Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2.3
2.3 Begrenzingen van de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455775:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. N. Keijzer, ‘Verweren tegen uitlevering’, in: G.A.M. Strijards e.a. (red.), De derde rechtsingang nader bekeken, Opstellen aangeboden aan C. Bronkhorst (Bronkhorst-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 175-195, 186-187; V. Glerum & N. Rozemond, ‘4. Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek Internationaal Strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 163-240, 172-173; V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 20; H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 20.
J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 74.
G.A.M. Strijards, ‘Opvallende evoluties in het uitleveringsrecht’, Delikt en Delinkwent 1985, p. 103-119, 113.
G.A.M. Strijards, Hoofdstukken van Internationaal Strafrecht, voorpublicatie, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004, p. 89-90.
J. Koers, Nederland als verzoekende staat bij de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Achtergronden, grenzen en mogelijkheden, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2001, p. 458.
V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 20, met verwijzing naar J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2002, p. 112.
Zie: S.K. de Groot, Internationale bewijsgaring in strafzaken, Nederland, Engeland & Wales, Deventer: Gouda Quint 2000, p. 2.
Zie: J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2002, p. 113-114.
Of zoals Remmelink het formuleert: ‘als het verdrag zelf een bepaald onderdeel discutabel stelt’. Zie .J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 74.
A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, p. 26.
De normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel: bij de toetsing van een concreet verzoek dient terughoudendheid te worden betracht omdat reeds in abstracto het vertrouwen is uitgesproken.
Strijards lijkt bijvoorbeeld van mening dat het vertrouwensbeginsel tot een restrictieve interpretatie van uitleveringsbelemmeringen dient te leiden: G.A.M. Strijards, ‘Opvallende evoluties in het uitleveringsrecht’, Delikt en Delinkwent 1985, p. 103-119, 107. Swart ziet dat anders en meent dat het tegendeel ook waar kan zijn: A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, p. 29.
De meeste auteurs zijn het erover eens dat het vertrouwen waarvan in beginsel wordt uitgegaan niet absoluut is.1 Het blijkt echter niet eenvoudig om aan te geven hoever het uitgangspunt van vertrouwen reikt of, anders gezegd, wanneer het vermoeden van vertrouwen niet langer als basis van de rechtshulp kan fungeren in die zin dat toch tot toetsing van het betreffende aspect van de samenwerking wordt overgegaan.
Meestal wordt die grens getrokken bij de aanwezigheid van ‘uitzonderlijke omstandigheden’2 of ‘bijzondere omstandigheden die dit vermoeden ten principale aantasten’,3 ‘toereikende redenen (...) waarom de vragende partij niet “vertrouwd” kan worden als staat die het met bepaalde fundamentele rechtsbeginselen serieus neemt’,4 of ‘sterke aanwijzingen’5 die tot afwijking nopen. Glerum spreekt van het geval dat ‘uit de stukken zelf een ernstig vermoeden rijst dat de feitelijke mededelingen van de verzoekende staat op een misslag berusten of [dat] de opgeëiste persoon feiten en omstandigheden aanvoert waaruit zo een ernstig vermoeden volgt’.6
In een enkel geval wordt een nog sterkere begrenzing van de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel bepleit. De Groot meent in elk geval dat in het kader van kleine rechtshulp het vertrouwensbeginsel niet aan toetsing van buitenlands bewijsrecht aan binnenlands bewijsrecht in de weg moet staan. Onduidelijk is wat zij met deze formulering bedoelt. De opvatting dat in algemene zin en categorisch het bewijsrecht van de vreemde staat naast dat van Nederland dient te worden gelegd, zou opmerkelijk sterk afwijken van hetgeen elders in de literatuur en in de jurisprudentie wordt aangenomen. Aangenomen mag worden dat zij toetsing van de opsporing en resultaten daarvan in het buitenland aan binnenlands bewijsrecht bedoelt. Zij lijkt zich voor haar standpunt dienaangaande vooral te baseren op het principe dat de staat waar de berechting plaatsvindt bepalend is voor het toepasselijke recht: forum regit actum.7 Ook Sjöcrona en Orie betonen zich kritisch over een verdergaande werking van het vertrouwensbeginsel dan enkel ‘een praktische leidraad bij de beoordeling van uitleveringsverzoeken’ die inhoudt dat ‘niet zonder aanvaardbare reden getwijfeld wordt aan hetgeen de verzoekende Staat stilzwijgend of expliciet aan zijn verzoek ten grondslag legt’.8
Uit het voorgaande kan een onderscheid worden opgemaakt tussen een normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel met een lage toetsingsdrempel enerzijds en een dergelijke werking met een hoge drempel anderzijds. In het eerste geval, een lage toetsingsdrempel, houdt de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel in dat in concrete gevallen van samenwerking niet steeds, ongevraagd of niet, elk aspect en elk detail van de samenwerking moet worden getoetst. In de woorden van Sjöcrona en Orie houdt deze werking in dat er geen ruimte is voor onredelijke twijfel. Onredelijke twijfel wordt evenwel nergens in het recht aanvaardbaar geacht en deze werking van het vertrouwensbeginsel wijkt daarmee niet af van hetgeen elders in het recht, binnen en buiten het strafrecht, in foro gebruikelijk is en fungeert als smeerolie van de interstatelijke samenwerking.
