De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/1.5:1.5 Het plan van behandeling
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/1.5
1.5 Het plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373420:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cools/Kroeze (2009), p. 68-69 en Rapport Lafarre/Schippers/Van den Bosch/Van der Elst/Van der Sangen (2018), p. 64.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek bestaat uit 12 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 vangt aan met een korte schets van de ontwikkeling van het enquêterecht met het oog de doeleinden en strekking ervan.
In hoofdstuk 3 staat de enquêtebevoegdheid van kapitaalverschaffers centraal. Dit is een omvangrijk hoofdstuk. Uit empirisch onderzoek blijkt dat de meeste enquêteverzoeken afkomstig zijn van de kapitaalverschaffers, veelal van de aandeelhouders.1 De meeste vragen over de toegang tot het enquêterecht doen zich dan ook voor bij de aandeelhouder. De enquêtebevoegdheid komt niet alleen toe aan de aandeelhouders, maar ook aan de certificaathouders. Zij zijn, net als aandeelhouders, verschaffers van risicodragend kapitaal zijn. Veel van de juridische aspecten die ik bespreek over de toegang tot het enquêterecht van de aandeelhouders gelden derhalve mutatis mutandis voor de certificaathouders. In de jurisprudentie en literatuur is voorts de vraag opgekomen hoe om te gaan met degenen die aandeelhouder noch certificaathouder zijn, maar uiteindelijk wel risicodragend kapitaal verschaffen aan de vennootschap (de economisch gerechtigden). Ik onderzoek tevens wanneer de economisch gerechtigde tot aandelen of certificaten toegang heeft tot het enquêterecht.
In hoofdstuk 4 bespreek in de ontvankelijkheidsvereisten voor de enquêtebevoegdheid van pandhouders en vruchtgebruikers. Daarnaast beantwoord ik de vraag of een pandhouder en vruchtgebruiker zonder ‘certificaathoudersrechten’ de enquêtebevoegdheid kan toekomen. Voorts bespreek ik de mogelijkheden die een kredietverschaffer met een pandrecht op aandelen heeft om via het enquêterecht in te grijpen bij een vennootschap.
De aandeelhouder of certificaathouder, de economisch gerechtigde tot aandelen of certificaten en de pandhouder of vruchtgebruiker van aandelen of certificaten moeten aan de kapitaalseisen van art. 2:346 lid 1 sub b of c BW voldoen om enquêtebevoegd te zijn. In hoofdstuk 5 bespreek ik op welk(e) moment(en) aan die kapitaalseis voldaan moet zijn.
In hoofdstuk 6 bespreek in een bijzonder type enquête: de zogenoemde concernenquête. Bij een concernenquête beveelt de OK een enquête naar het beleid en de gang van zaken van een moedervennootschap en haar dochtervennootschap(pen). Het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden een dergelijke enquête mogelijk is, blijft ook na de bekende Landis-beschikking van de Hoge Raad onzeker. De overwegingen op grond waarvan de OK concernenquêtes toewijst, lopen uiteen. In dat licht onderzoek ik welke omstandigheden een ‘neerwaartse concernenquête’ rechtvaardigen. Tevens bezie ik of een ‘opwaartse concernenquête’ vanuit de dochtervennootschap naar de moedervennootschap mogelijk is, en zo ja, onder welke omstandigheden.
Sinds 1 januari 2013 kan de vennootschap een onderzoek naar haar eigen beleid en gang van zaken verzoeken. In hoofdstuk 7 sta ik uitgebreid stil bij de voorwaarden waaraan het bestuur (of een bestuurder) moet voldoen om een enquêteverzoek namens de vennootschap in te dienen. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of bij de indiening van het enquêteverzoek sprake is van besluitvorming of vertegenwoordiging. Hetzelfde bespreek ik voor de raad van commissarissen en de niet uitvoerende bestuurders in een one tier vennootschap. Vervolgens behandel ik de werking van art. 2:349 lid 1, derde volzin, BW ingeval de vennootschap zelf een enquêteverzoek doet. Als laatste komt de enquêtebevoegdheid van een geschorste bestuurder en commissaris aan bod.
Hoofdstuk 8 gaat over de enquêtebevoegdheid van de curator. Ook hij is een nieuwkomer in het enquêterecht per 1 januari 2013. De curator is bevoegd een enquêteverzoek in te dienen bij de rechtspersoon in wiens faillissement hij is aangesteld. Tot op heden heeft de curator nimmer gebruikgemaakt van zijn enquêtebevoegdheid. Mede gelet op deze inactiviteit, rijst de vraag wat het belang is van de curator bij zijn enquêtebevoegdheid. Daarnaast onderzoek ik hoe de taak van de curator zich verhoudt met de doeleinden, aard en inrichting van de enquêteprocedure. Als laatste besteed ik aandacht aan de werking van art. 2:349 lid 1 BW in faillissementssituaties en de onderzoekskosten.
In hoofdstuk 9 staat de toegang tot het enquêterecht van de werknemers centraal. Op grond van de huidige enquêteregeling kunnen zij hun stem binnen de enquêteprocedure enkel laten gelden via de vakbond. Ik bespreek de vereisten waaraan een vakbond moet voldoen voor enquêtebevoegdheid. Aan de toepassing van die vereisten schenk ik in het bijzonder de aandacht indien er ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek geen leden meer werkzaam zijn in de onderneming van de te onderzoeken rechtspersoon en bij de concernrechtelijke uitleg van de enquêtebevoegdheid van de vakbond. Tot op heden maken vakbonden weinig gebruik van hun enquêtebevoegdheid. Gelet op deze geringe enquêtebereidheid van de vakbonden onderzoek ik of het enquêterecht (niet ook) aan de ondernemingsraad moet toekomen. Ik geef een overzicht van alle voor- en nadelen van een wettelijk enquêterecht voor de ondernemingsraad.
De enquêtebevoegdheid van de Advocaat-Generaal (A-G) bij het ressortsparket komt aan bod in hoofdstuk 10. De A-G is bevoegd tot het indienen van een enquêteverzoek wanneer het openbaar belang dat vergt. De aanwezigheid van een openbaar belang is een ontvankelijkheidsvereiste voor een verzoek op grond van art. 2:345 lid 2 BW en art. 2:355 lid 1 BW. Over de al dan niet beperkende werking van het begrip openbaar belang is met name in de wetsgeschiedenis veel van doen geweest. Aan de hand van die wetsgeschiedenis, de rechtspraak en literatuur definieer ik wanneer een openbaar belang in het geding kan zijn. De A-G maakt zelden gebruik van zijn enquêtebevoegdheid. De mogelijke oorzaken voor die terughoudende opstelling komen aan bod. In dat kader onderzoek ik of het opportuniteitsbeginsel geldt bij een optreden van de A-G in het enquêterecht, en zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn. Ik kom tot een aantal aanbevelingen om een actievere opstelling van de A-G naar geldend recht te bewerkstelligen. Ik sluit af met een alternatieve gedachte over de enquêtebevoegdheid om redenen van openbaar belang. De langdurige inactiviteit van de A-G in het enquêterecht roept bijvoorbeeld de vraag op of de enquêtebevoegdheid niet beter overgeheveld kan worden naar een andere instantie.
Hoofdstuk 11 ziet op de verschillende juridische aspecten die een rol spelen bij de toekenning van de enquêtebevoegdheid bij statuten of overeenkomst met de (beurs)vennootschap.
Elk hoofdstuk is afgesloten met een conclusie. Hoofdstuk 12 behelst een samenvatting van deze conclusies.