Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.6.4:8.6.4 Welke rol speelt het evenredigheidsbeginsel bij de wijziging van het begrip verwijtbare werkloosheid en is het meer voorzienbaar dan voor de wijziging van het begrip wanneer er sprake is van verwijtbare werkloosheid?
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.6.4
8.6.4 Welke rol speelt het evenredigheidsbeginsel bij de wijziging van het begrip verwijtbare werkloosheid en is het meer voorzienbaar dan voor de wijziging van het begrip wanneer er sprake is van verwijtbare werkloosheid?
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258958:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De CRvB bepaalde in de zes uitspraken van 18 februari 2009 dat met het oog op de rechtszekerheid het in de rede ligt om aan deze artikelen in het kader van de WW geen andere toepassing te geven dan tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zie bijvoorbeeld CRvB 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2392, USZ 2009/69 met annotatie van Red.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de Wet Boeten luidde de bepaling van de verwijtbare werkloosheidstoets in artikel 24 lid 2 sub a WW dat de werknemer verwijtbaar werkloos was geworden, indien hij zich verwijtbaar zodanig had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Die a-grond was in de praktijk moeilijk voorspelbaar en leidde ertoe dat niet alleen ernstige vormen van wangedragingen onder de sanctiegrond vielen, maar ook lichte vormen van wangedragingen die bij de ene werkgever wel en de andere niet tot werkloosheid leidde. De wijziging van de b-grond, welke in feite een eis van verzet van de werknemer was, leidde tot de pro-formaprocedures waarbij het moeilijk was om de werkelijke reden van de beëindiging te achterhalen.
Door de invoering van de beperkte verwijtbaarheidstoets in de WW in 2006 was de pro-formaproblematiek verdwenen, hetgeen een verbetering was van de smeeroliefunctie. De rechtspositie van de WW’er werd verbeterd door de grotere ruimte voor de persoonlijke omstandigheden bij de verwijtbaarheidstoets. De dringende reden in de WW werd in 2009 vanwege de rechtszekerheid en -eenheid aan de arbeidsrechtelijke jurisprudentie gekoppeld.1 Waar de maatregel in 1996 werd ontdaan van het evenredigheidsbeginsel (paragraaf 8.4.4), speelde door de koppeling van de jurisprudentie van artikel 7:678 BW bij de wijziging in 2006 dit beginsel in de voorvraag van verwijtbare werkloosheid een belangrijke rol. Naast het bepalen of er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW (en de vele omstandigheden die daarbij te pas komen) moet ook nog de voorzienbaarheid van de werkloosheid en de vraag of de dringende reden aan de werknemer verweten kan worden in de afweging mee worden genomen. De reikwijdte van het begrip werd duidelijk door de koppeling aan de arbeidsrechtelijke jurisprudentie, maar het is niet meer voorzienbaar geworden wanneer er sprake is van verwijtbare werkloosheid.