De tweede opvatting over de (normatief-beperkende) werking van het vertrouwensbeginsel wordt evenwel ook breed aanvaard en houdt in dat een wezenlijke drempel moet worden gehaald om tot toetsing van een bepaald aspect over te gaan. Verschil van opvatting bestaat echter over de hoogte van deze drempel en de diepgravendheid van het eventuele onderzoek dat daarop volgt.
Veel auteurs wijzen in dat verband in elk geval op de sterke relatie tussen het vertrouwensbeginsel en het verdrag dat in de meeste gevallen tussen de beide staten geldt en het vertrouwen belichaamt. Het vermoeden van vertrouwen dient in elk geval te wijken als een verdrag zelf ruimte biedt tot toetsing van een bepaald aspect in de vorm van een verdragsrechtelijke voorwaarde voor rechtshulp of een weigeringsgrond.9 Het verdrag is te zien als een mengeling van vertrouwen en distantie.10 Het vertrouwen zelf wordt erin neergelegd en dat brengt verplichtingen met zich,11 maar ook de begrenzingen van het vertrouwen worden in het verdrag geformuleerd. Een uitleg van het vertrouwensbeginsel die zou inhouden dat de normatief-beperkende werking van het beginsel (het bestaan van het verdrag rechtvaardigt of dwingt tot terughoudende toetsing van het rechtshulpverzoek) de toetsing aan de in een verdrag geformuleerde voorwaarden en weigeringsgronden zou kunnen aftroeven (anders gezegd: dat vanwege het vertrouwensbeginsel een aspect niet wordt getoetst, terwijl het verdrag dienaangaande wel een weigeringsgrond kent), zou voor imperatieve weigeringsgronden in strijd komen met het volkenrecht (het verdrag schrijft dan immers volkenrechtelijk dwingend voor dat het verzoek bij toepasselijkheid van een imperatieve weigeringsgrond moet worden geweigerd). Voor facultatieve weigeringsgronden, die immers kunnen, maar niet behoeven te worden ingeroepen is van strijd met het volkenrecht bij een terughoudende toepassing van dergelijke weigeringsgronden geen sprake, maar vloeit een dergelijk terughoudendheid evenmin voort uit dat volkenrecht. Voor facultatieve weigeringsgronden is in beginsel wel verdedigbaar dat een staat, volkenrechtelijk onverplicht, terughoudendheid betracht bij de toepassing ervan. Discussie kan bovendien bestaan over de interpretatie van verdragsvoorwaarden en excepties.12 Over de wijze van interpreteren van verdragsvoorwaarden en excepties is geen algemene uitspraak te doen, behalve dat verdragen en dus ook daarin vervatte voorwaarden en excepties te goeder trouw dienen te worden toegepast en uitgelegd.13 Die goede trouw leidt niet zonder meer tot een restrictieve of extensieve uitleg van voorwaarden of excepties en dus ook niet tot een ruime of beperkte toepassing van het vertrouwensbeginsel (in normatief-beperkende zin en dus tot terughoudendheid in de toetsing van voorwaarden of excepties). Veel zal afhangen van de aard en strekking van een verdragsbepaling in samenhang met de aard van het rechtshulpinstrument dat in het geding is.