Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.3
10.4.3 De kern van de antimisbruikbepalingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491583:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het spreekt voor zich dat (de verdeling van) de bewijslast in de praktijk van groot belang is. Zie over de bewijslastverdeling ook Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.3.5.5, p. 42 en Brummer & Thijssen, WFR 2003/401, onderdeel 3.2.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 115, Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 71, Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 30 en nr. 202c, p. 25.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 150, Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 71, Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 30 en Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202c, p. 25-26.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 151 en Kamerstukken II 1999/00, 26 728, nr. 6, p. 74.
De antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 bestaat uit drie volzinnen:
De hoofdtoets staat in de eerste volzin: fiscale begeleiding is niet mogelijk als de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
De tweede volzin bevat het eerste bewijsvermoeden: afgezien van tegenbewijs wordt de splitsing geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als deze niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van splitsingspartners. Het ontbreken van zakelijke overwegingen levert dus een misbruikvermoeden op.
In de derde volzin is het tweede bewijsvermoeden opgenomen: wanneer aandelen in de gesplitste rechtspersoon of in een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing geheel of ten dele, direct of indirect worden vervreemd aan een lichaam dat niet met de gesplitste rechtspersoon en met de verkrijgende rechtspersonen is verbonden, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. De beschreven vervreemding resulteert dus in een onzakelijkheidsvermoeden.
Het is van belang scherp in het oog te houden dat het in alle gevallen uiteindelijk gaat om de hoofdtoets. De bewijsvermoedens uit de tweede en derde volzin staan in dienst van deze hoofdtoets uit de eerste volzin. Deze bewijsvermoedens zijn dus ‘slechts’ relevant voor (de verdeling van) de bewijslast en daarmee voor het antwoord op de volgende vraag: wie moet wat wanneer aannemelijk maken?1 De kern van de bewijslastverdeling is als volgt. De inspecteur dient in beginsel aannemelijk te maken dat de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Hij draagt dus de bewijslast voor de hoofdtoets.2 De beide bewijsvermoedens komen de inspecteur hierin tegemoet. Als de inspecteur aannemelijk maakt dat de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, wordt misbruik verondersteld en verschuift de bewijslast naar de belastingplichtige (misbruikvermoeden). Deze kan dan tegenbewijs leveren.3 Is sprake van een vervreemding van aandelen als bedoeld in het tweede bewijsvermoeden, dan worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht (onzakelijkheidsvermoeden). Het is vervolgens aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat de splitsing – ondanks de vervreemding – toch een zakelijke achtergrond had, althans niet in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.4
De antimisbruikbepaling van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001 bestaat (slechts) uit de eerste twee volzinnen. Zij bevat dus de hoofdtoets en een bewijsvermoeden in de vorm van het misbruikvermoeden, maar geen onzakelijkheidsvermoeden. Een vervreemding van aandelen binnen een bepaalde termijn heeft in die context dus geen bewijslastverschuiving tot gevolg.