Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.3.3.4
V.3.3.4. De erfovereenkomst ‘om baat’ of ‘om niet’, mede in het licht van de erfrechtelijke binding
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS575588:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ondermeer MünchKomm – Musielak, vor § 2274, Rn. 29. Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 719 en Palandt-Edenhofer, BGB, vor § 2274, Rn. 2.
Over deze theorie uitvoerig Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, vor §§ 2274ff Rn. 40 en § 2295 Rn. 5 e.v. Hier worden ook andere theorieën beschreven. Het verbod van § 2302 BGB (zie par. 2.3.1 van hoofdstuk III) noopt evenwel tot de conclusie dat van een ‘gegenseitiger Vertrag’ geen sprake kan zijn. Zie ook § 2295 BGB.
Schlüter, Erbrecht, Rn. 261.
Ebenroth, Erbrecht, Rn. 255.
De problematiek van § 2295 BGB wordt hieronder kort besproken. Voor een uitvoerige behandeling is hier geen plaats en wordt verwezen naar de in de noten vermelde literatuur.
Zie in het bijzonder § 325 BGB en § 326 BGB.
En niet op een wettelijke onderhoudsverplichting. Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2295, Rn. 4.
Op zich mag ‘Unterhalt’ ruim gezien worden: ‘verzorging’ is er eveneens onder begrepen. Palandt-Edenhofer, BGB, § 2295, Rn. 1.
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2295, Rn. 3. Dit gelet op het feit dat sprake is van een ‘Sondervorschrift’.
Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 742.
Ebenroth, Erbrecht, Rn. 264. In Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 743, wordt voor de testamentenpraktijk onder meer nog gewezen op het (stilzwijgend) overeenkomen van een ‘Rücktrittsvorbehalt’.
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2295, Rn. 5-7 en Ebenroth, Erbrecht, Rn. 264.
Erfovereenkomsten om baat (‘entgeltliche Verträge’) zijn gebonden aan een andere overeenkomst, te weten de overeenkomst in welke degene jegens wie de erflater zich heeft verbonden zich verplicht tot een prestatie jegens de erflater.1 Men moet deze prestatie slechts zien als de beweegreden van de testateur om de andere partij erfrechtelijk te bedenken. Het geheel kan men niet kwalificeren als een wederkerige overeenkomst, waarop de bepalingen van §§ 320 BGB e.v. handelend over het ‘gegenseitiger Vertrag’, van toepassing zijn.2 Vanzelfsprekend is er wel sprake van een zeker verband.
Bij een tegenprestatie moet men in de regel denken aan het verstrekken van verzorging en/of onderhoud. In dit kader wordt wel gesproken van een ‘Verpfründungsvertrag’.3
Bij een erfovereenkomst om niet bestaat geen verband tussen de beschikking en een tegenprestatie. Ebenroth4 wijst er op dat een bindende benoeming in de regel zal gelden als een vergelding van reeds bewezen of nog te bewijzen diensten. Men zou zich anders immers niet binden. Het belang van de kwalificatie ‘om baat’ is gelegen in § 2295 BGB:
‘Der Erblasser kann von einer vertragsmäßigen Verfügung zurücktreten, wenn die Verfügung mit Rücksicht auf eine rechtsgeschäftliche Verpflichtung des Bedachten, dem Erblasser für dessen Lebenszeit wiederkehrende Leistungen zu entrichten, insbesondere Unterhalt zu gewähren, getroffen ist und die Verpflichtung vor dem Tode des Erblassers aufgehobenwird.’5
§ 2295 BGB kan men zien als een ‘wettelijk terugtreedrecht’, waarmee de erfrechtelijke binding ongedaan kan worden gemaakt. Gelet op het feit dat geen sprake is van een wederkerige overeenkomst is deze bepaling nodig, omdat immers in de §§ 320 e.v. BGB geen oplossing kan worden gevonden bij bijvoorbeeld ‘wanprestatie’.6
Slechts onder omstandigheden kan de erflater van zijn erfrechtelijk bindende beschikking terugtreden. De prestatie moet dan steunen op een overeenkomst,7 wederkerig zijn, voortduren tot de dood van erflater en vooral zien op ‘Unterhalt’.8 Het hoeft niet per se de bevoordeelde te zijn die de tegenprestatie moet verrichten. Is de tegenprestatie begrensd in tijd of betreft het slechts een eenmalige verplichting dan werkt § 2295 BGB niet, ook niet analoog.9 De erflater kan bovendien niet bij elke tekortkoming in de tegenprestatie terugtreden. Het moet gaan om verplichtingen die:
‘vor dem Tod des Erblassers aufgehoben werden (§ 2295), beispielsweise bei Nichtigkeit nach erfolgreicher Anfechtung, durch Ausübung eines Rücktrittsrecht, durch Eintritt oder Ausfall einer Bedingung, durch nachträgliche Unmöglichkeit der zu erbringenden Leistung oder durch Aufhebungsvertrag mit dem Erblasser.’10
Zo speelt § 2295 BGB niet indien, bijvoorbeeld, sprake is van een tekortkoming in de prestatie. Er wordt dan ook aangeraden om een ontbindende voorwaarde op te nemen in het Erbvertrag, in die zin dat de beschikking vervalt indien de tegenprestatie niet naar behoren is verricht.11 Is dit niet gebeurd dan rest een beroep op § 2281 BGB (juncto § 2078 BGB). De erflater kan zijn eigen uiterste wil aanvechten met een beroep op ‘dwaling in de beweegreden’. Ik kom hier op terug in par. 3.5 van dit hoofdstuk.
Bovendien moet, wil § 2295 BGB van toepassing zijn, verband bestaan tussen ‘het testeren’ en de prestatie van de ander, hetgeen men als een bestaansvoorwaarde kan zien om te kunnen spreken van een erfovereenkomst om baat. Dit vereiste volgt uit de woorden ‘mit Rücksicht auf’.12