Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2:2 De literatuur over en een eerste invulling van het vertrouwensbeginsel
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2
2 De literatuur over en een eerste invulling van het vertrouwensbeginsel
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456968:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat verstaat men in de literatuur over interstatelijke strafrechtelijke samenwerking onder het vertrouwensbeginsel? Wat kan in algemene zin worden verstaan onder het vertrouwensbeginsel? Deze twee vragen staan in dit hoofdstuk centraal. De inhoud van dit hoofdstuk is daarmee tweeledig. Enerzijds geeft het een beschrijving en verkenning van de literatuur over het vertrouwensbeginsel. Anderzijds geeft het, vertrekkend vanuit het antwoord op de eerste vraag, ook al een globale omschrijving van wat het vertrouwensbeginsel in mijn optiek inhoudt. Het gaat daarbij enkel nog om een eerste invulling daarvan. Zoals in het vorige hoofdstuk uiteengezet, is een eenduidige definitie van het vertrouwensbeginsel niet te geven. In plaats daarvan schetst dit boek een typologie aan de hand van de dimensies die in de komende hoofdstukken nader worden uitgewerkt. Het is echter wel noodzakelijk om het speelveld van die dimensies in te kaderen. Die eerste inkadering van het speelveld van het vertrouwensbeginsel is het voor dit boek uiteindelijke doel van dit hoofdstuk en wordt, als gezegd, gegeven aan de hand van de bevindingen aangaande de eerste vraag naar wat men in de literatuur onder het vertrouwensbeginsel verstaat.
Een antwoord op die eerste vraag – Wat verstaat men in de literatuur over interstatelijke strafrechtelijke samenwerking onder het vertrouwensbeginsel? – begint bij de literatuur over uitlevering aangezien het vertrouwensbeginsel in het kader van dat instrument van interstatelijke strafrechtelijke samenwerking als eerste tot ontwikkeling is gekomen. Op bepaalde punten is die literatuur nagenoeg eenstemmig. Voor samenwerking is ten minste een minimum aan vertrouwen vereist. Het toepasselijke verdrag belichaamt dit vertrouwen. Op het bestaande vertrouwen wordt het uitgangspunt gebaseerd dat de verzoekende staat zich volgens de regels gedraagt. Dat leidt er weer toe dat terughoudendheid in de toetsing van verschillende aspecten van een verzochte rechtshulphandeling zou dienen te worden betracht. In de literatuur bestaat verschil van mening over de grenzen van het vertrouwen. Alle auteurs erkennen wel dat het vertrouwen in elk geval niet absoluut kan werken. Een belangrijke nuancering wordt gezien in de excepties en weigeringsgronden in een verdrag; met die weigeringsgrond stelt dat verdrag dan zelf het vermoeden dat het gestelde juist is en de verzoekende staat correct handelt ter discussie. De discussie spitst zich vooral toe op de vraag hoe ver een aangezochte staat mag gaan en omgekeerd hoe terughoudend hij moet zijn bij het toetsen van het rechtshulpverzoek.
In hoofdstuk 1 is uiteengezet dat het van belang is het onderscheid te maken tussen enerzijds vertrouwen als sociaalwetenschappelijk begrip en anderzijds het vertrouwensbeginsel als juridisch begrip. In dit hoofdstuk gaat het vooral om de vraag wat in de literatuur wordt verstaan onder het juridische begrip vertrouwensbeginsel als basis van interstatelijke strafrechtelijke samenwerking.
2.1 Noodzakelijk vertrouwen dat in een verdrag is gematerialiseerd2.2 De normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel2.3 Begrenzingen van de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel2.4 Het vertrouwensbeginsel en de nakoming te goeder trouw van verdragen (pacta sunt servanda)2.5 Het vertrouwensbeginsel en mensenrechtenverdragen2.6 Conclusie2.7 Leeswijzer