beschreven, gaat het er hierbij om dat een maatschappij feitelijk beleidsbepalend is in een andere, beleidsafhankelijke maatschappij. In de regel zal hiervan sprake zijn op basis van de mogelijkheid een meerderheid van de stemrechten te kunnen uitoefenen in de ava, of de mogelijkheid de meerderheid van bestuurders te kunnen benoemen of ontslaan. Echter, indien bijvoorbeeld de financiële en operationele activiteiten op basis van een statutaire of contractuele regeling worden beheerst door een derde, zal geen feitelijke beleidsbepalende invloed kunnen worden uitgeoefend, ook indien de meerderheid van de stemrechten kan worden uitgeoefend. Ook deze omschrijving getuigt van het belang van organisatorische verbondenheid.
Er kan op verschillende manieren sprake zijn van ‘invloed van betekenis’ op het zakelijke en financiële beleid van een andere partij, bijvoorbeeld op grond van een bestuursfunctie of betrokkenheid bij de bepaling van het beleid, onderlinge uitwisseling van managers, onderlinge transacties en informatieverschaffing. Uit RJ 330.102 blijkt dat met name de economische realiteit van de relatie van belang is en niet alleen de formele, juridische relatie. Op basis van RJ 330.105 geldt bij een bezit van 20% van de aan de aandelen verbonden stemrechten wel een vermoeden van ‘invloed van betekenis’, mits de deelnemende rechtspersoon naar eigen inzicht kan beschikken over deze stemrechten. Dit duidt eveneens op organisatorische verbondenheid, maar ook op financiële verbondenheid.
Volgens RJ 330.101 kunnen natuurlijke personen ook als ‘verbonden personen’ worden beschouwd, namelijk indien zij stemrecht in de ava kunnen uitoefenen waardoor zij invloed van betekenis hebben op het zakelijke en financiële beleid van de rechtspersoon. Hierbij worden ook de personen die nauw in (familie)relatie staan tot de personen met invloed van betekenis, als ‘verbonden’ beschouwd. Deze terminologie is ook gehanteerd in de definitie van het begrip ‘personal holding’ in RJ 217.103 OR. Hierin kan daarom ook een aangrijpingspunt worden gevonden voor verbondenheid tussen natuurlijke personen. Voorts geldt opnieuw dat de begrippen een vereenzelvigingsfunctie hebben.